DON JUAN VAN OOSTENRIJK EN DE PRINS VAN ORANJE. HET EEUWIG
EDICT. 1576-1577.
Reeds in de lente van 1576 had koning Filips zijn half-broeder Don
Juan van Oostenrijk tot opvolger van Requesens benoemd. Deze jongste
zoon van Karel V was in 1545 te Regensburg geboren; zijn moeder was
een zekere Barbara Blomberg, waschvrouw van beroep. In zijn jeugd
was hij naar Spanje gezonden en met groote zorg opgevoed door Louis
Quixada, een lid der keizerlijke hofhouding. Eerst toen de keizer was
overleden, werd hij door Filips als zijn broeder erkend en werd zijn
opvoeding, te gelijk met die van zijn neven Alexander Farnese en Don
Carlos, voltooid. Uiterlijk geleek hij op niemand van de familie van
zijn keizerlijken vader, want hij was een der knapste jongelieden
uit Europa. "Rijzig van gestalte, innemend van uiterlijk, dapper en
hoffelijk, vroom katholiek en man van de wereld tevens, herinnerde
hij, veel meer dan zijn koninklijke broeder, aan zijn roemruchtigen
vader, hoewel hij, driftig, ja opvliegend als hij was, zijns vaders
staatsmanstalenten ten eenenmale miste."
Filips had hem voor de kerk bestemd, maar dit vooruitzicht strookte
niet met zijn moedigen, avontuurlijken geest. Het gelukte hem werkelijk
den wil van zijn koninklijken broeder te braveeren en zijn eigen
wenschen te volgen. Waarschijnlijk hielp de buitengewone persoonlijke
betoovering, die van Don Juan tegenover jong en oud uitging, hem,
om den koning voor zijn plannen te winnen en Filips stond hem toe,
in plaats van een monnikskap een helm te dragen; hij droeg hem zelfs
het commando op van een expeditie tegen de Mooren in Granada toen
hij pas 23 jaar oud was. Schitterend succes bekroonde deze eerste
onderneming, hoewel ongelukkig de overwinning door vreeselijke
wreedheid bezoedeld werd.
Omstreeks dienzelfden tijd vielen de Turken aan op Venetië en
bedreigden de veiligheid van geheel Italië. Toen werd Don Juan
opgedragen hen te bestrijden en won hij, meer door geluk dan door
wijsheid, een zeeslag in de baai van Lepanto. Europa was in dien
tijd in voortdurende onrust, dat het Turksche rijk werd uitgebreid
en dus werd overal de tijding van die overwinning met buitengewone
vreugde begroet. Het feit, dat er bijna evenveel Christenen als
Mohammedanen waren gesneuveld, bracht men niet in rekening; het werd
als een beroemde overwinning beschouwd en men prees den jongen held
uitbundig om zijn succes.
Die aanbidding van zijn beschermeling behaagde Filips niet bijzonder;
hij riep zijn broeder spoedig van het oorlogstooneel terug, vreezende
dat de lauweren, die hij behaalde, meer roem zouden geven aan den
jongsten zoon van Karel V dan de gouden kroon aan zijn oudsten.
Ondertusschen waren Don Juans zucht naar krijgsroem en zijn ridderlijke
eigenschappen in den strijd tegen de Turken nog aangewakkerd. Terwijl
zijn broeder de koning, afkeerig van persoonlijke deelneming aan den
krijg, zich in zijne paleizen opsloot, om van daar (zooals hij meende)
het lot der volken te beheerschen--dacht Don Juan, dat hij evenals
zijn vader tot een groote rol in de wereldgeschiedenis bestemd was en
de katholieke kerk door middel van het zwaard tegen Turken en ketters
moest verdedigen. Daarbij speelde het romantisch denkbeeld door zijn
brein om de ongelukkige Maria Stuart uit de gevangenis te verlossen,
haar te huwen, en in plaats van Elisabeth tot koningin van Engeland
te verheffen.
Inderdaad was dat romantisch denkbeeld een jongen held dier dagen ten
volle waard. Sedert 1568 was de weduwe van den Franschen Koning Frans
II ([+] 1560) na tallooze pogingen om den haar rechtmatig toekomenden
Schotschen troon te behouden, in de macht van haar groote vijandin
gekomen. Omringd door verraad in haar eigen land, had zij zich na
de nederlaag bij Langside, in de macht van Elisabeth gegeven en was
ze sedert van de eene gevangenis naar de andere gesleept, tot ze
eindelijk, gelijk ieder weet, te Fotheringay onthoofd werd. Acht
jaren lang had de ongelukkige, onttroonde vorstin reeds in haar
gevangenis gezucht, toen Don Juan van Oostenrijk zijn droombeeld,
om haar te verlossen, koesterde.
