KOMST VAN ANJOU. EERSTE MOORDAANSLAG OP DEN PRINS. 1581-1582.

In het jaar 1581, waarin het verdrag van Plessis-les-Tours was

gesloten en Filips was afgezworen, kwam het Noorden steeds meer in

het nauw. Rennenberg overleefde zijn verraad niet lang. Reeds in

Juli van dat jaar stierf hij; doch de reactie, waaraan de vloek van

zijn naam is verbonden, werd met dien dood niet vernietigd. Hij en

zijn opvolger Verdugo vonden wel krachtige bestrijders in Hohenlohe,

Willem Lodewijk (oudste zoon van graaf Jan), Norris e. a., doch ook

de Spaanschgezinden bleven volhouden en zouden nog dertien jaar met

afwisselend geluk in de Noordelijke gewesten strijden, eer Maurits

in 1594 Groningen ten onder bracht.

Ook de val van Breda was een groote slag, inzonderheid voor den

Prins. In zijn eigen stad, waar de burgers in 1577 zoo verblijd

waren geweest, dat ze weer onder hun eigen heer kwamen, werd het

gezag des konings hersteld. Het volk toonde wel flinken weerstand,

maar was te klein in aantal, om hun moed bekroond te zien. De abt

van St.-Geertrui haastte zich er heen te gaan en herstelde er den

katholieken godsdienst. Volgens Strada keerde aldus de stad tot haar

koning terug en de zielen harer burgers tot God. Die inneming was

buitendien voor Antwerpen hoogst gevaarlijk en bereidde de verovering

van geheel Brabant door Parma voor. In het Zuiden werd Doornik genomen,

dat hem aanleiding gaf, diep in Vlaanderen door te dringen. Kamerijk,

dat door hem belegerd werd, kon Anjou nog behouden; hij was met 5000

ruiters de grenzen overgekomen, doch daar hij zag, dat de Staten nog

niet gereed waren hem te ontvangen, ging hij naar Engeland om Elisabeth

te ontmoeten. Toen viel Parma de inneming van Doornik gemakkelijk.

De Prins had ondertusschen den Haag verlaten, Zeeland bezocht en

zijne nieuwe markiezaten in bezit genomen. Daarop ging hij naar

Gent, met het plan tegen October naar Antwerpen te gaan, waar de

Staten-Generaal, volgens de bepalingen in den Haag gemaakt, zouden

samen komen. Daar hield hij o. a. deze verontwaardigde rede onder den

indruk van de gevaren die dreigden en van de blindheid van het volk

voor die gevaren. Het was een toon, dien hij zoo dikwijls had moeten

aanslaan, gericht tegen het gebrek aan opoffering voor het algemeen:

"Doornik wordt belegerd en andere onheilen bedreigen ons. Onder deze

omstandigheden, Mijne Heeren, is deze achteloosheid een ongeloofelijk

groote ramp, die niet voortkomt uit gebrek aan inzicht of uit

traagheid, maar eenvoudig uit het feit, dat iedereen meer belang stelt

in zijn bijzondere zaken, dan in het algemeen welzijn. Het volk wil

het niet tot werkelijkheid maken, dat deze oorlog zijn oorlog is; dat

zij zelf het zijn, die vechten voor hun vrijheid, voor hun persoon,

voor hun geweten. Van daar dat zij, als er geld gevraagd wordt, zonder

hetgeen ik, noch eenig sterfelijk mensch den oorlog kan ondernemen,

er altijd over harrewarren, alsof zij nog aan het babbelen waren met

den overleden keizer. Zij moesten inzien, dat zij het niet aan mij

weigeren, maar aan hen zelf. Ik heb hun geld niet noodig--al hebben

lasteraars mij beschuldigd, dat dit wel zoo is. Nog eens zeg ik u,

Mijne Heeren, het is uw oorlog en als men u vraagt te beraadslagen,

dan is het over uw eigen zaken. Elk gewest heeft zijn eigen raad,

ieder land zijn eigen krachten en geld, zoodat wat veel zou zijn voor

allen, weinig is voor elk afzonderlijk.

