Op de 11en Augustus verliet het eenige Spaansche lid van den Raad
van State, Jerome de Roda, Brussel, om van uit Antwerpen te beproeven
met een genoegzaam aantal Spaansche troepen in de hoofdstad terug te
keeren, teneinde de veiligheid der regeering te waarborgen. Brussel
was echter te veel in beroering, dan dat die poging nog zou kunnen
gelukken. Niet alleen waren de inwoners van al wat Spaansch was,
afkeerig geworden, maar ook in de Staten van Brabant was de
meerderheid geneigd, den raad van den Prins van Oranje te volgen
en van het oogenblik, dat er geen landvoogd was, gebruik te maken,
om de nationale wenschen te doen zegevieren.
Op den 23en Augustus gelukte het Heze, na tien dagen tevoren daartoe
een vergeefsche poging te hebben gedaan, in die Staten een brief
van Oranje voor te lezen, die een aansporing bevatte om het juk der
Spaansche soldaten af te werpen en zich met Holland en Zeeland te
vereenigen. Aan den Prins zond men een sympatieke dankbetuiging. Ook
de Staten van andere gewesten werden door die van Brabant opgewekt,
gemeenschappelijk te handelen en aan te dringen op de bijeenroeping
van de Staten-Generaal. Doch aan dien eisch kon de Raad van State
geen gehoor geven.
Het bericht was gekomen, dat Don Juan tot landvoogd was benoemd en
zich gereed maakte, naar de Nederlanden te komen. In het eind van
September--zoo luidden de geruchten--zou de nieuwe regent in het land
zijn. Voor diens komst moest er een beslissende stap gedaan worden. Men
moest zich van den Raad van State meester maken, opdat diens gezag,
dat toch zoozeer geknakt was, geheel zou worden gebroken. Daarom
drong een luitenant van den kolonel Heze, Glimes genaamd, op den
4en September de vergaderzaal van den Raad van State binnen en nam
de aanwezige leden: Barlaimont, Assonleville, Sasbout en Mansfelt
gevangen; Barlaimont en Mansfelt werden naar het Broodhuis gebracht,
terwijl de anderen, waarschijnlijk ook Viglius, die niet aanwezig
was in de vergaderzaal, in hun huis werden bewaakt.
Welk aandeel had Oranje in dezen Staatsgreep? Hoogstwaarschijnlijk
had hij tot dezen maatregel den raad gegeven, daar ook de Prins
begreep, dat de Staten van Brabant niets konden doen, zonder dat
de Raad van State tot hun instrument was geworden. Zoolang dit niet
was geschied, zou dat Regeeringslichaam, dat thans het hoogste gezag
vertegenwoordigde, alle maatregelen tegenhouden. Wij kunnen dus wel
aannemen, dat het feit gepleegd werd op aandrijven van Oranje en
zijn raadslieden.
Die gevangenneming van den Raad van State was een ongehoorde
gebeurtenis, waarvan wel de noodzakelijkheid door talloozen werd
erkend, doch waarvoor men de verantwoordelijkheid niet op zich wilde
nemen. Toch werd het voornaamste doel erdoor bereikt, namelijk de
bijeenroeping der Staten-Generaal, waartoe de Raad van State zelf,
zoo hij onaangetast was gebleven, nooit de vergunning zou gegeven
hebben. Eenmaal echter in de macht van het volk gekomen, kon die
Raad van State, die spoedig weer werd losgelaten, niet anders dan
den volkswensch inwilligen. Ook dit was weder het geheime werk
van den Prins, die met de Staten van Brabant er op aandrong, dat
de herleefde Raad van State tegen 22 September de Staten-Generaal
bijeenriep zou roepen.
Het stond Oranje helder voor den geest wat er moest gedaan worden,
om tot bevrediging te komen. Zoo ooit de Prins staatkundig beleid
heeft getoond, om dat doel te bereiken, dan was het wel in die
dagen. Onverpoosd bleef hij in Middelburg ook al wist hij dat een groot
deel van het volk in het Zuiden naar zijn persoonlijke tegenwoordigheid
verlangend uitzag. Hij wierp zich niet onstuimig op, om als redder
daar op te treden. Trouwens hij had voldoende ervaring van het karakter
der Vlamingen en Brabanders opgedaan, om zich zelf en de zaak, die hij
wilde bereiken, niet door roekeloosheid te benadeelen. Verre was het
dus van hem, zich op te dringen; hij wilde het daarheen leiden, dat hij
gezocht werd. Ook moest hij voorzichtig zijn, dat er geen aanleiding
tot naijver en wantrouwen ontstond. Hij kende de goede gezindheid
van Aerschot op dit oogenblik; maar hij wist ook, hoe naijverig deze
reeds in de dagen van Granvelle op hem, Oranje, was geweest.
