SLOT.

De beschrijvingen van het uiterlijk van den Prins van Oranje stemmen

tamelijk wel overeen. Niet aldus het oordeel over zijn karakter. Zelfs

is bijna geen historisch persoon van beteekenis zoo verschillend

beschreven als hij. Door zijn vijanden werd hij gehaat, door vroegere

geschiedschrijvers uitbundig geprezen of belasterd en weinig door

zijn warmste aanhangers begrepen. Volgens mijne meening zat er in

zijn jeugd meer in hem dan hij zelf wist en kwam de werkelijke waarde

van zijn karakter eerst langzaam te voorschijn. Misschien is het goed

voor een man, een onbezorgde jeugd zonder veel verantwoordelijkheid

te hebben. In een zekeren zin had hij die nooit. Zijn later gebrek

aan spontaneïteit, het berekenend element van zijn karakter, zoo

onaantrekkelijk bij een jongen man, waren zeker het gevolg van zijne

vroegtijdige verantwoordelijkheid. Hij dacht voor hij handelde en

bij zijn handelingen werd hij door verreikende beweegredenen geleid;

politiek was de voornaamste bron van al zijne daden. Langs politieken

weg ontwikkelde zich zijn edele gezindheid.

Over het geheel genomen was Oranje in zijn latere jaren een beter man

dan hij beloofde te zijn in de dagen, toen hij het troetelkind der

fortuin aan het hof van Karel V was, toen het lot hem vriendelijk

tegenlachte en zijn pad gemakkelijk scheen. In die dagen was hij

wereldsch en eerzuchtig, zeer gewillig om zijn levensboot te sturen

overeenkomstig de winden, die uit het Zuid-Westen van het hof van

Spanje waaiden, wanneer daarvan voordeel voor zich of zijn familie

te wachten was. Want persoonlijke eerzucht was het niet alleen. De

Nassau's hadden een groot familiezwak en waren zeer aan elkander

gehecht; de hartelijkste gevoelens heerschten onder hen, gelijk elke

brief van moeder en zoons, van broeder aan broeder ons bewijzen kan.

Theologische begrippen bekommerden den Prins op vroegen leeftijd

allerminst. Hoewel opgevoed in Luthersche denkbeelden, voegde

hij zich geheel naar de praktijk van den hofkring, waarin hij zich

bewoog. Om waarneming van godsdienstige gebruiken gaf hij niet veel. In

zijn huwelijk met Anna van Saksen kwam de plooiende aard van zijn

karakter sterk uit. Tusschen de zandbanken van het ultra-katholicisme

eenerzijds en de klippen van het Protestantisme aan den anderen

kant zeilde hij heen, en hij bereikte zijn doel; het huwelijk werd

evenmin door den meest katholieken koning veroordeeld, als dat het

door Anna's ultra-Lutherschen grootvader werd tegengehouden. Wat

hij onder die omstandigheden kon doen, dat deed hij en bewees zijne

onafhankelijkheid, zoover die toen in zijn vermogen lag. Doch het

moet erkend worden, dat er zich in dat tijdvak in den jongen Prins

geen heldennatuur openbaarde. Hij miste warmte en er smeulde in hem

niet die levenwekkende vonk, die in staat is een vuur van sympathie

te ontsteken.

Of hij op het ontvangen der merkwaardige vertrouwelijke mededeeling

van Hendrik II in het bosch van Vincennes, onmiddellijk besloot,

zich aan de levenstaak te wijden, om godsdienstvervolging tegen te

gaan, mag betwijfeld worden. Maar zeker begon er in dat jaar 1559 in

de Nederlanden een haat te ontstaan tegen de vreemde overheersching;

en ook de houding van Oranje veranderde tegenover dien souverein, voor

wien hij als jong officier met het grootste geduld, in 't aangezicht

van den vijand, de forten Philippeville en Charlemont had gebouwd. De

verantwoordelijkheid, die op hem als medelid der regeering rustte,

begon in dat jaar mee te tellen.