"Het is waar, dat er een centrale raad is ingesteld, maar zonder

macht. Waar geen gezag is, hoe kan daar militaire tucht zijn,

hoe kunnen de financiën, de rechtspraak en andere zaken worden

geregeld? En gezag kan er niet zijn bij hen, die geen sou kunnen

uitbetalen, zooals met mij op het oogenblik het geval is. Gij moet

inzien, dat de regeering, door u zelf en door de Staten gevestigd,

niet langer kan blijven bestaan dan tot het einde van Januari. Indien

gij op dien tijd geen order op deze zaken gesteld hebt, dan zal er

geen bestuurder meer noodig zijn, omdat er geen land meer zal wezen."

Een van de redenen, waarom Anjou in den loop van het jaar 1581 naar

Engeland overstak, in plaats van in ons land te blijven, was dus het

gebrek aan gezamenlijke pogingen van de Staten, om de noodige gelden

bijeen te krijgen. Een andere reden van dat vertrek naar Engeland

was gelegen in zijne stellige verwachting, dat Koningin Elisabeth hem

haar hand zou schenken, waarop in den zomer van 1581 alle kans scheen

te bestaan. Het huwelijkscontract was zelfs in Juni geteekend en de

ceremoniën voor het huwelijk werden vastgesteld--ja zelfs de ringen

werden uitgewisseld tusschen de vijftigjarige maagd en den jongen,

maar onbevalligen hertog van Anjou, toen deze in October Vlaanderen

verliet en naar Engeland overstak. Toch was dit alles niets dan

staatkunde van de zijde van Elisabeth; wel wilde zij Frankrijk te

vriend houden, doch toen zij Hendrik III als een gevolg van haar

huwelijksverbintenis een alliantie met Frankrijk tegen Spanje wilde

doen teekenen, weigerde deze dien stap te doen en weer was het huwelijk

voor onbepaalden tijd uitgesteld.

Ondertusschen was Marnix van St. Aldegonde reeds in November het

kanaal overgestoken, om bij Anjou aan te dringen op zijn spoedige

terugkomst. In Januari moest die gezant aan Anjou mededeelen, dat

men een anderen beschermer zou zoeken, indien hij niet terugkwam. De

gelden waren op Oranje's ernstig woord losgekomen; men maakte zich

tot de ontvangst van den hertog gereed en wilde ook niet langer

wachten. Anjou zelf begon het spel te doorzien, dat Elisabeth met

hem speelde en zette op den 8en Februari 1582 koers naar Vlissingen,

vergezeld door een stoet van edellieden, waaronder Leicester en

Sidney behoorden. Op den 10en kwam hij aldaar aan en werd met groote

eerbewijzen door Oranje ontvangen.

Eindelijk was het dus aan de onvermoeide pogingen van den Prins gelukt,

een Fransch protectoraat over de gewesten te vestigen. Nu moest zijn

diep geloof, dat in dit verbond hun eenige hoop was gelegen, worden

bewaarheid. De langdradige, behoedzame argumenten van zijn broeder

Jan daartegen, beantwoordde hij o. a. op de volgende wijze:

"Men moest ons daarom niet smaden; want wij voor onzen persoon

verbinden ons niet, noch bieden hem onzen dienst aan; maar de Staten

dezer landen verkeeren in zulk een uitersten nood, zijn zoo geheel en

al door de gansche wereld verlaten, dat ze de hulp, die hun door hem

werd aangeboden, moesten aannemen. Als zij daarom te beschuldigen

zijn, dan moest men evengoed den man, die naar Jericho reisde,

zooals in de gelijkenis voorkomt, beschuldigen, dat hij de hulp van

den Samaritaan niet afsloeg, toen hij, onder moordenaars gevallen,

half dood op den weg lag en de priester en Leviet waren voorbijgegaan,

zonder hem barmhartigheid te toonen. Toch werd niet de gewonde, maar

werden die andere waardige vaders, die voorbij waren gegaan en niet

hadden geholpen, door Christus beschuldigd. Het was daarom te wenschen,

dat zij, die den hertog van Anjou voor een Samaritaan of een vijand der

Christelijke kerk aanzien, liever dan dit volk, dat hulp en troost in

zijn jammer zoekt, te berispen, metterdaad zooveel medelijden getoond

hadden, dat het niet noodig ware geweest, andere hulp aan te nemen."

