Gedurende de maanden, die sedert den vergeefschen moordaanslag van
Jaureguy waren verloopen, werden nog verschillende dergelijke beproefd
en was de prijs, op het hoofd van Oranje gesteld, niet vergeten. De
samenzwering van Juan de Salcedo en Francesco de Basa werd vermeld. In
denzelfden zomer van 1582, ging een zekere Pedro Ordono, een Spanjaard,
die in de Nederlanden had gediend en den weg in het land kende, naar
Lissabon (toen Spaansch), met het bepaalde doel, Filips te bezoeken
en nader met hem de voorwaarden te bespreken, waarop hij dien moord
zou voltrekken. Met beide handen werd dit voorstel aangenomen. Don
Jean de Idiaquez, Secretaris van Staat, voorzag Ordono van 600 kronen,
om de uitgaaf zijner reis te bekostigen en stelde hem tevens een brief
aan Parma ter hand. Op zijn reis naar de Nederlanden, schreef Ordono
aan Filips, dat hij op 't punt was, van Grevelingen naar Antwerpen
te gaan en dat hij die plaats niet zou verlaten, voor het plan was
volvoerd. Die bewering kwam in zoover uit, dat hij Antwerpen niet meer
verliet, doch de daad bleef onvoltrokken. De samenzwering werd op den
2en Maart 1583 ontdekt en den volgenden dag werd hij onthoofd. "Ik
zag hem in de gevangenis," schrijft Le Petit, "maar ik heb nooit
iemand zoo kleinmoedig gezien voor zulk een groote onderneming."
Ook wordt verhaald van een koopman uit Vlissingen, een zekeren Hans
Hanszoon, die een buskruitverraad tegen den Prins smeedde. Het werd
ontdekt en de man ter dood gebracht.
In 1583 vatten vier Spaansche officieren, die om eerekrenking tot
Oranje waren overgegaan, het plan op om zich door een bijzonderen
dienst in de gunst van den koning te herstellen. Over dit plan schreef
Tassis in den breede aan Parma. Alles scheen goed in gang te zijn,
toen het plotseling werd opgegeven.
In April 1584 werd een Fransch officier, een zekere Get of Got,
door Markies Roubaix, toen te Eeclo in het kamp, gevat. Het was
niet de eerste keer, dat kapitein Get in handen van den vijand was
gevallen. Bij de laatste gelegenheid had hij zich zwemmende gered. Hij
was bevreesd, dat dit feit zwaar zou wegen en dat hij misschien in
strenge gevangenschap zou worden gehouden. Daarom deelde hij aan
Roubaix mede, dat hij elken dienst, die deze van hem vragen zou, zoo
mogelijk, wilde volbrengen. De markies deed hem toen verschillende
voorstellen, die Get echter niet aandurfde. Toen vroeg hij hem,
of hij den Prins van Oranje niet uit den weg wilde ruimen. Daartoe
meende de kapitein in staat te zijn en hij beschouwde vergif als het
beste wapen, daar hij den hofmeester van den Prins kende en toegang
kon krijgen tot de keuken.
Roubaix geloofde niet aan het succes van dit plan, want, al was hij
in de keuken, hij kon niet weten, welke spijs de Prins aan tafel zou
kiezen. Maar Get stelde hem gerust. De Prins hield bijzonder veel van
een zekere palingsoep, die in een kleinen pot gekookt werd, waarvan
de deksel doorboord was, om den stoom te doen ontsnappen. Aan die
bijzonderheid bemerkte Roubaix, dat de man goed op de hoogte van de
keuken was. Daarop vroeg hij hem, wat hem bewoog tot dat verraad,
als hij op zoo goeden voet met den Prins was. Get antwoordde dat
de Franschen in Vlaanderen gehaat werden en dat ieder ze verraders
noemde. Hij was arm en hij had gehoord, dat de koning van Spanje ieder,
die hem verloste van zijn aartsvijand, rijk zou maken. Parma stelde
niet veel geloof in de waarheid van Gets beweringen. Hij meende,
dat het hem alleen te doen was, om vrij te komen; maar aan Roubaix
gaf hij den raad, zijn eigen meening in dezen te volgen. Get werd
losgelaten, ging onmiddellijk naar den Prins en beroemde er zich
op, dat hij aan alle verleiding, om hem een valsch spel te spelen,
weerstand had geboden.
Al deze would-be moordenaars werden gedreven door motieven van
eigenbelang, hetzij om Filips' bescherming te winnen, hetzij om hun
verloren goeden naam te herstellen, daarbij vooral geprikkeld door
't uitzicht op de geldelijke belooning. Doch geen dezer beweegredenen
bleken machtig genoeg, om het plan ten uitvoer te brengen. Anastro had
behoefte aan den prijs; doch zijn leven was hem kostbaarder dan geld,
terwijl zijn helper zijn voorstel aannam, niet ter wille van het goud,
maar omdat hij eerlijk geloofde, dat hij een van God gezegend werk ging
verrichten. Alleen een man, beheerscht door een gedachte, die zijn
eigen persoonlijkheid geheel in de schaduw stelde, kon moed genoeg
hebben, zich zelf aan zulk een gevaarlijke onderneming te wagen. De
daad kon alleen voltrokken worden door een fanatiek persoon. Zulk
een kwam in 1584 op het tooneel.