Zeker had de Prins toen nog niet den werkelijken geest van

verdraagzaamheid, die hem in later tijd kenmerkte, maar hij gevoelde

er afkeer van, een waardig volk slecht behandeld te zien. Toen

Granvelle steeds onbeschaamder optrad, toen de scheidsmuur tusschen

vreemdelingen en inboorlingen steeds hooger werd opgetrokken, toen

de inquisitie als een roofvogel, niets dan kwaads voorspellende,

zich vertoonde en zich boven het vredelievende, handeldrijvende en

nijvere land nederzette, toen begon hij naar middelen uit te zien,

om dien vogel uit zijn nest te verjagen. Het was niet, omdat hij

de leerstellingen van het hervormd geloof was toegedaan, dat hij de

poging haatte, om de vrijheid van het volk te onderdrukken, maar het

was, omdat hij begon in te zien, dat het volk rechten had en dat een

natie niet kon bestaan zonder het vermogen om adem te halen.

De jaren tusschen 1563 en 1567 zijn zeer belangrijk voor de

ontwikkeling van 's Prinsen karakter. De brieven gewisseld tusschen

Graaf Lodewijk en verschillende menschen in Duitschland, bewijzen

duidelijk, hoe lang de weerstand tegen de tirannieke maatregelen werd

voorbereid. Toch ging Oranje gedurende dat tijdvak standvastig voort,

met zijn plicht te doen als stadhouder van den afwezigen koning en als

vriend en raadgever van de regentes. Er is in dien tijd een zekere

tegenstrijdigheid en onvereenigbaarheid tusschen zijn gemeenzame

woorden en zijn uitingen van trouw aan den koning. Toch was hij reeds

toen in zijn oordeelvellingen over Filips vrij en onbeschroomd, zoowel

in brieven, die door hem in vereeniging met Egmond en Hoorne werden

geschreven als in zijn eigen brieven, waarin hij duidelijk aan Filips

te kennen gaf, dat zijn regeeringsmanieren niets goeds zouden uitwerken

in een land, door den vrijen noordenwind bestreken, onder een volk,

welks wereldhandel het reeds tot zelfstandig denken had opgevoed.

Hij gaf zich geen rekenschap van al het voor en tegen, dat in zijn

geest opkwam en zoo waren gedurende die jaren enkele zijner daden

verre van idealistisch; doch terwijl 's konings zegels hem nog

waren toevertrouwd, deed hij ongetwijfeld zijn best, om den wil van

Filips te volvoeren, al weigerde hij ook tot een zekere grens zijne

gehoorzaamheid. Het keerpunt in zijn loopbaan was zijn vertrek uit

de Nederlanden. De geheele toekomst zag hij niet--welk mensch kan

dat? Langzaam ging hij voort van punt tot punt en langen tijd liet

hij een weg open, om zich met den vorst te verzoenen, tegen wien hij

het zwaard had opgenomen.

Lang voor hij den katholieken koning afzwoer, verbrak hij de trouw aan

de katholieke kerk. Na dien stap veranderden wel zijne godsdienstige

uitingen, maar daarom was hij nog niet een godsdienstig man geworden

in den zin, dat voor hem een godsdienstige overtuiging zijn steun en

gids zou zijn, gelijk het dat wel was voor tallooze kleine luiden

in de Nederlandsche gewesten, die zoowel in de oude kerk als onder

het nieuw geloof vol blijmoedigheid vervolging verdroegen; of gelijk

het dat was voor zijn moeder Juliana. Deze gevoelde, dat God alles

bestuurde, dat Hij met alles een doel had, en dat elke aardsche

gebeurtenis voor het bestwil der menschen plaats had, al kon men

niet altijd begrijpen, waarom alles aldus geschiedde. Oranje hoopte,

dat de hoogere machten met hem zouden zijn, maar hij geloofde in de

noodzakelijkheid der menschelijke waakzaamheid. De overtuiging, dat

er een dieperliggend geestelijk doel in Gods bestuur lag, ontstond

zeer langzaam in zijn ziel. Hij geloofde in God en godsdienst en ook

in uitwendigen eeredienst, maar hij gevoelde ook de tegenstrijdigheid

van het aandringen op gelijkvormigheid van godsdienstige gebruiken;

dit laatste was echter niet zijn vroegere meening.