In den herfst van 1576 was hij in Italië; daar ontving hij na den dood
van Requesens zijn aanstelling tot landvoogd van de Nederlanden en zijn
meening was, dat die Nederlandsche roeping een eerste stap zou zijn,
om zijn ideaal te kunnen verwezenlijken. Niet wetende, dat er zulk
een haast was, naar de ontvoogde Nederlanden te gaan en door zijn
vertraging aan de Nederlanden alle mogelijke speelruimte gevende,
hun eigen zaken zonder landvoogd en buiten Filips om, ter hand te
nemen, ging Don Juan eerst uit Italië naar Spanje terug, om daar, in
overleg met zijne vertrouwden, den grondslag van zijn staatkunde te
leggen, die hij meende te zullen volgen. Daar hij op zijn reis door
Frankrijk bevreesd was voor mogelijke aanranding door vrienden van
de Nederlanders, vermomde hij zich op zijn tocht door dat land als
Moor en zijn geheele escorte bestond uit zijn vriend Ottavio Gonzaga,
zes krijgslieden en een koerier. Hij zelf moest doorgaan voor den
knecht van Gonzaga. Het gezelschap hield een nacht in Parijs stil,
waar Don Juan een samenkomst had met Guise, den oom van Maria Stuart,
met wien hij zijn verlossings- en huwelijksplan besprak.
Wij kunnen ons levendig voorstellen, hoe bitter teleurgesteld de
jonge held was, toen hij op den 3en November in Luxemburg aankwam en
vernam, hoe de zaken in de Nederlanden op dat oogenblik stonden. Bij
zijn groote plannen met Engeland, had hij zijne landvoogdij over de
Nederlanden als de gemakkelijke brug beschouwd, tot bereiking van
zijn doel aan gindsche zijde van het Kanaal en nu moest hij vernemen,
hoe hem zelfs niet eens de toegang tot de Nederlanden werd vergund,
alvorens hij de Pacificatie van Gent met zijn handteekening had
bekrachtigd.
Wij vermeldden vroeger, hoe die Pacificatie reeds den 28en October
tot stand was gekomen, en onder den indruk der Spaansche Furie, den
8en November door de Staten-Generaal werd geteekend. Ook Don Juans
komst op den 3en dier maand verhaastte nog die teekening. In plaats
dus, van onmiddellijk als landvoogd te worden verwelkomd en de eeden
af te vorderen van de Nederlanden, moest hij eerst trouw zweren aan
die Pacificatie en zag hij zich zelfs den toegang tot de hoofdstad
gesloten. Die Pacificatie was hem eerst een groote ergernis; hij
zag er een verbond in, even tegenstrijdig met den dienst van God als
met de gehoorzaamheid, aan den koning verschuldigd. Roda maande hem,
zich aanstonds aan het hoofd der in de Nederlanden aanwezige Spaansche
troepen te stellen, die volgens zijne berekening nog wel uit 10.000
man bestonden. Doch aan dien raad wilde hij ook geen gevolg geven;
hij was gekomen als bemiddelaar en buitendien zou het met geweld
optreden in Nederland aanstonds al zijn plannen tegenover Engeland
in duigen geworpen hebben. De Staten-Generaal waren ook wel in twee
partijen verdeeld, waarvan de eene meer de politiek van Oranje aanhing,
de andere getrouw aan den koning wilde blijven--maar op het punt van
de Pacificatie en de verwijdering der Spaansche troepen waren zij
het toch volkomen eens.
De eerstgenoemde partij, die Oranje aanhing, deed alle mogelijke moeite
om den Prins zelf naar Brussel te troonen; maar zoolang de volledige
Staten-Generaal hem dit niet verzochten, was Oranje onwillig, dat te
doen. Volgens hem moesten er gansch andere maatregelen met Don Juan
genomen worden. Den 9en November zond hij namelijk uit Middelburg
een advies aan de Staten-Generaal, met begeleidend schrijven aan den
hertog van Aerschot, die door den Prins slechts half vertrouwd werd.
