Overeenkomstig dit verzoek, dat het edel karakter en den hoogen
geest van hem die het deed, ten volle kenmerkt, werden Venero en
Zimmermann geworgd, voordat men ze vierendeelde en werden hun dus de
martelingen gespaard, die men gewoonlijk arme misdadigers aandeed,
voordat de dood hen uit hun lijden verloste. De executie vond plaats
op Woensdag 28 Maart, tien dagen na de misdaad, tegenover het stadhuis.
De eerste droefheid van de verschrikte huisgenooten was
deerniswaardig. De arme Prinses, door hartstochtelijke smart
overweldigd, viel telkens in zwijm; de kinderen liepen met tranen en
angstkreten het huis door en de geheele familie was verbijsterd. Hoe
Maurits zich beheerschte, werd reeds gezegd en de anderen vergaten
ook spoedig zichzelf, uit zorg voor den gewonde, die gedurende drie
weken in zeer angstvollen toestand bleef.
De patiënt was veel meer met de gedachte bezig om toch Anjou tegen
elk vermoeden te vrijwaren en hem in zijn gezag te steunen, dan met
zich zelf. Doch de minste inspanning was uiterst gevaarlijk. De kogel
was in den nek onder het rechteroor gedrongen, was verder iets naar
beneden onder het verhemelte den mond doorgegaan en kwam, slechts
een tand geraakt hebbende, onder het linkerkakebeen er weer uit. De
inbranding hield de bloeding, die noodlottig had kunnen worden, eerst
tegen, maar ook nadat de wond was verbonden, bleef er voortdurend
gevaar bestaan, dat zij opnieuw ging bloeden, daar het onmogelijk was,
het verband op die plaats zeer vast te maken.
"Nooit," zoo schreef Marie aan graaf Jan, "zijn we in grooter vrees
geweest, want we dachten zeker, dat onze vader ging sterven. Veertien
dagen na het schot had hij zulk een bloeding uit een ader, die slechts
onbeduidend geraakt was, dat we alle hoop opgaven. Die bloeding
duurde verscheidene dagen. Hij zelf bereidde zich ter dood en ons
allen vaarwel zeggende, sprak hij: "Het is met mij gedaan." Gij kunt
wel begrijpen hoe wij te moede waren, onzen heer in zulk een lijden
te zien, zonder in staat te zijn, hem te helpen. Nooit zal ik dien
dag vergeten. Maar als door een wonder is hij behouden. Nu is er in
14 dagen geen bloeding geweest en denken de genees- en heelmeesters,
dat hij weer zijn volle gezondheid zal terugkrijgen. Hij moet zich nog
doodstil houden en geen woord mag hij meer spreken, dan noodzakelijk
is. Dat is ook de reden, waarom Filips (Engel, de secretaris) uw vragen
nog niet heeft beantwoord. De geneesheeren verbieden op dit oogenblik
mijn vader elke bezigheid. Ik wenschte, dat het mogelijk was dat Uwe
Exc. eens kon zien, hoe mijn heer is veranderd en hoe mager hij is
geworden. Men ziet werkelijk niets dan vel en beenderen; zijn vleesch
zal, hoop ik, terugkomen, als hij begint te eten. Tot nu toe at hij
geen spijs; alleen wat geweekt brood en soep; kauwen kan hij niet;
maar binnen een dag of twee, hoop ik, zal hem wel toegestaan worden,
wat te gebruiken. In de grootste haast.
Uwer Exc. geheel toegewijde dochter tot het eind van mijn leven,
M. F. v. N. v. O."
Onvermijdelijk scheen werkelijk de dood, toen het verband openging; het
leek onmogelijk het bloeden te doen ophouden, zonder dat de lijder zou
stikken. Toen verloor hij meer dan twaalf pond bloed. De geneesheer
van Anjou zelf, met name Leonardo Botalli, raadde een eenvoudig,
krachtdadig middel aan. Verscheidene personen, elkander afwisselende,
moesten zonder ophouden den duim op de wond aan de keel houden. Dit
geschiedde nacht en dag gedurende eenigen tijd en inderdaad werd de
bloeding gestelpt en ging de wond dicht.