Hoewel die vergelijking van den Samaritaan met Anjou waarlijk niet

opgaat, is toch de verzwegen gelijkstelling van het geloofsverwante

Duitschland en Engeland met den priester en den Leviet zeer teekenend

en verdienden die landen, die allereerst tot hulp verplicht waren

geweest, ten volle de toespeling.

Tegenover anderen, die hem voor Anjou waarschuwden, merkte hij op,

dat een dog, wiens aard al te bekend was, best een trouwe herdershond

kon worden, als hij slechts behoorlijk gemuilband werd; terwijl hij

tot allen, die eerlijk meenden, dat de Prins de opgestane gewesten

van de hel in het vagevuur bracht, zeide: "Het is de vraag niet,

wat we noodig hebben, maar wat wij krijgen kunnen."

Van Vlissingen, waar Anjou was aangekomen, werd hij in triomf

naar Middelburg begeleid, waar de ontvangst schitterend was, doch

die nog overtroffen werd bij zijn komst in Antwerpen. Daar riep

men den Franschen prins als hertog van Brabant uit en werd hem de

hertogelijke mantel omgehangen en de hoed op op 't hoofd gezet. De

Prins van Oranje zou daarbij de woorden gesproken hebben: "De knoop,

waarmee deze mantel wordt toegehecht, moet zoo vast en stevig zijn,

dat niemand hem weder zal kunnen losmaken."

Menigeen van de toeschouwers zou hebben opgemerkt, dat de knoop

niet zoo stevig was toegehaald en de hoed niet goed op het hoofd

geplaatst was; later beschouwden ze dit als een voorteeken der volgende

gebeurtenissen. Ook meenden bijgeloovige lieden in hevige stormen en

in een aardbeving, die Brabant in het laatst van Februari teisterden,

voorteekens te zien van kwade dingen. Leicester en Walter Raleigh waren

bij die kroning tegenwoordig. Toen zij naar Engeland terugkeerden,

droeg de Prins hun op, aan Elisabeth, die gaarne in het latijn werd

toegesproken, te zeggen: "Sub umbra alarum tuarum protegimur." (Onder

de schaduw uwer vleugelen worden wij beschermd).

Ondertusschen was zelfs de dag der kroning voor den Franschen prins

reeds een bewijs, dat zijn heerschappij over het volk zeer beperkt zou

wezen. Eeden van allerlei aard werden van hem gevraagd en geen poging

werd verzuimd, om reeds van te voren alle geliefkoosde provinciale

en stedelijke voorrechten tegen mogelijke inbreuk daarop te beschermen.

Het duurde dan ook geen veertien dagen, of er ontstond reeds

een onaangename verhouding tusschen den nieuwen vorst en zijne

onderdanen. Antwerpen was toen geheel in de macht der Calvinisten;

den katholieken was in 1580 slechts in enkele kerken doop en huwelijk

volgens hun godsdienstig gebruik toegestaan en nu kostte het Anjou en

zijn katholiek gevolg reeds moeite om een kerkgebouw te verkrijgen,

waar zij volledig hun eeredienst konden uitoefenen. Buitendien nam

de Vlaamsche bevolking aan de leefwijze der Fransche edelen aanstoot

en vertrouwde ze Anjou's troepen in Vlaanderen niet. Op den 18en

Maart kwam daar iets bij, dat het volk bijna naar de wapenen had doen

grijpen, omdat het in den waan verkeerde, dat er Fransch verraad bij

in het spel was.