Balthasar Gérard was geboren in het jaar 1557 te Wilafans les Ornans,
een dorpje in Bourgondië. Hij was het kind van Jean Gérard en een
zekere Barbara d'Emskercke, welke laatste van Antwerpen was en
misschien uit Holland afkomstig. De geheele familie was met hart en
ziel aan het katholiek geloof en aan den koning gehecht. Balthasar
was van zijn vroegste jaren af een godsdienstige dweper. Volgens
Renon de France toonde hij reeds in zijn jeugd, hoe een denkbeeld
zijn geheele ziel in bezit kon nemen. Hij zou op twaalfjarigen
leeftijd, toen hij zijn ouders hoorde spreken van het kwaad, door
de Nederlandsche Geuzen gesticht, reeds stoutweg verklaard hebben,
dat hij den man wilde dooden, die zooveel kwaad had veroorzaakt.
In 1577 was hij in huis bij een zekeren Jean Villaix te Dôle, toen
hij van de scheuring in het land na de Pacificatie van Gent en de
komst van Don Juan hoorde. Hij beschouwde den Prins van Oranje als
het grootste struikelblok om tot de bevrediging te komen en in woede
tegen hem ontstoken, nam hij een dolk en slingerde dien met alle
macht tegen een deur, onder den uitroep: "Ik wenschte wel, dat die
steek het hart van den Prins van Oranje had geraakt."
Een ooggetuige, een zekere Ponthier, berispte hem daarover in allen
ernst. Het was zijn zaak niet, vorsten te bedreigen of te dooden,
en naar dien raad hoorde hij tijdelijk en liet voorloopig alles over
aan het bestuur van God en Zijne Majesteit. Toen hij echter drie jaar
later hoorde van het doodvonnis, door den koning in den vorm van den
ban over Oranje uitgesproken, en toen de uitvoering van des konings wil
scheen te vertragen, verliet hij Bourgondië met het vaste voornemen,
het moordplan te volvoeren.
In Maart 1582 te Luxemburg komende, hoorde hij van den aanslag
van Jaureguy en meenende, dat de dood was gevolgd, dankte hij God,
dat hij hem had behoed tegen blootstelling aan zulk een gevaar. Zoo
zeker waren de geruchten van den dood van den Prins, dat Gérard zich
geheel verlicht gevoelde. Hij trad toen in dienst bij een zekeren
Jean Dupré, zijn eigen neef, die secretaris was van Mansfelt, toen
ter tijd gouverneur van Luxemburg en maarschalk-generaal van Filips'
leger. Toen de tijding van Oranje's herstel Gérard bereikte, besloot
hij zelf de onvoltooide taak te vervullen. Hij kwam toen op het
denkbeeld, om van Manfelts handteekening en zegels, waarvan hij in
rood lak tal van afdrukken bezat, gebruik te maken, om door middel
daarvan het vertrouwen van Oranje te kunnen winnen.
In Juni 1583 verliet hij Dupré en was op het punt, Luxemburg te
verlaten, toen zijn meester voor een som van 450 kronen bestolen
werd. Vreezende dat zijn heengaan hem van dien diefstal zou doen
verdenken, stelde Gérard zijn vertrek een poos uit. Het verloren
geld werd teruggevonden. Een ziekte van Dupré hield hem nog enkele
weken terug van zijn reis, zoodat hij niet voor Maart 1584 met zijn
plan kon beginnen. Aan Dupré vertelde hij, dat hij naar Spanje ging,
waarvan deze hem trachtte terug te houden. Zij zeiden elkander vaarwel
en Gérard ging zijn gekozen missie vervullen.
Ten einde niets te doen in het nadeel van den koning en ook om zijn
eigen gemoedsbezwaren te bestrijden, ging hij eerst naar Trier, waar
hij zijn voornemen aan een lid van de Jezuïetenorde te kennen gaf. Hij
liet hem de zegels zien en verzocht hem het geheim tot na Paschen te
bewaren en het dan aan Graaf Mansfelt mee te deelen. In hoever het
waar is, dat deze Jezuïet de onderneming van Gérard eerst afkeurde,
maar hem daarna toch zijn voorbidding had beloofd en hem toegezegd,
dat hij zou opgenomen worden onder de martelaars der kerk, zoo zijn
opzet zijn eigen dood zou tengevolge hebben, is moeilijk met juistheid
te zeggen. In de confessie van den moordenaar beweert hij zelf, dat
de Jezuïet hem te Trier den moord had ontraden wegens de gezegelde
bladen van Mansfelt.
De verschillende verhalen van beide zijden aanstonds ontstaan
zijn buiten quaestie partijdig opgesteld. Doch zooveel blijkt er
volgens Fruin stellig wel uit, dat zoowel de Jezuïet te Trier, als de
geestelijke te Doornik, aan wien later nog het plan werd meegedeeld,
bezwaar begonnen te maken wegens bijkomende omstandigheden, doch
ze zijn beiden geëindigd met den moordenaar te zegenen en hem hun
voorbidding te beloven.