Aerschot was het hoofd der familie Croy en zijn woord had vroeger vaak
geluid: "Les Croy valent bien les Nassau; je ne veux pas avoir pour
maître le prince d'Orange." Dat de Prins dien naijver thans ontzag, is
niet anders dan een bewijs zijner hooge wijsheid en menschenkennis. Hij
begreep wel, dat de tijd nabij was, dat men zijn hulp vanzelf zou
inroepen en ondertusschen bleef hij met tal van invloedrijke personen,
als Jan van Hembyse, schepen van Gent, Filips van Egmond, den graaf
van Roeulx, stadhouder van Vlaanderen, met de Lalaings, den Markies
van Havré, broeder van den hertog van Aerschot, in briefwisseling of
verbinding. Vooral de brief aan Hembyse is merkwaardig.
Mons. d'Hembyse,
"Gij ziet thans den toestand van het land en de schoone
gelegenheden, die zich nu aanbieden, om het vaderland van
de tirannie te verlossen, waardoor het sedert lang door de
onbeschaamdheid der vreemdelingen is onderdrukt. Het te groot
geduld der inwoners heeft die tirannie slechts vermeerderd. Uw
deugd en uw voorzichtigheid wijzen u thans aan, wat gij te doen
hebt. Indien men de gelegenheid laat ontsnappen en niet bij de
haren grijpt, dan blijft enkel het berouw over--van achteren
kan ze niet worden vastgehouden. Daarom bid ik u, daar noch de
affectie, noch het oordeel u ontbreekt, die gelegenheid aan te
pakken en u in deze omstandigheden zoo te gedragen, als alle
menschen van goeden wil van u verwachten. Het middel daartoe
is, dat gij u vereenigt met uw buren en broeders van Brabant,
die, indien ze door u en anderen verlaten worden, in groote
moeilijkheden zullen geraken. Ook zou dit den algemeenen
ondergang van het geheele land tengevolge kunnen hebben,
waarvan Vlaanderen, als het rijkste gewest het vooral zou
ontgelden.... Gij moet u voorbereiden om òf op een schavot
voor de nakomelingschap tot rampzalig voorbeeld te dienen,
òf moedig en eensgezind op dit oogenblik het vreemd geweld,
dat zich zonder eeuwige schande niet langer laat dragen,
van u af te stooten."
Met een beroep op zijn deugd en goeden naam en de aanzienlijke plaats,
die hij in Vlaanderen bekleedt, eindigt de Prins dezen brief aan
Hembyse, die gedagteekend is van 17 September. In dien geest schreef
hij brief op brief in die dagen aan velerlei personen, ten einde het
groote werk der bevrijding te bespoedigen. Want spoed was noodig,
aangezien Don Juans komst aanstaande was en het dan verwacht kon
worden, dat tal van wankelmoedigen en halven zich weer geheel aan de
zijde der regeering zouden scharen.
Wat de Prins gehoopt had, namelijk dat men, om hulp zou vragen,
gebeurde reeds vrij spoedig. De Spaansche soldaten toch, die na
de overgave van Zierikzee hun tocht naar Vlaanderen met tal van
gruwelen hadden bezoedeld, trokken zich terwijl de bevolking bezig
was zichzelf te wapenen, in de kasteelen terug, om vandaar uit,
de steden in bedwang te houden. Aalst, Gent en Antwerpen werden op
die manier door hen bedreigd. In dien nood nam men de toevlucht tot
Oranje, die dan ook aanstonds een achttal vendelen naar Gent zond,
om hulp te bieden, als dit vereischt werd.
Door dit verzoek om bijstand, kwam hij vanzelf met de Staten van
Brabant en de Staten-Generaal in aanraking. Eigenaardig, dat uit
de briefwisseling blijkt, hoe bevreesd men nog was zich met hem te
verbinden. De Prins toont daarover geen geraaktheid, maar tracht hun
vrees te overwinnen door volstrekt geen begeerte naar inmenging te
toonen. Hij is volkomen bereid zijn landgenooten te helpen, maar
niet minder zijn troepen tegenbevel te geven, als hun bijstand
niet wordt noodig geacht. Het hoofddoel blijft voor Oranje, de
vredesonderhandelingen, die in October tusschen de Generale Staten en
de gevolmachtigden van de Staten van Holland en Zeeland zullen geopend
worden, te bevorderen en de gewenschte verbinding met Frankrijk voor
te bereiden.