Nog minder theologisch dan ritueel was hij in die bij uitstek

theologische eeuw. Hooft vertelt, dat hij, voor hij de Nederlanden

in 1567 verliet, Lutherschen, Calvinisten en Anabaptisten opwekte, om

tot een overeenkomst in geloof te komen, waaraan ze zich allen zouden

kunnen houden. "Het geschil is te kleen, om dierhalve gesplijt te

blijven." "Laat toch die kleine verschilpunten u niet verdeelen," zoo

sprak hij. Voor hem waren de verschilpunten zeer klein en onwezenlijk;

wat hij wenschte was, dat elk mensch datgene kon verkrijgen, wat hem

het eene noodige scheen.

In 1580 was Utrecht in hevige beroering door de prediking van Huibert

Duifhuis. Toen trof het geval, dat de Prins een Zondag in de stad was

en naar den dienst in de Jacobskerk ging, waar Duifhuis predikte. Dit

ergerde velen en men vroeg hem, of hij daardoor wilde toonen, dat

hij het met dien prediker eens was. "O neen"--hernam hij--"ik wilde

alleen daarheen gaan, waar het best gepreekt werd en toen bracht men

mij hier. Ik wist van den strijd niets. Het was een zeer goede preek,

doch een volgenden keer zal ik den anderen predikant gaan hooren."

Waar de hervormde partij de bovenhand had, trachtte hij de katholieke

kerkgebruiken te beschermen. Vervolging van Anabaptisten stond hij

evenmin toe. Dat hooge standpunt werd noch door zijne broeders,

noch door St. Aldegonde, die overigens het innigst met hem verbonden

waren, ingenomen.

Toch was die verdraagzaamheid geen onverschilligheid en geen gebrek

aan godsdienst. Zijn schalksch, maar ondeugend gezegde, toen hij Anna

van Saksen huwde, dat Amadis de Gaule de beste lectuur voor een jong

meisje was, valt in zijn vroegere dagen. Op lateren leeftijd werd hij

ernstiger van levensbeschouwing. Hij kon zich geen staat voorstellen

zonder godsdienst als wezenlijk bestanddeel, doch dit moest volgens

hem eene individueele zaak zijn. Mocht hij in zijn jeugd den godsdienst

alleen om zijn doelmatigheid waardeeren, allengs steeg hij tot hooger

en beter opvatting.

De manier, waarop hij als diplomaat tusschen de Staten en

de verschillende vreemde landen betrekkingen aanhield, was

zeer verschillend van zijn zeilen tusschen de zandbanken in

1561. Ongetwijfeld duldde hij wel oogluikend transacties, die voor

een zedelijke rechtbank niet waren te verdedigen.

Het was de eeuw van de staatkunde van Macchiavelli en vele praktijken

werden toen voor wettige staatkundige middelen gehouden, die, zooals

Motley terecht opmerkt, door moderne staatslieden zouden worden

veroordeeld, ook al worden ze nog wel toegepast.

De school, waarin Oranje werd opgevoed, de hoven van Karel V, ook

zijn zuster en zijn kinderen gaven hem vele middelen aan de hand, die

hij met een goed oogmerk tegen zijn vijanden gebruikte. Van modern

standpunt kon het niet als rechtmatig beschouwd worden, bijzondere

dienaren van andere menschen om te koopen, teneinde achter de geheimen

van dezen te komen. Dat is jarenlang door den Prins gedaan en daardoor

was hij geheel op de hoogte van Filips' gedachten. En toch waag ik het

te zeggen, dat Oranje een veel hooger zedelijken standaard had. Als

we zijn daden wegen op de schaal der toenmalige moraliteit en hem

vergelijken met zijn tijdgenooten en gelijken als Elisabeth, Filips,

Matthias, Johan Casimir, Catharina en haar zoons, dan moet worden

erkend, dat zijne zedelijke daden zich uit hem zelf ontwikkelden en

niet de gave waren van de eeuw, waarin hij leefde.