Toch schijnt de fanatieke man zich niet gerust te hebben gevoeld over
de goedkeuring der geestelijkheid. Althans hij trachtte in Doornik
Parma zelf in zijn vertrouwen te nemen. Op 21 Maart kreeg hij bij
dezen audiëntie en gaf hem een geschreven document over, waarin hij
aan den landvoogd zijn voornemen meedeelde. Parma meende op het eerste
gezicht, dat Gérard een te onbeteekenend man was, om zulk een plan
te volvoeren. Toch gaf hij den raadsheer Assonleville last, den man
verder te onderzoeken en te zien, wat hij met hem kon doen. Met dezen
behandelde Gérard de bijzonderheden van zijn plan en besprak de manier,
waarop van Mansfelts zegels zonder ernstige gevolgen gebruik gemaakt
zou kunnen worden. Ook verzocht hij hem om Parma's bemiddeling bij
den Paus, ten einde absolutie voor zijn misdaad te verkrijgen. Met die
misdaad bedoelde hij niet den moord, maar den geveinsden omgang, dien
hij, om zijn doel te bereiken, noodzakelijk met ketters en atheïsten
hebben moest en het tijdelijk aannemen van hunne gewoonten.
Parma bleef trots de voorspraak van Assonleville weinig om den
man geven. Hij weigerde zelfs de 100 kronen, die hem gevraagd
werden. Reeds zoo menigmaal was hij onder hetzelfde voorwendsel
bedrogen. Assonleville voorspelde den man weinig succes op zijn daad
en weinig kans, zijn leven te behouden. De eenige aanmoediging, die
hij hem gaf, was de waarborg in Parma's naam, dat de belooning in den
ban vermeld, hem of zijnen erfgenamen zou worden uitgekeerd, als hij
slaagde. "Ga, mijn zoon en indien gij de taak volbrengt, zal de koning
al zijn beloften vervullen en gij zult onsterfelijken roem inoogsten."
Gérard reisde van Doornik naar Delft; bijzonderheden op die reis
voorgevallen zijn onbekend. In het begin van Mei 1584 bereikte
hij Delft, waar de Prins geheel veilig scheen te zijn in het hart
van Holland. Geen plaats scheen minder gevaarlijk voor 't leven van
Oranje, dan die oude, merkwaardige Hollandsche stad. Antwerpen was een
kosmopolitische plaats, waar van alle oorden der wereld kooplieden
en zeelieden elkander verdrongen en waar een sluipmoordenaar veel
gemakkelijker zijn doel kon bereiken, zonder ontdekt te worden. Delft
daarentegen, het kleine stadje, waar nagenoeg geen vreemdelingen
kwamen, was er als het ware geheel op ingericht, om den Prins in zijn
hoogst eenvoudige woning, het oude St. Agatha-klooster, te midden
der zijnen levende, een zoo groot mogelijke veiligheid te verzekeren.
Doch voor een geboren verrader en bedrieger, voor een man zoo volleerd
door jarenlange oefening, voor een virtuoos in de kunst van huichelen,
was het zoo moeilijk niet, om zelfs in dien kleinen, huiselijken en
trouwen kring zijn opzet te volvoeren. Hij wist zich namelijk onder
den valschen naam van François Guyon toegang te verschaffen tot den
hofprediker van den Prins, de Villiers, terwijl hij zich aanstelde
als een Hugenoot, die ter wille van het geloof werd vervolgd. Hij
deed een verhaal van een vervolgziek priester, die hem het leven
ondragelijk gemaakt had en schreef, door de Villiers geholpen, den
volgenden merkwaardigen brief aan Prins Willem, om zich in de gunst
aan te bevelen van hem, wien hij het moordend lood in het hart zou
jagen. De brief luidt aldus:
Doorluchtige Heer!
"Aangezien de rede, gepaard aan het geloof en de gerechtigheid
van God, aan zijn uitverkorenen gegeven is om hen boven
alle andere schepselen te verheffen; zoo is waarlijk een
iegelijk mensch, met deze genade toegerust ondankbaar als hij
ze ongebruikt laat. En daar het den Heer heeft behaagd, door
zijn oneindige goedheid mij uit zoovele andere te verkiezen,
om Hem te dienen, zoo kan ik niet anders (inzonderheid in dezen
alleszins rampzaligen tijd) dan mij metterdaad aangorden,
om met de overige leden van zijne strijdende kerk (gelijk
alle trouwe Evangeliedienaren verschuldigd zijn te doen) de
moedige voornemens van Uwe Exc. te dienen en op alle mogelijke
wijzen bij te staan. Zij toch draagt als hoofd en voorname
beschermer sedert zoo langen tijd bijna al de moeiten en
zorgen van 's Heeren strijd; ook komen er nog andere redenen
bij, die er mij toe bewegen, welke ik hier zal verzwijgen,
om Uwe Exc. niet te vermoeien. Ik durf niet zonder Haar bevel
de oorzaak melden van mijn komst herwaarts, weshalve ik Haar
allernederigst smeek, dat Zij Haar Secretaris of eenigen
anderen vertrouwde gelieve te gelasten, mij te hooren, te
zien wat er van is en daarvan dan rapport te doen aan Uwe Exc,
opdat zij er van gediend moge zijn, zoo het Haar goeddunkt.