In dit schrijven aan Aerschot meldt Oranje hem, dat de komst van Don
Juan van Oostenrijk veel kwaad aan het land kan brengen, indien men
door eigen schuld hem daartoe de middelen verschaft, maar daarom moet
men door groote voorzichtigheid zijn plannen voorkomen. De Prins is
dan ook zoo vrij een advies aan de Staten-Generaal te zenden en om de
vergadering des te beter te kunnen inlichten, zendt hij een afschrift
van het advies aan Don Juan, vóór de samenkomst wordt gehouden.
In dat schrijven aan de Staten-Generaal wijst Oranje op het kleine
gezelschap, dat den landvoogd vergezelt en hij maakt eruit op, dat de
koning en zijn raad er geheel aan wanhopen, door middel van geweld,
de orde in het land te herstellen. Maar, waarschuwt de Prins, men
wil ons te kennen geven, dat we op zeer zachte en menschelijke wijze
zullen behandeld worden, doch op een goed gekozen oogenblik zal
worden uitgevoerd, hetgeen in de geheime particuliere instructies
is geschreven. Op grond hiervan raadt de Prins ten sterkste aan,
Don Juan in verzekerde bewaring te nemen en zich meester te maken
van zijn persoon, want alleen in dat geval, zegt hij, zal er zonder
verdere bloedstorting met Gods hulp een eind aan den oorlog komen.
De meerderheid van de Staten-Generaal was met Aerschot bevreesd voor
te grooten invloed van Oranje en ze besloten het advies niet te volgen,
doch met Don Juan in overleg te treden.
Daarover niet uit het veld geslagen, legde de Prins nogmaals in een
zeer uitvoerig advies, den nadruk op de dreigende gevaren. Het doet
hem leed, dat er velen zoo goed van vertrouwen zijn en hij tracht de
Staten-Generaal te bezielen met hetzelfde wantrouwen, dat hem vervult.
"De toorn van koningen is onsterfelijk," schrijft Oranje. "Wat Don
Juan ook moge beloven, het is alles misleiding en bedrog, het is
verraderlijke toegevendheid door den nood afgeperst, die ten doel
heeft, ons in slaap te wiegen, onze kracht te breken en ons daarna
met schending van alle trouw tot nog harder slavernij te dwingen...."
Verder eischt de Prins waarborgen tegen willekeur, verwijdering
van alle troepen en het opnieuw bezweren van de gewestelijke
privileges. Wil men Don Juan erkennen en tevens veilig zijn tegen
de wraak van Filips, dan moet de macht van den landvoogd beperkt
wezen. "Verklaar hem," zegt Oranje, "dat ge zult voortgaan met u te
versterken en dat gij het voetvolk en de ruiters, waarover gij te
gebieden hebt, niet eer zult wegzenden; want het ware hem het mes in
de hand geven, waarmede hij u den hals zou afsnijden."
Zeker, zijn adviezen aan de Staten-Generaal lieten aan kracht en
overtuiging niet te wenschen over, maar het was voor doovemans ooren
gepraat; men luisterde niet naar zijn raad.
Later zou het zonneklaar blijken, dat Oranje volkomen gelijk had met
zijn waarschuwingen tegen Don Juan.
Ondertusschen bleef de Prins, steeds vanuit Middelburg, ijverig in
de weer het zuiden voor te lichten en de Pacificatie van Gent tot een
feit te maken. De briefwisseling in die dagen was grooter dan ooit en
niet alleen met het Zuiden, maar ook met die Noordelijke gewesten,
welke nog niet waren aangesloten, terwijl in Friesland door zijn
invloed de Spaanschgezinde Robles door George Lalaing, den graaf van
Rennenberg, als stadhouder werd vervangen. Ook met Anjou bleef hij
steeds in betrekking.
Al volgde men zijn advies ten opzichte van Don Juan niet, van alle
kanten trachtte men hem te overreden, persoonlijk naar Brussel
te komen, maar hij achtte den tijd nog niet daar. Hoe hoog zijn
populariteit ook in Brussel was gestegen, hoe men daar ook zijn
hoop alleen op hem bouwde; hij begreep terecht, dat, zoolang er met
Don Juan onderhandeld werd, zijn persoon niet anders dan nadeelig
kon werken. Hij zag n.l. wel in, dat zijn eigenlijke bedoeling,
vrijheid van godsdienst, nimmer door den nieuwen landvoogd zou worden
toegestaan.
In dien geest schreef hij ook aan St. Aldegonde, die zich te Brussel
bevond maar, zoo meldde hij zijn vriend, al meen ik niet te moeten
komen, ge kunt er van verzekerd zijn, dat ik niet zal ophouden dag
en nacht in het ware belang van het land te werken.