De overdaad en eerzucht van zijn jeugd verdween voor de alles

beheerschende aandrift van het eene denkbeeld, dat hem later

bezielde. Elke penning, die hij bezat, elk voorwerp van waarde,

dat zijn eigendom was, werd in de algemeene schatkist geworpen. De

jaren van zijn onthouding en zorgen vormen een scherp contrast met

den tijd, toen hij de meest fantastische maaltijden gaf, waarop zelfs

de tafelkleeden van suiker waren. De tijd zou komen, dat hij er om

moest denken, welk pak kleeren hersteld moest worden en dat hij, die

open tafel had gehouden en de kwistigste gastvrijheid had getoond,

de zuinigste berekeningen moest maken, om nog een klein geschenk te

kunnen geven en te overleggen, welk tafelservies van waarde kon worden

uitgespaard. Zeker later gaven de Staten-Generaal hem verschillende

geschenken; maar de sommen daarvoor noodig, waren op verre na niet

gelijk aan hetgeen hij had uitgegeven. Het bedrag aan graaf Jan alleen

verschuldigd, bedroeg in het jaar 1594 nog 1.400.000 fl.

Zijne vijanden hebben tot heden niet opgehouden, hem van eerzucht

te beschuldigen. Die beschuldiging is zoo onwaar, dat juist het

gemis van die eerzucht tot schade is geweest van de algemeene zaak,

toen er in het land een vast standpunt gewonnen was. Had Oranje

even sterk geloofd in de onafhankelijkheid van de Nederlanden, als

hij geloofde in haar eenheid; had hij zelf ook in naam willen zijn,

wat hij in de daad was, het hoofd der regeering, dan zou er eenige

jaren vroeger een grondwettig bestuur gevestigd zijn. Oorspronkelijk

ontbrak het den Prins waarlijk niet aan ambitie, getuige zijn zucht in

Granvelle's tijd, om Ruwaard van Brabant te worden. Toen echter Holland

en Zeeland hem later tot graaf wilden verheffen, berustte hij slechts

met tegenzin in dien wensch. Waarschijnlijk kwam de beschuldiging van

eerzucht hem meermalen ter oore en was dat een der redenen waarom

hij zich zelf niet op den hem toekomenden voorgrond plaatste, maar

allerlei vreemde, inzonderheid Fransche beschermers voor de gewesten

zocht. Al de betrekkingen, die hij bekleedde, waren tijdelijk en ad

interim; hij zelf maakte die bepalingen. Kortom, zijn belangeloosheid

en onbaatzuchtigheid worden door alles duidelijk bewezen.

In zijn bizonder leven was de Prins geliefd en geacht door zijne

familie, al bestond er ook een meer gemeenzame verhouding tusschen zijn

dochters en hun vaderlijken oom Jan van Nassau, bij wien ze hun jonge

jaren hadden doorgebracht. De namen van de twaalf kinderen van den

Prins spiegelen de verschillende phasen van zijn loopbaan af. Filips

Willem ontving zijn naam van den man, die in 1554 de rijzende zon kon

worden genaamd. Ondertusschen hield deze peetvader hem jaren lang in

Spaansche gevangenschap en gaf hem een Spaansche opvoeding.

Maria, de koningin van Hongarije, de landvoogdes, onder wie Oranje

zijne eerste wapenfeiten verrichtte, werd door hem vereerd bij de

naamgeving zijner dochter Maria. Anna van Saksen wilde haar kinderen:

Anna en Maurits naar zich zelf en naar den grooten keurvorst noemen

en Oranje bestreed dien wensch niet. De oudste dochter van Charlotte

van Bourbon heette Juliana, naar Oranje's moeder. De tweede ontving

haar naam van koningin Elisabeth in de dagen, dat men hoopte, dat

Engeland de arme Nederlanden zou ondersteunen. Catharina Belgica,

Charlotte Flandrina, Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana

ontvingen hare Zuid-Nederlandsche namen in den tijd, dat de Prins

nog hoop had op een vereeniging van Noord en Zuid. Zijn twaalfde kind

werd geboren in een tijd, toen er een donkere wolk hing over Oranje's

verhouding tot het huis van Valois. De gelegenheid werd aangegrepen

om te toonen, dat hij wel Fransche protectie, maar geen katholieke

bescherming wilde. Daarom werden de koning van Denemarken en de koning

van Navarre, de latere Hendrik IV, de peetvaders van Frederik Hendrik.