Waarschijnlijk in den aanvang van October, schreef Oranje dien
merkwaardigen brief aan de Staten-Generaal, waarin hij hen tot
eendrachtig handelen opwekt en hun tevens voor oogen stelt, hoe alle
verschil de goede zaken tegenhoudt en doet vertragen, wat tot de
ruïne van het land moet voeren. "Wettige gehoorzaamheid is men den
koning verschuldigd," zegt Oranje, "maar indien men uit vrees hem te
beleedigen, in plaats van bij recht en waarheid, alleen bij den wil
van een slecht ingelichten vorst zweert, dan vergeet men jammerlijk
zijn plicht en hiertoe is men door God en de wetten geroepen."
"En," laat de Prins hierop volgen "de geschiedenis van ons eigen land
is vol van bewijzen voor die stelling, doch opdat ik niet weer die
versche wonden openrijte, die wij in eeuwige vergetelheid wenschten
te begraven en u de onheilen van de heeren Egmond en Hoorne en van de
schoonste bloem van den adel en de burgerij dezer landen niet weder
te binnenbrenge, herinner ik u aan Frankrijk, Italië, Duitschland,
aan Hongarije, Africa en Barbarijë, waar al de ellende en onheilen,
die er geschied zijn, het gevolg zijn geweest van die vervloekte
tweedracht, die gewoonlijk in één oogenblik de sterkste en bloeiendste
staten der wereld omverwerpt."
Verder geeft de Prins den raad: "aan den koning, door middel van een
koerier, in een expressen brief, uw vast besluit te melden, dat gij
uw vaderland in zijn rechten, vrijheden en gewoonten wilt handhaven,
en het goed- of kwaadschiks wilt verlossen van de onverdragelijke
tirannie der Spanjaarden. Dit alles natuurlijk onder de wettige en
verschuldigde gehoorzaamheid aan Z. M., zooals gij beloofd en bezworen
hebt, evenals hij u beloofd en gezworen heeft, u te handhaven in al uwe
rechten en genoemde vrijheden, bij welke gij beslist denkt te blijven,
wat er ook moge gebeuren en dat gij, wilde de koning u door geweld van
wapenen dwingen, tot den laatsten man van uw land aan de verlossing
daarvan zult wagen.... Deze brief moet geteekend worden door al de
Staten van het land, door de voornaamste kloosterorden en al degenen,
die eenige waardigheid in het land bekleeden, eenig krediet hebben
bij den koning of verplichting gevoelen, tot het algemeen belang mee
te werken."
"Door dit middel zult gij, als gij duidelijk uw besluit aan
Z. M. hebt verklaard, ook u zelven een krachtigen spoorslag geven,
om grootmoedig uw heilige en lofwaardige onderneming te vervolgen,
zonder iets te bemantelen en ook zult gij er al de valsche maskers van
de aangezichten van hen mede afrukken, die, onder den schijn van niet
aan den koning te willen mishagen, tusschen twee wateren zwemmen en
den loop van alle goede beraadslagingen beletten .... De ongelijkheid
van wil, die de ware pest is van al uw beraadslagingen, zult gij er
door uit uw midden verjagen en er een ferme eendracht en algemeene
eensgezindheid door bewerken, die toch het eenig middel zijn, om uw
zaken tot een goed einde te brengen, gelijk de voorbeelden van alle
confederaties door alle tijden heen u kunnen bevestigen. Want evenals
het onmogelijk is een kar recht te laten rijden, als de wielen slecht
en ongelijkmatig zijn geproportioneerd, zoo moet ook elke bond breken
en tot een slecht einde voeren, wanneer er geen gelijke verplichting
bestaat, om een gemeenschappelijk en algemeen doel te bereiken...."