"Ik verzeker Uwe Exc. dat, zoo ik bij machte ware geweest iets
beters tot Haar dienst uit te richten, ik mij daartoe zeer
gaarne zou bemoeid hebben; want met geen ander doel heb ik
zooveel wisselvalligheden en gevaren ondergaan. Ook hoop ik,
dat het Haar welbehagen, waarom ik onderdanig bid, moge wezen
mij toe te staan, van nu voortaan onder Haar overigheid den
Heer zonder vrees des doods te dienen, daar in het land van
mijn geboorte, als zulk een genade niet waardig, die vrijheid
mij is benomen, ofschoon zij van Christus door het storten
van zijn kostelijk bloed aan alle geloovigen is gegeven. Ik
zal mij bevlijtigen, door mijn zeer nederige diensten mij
de gunst waardig te maken, die het Uwe Exc. zal behagen mij
daartoe te verleenen. Waarmee, Doorluchtige Heer, ik Gode bid,
dat Hij Uwe Exc. in volmaakte gezondheid een lang en gelukkig
leven schenke.
Uit de stad van Delft, 6 Mei 1584.
Van Uwe Exc. de zeer nederige en toegenegen dienaar voor altijd
François Guyon."
Had Fruin geen recht, om van dien brief te schrijven: "Mij dunkt,
indien er ooit weer sprake mocht zijn om Gérard tot heilige te
verheffen, dan zal de advocaat van den duivel kunnen volstaan met
dezen brief over te leggen. Zoo deze niet voldoende is, om den man,
die hem schreef, tot geboren verrader en bedrieger te stempelen,
faalt mijn oordeel niet alleen, maar ook mijn zedelijk gevoel."
Eerst verwaardigde de Prins zich niet te antwoorden. Doch Gérard bleef
met volharding op zijn verzoek aandringen en na eenige dagen werd de
Villiers tot hem gezonden, ten einde hem eene audientie te verleenen.
Gérard was een kleine, magere figuur met een dik en leelijk gezicht;
onbeduidendheid teekende zijn geheele verschijning. Parma had het
voor onmogelijk gehouden, dat zulk een kerel eenige moedige daad zou
kunnen verrichten. Maar juist die ellendige verschijning deed zijn
verhaal van vervolging te Delft geloofwaardig voorkomen. Het was met
de grootste zorg door hem samengesteld. Elke bijzonderheid daarvan
was zoo lang door hem overwogen, dat hij het nu heel natuurlijk en
overtuigend kon vertellen.
Hij was--zoo beweerde hij--uit Besançon geboortig en heette François
Guyon. Zijn ouders, beiden Hugenoten, waren om hun godsdienst uit hun
plaats verbannen. Later naar Besançon teruggekeerd, op beter tijden
hopende, werden ze tegelijk met andere arme ballingen, die in Juni
1575 in die stad waren verrast, ter dood gebracht. Hij, François,
had van de Papisten allerlei beleedigingen moeten verdragen, omdat
hij volhardde in het verboden geloof en daarom besloot hij elders
een toevluchtsoord te zoeken, waar hij God naar zijn geweten kon
dienen. Twee jaar te voren was hij in Luxemburg aangekomen, op zijn
reis naar den Prins; daar was hij ziek geworden en door zwakheid en
armoede verhinderd zijn reis te vervolgen. Hij trad toen in dienst
bij zijn neef Dupré, secretaris van Mansfelt. "Daar het mij echter
voorkwam, dat geheime godsvereering den Heer zou mishagen en ik
vreesde, dat mij dientengevolge iets kwaads zou overkomen, verliet
ik mijn meester, na eerst afdrukken van de zegels van graaf Mansfelt
genomen te hebben."
Er was namelijk in Mansfelts dienst een zekere priester uit Brussel,
die argwaan koesterde omtrent zijn waarneming van katholieke
kerkgebruiken, en om te ontsnappen, had hij toen voorgewend naar Trier
te gaan, om met Paschen zijn communie te houden. De priester volgde hem
daarheen, was achter de waarheid gekomen en had getracht, zich van zijn
persoon meester te maken. Gérard had zich tegen dien man verdedigd,
vluchtte uit Trier en was zoo in Holland gekomen. Hij was in staat, den
Prins belangrijke diensten te bewijzen en om de waarheid zijner woorden
te bevestigen, haalde hij een pak met Mansfelts zegels uit zijn mouw.
Ziedaar zijn verdichte geschiedenis; alles valsch, uitgezonderd het
feit van zijn dienst bij Dupré en zijn reis naar Trier. Hij had zich
dat verhaal zoo eigen gemaakt en zoo met plaatselijke tinten opgesierd,
dat hij in 't minst niet in tegenspraak met zich zelven kwam en het
voor zuivere waarheid werd aangenomen.