Wat door zijn geheele briefwisseling heenstraalt, is niet zijn

onafhankelijkheid en zijn zelfvertrouwen, maar veeleer zijn behoefte

aan sympathie van de zijde dier menschen, op wier oordeel hij uit

eenig oogpunt vertrouwen stelde. Zijne scherpzinnigheid wordt door

vriend en vijand erkend. Terwijl hij wonderlijk bij de hand was,

om de middelen te gebruiken, die hij had, om zich te voegen naar

de actueele omstandigheden, waarin hij verkeerde, in plaats van

zijn weg door theorieën en hypothesen af te bakenen, toonde hij een

merkwaardige vasthoudendheid om bij zijn doel te volharden, ook al

werkten de omstandigheden niet mee en een buitengewone bekwaamheid om

kalm te blijven, als alles tegen hem was. Donkere wolken trokken over

zijn hoofd; onbewogen bleef hij onder het gemor en de ontevredenheid

zijner minderen, onder den nijd en de jaloezie zijner gelijken,

onder den haat en de vervolging van den kant zijner meerderen.

Algemeen is het getuigenis, dat zijn manieren levendig en bekoorlijk

waren en dat hij daardoor vele vrienden won. Vooral aan tafel ontspande

hij zich gaarne door aangename gezelligheid en dan wierp hij voor

een uur den last van zijn arbeid van zich af en hij vermaakte zich

zoo met scherts en luim, dat het scheen, alsof hij door geen enkele

zwarigheid werd gedrukt. "Sommige wijsneuzen," zegt Hooft, "ergerden

zich daaraan, niet bemerkende, dat hij den kommer menigmalen met

nagebootste blijdschap bedekte. Om geen afkeer van 't gebruik des

landaards te toonen, dronk hij somtijds wel een duitschen dronk,

maar zijn wezen bleef tot het laatste toe hetzelfde en zijn verstand

was op zijn stel. In latere jaren was de dischvreugd schier zijn

eenige ontspanning; in spelen, rijden en jagen had hij geen lust

meer. De overige uren bracht hij door met blokken en zorgen." Hoe

onvermoeid zijn ijver was, is genoegzaam door ons aangetoond. Er

waren weinig menschen in dien tijd, toen er zooveel geschreven werd,

die zoo onvermoeid waren in dat deel der staatkunde als Willem van

Oranje en Filips van Spanje.

Een der meest gewone lasteringen omtrent 's Prinsen karakter is

de beschuldiging van vreesachtigheid geweest. Die wordt zoo vaak

herhaald, dat het mogelijk is, dat hij van temperament niet zoo

moedig geweest is als een soldaat voegt, doch des te meer eere dan,

dat hij een natuurlijke neiging zoozeer heeft overwonnen. Want

voor gevaren deinsde hij waarlijk niet terug. Onder de oogen van

den vijand bouwde hij reeds in zijn eerste krijgsjaren forten. In

de veldtochten van 1568 en 1572 spaarde hij zich zelf niet. Hij

ging kort na de belegering naar Leiden, toen de pest daar nog met

al haar verschrikkingen heerschte en gedurende de laatste jaren van

zijn leven vervolgde hij onverschrokken zijn weg, al wist hij ook dat

er moordenaars achter de gordijnen konden verscholen zijn. Er wordt

niet gemeld, dat hij eenige bijzondere voorbehoedmiddelen tegen dat

gevaar nam. Wel was hem een buitengewone lijfwacht geschonken, maar

die was niet voortdurend tot zijn bescherming aanwezig; ook droeg hij

geen maliënkolder. Zijn vrouw moest hem vragen, in Brussel 's avonds

niet uit eten te gaan, en de moordenaar Gérard was verbaasd, dat hij

op zijn slaapkamer, terwijl hij te bed lag, bij hem werd toegelaten;

zoowel die vrouwelijke voorzorg, als die verloren gelegenheid van

den moordenaar, bewijzen wel, dat de Prins niet voortdurend om zijn

eigen veiligheid dacht, gelijk een lafhartig mensch gedaan zou hebben.