Daarop volgt een beroep op de geschiedenis en worden door den Prins de
confederaties tusschen verschillende steden uit de jaren 1261, 1339,
1368, 1371, 1372, 1412 en 1514 herdacht. "Deze alleen zijn oorzaak,
dat wij ons kunnen beroemen, het eenige volk onder den hemel te zijn,
dat met de meest loyale getrouwheid en de goede diensten aan de vorsten
bewezen, het best een franke en onschendbare vrijheid hebben verworven,
die wij alleen langs denzelfden weg kunnen handhaven."
Ook daarom zal zulk een generale eendrachtige handelwijze, als de Prins
aanraadt in dien brief aan den koning, zoo goed zijn, omdat Filips
steeds gedacht heeft, dat het alleen een troep rebellen, muiters
en Luthersche ketters waren, die tegen hem waren opgestaan. "Nu
daarentegen zal de koning zien, dat het een algemeene stem van het
geheele volk is, van kleinen en grooten, van grooten en kleinen,
zoowel als van prelaten, abten, monniken en religieuzen, als van
heeren, edellieden, burgers en boeren; kortom, dat er geen ouderdom,
noch sekse, noch positie, noch qualiteit van personen bestaat, die
het niet met een en dezelfde stem uitroept en met een en denzelfden
wil verlangt. Daartegen zal de koning zich niet durven verzetten, want
als hij dat deed zou hij aan de geheele wereld zijn groot onrecht en
uw groot recht, om u tegen zulk een tirannie te verzetten, openlijk
te kennen geven."
Nadat hij zich op nog meer argumenten uit de geschiedenis beroepen
heeft, zegt de Prins: "Laat den koning vooral ook zien, dat ge u met
ons vereenigd hebt en dat gij u eerder in de armen van den ouden vijand
van het Huis van Oostenrijk zoudt werpen, dan verdere beleedigingen te
verdragen. Een bundel uit losse takjes bestaande kan gemakkelijk worden
gebroken, maar is hij saamgebonden en vereenigd, dan is geen arm sterk
genoeg, dien te verscheuren. Zoo ook gij--indien gij ferm vereenigd
zijt, dan zijn Spanje en Italië niet bij machte, u kwaad te doen.
"Zie wat Holland en Zeeland in vijf jaar tijds gedaan hebben. En wat
is dit handjevol steden bij al de Nederlanden?.... Alles is gereed. Er
is alleen een toetssteen noodig en die kan zijn de onderteekening van
een duidelijke verklaring uwer rechten. Met de publicatie van zulk
een verklaring, zullen vrienden aan elken kant voor u oprijzen. Nu
denken nog de Duitsche vorsten, de Fransche edellieden, de koningin
van Engeland en alle andere Christelijke potentaten, dat gij geen
hulp noodig hebt, omdat gij u zelf niet helpt. Volgt gij mijn raad,
dan zal u van alle zijden hulp toestroomen en gij zult buitendien
den naam verwerven, een voorbeeld te zijn voor alle vrije volken en
een schrik voor alle tirannen en onderdrukkers van staten, enz."
Natuurlijk bleef de Prins onder al zijne staatkundige zorgen in
Middelburg met de zijnen in voortdurende briefwisseling; allereerst met
zijne echtgenoote te Delft, maar ook bewijst een briefje van den 15en
October 1576, hoe ook zijne kinderen hem niet vergaten. Zijne oudste
dochter Marie, 's Prinsen eerste gemalin Anna van Egmond ten volle
waardig, later met graaf Filips von Hohenlohe gehuwd, zond hem uit
Otweiler, waar ze gelogeerd was, een hartelijk schrijven als antwoord
op een brief van haar vader. Veel bijzonders vertelt ze daarin niet,
maar haar toon is zoo deelnemend en innig, dat het de moeite loont,
een paar harer gedachten uit haar gebroken Fransch in onze taal weder
te geven.
"Ik ben"--zoo schrijft zij--"zeer blij uit uw brief te hooren, dat
de zaken in Brabant zoo goed gaan; ik hoop, dat ze alle dagen beter
zullen worden en God door deze gelegenheid ons de genade zal verleenen,
dat alles tot een vasten vrede komt, hetgeen ik uit geheel mijn hart
wensch, opdat ik u en Madame nog eens tot rust mag zien komen."