Oranje wantrouwt nog den toestand en vreest, dat de andere Staten
zich van die van Brabant zullen afzonderen, indien hij ontijdig
toegeeft aan den wensch der bevolking. Inderdaad, niet alleen
enkelen, maar de gansche burgerij in Brussel was vol geestdrift voor
Oranje; door gewapende oploopen oefenden zij zelfs dwang uit op de
beraadslagingen der Staten-Generaal. Heze, de uitvoerder van den
Staatsgreep van 4 September, was heer en meester in de stad. Alleen
wijze staatkunde hield den Prins tegen, nog niet naar Brussel te
gaan en de tijd zou komen, dat zijn optreden door de omstandigheden
geëischt werd. Voorloopig weigerde hij aan den oproep te voldoen,
tenzij een eenstemmige uitnoodiging van de Staten-Generaal hem daartoe
deed besluiten.
Wel blijkt uit een brief, dat een deel van Oranje's troepen in Brussel
aanwezig was sedert den 23en November, want de commandant Olivier van
den Tempel schrijft Oranje over de wijze, waarop de troepen waren
ingekwartierd. Ook hij meldt aan den Prins, dat de zaken niet goed
gaan, "tenzij er herstel komt door uw Exc., om wien iedereen roept
en naar wiens komst iedereen verlangt..."
De Staten-Generaal onderhandelden intusschen nog met Don Juan, wiens
ergernis steeg, naarmate hij meer over den toestand hoorde. Men zegt,
dat er zelfs een poging werd gedaan, Don Juan te overreden zelf de
teugels der regeering te aanvaarden en eenvoudig de trouw aan zijn
broeder op te zeggen. Onwaarschijnlijk is het, dat de Prins hiertoe
den raad gegeven zou hebben, daarvoor vertrouwde hij Don Juan te
weinig. Zoover kwam het ook niet. De partij der gehoorzamen aan den
koning behaalde in de Staten ten slotte de overwinning en den 6en
December werden aan den nieuwen landvoogd de voorwaarden gesteld, die
in hoofdzaak neerkwamen op de verwijdering der troepen, de handhaving
der Pacificatie van Gent, een algemeene amnestie en het samenroepen
der Staten-Generaal. Wilde de landvoogd dan nog een eed afleggen, dat
hij de privileges der gewesten zou handhaven, men zou hem aanstonds
als landvoogd erkennen, terwijl de Katholieke godsdienst zoowel als
Filips' gezag gehandhaafd zouden worden. Van elk verbond met vreemden
zag men dan af, de vreemde huurtroepen verdwenen en een korps geboren
Nederlanders zou als eerewacht van den nieuwen regent dienst doen.
Tegen alle verwachting in, scheen Don Juan geneigd, de voorwaarden
aan te nemen, maar de redenen, die er hem toe bewogen, hield hij
verborgen. Het vertrek der troepen kwam hem juist gewenscht voor, want
ze zouden moeten dienen om Elisabeth door een inval te verrassen en
Maria Stuart te verlossen. Wilde dit in 't geheim gebeuren, dan was
het noodig, dat de troepen zich in een Vlaamsche haven inscheepten,
schijnbaar met de bedoeling, naar Spanje terug te keeren. Hij stemde
toe in den eisch, de troepen te verwijderen, maar drong er op aan,
dat ze over zee zouden terug keeren. Zelfs ging hij zóó ver, dat
hij aan Elisabeth liet vragen of de Spanjaarden, welke naar huis
terugkeerden, zich in haar havens van proviand mochten voorzien!
De Staten-Generaal vertrouwden dien aandrang van Don Juan niet
erg. Waarom juist dien zeeweg? De Staten, vooral door Oranje en de
zijnen bewerkt, bleven bezwaar maken, ook toen het bleek, dat de
landvoogd in alles toestemde op voorwaarde van dien bepaalden weg.
Dat de Prins alles deed, wat hij kon om het wantrouwen tegen Don Juan
te vermeerderen, is hem door velen kwalijk genomen, maar is het niet
natuurlijk, dat hij, die den Spanjaard zoo goed had leeren kennen,
zoo handelde? Charlotte van Bourbon, die zich met staatkunde nooit
inliet, schreef zelfs de volgende waarschuwing aan haar echtgenoot:
"Gij moet zijn de hagedis, die den mensch, terwijl hij slaapt (d. i. de
St.-Generaal) tegen den beet der slang (Don Juan) waarschuwt."