Wat zijne wapenfeiten aangaat, ongetwijfeld stonden Alva en Parma

veel hooger dan hij in militaire kennis; doch beiden wist hij toch

ook om den tuin te leiden; Requesens werd door hem ontmoedigd en met

groote bekwaamheid maakte hij vaak gebruik van de omstandigheden. Zoo

was het ontzet van Leiden zijn denkbeeld en dit was een zeer

oorspronkelijk idee, dat zelfs de Spaansche veteranen verraste. Toch

was de oorlogswetenschap der 16e eeuw niet wat ze, na Gustaaf Adolf,

in de 17e eeuw werd. Oranje's technische bekwaamheid in militaire

zaken was echter ver beneden die van zijn tijdgenooten en bestrijders

en ook beneden die van zijn zoon Maurits. Des te meer komt hem eere

toe voor de steden, die hij won en den grond, dien hij behield.

Zijn natuurlijke voorliefde had zeker de staatkunde meer dan de

krijgskunde. Militaire operaties verrichtten anderen, maar alle draden

van de regeering waren in zijne hand. Zijn persoonlijke invloed werd

in elke daad gevoeld. Was hij tegenwoordig, dan zeilde het schip van

staat; was hij afwezig, dan liep het op de zandbanken van plaatselijke

jaloezie of op de klippen van gewestelijke vooroordeelen. Geen

staatsman had ooit duidelijker visie van persoonlijke rechten

en van nationale eenheid dan Willem van Nassau en zelden zijn er

zulke heldere gedachten over de beginselen van de regeering eener

confederatie geuit, als de tallooze uitspraken daaromtrent van de

lippen van den beroemden Zwijger.

Willem Frederik (Kleinzoon van Jan den Oude)

geb. 7 Aug. 1613 [+] 21 Oct. 1664 geh. met

Albertina Agnes (dochter van Frederik Hendrik.)

|

----------------------------------+-------------------------+----------

|

Amalia Sophia Wilhelmina Hendrik Kasimir

geb. 25 Nov. 1655 geb. 30 Juli 1664 geb. 18 Jan. 1657

[+] 16 Febr. 1695. [+] 15 Januari 1667. [+] 15 Maart 1696.

geh. met Henriëtte Amalia

van Anhalt-Dessau.

|

+--------------------------------------------------------------+----------

| |

| Willem George Henriëtta Johan Willem Friso

| Friso Albertina geb. 4 Aug. 1687 [+] 14 Juli 1711

| geb. 24 Juni 1685 geb. 24 Juli 1686 Prins van Oranje, Erfgenaam

| [+] 25 Juni 1686. [+] 22 Jan. 1754. van Willem III geh. met

| Maria Louise

| van Hessen-Cassel.

| |

| +------------+

| |

+--------------------------------------------------------------------- |

| Maria Amelia Sophie Hedwig Isabella |

| geb. 8 Febr. 1689 geb. 8 Maart 1690 Carlotta |

| [+] 27 Jan. 1771. [+] 1 Mei 1734. geb. 22 Jan. 1692 |

| [+] 18 Sept. 1757. |

| |

+--------------------------------------------------------------------- |

Johanna Agnes Louisa Henriëtta |

geb. 15 Dec. 1693 Leopoldina Casimira |

[+] 19 Mrt. 1765. geb. 22 Jan. 1695 geb. 29 Juli 1696 |

[+] 20 Jan. 1758. [+] 18 Dec. 1738. |

|

|

----------------------------------------------------+--------------------+

|

Anna Charlotte Amalia Willem Karel Hendrik Friso

geb. 13 Oct. 1710 geb. 1 Sept. 1711 [+] 22 Oct. 1751

[+] 18 Dec. 1777. Prins van Oranje,

(sinds 1747 als Willem IV

erfstadhouder van alle

Nederlandse Provinciën)

geh. 1734 met Anna van Engeland.

|

-------------------------------------------------------+--------------------

Dochter Dochter Wilhelmina Carolina Anna Maria |

geb. en [+] geb. en [+] geb. 28 Febr. 1743 geb. 15 Nov 1746 |

19 Dec. 1736. 22 Dec. 1739. [+] 6 Mei 1787. [+] 29 Dec 1746. |

|

+---------------------------------------

|

Willem V (Batavus)

geb. 8 Maart 1748 [+] 9 April 1806.