En zeker, de zaken in Brabant gingen goed. Wel vond de aansporing, om
desnoods met wapengeweld de tirannie te verdrijven, geen ingang in het
Zuiden. Daarvoor was men te bevreesd voor den koning en de naderende
komst van zijn nieuwen landvoogd. Maar dit resultaat bereikte de Prins
toch door al zijn schrijven aan de gewesten en aanzienlijke personen,
dat de Staten-Generaal met toestemming van den Raad van State,
met Oranje besprekingen over den vrede openden. Die besprekingen,
die reeds onder Requesens in 1575 in Breda waren aangevangen, maar
toen tot geen resultaat geleid hadden, moesten thans weer opgevat
worden. Vrede toch was het algemeen onweerstaanbaar verlangen van de
natie. Natuurlijk lag in het uitspreken van dien wensch ook tevens de
verdrijving der Spaansche soldaten. De Staten-Generaal en de Raad van
State meenden binnen de perken van hun trouw aan den koning wèl over
den vrede met Holland en Zeeland te kunnen onderhandelen; maar Oranje's
vollen raad op te volgen, was naar hun meening daarmede in strijd. En
de Prins stelde zich voorloopig met dat resultaat tevreden, want hij
wist, gelijk de gevolgen ook geleerd hebben, dat die eerste stap hen
ook tevens zou moeten voeren tot bestrijding der Spaansche macht.
Voordat de onderhandelingen begonnen, vroegen de Staten-Generaal
uitdrukkelijk van den Prins de verzekering, dat hij geen nieuwigheid
zou invoeren omtrent den R.-Katholieken godsdienst en de verschuldigde
gehoorzaamheid aan den koning. De Prins maakte geen bezwaar, die
verzekering te geven. "Nooit had hij in den zin gehad eigendunkelijk
in de religie verandering te brengen; ook thans konden ze daarop
gerust zijn. Hij nam er genoegen mee, dat alles in den toestand zou
blijven, waarin het was, totdat, na het vertrek der Spanjaarden,
een vrije en wettige vergadering der Staten-Generaal alle geschillen
zou beslechten. Evenmin lag het in zijn bedoeling, de landen aan de
wettige gehoorzaamheid des konings te onttrekken; zijn eenig oogmerk
was steeds geweest, hen te bevrijden van de onverdragelijke tirannie,
die hun den voet op den nek wilde zetten. Dit antwoord bevredigde de
Staten-Generaal en ze stemden er in toe, dat er afgevaardigden van
hen met vertegenwoordigers zoowel van Holland en Zeeland als van den
Prins zouden samenkomen.
Gent werd daarvoor gekozen, al was ook de citadel dier plaats, gelijk
de meeste kasteelen, in de macht der Spanjaarden en al stond eerst de
van ouds onrustige stad den Staten-Generaal niet al te best aan. Ook
zij begrepen, dat er haast moest gemaakt worden, daar Don Juan reeds
op weg naar de Nederlanden was en deze nieuwe landvoogd moest staan
voor een fait accompli.
Op den 11en October werden door den Raad van State aan de
afgevaardigden uit het Noorden brieven van vrijgeleide gezonden en op
den 19en begonnen de beraadslagingen. Van beide zijden waren er negen
afgevaardigden; van die der Zuidelijken waren Dr. Leoninus en de abt
van St. Geertrui; van die der Noordelijken Marnix van St. Aldegonde
en Paulus Buys de voornaamsten.
Oranje zelf ging niet naar Gent, maar ontving te Middelburg dagelijks
rapporten van de onderhandelingen, terwijl hij van daaruit den toestand
beheerschte. De Prins moest zelfs uit Middelburg nog in de eerste
dagen der samenkomst tot voortvarendheid aansporen. Er bleef van
beide zijden in den aanvang wantrouwen heerschen. Men vreesde, dat
de Prins misschien volksbewegingen te Gent en te Brussel in de hand
zou werken en ook omtrent zijne eischen, den godsdienst betreffende,
was men niet gerust. Oranje van zijn kant was beducht, dat misschien
de spoedige komst van Don Juan alles weer in duigen zou werpen, en
de flauwhartigen door zijn beloften zouden worden overreed; daarom
drong hij terecht op groote haast aan.
Over twee punten was men het geheel eens. Noord en Zuid beide wilden
de Spaansche soldaten verwijderd zien en de privilegiën handhaven. De
godsdienstvraag was moeilijker op te lossen. Herinneren we ons,
dat tegen den wil van Oranje in de Unie van Delft het Calvinisme
als eenige godsdienst van Staat was erkend en dat de katholieke leer
in het Noorden was uitgesloten. Drong men dus van het Zuiden aan op
vrijheid van den katholieken godsdienst in Holland en Zeeland, dan
stond het te vreezen, dat de godsdienstquaestie de geheele pacificatie
in duigen zou werpen. Men besloot haar daarom in statu quo te laten
en hare oplossing uit te stellen tot een nieuwe vergadering van de
Staten-Generaal na den vrede.