Wat gebeurde er namelijk op den 18en Maart? De prijs, door Filips

op het hoofd van Oranje uitgeloofd, mocht in de oogen van 's Prinsen

royale vijanden een schande zijn voor hen, die dat gruwelstuk hadden

ondernomen, er waren misdadigers genoeg, die aangelokt door den prijs

en den adelstand, over het volvoeren van die snoode daad peinsden. Ook

ontbrak het niet aan fanatieken, die droomden van de eer, die hun te

beurt zou vallen, als zij het werktuig waren, waardoor de Kerk van

die pest werd verlost.

Vele maanden vlogen echter voorbij, voordat òf zulk een moordenaar

òf zulk een droomer zijn plan ten uitvoer bracht. De eerste aanslag

had een maand na Anjou's installatie in Antwerpen plaats en was

bijna geslaagd.

Op den 18en Maart was het de geboortedag van den nieuwen souverein en

allerlei voorbereidingen waren er gemaakt, om dat feest des avonds te

vieren. 's Morgens (het was op een Zondag) ging Oranje naar de kerk en

wel naar de kapel, die hij op den citadel-heuvel had gesticht. Een

predikant uit Doornik zou er preeken. Hij noodigde verscheidene

edellieden met hem ter tafel, waar o.a. de Fransche gezanten, de

heeren de Laval en des Pruneaux zijn gasten zouden zijn. Zij zouden

allen het avondeten gebruiken op het banket door "Monsieur" aan de

Staten-Generaal, de officieren van Antwerpen enz. ter herinnering aan

zijn geboortedag te geven. Het middagmaal bij den Prins was geheel

en famille; het geheele huishouden was aan tafel en daaronder ook

Maurits, toen 14 jaar oud, en twee van de zonen van Graaf Jan. Daar de

conversatie zeer levendig was bleef het gezelschap onder het dessert

lang bijeen.

Toen de maaltijd geëindigd was, ging de Prins met den graaf van

Hollock en den genoemden de Laval uit de groote kamer, door het

gezelschap gevolgd. Laval bekeek het behangsel en sprak daarover met

den Prins, die hem verschillende dingen daaromtrent zeide en zijn

blik er eveneens op richtte. Hij was juist op het punt een tweede

kamer binnen te treden, terwijl hij zijn oogen opwaarts sloeg, toen

er plotseling een persoon, klein van stuk, zich voor hem vertoonde,

alsof hij een request had aan te bieden. Die persoon was ongeveer 23

of 24 jaar, had een slecht uiterlijk, een bleeke gelaatskleur, en een

donker zwaarmoedigen trek; hij was geschoren, behalve op de bovenlip,

waar enkele zwarte haartjes voor den dag begonnen te komen. Een

hellebaardier drong hem terug, maar hij trad vooruit en schoot

plotseling een pistool, dat onzichtbaar was geweest, op den Prins af.

Het pistool was overladen, sprong in zijn eigen hand terug, terwijl

de kogel een hoogere richting nam en den Prins raakte tusschen het

oor en het eind van de kaak aan den rechterkant; hij ging recht

door de linkerwang, zonder een slagader, de kaak, de tong of tanden

te hebben gekwetst, behalve, dat hij tegen een tand aanknarste. De

Prins, wankelend noch verschrikt, keek den kerel aan en deze, ontzet

over zijn eigen daad en als het ware door een goddelijke macht aan

den grond genageld, liet zijn dolk vallen; een zekere Bonnyvet greep

hem bij de borst en onmiddellijk werd hij door het gezelschap van den

Prins vermoord, zeer tegen Oranje's wil die nog riep hem te sparen,

maar het was vergeefsch, want in minder dan een oogenblik had hij

meer dan 33 doodelijke wonden ontvangen.