De Prins stelde wel belang in hetgeen de Villiers vertelde, maar
zag niet in wat hij persoonlijk aan de zegels van Mansfelt had. Toch
kon maarschalk de Biron, die gouverneur van Kamerijk was geworden,
er misschien van gebruik maken, om paspoorten te geven. Vandaar,
dat Oranje Noel de Caron, gezant van de Staten-Generaal in Frankrijk,
opdroeg, om den gewaanden Guyon in zijn gevolg te nemen, die dan aan
Biron de zegels zou kunnen overhandigen. Dit strookte echter niet met
Gérards plannen; hij moest in Holland blijven. Toch ging hij mee,
om argwaan te voorkomen, maar trachtte door twist met de bedienden
van Caron te zoeken, gedaan te krijgen, dat hij naar Holland werd
teruggezonden. Toen stierf juist Anjou te Château-Thierry en dit gaf
Gérard aanleiding zijn patroon te vragen, hem als overbrenger van
de doodstijding naar den Prins af te vaardigen. Dat werd toegestaan
en toen haastte hij zich, naar Delft terug te keeren, hopende dat
thans de lang gezochte gelegenheid zich zou aanbieden, om zijn opzet
te volvoeren. Hij kwam aan het Prinsenhof, gaf de depêches voor den
Prins over, die, hoewel nog op zijn slaapkamer, onmiddellijk verlangde,
nadere bijzonderheden omtrent Anjou's dood uit den mond van den bode
zelf te vernemen.
Later verklaarde Gérard, dat hij toen tot zijn spijt ongewapend
was. Hij moest een gelegener oogenblik afwachten, als hem de
opdracht zou worden gedaan, het antwoord van den Prins aan Caron te
brengen. Ondertusschen bleef hij in Delft en speelde zoo goed zijn rol
als Calvinist, dat niemand den minsten argwaan koesterde. Hij bracht
zijn tijd door met naar de kerk te gaan en te bidden; nooit werd
hij gezien zonder psalm- of gebedenboek. Men vond later twee boeken
in zijn bezit, een van den Hugenootschen dichter Bartas en een van
Beza. Aan den concierge van het Prinsenhof vroeg hij een bijbel ter
leen en wist zich op die wijze bij verschillende leden van de gemeente
in te dringen, die hem allen voor een oprechten Calvinist aanzagen.
Toen hem nu gevraagd werd, met het antwoord aan Caron naar Frankrijk
terug te gaan, wendde hij, terwijl hij bezig was de uitgangen van
het Prinsenhof op te nemen, groote armoede voor en liet als bewijs
daarvan zijn oude schoenen zien. Oranje liet hem daarop op 8 Juli een
som gelds ter hand stellen. Van dat geld kocht hij van een soldaat van
de lijfwacht, Réné genaamd, een pistool; doch daar hem bij onderzoek
bleek, dat dit ketste, kocht hij nog twee andere pistolen van den
onderofficier de la Forest, die in de compagnie van kapitein Caulier
diende. Daarmee oefende hij zich een paar malen; hij trachtte zich
toen van kettingkogels te voorzien en had nog ruzie met een soldaat
van de garde, die ze weigerde voor hem te maken. Met een en ander ging
Maandag de 9e Juli voorbij. Den volgenden dag zou hij de aanslag doen.
Geheel onbewust van het gevaar, dat hem bedreigde, volgde de Prins
dezelfde gewoonten als altijd. Wel was hij vol angst en zorg in
die dagen, maar vrees voor eigen persoonlijke veiligheid kwelde hem
niet. Vooral Vlaanderen bekommerde hem zeer; Gent was het tooneel
van een strijd, zooals de woelige stad nog nimmer had beleefd. Door
Parma hoe langer hoe meer ingesloten, was er een Spaansche en
anti-Spaansche partij in de stad zelve en Hembyze stond aan het hoofd
der eerstgenoemde. Wel werd deze in den loop van den zomer van verraad
beschuldigd en ter dood gebracht, maar in September moest de stad
voor Parma bukken.
Ook Antwerpen werd reeds in den zomer van 1584 bedreigd. Het fort
Liefkenshoek, dat door de Staten tot bescherming van Antwerpen gebouwd
werd, viel op den dag van den moord van Oranje in Parma's handen. Dat
de Prins zich dus in die dagen bezighield met overleg omtrent nieuwe
plannen, om Vlaanderen en Brabant te hulp te komen, behoeft geen nadere
aanwijzing. Daarbij zagen wij, hoe Oranje in die laatste maanden van
zijn leven, met de Staten van Holland over zijn verheffing tot het
graafschap onderhandelde. Wat zijn briefwisseling aangaat, de laatste
brieven, die hij schreef, en ons althans bekend zijn, waren gericht aan
Catharina de Medicis en aan Koning Hendrik III van Frankrijk; het waren
condoleantiebrieven, naar aanleiding van den dood van Anjou. Die dood
was ongetwijfeld voor den Prins een groote misrekening en zeker zijn
de zestien dagen, die nog verloopen zouden voor zijn eigen sterven,
dagen geweest van groote bekommering over de vraag, wat thans te doen,
nu het met de Fransche alliantie gedaan scheen.
In Mei of Juni schijnt de Prins er over gedacht te hebben, zijn
uitersten wil te maken en hij raadpleegde verschillende personen
daarover, maar het kwam niet tot de daad. Mogelijk dacht hij wel, dat
het kon wachten, totdat de zaak van het graafschap geregeld zou zijn.