Overigens herstelden de vredesartikelen de vriendschap en het verkeer
tusschen de partijen; alle wederzijdsche gevangenen, alle onroerende
verbeurdverklaarde goederen zouden worden teruggegeven. Oranje werd
erkend in zijn waardigheid als Stadhouder van Holland en Zeeland en ook
aan hem werden zijn verbeurd verklaarde goederen teruggeschonken. Hij
schreef daarover terecht aan den Abt van St. Geertrui: "Ik bid u niet
vreemd te vinden, dat ik, die zoo in schulden zit en zoo lang van
mijne goederen ben beroofd geweest, daarvan eenig gewag heb willen
maken, het kan in de toekomst te pas komen."
Wat de enkele steden in Holland en Zeeland, die Oranje's gezag nog
niet erkenden, aangaat en die zich toch bij dit verdrag aansloten,
zij zouden een satisfactie ontvangen, als ze zich voegden onder zijn
bewind; o. a. op het punt van den godsdienst zouden zij eenige meerdere
vrijheid erlangen. De geheele Pacificatie bestond uit 25 artikelen;
deze waren op den 28en October vastgesteld, doch hadden toen nog de
bekrachtiging noodig van de Staten-Generaal.
Het was dringend noodzakelijk, dat dit lichaam niet te lang wachtte
met de goedkeuring, want Don Juan was op weg en als die zich aan het
hoofd der Spanjaarden plaatste, zou hij alles wat de Raad van State had
gedaan, van nul en geener waarde verklaren. Uit een onderschepten brief
van Roda, het eenige Spaansche lid uit den Raad en vóór 4 September
uit Brussel ontsnapt, was gebleken, dat hij Don Juan zou adviseeren
den Raad van State en zijn gezag te vernietigen. Voor de komst van een
nieuwen landvoogd moest dus gehandeld worden, maar de Staten-Generaal
bleven aarzelen het verdrag goed te keuren. Oranje, ook van bevriende
zijde gewaarschuwd, begreep maar al te goed, dat er tot het laatste
toe gevaar van tallooze Zuid-Nederlanders te vreezen was. "Men handelt
niet met ons op zijn Vlaamsch, maar op zijn Italiaansch en Spaansch,"
had hij gezegd.
Misschien zouden de Staten-Generaal nog zijn blijven talmen, zoo
niet een onvoorziene gebeurtenis hen tot goedkeuring van het verdrag
had gedwongen.
Die gebeurtenis staat in de geschiedenis bekend als de Spaansche
furie. Wij zagen, hoe de muitende soldaten, na de overgave van
Zierikzee en na plunderend en brandstichtend het land te zijn
doorgetrokken, zich vooral op de kasteelen in de buurt der steden
hadden genesteld, om ze van daaruit in bedwang te houden. De eerste
stad, die door hen verwoest werd, was Maastricht en wel op den 20en
October, een dag na de opening der onderhandelingen te Gent. Die
plundering scheen het sein van een algemeenen aanval der Spanjaarden
te wezen. De citadel van Antwerpen was hun hoofdkwartier. Daar stonden
ongeveer 4000 Spaansche troepen onder de bevelen van d'Avila, Romero,
Valdez e. a., die zich eerst wel niet met de muiters hadden verbonden,
maar vooral door invloed van Roda zich toch met dezen vereenigden
tot een algemeenen aanval op Antwerpen. Roda had zich tot de komst
van Don Juan het volle gezag des konings toegekend.
