--Zoo ben je dan eindelijk candidaat en op weg naar huis, sprak
Nikolaas Petrowitsj, klopte hem nu eens op de knieën, dan weer op
zijn schouders.
--Eindelijk!
--Hoe is 't met oom? Gezond? vroeg Arkadiej, die, niettegenstaande
zijn oprechte, bijna kinderlijke blijdschap, liever een wat kalmer
toon in het gesprek zag aangenomen.
--Hij is wel. Hij had eerst met mij mee willen gaan jou tegemoet
rijden. Maar hij is van plan veranderd.
--Hebt u lang op mij gewacht? vroeg Arkadiej.
--Ja, bijna vijf uur.
--Beste papaatje!
Arkadiej keerde zich levendig tot zijn vader en drukte hem een kus
op de wang. Nikolaas Petrowitsj glimlachte even.
--Je zult zien, wat voor een paard ik voor je heb, zei hij. Je zult
zien. En je kamer is opnieuw behangen.
--Is er ook een kamer voor Bazarof?
--Voor hem zal ook een kamer gevonden worden.
--Wees vriendelijk tegen hem, papa. Ik kan u niet zeggen hoe ik op
zijn vriendschap gesteld ben.
--Ken je hem al lang?
--Nog niet lang.
--Daarom heb ik hem den laatsten winter niet gezien. Wat doet hij
alzoo?
--Zijn hoofdvak is natuurwetenschappen. Maar hij weet alles. Het
volgend jaar zal hij zijn doctorsgraad halen.
--Aha, hij studeert dus medicijnen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj
en zweeg toen.
--Peter, riep hij dezen toe en wees met de hand, gaan daar niet van
onze boeren?
Peter keek den kant uit, die zijn heer hem gewezen had. Eenige
karren, met paarden zonder toom ervoor, reden snel langs een smallen
landweg. Op elke kar zaten een of twee boeren met de pelzen open.
--Ja waarachtig, antwoordde Peter.
--Waar gaan die naar toe? Naar stad soms?
--Waarschijnlijk wel naar stad. Naar de kroeg, zei hij op verachtenden
toon, en wendde zich tot den koetsier, als om zich op hem te
beroepen. Maar deze roerde zich niet, hij was een man van het oude
regiem en niet toegankelijk voor de nieuwe denkbeelden.
--De boeren veroorzaken mij veel zorg dit jaar, sprak Nikolaas
Petrowitsj, en keerde zich tot zijn zoon. Ze betalen hun pacht
niet. Wat zou jij doen?
--Bent u tevreden met de loonarbeiders?
--Ja, antwoordde Nikolaas Petrowitsj tusschen de tanden door. Maar
ze worden opgestookt, dat is de kwaal. En dan werken ze niet met den
echten ijver. En vernielen de spannen der paarden. Zij ploegen ook,
maar hoe? Er is gemalen. Meel zal er wel zijn. Doe jij tegenwoordig
soms aan landbouw?
--Er is hier geen schaduw, dat is jammer, zei Arkadiej zonder op de
laatste vraag te antwoorden.
--Ik heb aan de noordzijde boven het balkon een groote markies
laten aanbrengen, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, we kunnen nu in de
buitenlucht eten.
--Dat zal wel erg op een villa lijken. Maar dat is het minste. Wat is
de lucht hier zuiver! Wat ruikt dat heerlijk. Werkelijk, ik geloof,
dat het nergens ter wereld zoo ruikt, als in deze streken. En dan
die hemel hier...
Arkadiej zweeg plotseling, wierp een steelschen blik achter zich en
hield zich stil.
--Natuurlijk, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, je bent hier geboren
en dus moet alles je hier bizonder...
--Nu, papaatje, dat is vrijwel onverschillig, waar iemand geboren is.
--Maar...
--Neen, dat doet er werkelijk niet toe.
Nikolaas Petrowitsj keek zijn zoon van terzijde aan en het voertuig
legde een halve werst af, voordat zij het gesprek hervatten.
--Ik herinner mij niet, of ik je geschreven heb, begon Nikolaas
Petrowitsj, dat je oude min, Jegorovna gestorven is.