Gérard was voldoende bekend geworden met de inrichting en gewoonten
van het huishouden van Oranje; hij kende de uren van de maaltijden en
derhalve de oogenblikken, waarop de Prins de gangen van het Prinsenhof
doorging. Op dien Dinsdag, den 10en Juli, wachtte hij aan den voet van
de trap het oogenblik af, waarop de familie tusschen twaalf en een uur
aan den maaltijd zou gaan. Toen de Prins hem voorbij ging, vroeg Gérard
hem om zijn paspoort. Louise de Coligny hoorde die vraag en zag den
man in het gelaat; ze ontving daarvan zulk een ongunstigen indruk, dat
ze haar echtgenoot nog waarschuwde en vroeg, wie hij was. Niets kwaads
vermoedende, antwoordde hij, dat die man een depêche moest overbrengen
en hij gaf bevel, hem zijn paspoort gereed te maken. Toen ging het
gezin aan den maaltijd. Die oogenblikken gebruikte de moordenaar om
zijn pistolen te gaan halen; het een laadde hij met twee, het ander met
drie kogels. Een paar minuten later had hem iemand uit de stallen zien
komen. Hij keerde terug, plaatste zich bij de deur der eetkamer, tegen
een pilaar leunende. De beide pistolen waren in zijn gordel aan den
linkerkant gestoken en zijn mantel, die naar beneden hing, bedekte ze.
Oranje had aan tafel den burgemeester van Leeuwarden, Rombert
Uylenburgh, bij zich. Die moest verschillende zaken van Friesland
met hem bespreken. Hij was dien dag de eenige vreemdeling. De
Prinses van Oranje, de zuster van den Prins, gravin Schwarzburg en
drie dochters van Oranje maakten deel uit van het gezelschap. De
belangen van Friesland waren bovenal het punt van gesprek geweest
gedurende den maaltijd. Toen zij ongeveer één uur des namiddags van
tafel opstonden, kwamen kolonel Morgan, een Engelschman en een paar
andere menschen binnen. Oranje sprak eenige woorden met den kolonel en
ging met Uylenburgh de kamer uit. Nauwelijks was hij buiten de deur,
of de moordenaar kwam te voorschijn en terwijl hij hem herinnerde
aan zijn verzoek, schoot hij het pistool af, welks kogel Oranje de
borst doorboorde.
Weinig oogenblikken daarna gaf hij den geest. De laatste woorden,
die hij sprak, waren een bewijs van zijn innige godsvrucht, zoowel
als van zijn liefde tot het vaderland. Die woorden: "Mon Dieu, mon
Dieu, ayez pitié de moi et de mon pauvre peuple!" zijn een dierbare
nalatenschap voor het Nederlandsche volk. Aan de echtheid dier woorden
valt niet te twijfelen. Wel kan men van de eerste verhalen af, die
van den moord van den Zwijger zijn gegeven, den invloed ontdekken
van den geest der schrijvers, die dien moord verhaalden.
Men heeft n.l. beweerd dat de Prins zou gestorven zijn, zonder iets te
zeggen. Zelfs een later bewerker van een oud verhaal van een Delftsch
katholiek schreef: "De Prins is terstond neergevallen en heeft niet
langer dan den tijd van een paternoster zijn lippen een weinig geroerd,
alzoo zijn oproerig leven met een onzaligen dood besluitende."
Volgens Fruin mag echter het Nederlandsche volk zich die laatste
woorden door geen onrechtmatigen twijfel laten betwisten en
bestaat er geen grond om aan de echtheid daarvan te twijfelen. De
lijkschouwing heeft geleerd, dat de Prins niet in het hart getroffen
en dus niet onmiddellijk is gestorven. Behalve de heer van Malderé,
zijn stalmeester, die den doodelijk gewonde in zijn armen opving
was ook de Leeuwarder burgemeester van Uylenburgh bij het sterven
tegenwoordig; deze schreef op denzelfden 10en Juli een brief aan
de magistraat te Leeuwarden met bijzonderheden over den moord. De
algemeene mare, dat de Prins de schoone woorden gesproken had,
bestond van het eerste oogenblik af. Vosberghen, die op denzelfden
dag aan de regeering te Veere schreef, verhaalt, dat de Prins zei:
"Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et du pauvre peuple," terwijl
de oudste verhalen ze eveneens vermelden. "Zelden," zegt Fruin,
"treft men ten opzichte van eenig woord zulk een eenstemmigheid aan."