De stad zelf stond onder Champagny, den broeder van Granvelle, die
met alle Nederlanders den haat tegen de Spanjaarden deelde en zelfs
op dat oogenblik met Oranje in betrekking stond. Bij hen voegden zich
de markies van Havré met Heze en Filips van Egmond, zoodat Antwerpen
zelf een bezetting had van ongeveer 8000 soldaten, die zich gereed
maakten, de citadel waarin de Spanjaarden waren, te belegeren. Doch
die Antwerpsche bezetting, m. a. w. de Nederlandsche soldaten van de
Staten-Generaal, waren niet vertrouwbaar. Ook de troepen onder kolonel
van den Ende en graaf von Eberstein waren evenzeer als de Spaansche
soldaten ontevreden. De overwinning van dezen was dan ook zeker, zoodra
d'Avila, ondertusschen nog versterkt door de Spaansche soldaten van
Aalst, besloot, in de stad te trekken. Het waren vooral de troepen
van Aalst, die de aanleiding waren van den aanval op de stad. Deze
toch werden alleen door het vooruitzicht van plundering bezield; ze
hadden op den 4en November de 24 mijlen tusschen Aalst en Antwerpen
in zeven uur tijds afgelegd en zij weigerden de ververschingen, die
d'Avila aanbood met te zeggen, dat ze rekenden op een goed avondmaal
in de andere wereld of binnen Antwerpen. In een uur had de geheele
Spaansche bende, tot de tanden gewapend, de citadel verlaten en ze
waren zóó zeker van hun welslagen, dat ze nauwelijks één man op de
wacht achterlieten.
Na een hevig straatgevecht werden de troepen der Staten
teruggedreven. Men nam o. a. Egmond gevangen; Champagny en Havré
konden zich nauwelijks redden, maar vonden nog op de schepen van den
Prins van Oranje, die op de Schelde lagen, een wijkplaats.
"Op den ochtend van den 5en November," schrijft Motley, "bood Antwerpen
een akelig schouwspel aan: het prachtige stadhuis, als een wonder
der wereld beroemd, zelfs in die eeuw en in dat land, waarin men
aan stadsgebouwen zooveel schatten ten koste legde, stond daar als
een zwartgeblakerde bouwval; alles was vernield, behalve de muren,
terwijl oorkonden, registers en andere voorwerpen van waarde verloren
waren gegaan. Het luisterrijkst gedeelte van de stad was in de asch
gelegd; minstens vijfhonderd paleizen, grootendeels van marmer of
gehouwen steen, waren een smeulende puinhoop geworden. Lijken van hen,
die in het bloedbad gevallen waren, lagen aan alle kanten, maar het
meest op het plein de Meir tusschen de gotische zuilen der Beurs en
in de straten dicht bij het Stadhuis. De Duitsche soldaten lagen er in
hunne wapenrusting; van sommigen was het hoofd van den romp afgebrand,
bij anderen had de vlam armen en beenen verteerd.... Nog twee dagen
lang waarde de verdelging door de stad. Van alle misdaden, die de
mensch met koelbloedige berekening of razenden hartstocht begaan kan,
bleef er nauwelijks een ongepleegd.
Met onuitdelgbare letters heeft de geschiedenis op hare koperen
tafels de rekening gegrift, die alleen voor den Rechterstoel hierboven
vereffend worden kan. Van al de gruweldaden in de Nederlanden begaan,
was dit de ergste. Men noemde haar de Spaansche furie, onder welken
verschrikkelijken naam zij sedert eeuwen bekend bleef.
De stad, een wereld van weelde en luister, was in een knekelhuis
herschapen, haar handelsbloei geknot. Drie duizend lijken werden op
straat gevonden, een gelijk getal menschen schatte men, dat in de
Schelde omgekomen was, en nagenoeg evenveel werden er verbrand of op
andere wijze omgebracht; zeker waren er niet minder dan achtduizend
van het leven beroofd. Voor zes millioen aan goederen werd door den
brand vernield en minstens evenveel door de Spanjaarden buit gemaakt."
Verwondert het ons, dat de kreet om verjaging van den Spanjaard uit
de Nederlanden, sedert die afschuwelijke verwoesting van Antwerpen
vertiendubbelde? De Staten van Brabant richtten zich reeds den
volgenden dag tot de Staten-Generaal, aandringend op onmiddellijke
voorziening en schadevergoeding. De Staten-Generaal, die reeds eenige
dagen geaarzeld hadden het verdrag van de Pacificatie van Gent goed
te keuren, gingen thans onverwijld tot die goedkeuring over "pour
prévenir et éviter de plus grands inconvénients."
Op den 8en November werd met toestemming van de Staten-Generaal
de Pacificatie geteekend. Die Pacificatie was niet alleen eene
bevrediging, maar ook een verbond.
Het was een ontzaggelijke triomf voor den Prins van Oranje en het
geheele verdrag was een meesterstuk van diplomatie.