Wat de Prins ook deed om de onderhandelingen der Staten-Generaal te
vertragen, deze wilden die niet afbreken en besloten hun vergadering en
den Raad van State naar Namen te verplaatsen, teneinde zich daardoor,
gelijk Aerschot meende, aan den invloed van de bevolking van Brussel,
welke geheel op Oranje's hand was, te onttrekken. Dit plan kon echter
alleen doorgaan, toen werd aangenomen, dat een deel der Staten-Generaal
in Brussel zelf achterbleef en dezelfde rechten verkreeg, als zij,
die zich naar Namen verplaatsten.
Onder hen, die in Brussel bleven, waren vele aanhangers van den Prins,
maar er waren er ook onder, die het afbreken der onderhandelingen
met Don Juan, zooals Oranje wilde, afkeurden. Hun aantal werd nog
versterkt door afgevaardigden uit Groningen, Friesland, Drente,
Utrecht en Gelderland. Het talmen van Don Juan moede, sloten zij
eenstemmig de eerste Unie van Brussel op den 9en Januari. Hierdoor
gaven zij nieuwe kracht aan de Pacificatie en in zoover handelden ze
geheel in den geest van Oranje. Daar zij echter de handhaving van den
katholieken godsdienst op den voorgrond stelden, welk teere punt bij de
Pacificatie naar de toekomst was verwezen en waardoor zij Don Juan de
hand toestaken, deden zij volstrekt niet naar Oranje's bedoeling. Later
is deze Unie dan ook door een "nadere Unie van Brussel" gewijzigd.
Geen vijandelijke bedoelingen had men met deze Unie tegen den Prins
voor, maar het verbond was ook niet geheel een werk in Oranje's
belang. Had de Prins in het eind van Januari zijn denkbeeld kunnen
doen zegevieren, dan was er een herhaling op groote schaal van den
Staatsgreep van 4 September gevolgd; allen die naar een verdrag
met Don Juan streefden en de nauwe vereeniging met Holland en
Zeeland tegenhielden, waren dan onschadelijk gemaakt. Dit wilden de
Staten-Generaal in Brussel niet.
Het andere deel van dit lichaam, dat in Namen zetelde om met Don Juan
te onderhandelen, moest geduld oefenen met den landvoogd. Uitstel
en nog eens uitstel was het wachtwoord geweest en zelfs Aerschot,
die zoo verlangde naar de overeenstemming met hem, had eens hopeloos
uitgeroepen: "Indien Z. Hoogheid weigert te komen, laat hem gaan,
waar hij wil."
Uit Brussel kwam een dreigement tot Don Juan; als hij niet binnen
vier dagen na 23 Januari de voorwaarden had aangenomen, dan zou men
een beroep op Oranje doen. Ook de Prins werd met dit besluit in kennis
gesteld. Dat hielp. De onderhandelingen werden weder hervat en al was
de discussie nu en dan zoo hevig, dat Don Juan in zijn drift een der
leden met een kandelaar tegen het hoofd gooide, het resultaat werd
bereikt. De nieuwe landvoogd stemde in de voorwaarden toe en op den
12en Februari teekende Don Juan te Marche-en-Famenne de artikelen
van het verdrag, dat men het Eeuwig Edict noemde.
De Prins ontving bericht van de Staten, dat zij zich verplicht zagen
te teekenen, hetgeen ze den 17en deden, waarop het Eeuwig Edict te
Brussel werd afgekondigd.
Don Juan beloofde: handhaving van de Pacificatie; vertrek van
de vreemde troepen over land, mits de Staten de 600,000 gulden,
daarvoor noodzakelijk, leverden. Nooit mochten die troepen terugkomen,
behalve in geval van een vreemden oorlog. Alle gevangenen zouden
wederzijds worden losgelaten, behalve de graaf van Buren; deze
alleen dan, als de Prins zich wilde onderwerpen aan de besluiten der
Staten-Generaal. Alle privileges zouden worden erkend, maar de Staten
moesten bij den Roomschen godsdienst en in 's konings gehoorzaamheid
blijven. Don Juan zou dan onmiddellijk landvoogd worden na het vertrek
der Spanjaarden. Ook de Staten-Generaal werden dan bijeengeroepen.
Ziedaar den korten inhoud van de voorwaarden van het Eeuwig Edict,
zonder twijfel van de zijde des konings een groote tegemoetkoming,
doch voor den Prins onvoldoende.