--Is het waar? Het arme oudje! En Prokofitsj, leeft nog?
--Die leeft nog en is volstrekt niet veranderd. Hij bromt nog als
van ouds. Waarschijnlijk zul je geen groote verandering aantreffen
op Marjino.
--Hebt u nog denzelfden opzichter?
--Nee, hierin heb ik verandering gebracht. Ik besloot, niet langer
vrijgelaten, gewezen-lijfeigenen in dienst te houden, of tenminste
hun geen verantwoordelijke posten te geven.
Arkadiej wees met de oogen naar Peter.
--Il est libre. En effet, fluisterde Nikolaas Petrowitsj. Maar hij
is kamerdienaar! Ik heb nu een opzichter uit den burgerstand [3],
een degelijk man, naar mij schijnt. Ik geef hem tweehonderd roebel
per jaar. Overigens, ging Nikolaas Petrowitsj voort, voorhoofd en
wenkbrauwen met de hand aanrakend, wat bij hem altijd een teeken
was van innerlijke verlegenheid, ik heb je al gezegd, dat je geen
veranderingen op Marjino zult aantreffen. Dat is evenwel niet heelemaal
juist. Ik meen je te moeten zeggen, ofschoon...
Hij hield een oogenblik op en ging vervolgens voort in de Fransche
taal:
--Een streng moralist zou mijn oprechtheid zeker onpassend vinden,
maar in de eerste plaats, kan het niet verborgen blijven, in de
tweede plaats weet je wel, dat ik altijd mijn bizondere opvattingen
had omtrent de betrekkingen tusschen vader en zoon. Overigens heb je
ten slotte het recht mij te veroordeelen. Op mijn leeftijd... kortom,
dit... dat meisje, over wie je waarschijnlijk veel hebt hooren
spreken...
--Fenitsjka? vroeg Arkadiej vrijmoedig.
Nikolaas Petrowitsj bloosde even.
--Spreek den naam alsjeblieft niet zoo luid... Nu, ja, ze woont nu bij
me. Ik heb twee kleine kamertjes in huis voor haar ingericht. Overigens
kan alles nog veranderd worden.
- Maar waarom, papaatje, waarom?
--Je vriend zal bij ons logeeren;... wat moeilijk...
--Maak u omtrent Bazarof niet ongerust. Hij is over al die dingen heen.
--Ook voor jou ten slotte, zei Nikolaas Petrowitsj. De vleugel is in
slechten toestand.
--Neem me niet kwalijk papaatje, je schijnt je te willen
verontschuldigen. Zoo nauw hoeft u het niet te nemen.
--Dat moest ik juist wel, antwoordde Nikolaas Petrowitsj, die meer
en meer bloosde.
--Schei uit, papaatje, schei uit alsjeblieft! glimlachte Arkadiej.--Je
voor zoo iets verontschuldigen! dacht hij en een gevoel van teedere
genegenheid voor dien zwakken en goeden vader, vermengd met een zeker
overwicht aan moreele kracht ontwaakte in zijn ziel.
--Laten we ophouden hierover, zei hij nog eens, onwillekeurig genietend
van het bewustzijn van eigen geestelijke vrijheid.
Nikolaas Petrowitsj keek naar hem door de vingers van zijn hand,
waarmede hij voortging, zijn voorhoofd te wrijven, en iets stak hem
in het hart... Maar hij klaagde zich zelve aan.
--Hier beginnen onze velden, sprak hij na een lange poos van zwijgen.
--Maar dat woud daar vóór, hoort dat ook van ons? vroeg Arkadiej.
--Ja, dat is van ons. Maar ik heb het verkocht. Dit jaar nog zal
het verdwijnen.
--Waarom hebt u dat verkocht?
--Ik had geld noodig. En buitendien al dit land komt weldra aan
de boeren.
--Aan die, welke geen pacht betalen?
--Dat is hun zaak. Maar ten slotte zullen ze wel wat betalen.
--Jammer van het woud, zei Arkadiej en keek in het rond.