Op 21 April schreef Marie: "Meher begint te eten. Het kauwen gaat
moeilijk, maar het schijnt hem goed te smaken." De herstelling,
eens begonnen, scheen spoedig te zijn voortgegaan, daar hij op
denzelfden dag aan den graaf schreef in antwoord op de vragen van
Filips Engel. Dit antwoord was in tamelijk koelen toon, in aanmerking
genomen, dat de Prins zoo doodelijk ziek was geweest en aan zijn
broeder schreef. Aan Condé zond hij op 25 April een veel warmer
briefje. Wij vermoeden, dat Oranje tot de zaken terugkeerende, aan
graaf Jan, die hier alles aan zijn beloop had overgelaten, niet veel
bijzonders te zeggen had. Op den 2en Mei was de invalide in staat
naar de kerk te gaan, om daar God te danken voor zijn behoud.
Even dwaas als het gerucht omtrent Fransch verraad bij dezen eersten
moordaanslag, was de zekerheid, die men onder de vijanden aangaande
het gelukken van dien aanslag koesterde. Parma was bij de eerste
berichten aanstonds gereed, om aan de steden te schrijven en ze op
te wekken, nu de Prins dood was, den weg der rebellie te verlaten en
terug te keeren tot de wapens van hun koning. Toen hij hoorde dat
Oranje slechts was gewond, dacht hij dat dit bericht een list was,
om de steden van daden terug te houden. Ook Granvelle geloofde vast
en zeker in 's Prinsen dood. Hij schreef nog op 20 Mei:
"Ik beschouw het overlijden van den Prins als zeker. Indien hij niet
zooveel geleden had op zijn sterfbed, dan zou ik wel gewenscht hebben
dat zijn dood plotseling had plaats gehad. Dan was Alençon (Anjou)
en zijn geheele gevolg stellig ook gemassacreerd."
In een anderen brief stelde hij voor, dat de graaf van Buren
naar de Nederlanden als landvoogd zou worden gezonden. "Diens
Spaansche opvoeding moest trouw aan Filips waarborgen en wegens zijn
bloedverwantschap met den Prins zou hij bij het volk aannemelijk zijn."
Toen Granvelle hoorde, dat de Prins nog leefde, was hij zeer
teleurgesteld. Op den 2en Juni schreef hij: "Van Fransche zijde
hoor ik tot mijn schrik, dat Oranje nog leeft en met Alençon voor
een venster gezien is, terwijl hij nog een pleister op een van zijn
wangen had. Fortassis spectrum (misschien een spook). Ik kan alleen
nog maar hopen, dat hij dood is... Ook heeft men mij verzekerd, dat
zijn afvallige non aan pleuris gestorven is. Het zou mooi zijn als
ze samen begraven werden."
De kogel van Jaureguy had dus gefaald. Zijn onmiddellijk slachtoffer
was gespaard; maar hij kostte het leven van een ander, die den Prins
zeer dierbaar was. Charlotte van Bourbon herstelde niet van den
schrik op den 18en Maart ondervonden. Haar reeds geknakte gezondheid
kon de zorg voor den lijdenden Prins niet verdragen. Toen deze reeds
het gevaar te boven was, werd zij door koorts aangetast, waaraan ze,
drie dagen nadat de Prins voor het eerst weder ter kerk was geweest,
op den 5en Mei bezweek.
Indien Oranje zich staatkundig voordeel van zijn huwelijk met Charlotte
van Bourbon had voorgesteld, dan viel dit wel zeer tegen. Het verbond
met Frankrijk kwam in 't geheel niet door hare bemoeiingen tot stand
en zeker was het verlies van vele Duitsche vrienden het gevolg van dit
huwelijk geweest. Uit politiek oogpunt mocht het dan ook een dwaling
van Oranje geweest zijn, het huwelijk was er niettemin bijzonder
gelukkig om. Van het begin af was Charlotte eene liefhebbende en
gelukkige vrouw, die weinig aanspraken had en zeer dankbaar was
voor al wat het nieuwe leven haar schonk. Geheel vreemd bleef ze
niet aan de staatkunde van haar echtgenoot, al was ze ook geen
staatkundige vrouw. In zijn afwezigheid handelde ze meer dan eens
als zijn plaatsvervangster. Ze liet zes kleine meisjes onder de zeven
jaar achter. De geboorte der eerste drie werd vermeld. In 1579, 1580,
1581 zagen nog achtereenvolgens het levenslicht: Charlotte Flandrina,
Charlotte Brabantina en Emilie Antwerpiana.