De moordenaar had, al was hij ten volle bereid zijn daad met den
dood te boeten, niets verzuimd, om te kunnen ontsnappen, indien
hem de gelegenheid was geboden. Hij was geheel op de hoogte van de
lokaliteit. Hij had twee blazen en een buis bij zich, om die op te
blazen, waarvan hij gebruik hoopte te maken om de grachten achter het
oude klooster over te zwemmen. Vlak buiten de stad stond een paard,
geheel gezadeld, gereed op hem te wachten. Zoodra hij geschoten had,
sprong hij de vier treden van den ingang tot het plein ineens af
en verloor in die haast zijn tweede pistool. Hij kwam nog door de
stallen en had juist de kleine laan, nu de schoolstraat genoemd,
die naar den wal leidde, bereikt, toen hij struikelde en viel. Toch
gelukte het hem, den top van den walmuur te bereiken en was hij op het
punt in de gracht te springen, toen een lakei en een hellebaardier
hem beetgrepen. Een van dezen riep: "Jij schavuit!"--"Ik ben
geen schavuit," hernam hij, "ik heb alleen des konings bevelen
gehoorzaamd."--"Van welken koning?"--"Van den koning van Spanje,
mijn meester!" Ze brachten hem terug naar het Prinsenhof en daar
in de deurwachterskamer binnengebracht, vroeg hij papier en inkt en
schreef zijn confessie. Die confessie is eeuwenlang verloren geweest,
doch eerst in een afschrift in 1852, later als origineel in 1862
teruggevonden, tegelijk met de oorspronkelijke verhooren.
De tegenwoordigheid van geest van den moordenaar was verbazend. In dit
document vertelde hij de geheele waarheid wat hem zelf aanging, maar
gaf geen aanleiding om te doen meenen, dat Parma hem had gemachtigd;
en evenmin maakte hij er gewag van, dat de Jezuïet te Trier en de
geestelijke te Doornik zijn plan hadden goedgekeurd. Hij toonde
niet het minste berouw, maar verklaarde integendeel, dat, al was
hij ook duizend mijlen van Delft verwijderd, hij zou terugkeeren
om den aartsketter, die een pest voor het land was geweest, te
dooden. Vier dagen achtereen werd hij daarop gruwelijk gepijnigd,
om hem tot verdere bekentenis te brengen; doch hij bleef met een
standvastigheid, een betere zaak waardig, volharden in zijn geloof,
dat hij een rechtvaardige daad had bedreven; en al laadde hij op
niemand anders de schuld van zijn bedrijf, hij ontkende toch niet
bij het scherper verhoor, dat Parma van zijn aanslag had geweten en
dat de Jezuïet en de geestelijke hem hadden gezegend.
Op den 13en Juli werd zijn vonnis uitgesproken, en op den 14en werd
hij ter dood gebracht met al de afschuwelijkheid, die, den tijdgeest
eigen, hier in volle mate werd toegepast. Hoe weinig die gruwelijke
terdoodbrenging, die wij in haar bijzonderheden onzen lezers sparen,
met den geest van zijn slachtoffer overeenkwam, blijkt voldoende uit de
edele tusschenkomst van den Prins voor Jaureguy en de zijnen, waarover
wij vroeger reeds spraken. En zonder een klacht te slaken, stierf
hij. Dat feit wordt zelfs bevestigd door Aerssens, die in zijn brief
naar Brussel o.a. schrijft: "Nooit heb ik zulk een standvastigheid in
het lijden bijgewoond, geen ai mij! ontglipte zelfs den lijder." De
beulen schreven die Spartaansche hardnekkigheid aan tooverij toe;
de katholieken, die niet alleen zijn standvastigheid, maar zelfs
zijn zachtmoedigheid roemen, beschouwen hem daarom als een martelaar,
die een heiligverklaring verdiende.
Granvelle gaf in deze woorden zijn blijdschap te kennen over den
welgelukten aanslag: "Alençon en Oranje"--zoo schreef hij aan zijn
neef den Prins van Bellefontaine--"zijn nu, waar ze zijn. Men zal
het martelaarschap dat onze goede Bourgondiër heeft geleden, die
zulk een heldendaad heeft verricht, wel dankbaar erkennen." En aan
Don Juan de Idiaquez schreef dezelfde kardinaal: "Alençon is op den
10en Juni en Oranje op 10 Juli gestorven; als nu op den 10en Augustus
de koningin-moeder Catharina de Medicis sterft, dan zal het verlies
gering zijn."
De priesterschap gaf uiting aan haar haat tegen Oranje en verhief
den dood van den ellendigen moordenaar ten hemel. Toch waren er
enkele steden, ook in het Spaansche kamp, waar de blijdschap niet
algemeen was. In den Bosch werd een feestviering, die men voor had,
verhinderd door de gemeente en waren de kanunniken verplicht, alleen
in de kathedraal hun Te Deum te zingen, maar dit Te Deum, zeggen
enkele schrijvers, scheen geen goedkeuring in den hemel te vinden,
want op den avond daarna werd de toren van de kerk door den bliksem
getroffen, terwijl geen ander huis in de stad werd beschadigd.
Parma wenschte, toen hij den koning bericht gaf van den moord,
hem geluk, dat zulk een gevaarlijk man, die zooveel kwaad aan de
Christenheid, aan den godsdienst en aan den koning had berokkend,
thans de straf ontvangen had, zijne misdaden waard. Hij beloofde in
dien brief ook, dat hij de bloedverwanten van den heiligen moordenaar
zou trachten uit te vinden, opdat die de belooning, door die dappere
daad verdiend, zouden kunnen ontvangen. Een van Gérards broeders
haastte zich naar de Nederlanden om de 25.000 kronen op te eischen,
die hun thans wettig toekwamen. Parma drong daarop bij Filips aan,
maar de koninklijke schatkist was niet ruim voorzien. Hij stelde
daarom voor, aan de familie Gérard een aequivalent te geven in enkele
der verbeurdverklaarde goederen van Oranje in Bourgondië, met het
gevolg, dat de drie heerlijkheden van Lievremont, Hostal en Dammartin
in Franche-Comté aan die familie werden geschonken. De brieven van
adeldom aan de vier broeders en drie zusters van Balthasar Gérard en
hun wettige nakomelingschap gegeven, dragen den datum van 4 Maart 1589.