Volgens een ander bericht, was het pistool van den moordenaar zoo

dicht bij 's Prinsen gelaat, dat zijn haar en baard verzengde, maar

dat ook de wond aanstonds inbrandde, toen de kogel passeerde en er

aldus bloedverlies werd voorkomen. De daad had zulk een snel verloop,

dat Oranje het minst van allen wist, wat er gebeurd was. De Prins

dacht inderdaad, dat er een deel van de zoldering inviel. Toen hij

van zijn verbazing was bekomen, dacht hij eerst aan den misdadiger

en zeide haastig: "Dood hem niet, ik vergeef hem mijn dood," en

zich daarop tot den Franschen gezant wendend, voegde hij er bij:

"Zijne Hoogheid verliest in mij een getrouw dienaar."

Onmiddellijk daarna werd hij naar zijn kamer geleid, aan beide kanten

ondersteund, want alleen gaan kon hij niet. De eerste meening onder

de aanwezigen was, dat er Fransch verraad in het spel was en die

meening vond, toen het nieuws bekend werd, haar echo in de geheele

stad. In een oogenblik won de vrees, dat de nieuwe souverein een

tweeden Bartholomeusnacht had willen wakker roepen, een willig oor.

Voor een jongen van 14 jaar was de zelfbeheersching van Maurits,

die voor zijn oogen op zijn vader had zien schieten, bijzonder

sterk. Hij deed geen uitroepen, maar stond rustig bij het lijk van den

moordenaar, om toe te zien, dat er buiten zijn weten geene papieren

werden weggenomen. Bij het opnemen van het pistool ontdekte men,

dat bij zijn ontlading een duim van Jaureguy was afgeschoten, zoodat

deze niet in staat was geweest, om zijn dolk, die in zijn broek werd

gevonden, te gebruiken.

Toen werd er een nader onderzoek ingesteld; enkele papieren en

pamfletten werden gevonden en aan Maurits gegeven, die ze aan een van

de dienaars van zijn vader toonde, terwijl hij in tranen uitbarstte

en zeide: "Kijk eens wat de ellendeling bij zich had." Die dienaar

antwoordde: "Bedaar, Monsieur! God kan uw vader nog behouden; maar

draag zorg voor de papieren, we moeten iets omtrent den man ontdekken,

of de heele stad komt in beweging."

Daarop hernam Maurits: "Helaas! ik ben bang, dat hier een andere

deugniet achter zit, die hem van ons wil wegnemen." De edele knaap zei

dit, omdat er een praatje in de kamer liep, dat de menschen, die den

moordenaar hadden doodgeslagen, zijn medeplichtigen waren, zoodat een

oogenblik het vermoeden viel op 's Prinsen beste vrienden en dienaars.

Toen de jonge graaf aldus gesproken had, wierp de bovenvermelde

dienaar zijn mantel over hem heen en zeide: "Kom mee, Monsieur,

ik zal uwe papieren in veiligheid brengen." Hij deed dit en nam hem

mee naar de gezelschapskamer van het huis. Daar in veiligheid, keken

ze de papieren door en zagen spoedig dat alles in het Spaansch was

geschreven. "Monsieur, daar is geen gevaar bij," zei de dienaar. "Ga

terug en doe een verder onderzoek. Ik zal bij u blijven." Dit werd

gedaan en toen haastte zich de dienaar om iedereen te verzekeren,

dat een Spanjaard de daad had bedreven en dat alle vermoedens tegen

de Franschen dus ongegrond waren.