Prins van Oranje

Erfstadhouder der Nederl.

Provinciën geh. 1767

Frederika Sophia Wilhelmina van Pruisen.

|

+-----------------------------------+--------------------------------------

| Zoon Frederika Louisa Wilhelmina Kind

| geb. en [+] geb. 28 Nov. 1770 geb. en [+]

| 23 Maart 1769. [+] 15 Oct. 1819. 6 Augustus 1771.

|

+----------------+---------------------------------------------------------

|

Willem Frederik Willem George Frederik

geb. 24 Aug. 1772 [+] 12 Dec. 1843 geb. 15 Febr. 1774 [+] 6 Jan. 1799.

Prins van Oranje

(sinds 1813 Willem I; eerst Souverein

vorst, dan in 1815 Koning der

Nederlanden) geh. met

Frederika Louise Wilhelmina

van Pruisen

|

+---------------------------------------------------------+

| |

Willem II (Frederik George Lodewijk Zoon |

geb. 6 Dec. 1792 [+] 17 Maart 1849 geb. en [+] 18 Aug. 1795.|

Koning der Nederl. Prins van Oranje-Nassau |

geh. 1816 met Anna Paulona |

Grootvorstin van Rusland. |

| |

+----------------+ |

| |

| -----------------------------------------------------------------------+

| Willem Frederik Karel Wilhelmina Frederica Wilhelmina Frederica

| geb. 28 Febr. 1797 Louisa Paulina Louisa Charlotta

| [+] 1 Sept. 1881. Charlotta Marianne

| geb. 1 Maart 1800 geb. 9 Mei 1810

| [+] 20 Dec 1806. [+] 29 Mei 1883.

|

+--------------------------------------------------------------------------+

Willem III (Alexander Paul Frederik Lodewijk) Willem Alexander Frederik |

geb. 19 Febr. 1817 [+] 28 Nov. 1890 geb. 2 Aug. 1818 |

Koning der Nederl. Prins van Oranje-Nassau [+] 20 Febr. 1848. |

geh. I 1839 Sophia Frederica Mathilda van |

Wurtemberg. |

II 1879 Adelheid Emma Wilhelmina |

Theresia van Waldeck-Pyrmont. |

| |

+--------------------+ |

| |

| ------------------------------------------------------------------------|

| Willem Frederik Hendrik Willem Alexander Wilhelmina Maria

| geb. 13 Juli 1820 Frederik Ernst Casimir Sophia Louisa

| [+] 13 Jan. 1879. geb. 21 Mei 1822 geb. 8 April 1824

| [+] 22 Oct. 1822. [+] 23 Maart 1897.

|

|

+---------------------------------------------------------------------------+

I I I |

Willem Nicolaas Willem Frederik Willem Alexander |

Alexander Frederik Maurits Alexander Karel Hendrik Frederik |

Carel Hendrik Hendrik Carel geb. 25 Aug. 1851 |

geb. 4 Sept. 1840 geb. 15 Sept. 1843 [+] 21 Juni 1884. |

[+] 26 Juni 1879 [+] 4 Juni 1850. |

(te Parijs.) |

|

-----------------------------------+--------------------------------------+

|

II

Wilhelmina Helena Paulina Maria

geb. 31 Aug. 1880 Koningin der Nederlanden

Prinses van Oranje-Nassau geh. 7 Febr. 1901

Hendrik Wladimir Albrecht Ernst

Hertog van Meckelenburg.

|

-----------------------+---------------------

Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina

Prinses van Oranje-Nassau.

Hertogin van Meckelenburg.

geb. 30 April 1909.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 75 / 80 题