--En hoe vindt u dat boek, Vaders en Zonen?
--Moeten we het weer over literatuur hebben? Dat is moeilijk te zeggen,
juffrouw, we zijn op het oogenblik in 1918...
--Wat heeft de tijd met een kunstwerk...?
--Pardon, niets en alles. Vooral een boek als dit, dat de schreeuw
van een tijd is. En die tijd is lang voorbij, al zult u de antagonie
tusschen aristocraat en plebejer zelden scherper geteekend vinden.
--Dus...
--Och, juffrouw, het "moderne" is zoo gauw oud. En de menschen
zijn zoo ondankbaar, zoo vergeetachtig en zoo ingebeeld, vooral de
"moderne". Maar toch leeft dit boek nog met een diep-stroomend,
doorzichtig, gevoelig leven.
--Echt Russisch.
--Ja, juffrouw, ik weet, wat u zeggen wilt. Maar drinkt u uw thee
eens op. Nog een koekje?
--Dank u. Ik bedoelde, in Russische boeken, zijn daar niet altijd
van die rare menschen?
--Pardon, raar zegt u? Dat had ik niet verwacht. Ja... nee... dat
geloof ik niet. Maar u vindt, dat je in dit boek eigenlijk niet van
die rare menschen ontmoet? Die Bazarof is nog de gekste, noemt zich
een nihilist, gelooft aan geen enkele autoriteit. Dat vindt u niets
vreemd, wel? Overwonnen standpunt. 1918! In Américain zitten ze nog
veel gekker tegenwoordig en met theorieën! Heeft u gezien...
--Ja.
--Maar vergeet u niet, dat die Bazarof een eersteling was in
de literatuur. Toergenef heeft voor hem het woord nihilist
uitgevonden. En hebt u gemerkt, hoe de conservatieve edele
landeigenaren daarvan schrokken? Eerstelingen kunnen de menschen
nooit goed verdragen. Vandaar dat Paul Kirsanof met Bazarof duelleert.
--Wat is het landleven van die Russische heeren fijn geteekend.
--Ja, zoo eenvoudig-reëel en tegelijk zoo dichterlijk.
--Zou dat komen, omdat het leven werkelijk zoo dichterlijk is, of
omdat de schrijver het zoo ziet?
-- Een beetje dilettantisch die vraag. Ik denk allebei. Leest u er
den eersten besten kunst-betweter criticus maar op na. Nog een kopje
thee? Maar even inschenken?
--Dank u. Maar vindt u ook niet, dat een Russisch boek altijd zoo
een eigen atmosfeer heeft, zoo iets anders...
--Omdat er wel een Russische ziel is, maar geen (west)-europeesche. Ten
minste nu niet. Omstreeks 1800 wel, toen leefde de romantiek. Hebt
u gemerkt, hoe die Russen eigenlijk nog vol-bloed romantici
zijn. Ten minste de ouderen, de "vaders". Bazarof gaat daar als
nihilist d. w. z. materialist tegen te keer. Hij wil immers niet
gevoelig zijn. Hij leest niet Poesjkien, maar Büchner! Heel Europa
is later vermaterializeerd. In West-Europa zijn dat de winkeliers,
de kaaskoopers, de effectenhandelaars, de fabrikanten geworden.
--De bourgeoisie?
--Ja, vooral zonder hoofdletter! De Jan Salie van Potgieter, de
Droogstoppel van Multatuli, de Jan Publiek van tegenwoordig. In
Rusland is het heel anders gegaan. Daar heb je geen bourgeoisie,
geen middenstand, geen "ontwikkelde burgerij".
--Zalig land.
--Past u op, want de "nette burger" heeft geweldige argumenten, die
zijn bloei schijnen te rechtvaardigen.--In Rusland bleef de romantiek
in den landedelman, met zijn patriarchale tradities, in den boer,
met zijn innige religieuziteit en onderworpenheid aan het gezag, in
den student, die met heel zijn nihilisme en anarchistische neigingen
voor een waarheid strijdt en lijdt, voor een ideaal. Praat, praat en
droomt... daar hebt u de Russische ziel. Maar steekt u een sigaret op,
dan zal ik wat licht maken... zoo... dat is gezelliger...
--Maar leeft die ziel ook niet in Bazarof's moeder,
fanatiek-bijgeloovig en zoo vol liefde, dat ze haar zoon niet durft
vragen, hoe lang hij blijven wil, uit vrees, dat hij zeggen zal,
ik ga morgen weer weg...
--Ja, angst voor de machten en overgave aan het ideaal.
--En dan die vader, zoo zwak, onzeker en vol vertrouwen. En al die
anderen, die zooveel zwaarwichtig redeneeren en zoo weinig doen... Wij
houden toch meer van handelen.
--In theorie. Maar dikwijls blijft het bij het "houden van". Dat is
immers begrijpelijk en in-menschelijk. En dat is nu ook Russisch:
daar rond voor uitkomen. West-Europa huichelt; de west-europeesche
burger huichelt op zijn kantoor en in zijn salon, op zijn straat en
in zijn schouwburg, overal en altijd. De Rus zegt alles, leeft naar
zijn innerlijkst beleven. Daarom sprak u straks van raar.
--Dostojefski...