De streek, waar ze doorheen reden, was niet bizonder
schilderachtig. Velden, alles velden, zich uitstrekkend tot den
horizon, zachtjes stijgend en dan weer dalend. Hier en daar kleine
boschjes; en begroeid met verschillende soorten laag struikgewas,
strekten zich ravijnen uit, herinnerend aan de afbeeldingen op de
oude kaarten uit den tijd van Catharina. Men stootte ook op beekjes
met kale oevers of op vijvers met afgebrokkelde randen en dorpen met
lage hutten onder donkere uitgerafelde rieten daken; en ellendige
dorschschuren met wanden van gevlochten takken en gapende openingen;
kerken, sommige van baksteen met afschilferend pleisterwerk, andere
van hout met scheefstaande kruisen en verwaarloosde doodenakkers.
Het hart van Arkadiej werd min of meer beklemd.
Alsof het met opzet geschiedde, waren alle boeren, die zij tegenkwamen,
ongelukkig van uiterlijk, op stumperige paardjes. De wilgen langs den
straatweg schenen wel bedelaars met hare kale stammen en afgesneden
takken. Koeien, slecht verzorgd, mager en schuw, graasden hongerig
langs de slooten. Men zou kunnen denken, dat ze met schrik ontkomen
waren aan roofzuchtige klauwen en te midden van de jonge lentepracht
herinnerden die arme dieren aan den onbarmhartigen, eindeloozen winter
met zijn vorst en sneeuwstormen.
--Neen, peinsde Arkadiej, dat is geen rijk land, geen welstand,
geen spoor van arbeid en vlijt. Zoo kan het niet blijven. Daar moet
verandering in komen... maar hoe?...
Het voorjaar intusschen groende rondom. Onder den teederen adem
van een luwen wind scheen alles te zwellen, het glansde aan boomen,
bosschen, velden. Overal klonken zonder ophouden de lange trillers
der leeuweriken, kieviten zweefden roepend boven de vochtige weilanden
of stapten rustig over de donkere aardkluiten. Kraaien met hun zwart
gevederte scherp afstekend tegen het zachte groen, vertoonden zich hier
en daar, alleen in de rogge, waren ze moeilijker te onderscheiden,
alleen wanneer hun zwarte koppen boven de golvende arenzee kwamen
uitsteken. Arkadiej bewonderde dit alles en zijn ernstige gedachten
vervluchtigden langzamerhand. Hij ontdeed zich van zijn mantel en keek
naar zijn vader zoo opgeruimd en kinderlijk, dat deze niet nalaten
kon hem nogmaals te omhelzen.
--Zoodra we dien heuvel voorbij zijn, kunnen we het huis zien liggen,
zei hij. We zullen elkaar wel begrijpen, jongen. Jij helpt ons het
goed beheeren, als je lust hebt en het je niet verveelt. We moeten
elkander goed leeren kennen, ons nauw aaneensluiten, is 't niet?
--Zeer zeker, antwoordde Arkadiej,--wat een heerlijke dag!
--Ter eere van jouw komst, mijn jongen. Ja, de lente staat nu op
haar mooist. Trouwens, het gaat mij als Poesjkien. Herinner je je,
Jevgeni Onegin:
Hoe weemoedig maakt gij mij,
Lente, lentetijd van liefde,
Hoe...
--Arkadiej!--klonk Bazarofs stem uit den tarantas, stuur me
lucifers. Ik kan mijn pijp niet aankrijgen!
Nikolaas Petrowitsj zweeg en Arkadiej, die met eenige bevreemding,
maar niet zonder belangstelling geluisterd had, haastte zich Peter
met een zilveren doosje naar Bazarof te sturen.
--Wil je een sigaar? vroeg deze.
--Graag, antwoordde Arkadiej.
Peter bracht met het doosje een dikke, zwarte sigaar mede terug, die
Arkadiej dadelijk opstak, maar die zoo zwaar rookte, dat Kirsanof,
die nog nooit gerookt had, het hoofd afwendde, zonder echter zijn zoon,
dien hij niet wilde storen, zijn tegenzin te toonen.
Een kwartier later hielden de beide voertuigen stil voor het bordes
van een houten, nog nieuw huis met grijs bepleisterde muren en
rood-ijzeren dak.
Dit was Marjino, ook wel het nieuwe Erf of door de boeren het Oude
mannenhuis genoemd.