Uit alles blijkt, dat het leven, door dit gezin van den Prins geleid,
op verre na niet weelderig was. Maar Charlotte klaagde niet licht. Haar
ongemakkelijke en onvoegzame woningen, haar koude barakken, die zij
in alle steden, waar ze zich ophield, moest betrekken, waren niet in
staat, haar het goede humeur te doen verliezen; haar wezenlijk geluk
vond zij in "onze groote en kleine meisjes," zooals zij die dikwijls
in haar brieven noemde.
Haar huwelijksleven was een verrukkelijk contrast met haar jeugd,
die zij in het klooster doorbracht, zoowel als de jaren, toen zij
geheel afhing van de mildheid van den keurvorst van de Paltz. Zij
heeft door dat leven den laster geheel bezworen, die in de dagen
van de voltrekking van haar huwelijk op haar werd geworpen; de echte
waarde van haar karakter werd later door alle vrienden van den Prins
erkend, die vroeger over de onvoorzichtigheid van dien echt een groote
ontstemming getoond hadden. Haar schoonbroeder schreef in 1580, dat zij
de grootste troost en steun voor den Prins was in zijn moeitevol leven,
dank zij haar deugden en verstand. Zij werd ook innig door hem bemind.
Antwerpen toonde haar alle mogelijke eer na haar dood. "Tweeduizend
lange mantels," zegt Hooft, "volgden haar lijk naar 't graf op den 19en
Mei, maar haar deugden zullen haar in de nagedachtenis onsterfelijk
maken, niet alleen in het hart van haar echtgenoot, maar in de harten
van allen, die haar kenden."
Na den dood van de moeder der zes jonge meisjes, gaf Marie van Nassau
het plan op, naar haar aangenomen vaderland te Dillenburg terug te
keeren; zij wijdde zich geheel en al aan de zorg voor haar kleine
stiefzusjes. Korten tijd daarna bood Charlotte's vader, de hertog
van Montpensier, den Prins aan, om voor een zijner kleindochters te
zorgen, hetgeen Willem gaarne aanvaardde, zooals uit den volgenden
brief blijkt:
"Monsieur!
Ik heb uw brieven uit Parijs ontvangen en niets kon mij
meer aangenaam zijn, dan uw vriendelijkheid. Daar gij het
verlangen uitdrukt, een mijner kleine meisjes te hebben,
zal ik er voor zorgen, dat mijne boden haar aan U en Uwe
vrouw zullen overbrengen. Als God wil, zal ik haar op den
14en van hier zenden, dan kan ze, als weer en wind dienen,
vijf dagen later in Calais zijn; ik hoop dat daar een rijtuig
zal zijn om haar af te halen. Omtrent mijn andere dochters heb
ik nog niets beslist; ik hoop dat gij het goed zult vinden,
dat ik er maar een toezend. Gij behoeft mij niet te verzekeren,
dat er voor het kind goed gezorgd zal worden."
Van de vernieuwde populariteit, waarin Oranje zich na zijn herstel
mocht verheugen, maakte men gebruik een beroep op de verschillende
Staten te doen, om den Prins schadeloos te stellen voor de uitgaven,
die hij zich ten behoeve van het land had getroost. Dientengevolge werd
hem de abdij Afflighem, het graafschap van Aalst en het markiezaat
van Bergen gegeven. Ook ontving hij van tijd tot tijd andere in
bezit genomen kerkelijke goederen, o.a. het oude klooster te Delft,
waar hij later zijn leven eindigde.
Holland inzonderheid wilde zijn dankbaarheid voor zijn behoud
toonen. Reeds verscheidene malen hadden de Staten van dat gewest zich
afkeerig getoond van een vreemden souverein; het graafschap wilden ze
aan Oranje geven. Dit aanbod werd na zijn ziekte herhaald en door den
Prins aangenomen in een brief van 14 Augustus uit Brugge. Toch was
dit aanbod en het aannemen slechts voorloopig. Eerst na de Fransche
furie hadden er officieele onderhandelingen plaats, die slechts door
den dood van Oranje werden afgebroken.
Het merkwaardige van de transactie in 1582 was daarin gelegen, dat
Holland duidelijk te kennen gaf, vast besloten te zijn, als Staat niets
met den nieuwen beschermer te maken te willen hebben en dat de Prins
inzag, dat verdere pogingen zijnerzijds, om Anjou tot souverein van
Holland te maken, geheel vergeefsch zouden zijn. Ook erkende hij door
zijn voorloopige toestemming, dat zijn droomen van een Constitutioneele
unie van de Vereenigde Nederlanden als ijdel moesten worden beschouwd.