--Laten we hem laten rusten. Toergenef was zijn tijdgenoot, maar beter
gesitueerd en dus rustiger, blijmoediger. Maar zijn gevoeligheid voor
wat zwak, droevig en teeder is, zijn ironische glimlach voor wat er
onder de menschen beglimlachenswaard is, heeft hij met alle romantici
gemeen. De gevoelens zijn eeuwig, maar de gedachten wisselen. En al
schijnt dit boek een strijdschrift, een uiteenzetting van theorieën,
een tegenover elkander plaatsing van oud en nieuw (zijn tijdgenooten
verweten hem, den draak met het heilige nieuwe te steken!), toch is het
in de eerste plaats een lied van stemmingen, het lied van de Russische
maatschappij in 1860, en weer eens blijkt ons de machteloosheid
en de gevoelsrijkdom van het zuiver-menschelijke. Bazarof is een
tragische figuur, omdat ook hij tot niets komt. Vóor hij aan de daad
toe is, achterhaalt hem de dood. Dit heeft een dieper zin; op zijn
sterfbed fluistert hij zijn bijna-geliefde toe: "een vertrapte worm,
die nog kronkelt. Ik dacht nog veel te doen. Ik had een taak, en
nu heb ik alleen nog maar flink te sterven, al kan dat niemand ook
wat schelen"... En ook hij, de materialist, de cynicus, de afbreker
van al het bestaande, is een armzalig idealist... een mensch... Hij
belichaamt de fataliteit van alle menschelijk streven, de ondergang in
den opgang. En dit is de stille en diepe daad van een kunstenaar, dat
hij altijd weer laat zien, hoe de daad, of zelfs al de wil-tot-de-daad
zichzelf verslindt, opgaat in den onafgebroken stil-ruischenden droom,
die het leven heet.
--En zijn vriend Arkadiej is niet veel...
--Nee, de even-prater, de naïeve enthousiast, de middelmatigheid in
persoon, het soort, dat u zoo gewoonlijk ontmoet.
--Maar de vrouwen?
--O, de vrouwen, dat is een nieuw hoofdstuk. Maar wilt u niet eens
die mocca krakelingetjes probeeren?
--Nee, dank u, maar wel graag een sigaret.
--Alstublieft... ja, dat zullen ze wel een beetje raar vinden, als
ze dat lezen. Die Anna Sergejevna en dat zusje van haar, zijn niet
eens hyst..., o pardon, ik bedoel, niet eens modern.
--Zoo ouderwetsch.
--Zoo koel... anæsthesie noemen ze dat meen ik tegenwoordig. En ze
zullen het niet gelooven, als iemand zegt, dat daar diepe krachten
verborgen zijn. Leest u hoofdstuk 18 en 19 en voel, hoe dat innerlijk
trilt en zoekt en huilt van verlangen en schaamte en... onmacht
tot liefde.
--Niet kunnen lief hebben, dat is vreeselijk.
--U zucht, juffrouw, ja, dat is wel vreeselijk, maar hier ligt ook de
hoofdoorzaak van het "moderne conflict", van Strindberg af tot wie u
maar wilt uit uw naaste omgeving. Dat hangt samen met de ontwikkeling
van het materialisme en met de "cultuur". Kijk eens, hoe sterk en
mooi Bazarof is in zijn begeeren, hoe eerlijk en gezond, maar "Zij"
is fijn en valsch en gecultiveerde femme du monde.
--En haar zusje?
--O, die laat zich gewoon ten huwelijk vragen, en zegt ja, als het
slachtoffer een kwartiertje leugentjes gestotterd heeft. Toergenef
zegt fijntjes: het succes van zulke meisjes hangt af van haar manier
van zuchten op het juiste oogenblik...
--Maar het meisje van nu is niet meer zoo...
--Natuurlijk niet, juffrouw, maar zulke domme jongens zijn er ook
niet meer, ten minste... lacht u?
--Nu ja, omdat u lacht.
--O... Maar weet u, wat echt niet meer bestaat? Zoo'n Fenitsjka,
dat eenvoudige meisje, dat den ouden Kirsanof haar leven en een kind
gegeven heeft en nu in zijn huis woont er er een zonnetje is... en
toch niet zijn vrouw... Want ze heeft hem zoo innig lief. Is dat
negende hoofdstukje niet een idylle, die aan Herman en Dorothea doet
denken? Noem dat gerust romantische liefde, maar een leelijk woord
duld ik hier niet. Want dat zou een laagheid zijn.
--Nog één ding, de compositie van den roman is me opgevallen.
--Eenvoudig, naïef bijna, vond u niet? Zoo eenvoudig, als de
karakters scherp, met duizend fijnheden geteekend zijn en leven,
leven... Toergenef brengt zijn menschen gewoonweg ergens onder dak,
laat ze daar leven en praten en droomen. En als hij nieuwe combinaties
noodig heeft, dan laat hij ze op reis gaan. De paarden draven langs
den weg. Een ander huis verschijnt. En de menschen leven, praten en
droomen weer in een andere verhouding. De menschen handelen niet,
zij worden gehandeld. En dit is erg bekoorlijk... Weet u nog uit
onzen genialen tijd: Man glaubt zu schieben, und man wird geschoben?
--Ja, die herinneringen,... toen woonde u in een klein kamertje...
--In de W... straat.
--En iederen Dinsdagavond...
--Och ja, die Russen zijn wel wijs in hun naïeveteit. Vergeeft u me
die gemeenplaats, maar men dweept tegenwoordig zoo met de Russen...
--... misschien niet ten onrechte... het is zoo: menschen praten met
elkaar in een kamer, en er komt iets tusschen hen... en dan gaan ze
weg, in een ander huis... en daar zijn ook weer menschen.
--En dat wordt dan de roman!
--"Uit het leven".
--Juist, juffrouw.
--Weet u niet meer, hoe ik heet?
--Jawel, maar laten we niet persoonlijk worden...
Januari 1918. S.