Toen Filips Willem, graaf van Buren, in 1595 naar de Nederlanden
terugkeerde, werden die goederen op hem weder overgebracht en ontvingen
de Gérards een geldelijke schadeloosstelling. Voltaire zegt, dat de
adelbrieven van die familie zijn teruggetrokken, toen Franche-Comté
bij Frankrijk kwam.
Een donkere wolk van neerslachtigheid hing over Holland; maar weinig
verwarring was er, zelfs in Delft, op het bericht van 's Prinsen
dood. De vrees voor een wijdvertakt verraad, die in Maart 1582
bij den aanslag van Jaureguy heerschte, toen men zelfs de Fransche
bondgenooten verdacht van medeplichtigheid, bestond thans niet. De
confessie van Gérard sprak duidelijk. De Staten-Generaal namen
onmiddellijk het gezag, dat ze aan den Prins hadden willen geven,
tot zich, en schreven, in hun souvereiniteit, brieven naar Engeland,
Frankrijk, Duitschland en de steden, terwijl ze de Prinses van Oranje
en Maurits hunne condoleantie aanboden.
Het lijk van den vermoorde bleef tot 3 Augustus boven aarde
staan. Gedurende dien tijd waren er, die een portret van den
afgestorvene wilden vervaardigen, doch de Staten verboden dat, uit
vrees, dat de vijand het bespottelijk zou maken, als het soms in zijn
handen viel. Een zekere Chr. Janszoon van Bieselingen vervaardigde
trots dit verbod toch een kleine schets van den Prins gelijk hij op
zijn doodbed lag en de gelijkenis werd zeer geprezen. Die schets
schijnt verloren te zijn, want het moet betwijfeld worden, of het
schilderijtje, waarop het hoofd van den gestorven Prins is afgebeeld
en dat nog heden in het Prinsenhof hangt, hetzelfde is als dat van
van Bieselingen.
Op den 3en Augustus begeleidde een breede optocht het lijk door de
straten der in rouw gedompelde stad naar zijn laatste rustplaats
in de groote, toen de nieuwe kerk. Voorop gingen de burgers met
neerhangende vlaggen, omgekeerde wapens en zwijgende trompetten. De
lijkwagen was bespannen met acht paarden, met zwarte kleederen bedekt,
waarop de wapens van Breda, Vlissingen, Châlons, Diest, Vianden,
Catzenellenbogen, Nassau en Oranje geborduurd waren. De lijkkist werd
een eind weegs gedragen door twaalf edellieden. Maurits ging te voet
daar achter; hij was gehuld in een langen zwarten mantel, waarvan
de sleep door zijn voogd gedragen werd. Daarop volgden verscheidene
familieleden en de Staten-Generaal, de Raad van State, de leden van
den Hoogen Raad van Holland, andere leden van het gouvernement, al
de officieren van Delft enz. Zoo werd het dierbaar overschot naar de
nieuwe kerk gebracht en in de aarde gelegd. Toen werd er een korte
preek gehouden over Openb. XIV : 13. "Zalig de dooden die in den
Heer sterven van nu voortaan; ja, zegt de geest, opdat ze rusten
mogen van hun arbeid en hun werken volgen hen." Ieders oog was week
van tranen en ook de kinderen schreiden op de straten. De man, die
zoo was veroordeeld, misverstaan, en slecht ondersteund door hen,
voor wier zaak hij geleefd had, was heengegaan en het volk rouwde om
zich zelf, terwijl het rouwde om hem.
Alzoo was de loopbaan van den Prins van Oranje; zijn levensdraad werd
afgesneden op den leeftijd van 51 jaar, twee maanden en 15 dagen. Door
geenerlei ziekte verzwakt, gezond van gestel, zou hij nog vele
jaren lang in den gewonen loop der gebeurtenissen zijn leven hebben
kunnen voortzetten. Middelmatig van lengte en mager, was hij toch goed
gebouwd. Zijn hoofd was breed, maar goed geproportioneerd, zijn gelaat
schraal, zijn neus was groot met wijde neusgaten, zijn uitzicht donker,
zijn oogen bruin met een vriendelijke uitdrukking. Hij droeg zijn
donkerbruinen baard een weinig gepunt. Als jong man was zijn haar van
dezelfde kleur als zijn baard, dik en weelderig gegroeid. Later was het
dunner geworden en droeg hij een klein kapje. Op vier-en-dertig-jarigen
leeftijd beschreef hij zich zelf als een Calvinist, calbo y calbanista,
waarvan de woordspeling in onze taal niet kan worden weergegeven.