Maurits keerde terug met de rest van de papieren, een kruis en een

Agnus Dei, een groene waskaars en twee andere dingen, die men voor

toovermiddelen aanzag. De dienaar keek de eerste papieren door en hij

bevond, dat het gebeden en geloften waren. Toen brak hij het zegel van

een pakket brieven stuk, waaruit bleek, dat ze in het Spaansch door

een Spanjaard aan een Spanjaard waren geschreven. Hij deelde dit feit

mede en liet toen het verder onderzoek over aan Aldegonde, die spoedig

op het tooneel verscheen. Toen de rest van het pakket werd geopend,

vond Marnix twee credietbrieven, een voor 2000 en een voor 877 kronen

met adressen alle in het Spaansch door Spanjaarden geschreven. De

boeken waren een getijdeboek, een Jezuïetische catechismus en twee

zakboekjes, van het eene eind tot het andere beschreven met zaken, die

op zijn plan betrekking hadden. Er werden daarin o.a. giften beloofd

aan de Maagd Maria, aan den Engel Gabriël, aan Christus en den zoon

van Christus (even of Christus een zoon hadde, voegt van Meteren

hierbij), als zij met den Almachtige hem behulpzaam waren bij zijn

opzet. Hij verbond zich zelfs, een week lang op water en brood te

leven, als hij ongedeerd ontsnapte. Ook was er een toovermiddel bij,

waaraan hij de kracht toeschreef, hem onmiddellijk na het volvoeren

van zijn daad onzichtbaar te maken.

Spoedig werd Anjou door Aldegonde geheel op de hoogte gebracht. Hij

riep den Raad van State bijeen, bepaalde een vervroegde zitting van de

Staten-Generaal en vaardigde een proclamatie uit, die alle personen,

die slechts eenig licht konden verspreiden over de misdaad opriep,

om dit onmiddellijk te doen. Het voornaamste doel was uit te vinden,

hoe ver vertakt het complot was. Spoedig ontwarde men de geheele

historie en bewees men duidelijk, dat het geheim van dezen aanslag

slechts aan vier menschen bekend was.

De feiten waren als volgt. Gaspar d'Anastro was een Spaansch koopman

in Antwerpen. De tijden waren slecht en hij stond op het punt van

bankroet te gaan, toen Filips' aanbod hem een kans scheen te bieden,

zich financieel te redden. Hij trad daarop in briefwisseling met Filips

en teekende een contract, waarbij hij beloofde den Prins binnen een

bepaalde tijdruimte te dooden. Hij zou daarvoor 80,000 dukaten en

het kruis van Sint Jago ontvangen. Oranje liet inderdaad zóóveel

menschen bij zich toe, dat de daad wel mogelijk, maar ontsnapping

onwaarschijnlijk scheen en Anastro zelf, door zuiver baatzuchtige

motieven geleid, had geen lust, zijn leven te gelijk met dat van zijn

slachtoffer in de waagschaal te stellen. Hij had een ander Spanjaard

als kassier, n.l. Venero, dien hij in vertrouwen nam. Zij spraken

samen af, het plan door hun dienaar Jean Jaureguy te doen volvoeren.

Hoe zij er in geslaagd zijn, dezen te overreden, wordt niet

verhaald. Toewijding aan Anastro of godsdienstijver moet de bron zijner

daad geweest zijn, want zijn eigen aandeel zou, gelijk de wisselbrieven

aanduidden, slechts 2877 kronen zijn geweest. Anastro zelf ging, na het

plan te hebben vastgesteld, naar Duinkerken; ontving, onder voorgeven

van ziekte, van zijn agent te Calais een paspoort over de grens en was

veilig binnen Parma's gebied, twee uur voordat de order kwam, hem te

arresteeren. Venero, de kassier en een Dominikaansche monnik Zimmermann

waren de eenige slachtoffers van de volksverontwaardiging. De laatste

had Jaureguy's plan uit zijn mond gehoord en was dus met de daad

bekend voor hare uitvoering. Beiden werden op den 28en Maart ter

dood gebracht, zoodat het volgend briefje van Oranje aan Aldegonde,

zonder datum waarschijnlijk op den 27en is geschreven:

"M. de St. Aldegonde:

"Ik heb gehoord, dal ze morgen de twee gevangenen zullen

terechtstellen, die medeplichtigen zijn van den persoon,

die op mij geschoten heeft. Wat mij aangaat, ik zou gaarne de

beleediging, mij aangedaan, vergeven, en indien zij misschien

een zware en gestrenge straf verdiend hebben, verzoek ik u,

dat men hen geen martelingen op de pijnbank doet ondergaan,

maar zich tevreden stelt met een korten dood.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 65 / 80 题