Door onderlinge samenwerking moesten eerst de Spanjaarden uit het
land worden verjaagd; dit doelwit was door den Prins bereikt. Dat het
hoogste belang van de Noordelijke gewesten (de godsdienst) in handen
was gegeven van een toekomstige vergadering der Staten-Generaal, was
een quaestie, die, volgens Oranje, in 't verre verschiet lag. Bovendien
zou ook die vergadering geen vrede hebben met ketterplakaten. Zeker
mocht de Prins, de man van groote verdraagzaamheid, zich vleien met
de hoop, dat de Staten-Generaal dan niet het vonnis zouden vellen
over landgenooten en trouwe wapenbroeders, alleen om geloofsverschil.
Voor zijn staatkundig bewustzijn was niet de godsdienstquaestie het
moeilijkste punt, maar wel de houding, die men elkander tegenover
Don Juan beloofde. Zonder de Spaansche Furie was waarschijnlijk de
Pacificatie op het verschil daaromtrent nog afgestuit. Holland en
Zeeland hadden het plan Don Juan niet te erkennen; het Zuiden wel,
doch onder belofte, in deze zaak niet zonder bijstand van Oranje en
de Staten van Holland en Zeeland te zullen handelen.
Het was te begrijpen, dat er over de Pacificatie in alle gewesten
groote vreugde heerschte en niet het minst in Holland en Zeeland. In
de afkondiging werden al de Staten genoemd, welke met den Prins van
Oranje en Holland en Zeeland een verbond hadden gesloten, terwijl het
verboden werd met de steden, die nog Spaansche garnizoenen hadden,
eenig verkeer te onderhouden. In een andere proclamatie werd van de
vluchtelingen, die zich in de aangesloten steden kwamen vestigen, een
eed van trouw geëischt zoowel aan den koning, als graaf van Holland
onder het bestuur van den Prins van Oranje, zijn wettigen stadhouder,
gouverneur en kapitein-generaal, als aan de Staten-Generaal van
die landen. Bovendien bevatte zij de verplichting de Spanjaarden
uit alle gewesten te verdrijven, alle ordonnantiën en bevelen van
de Staten-Generaal, van Z. Excellentie en de Staten van Holland te
gehoorzamen. Ook moest men de verplichting nakomen niets tegen den
Hervormden godsdienst te ondernemen en de gesloten pacificatie van
Gent in stand te houden.
Ofschoon de Prins zelf liever een belofte dan een eed op het verdrag
had gewild, namen de Staten echter dit besluit.
Alzoo was de geheele vereenigde macht van de 17 gewesten nu vrij, het
Spaansche leger uit de Nederlanden te verdrijven, zelfs al waren zij
onder het bestuur van een Spanjaard. En dit was het geheele werk van
den man, die geen persoonlijk deel genomen had aan de beraadslagingen
te Gent. Zonder hem zou de zaak onmogelijk geslaagd zijn.
Ook Oranje zelf was met het bereikte resultaat ten zeerste
ingenomen. "Onze afgevaardigden," schrijft hij aan Jan, "hebben zoo
goed gewerkt, dat door Gods genade op den 28en der laatste maand
vrede gesloten is tusschen ons en de andere gewesten." Hij spreekt
in dien brief tevens de hoop uit, dat deze vrede mettertijd een
goede en volkomen rust zal brengen en ook broer Jan van het geluk,
dat daaruit kan voortkomen, zijn deel zal hebben. Hij erkent, dat het
nog werk genoeg zal kosten, het land te zuiveren, maar hoopt, dat de
vrede tusschen de gewesten er toe zal medewerken en de Spanjaarden
uit zich zelf het land zullen verlaten.
Gedurende de onderhandelingen over de Pacificatie had Oranje niet
opgehouden tot Anjou in betrekking te staan. Wel was het aanzoek van
de maand Mei zonder gevolg gebleven, maar het was niet afgestuit op
den onwil van den Franschen Prins. Integendeel, deze was vol verlangen
om den Nederlanden hulp te verleenen en zond twee gezanten spoedig
na elkaar naar deze gewesten. De Prins, overtuigd dat Don Juan zijn
rol niet zou kunnen spelen in de Nederlanden, had eerst tot aanneming
van Anjou's voorstel geraden; de instructies van den tweeden gezant
waren echter zoo aanmatigend, dat Oranje zijn aanhangers in Brussel
tot kalmte aanspoorde. Van die hulp kwam dan ook op dat oogenblik
niets. Toch bleef de Prins met hooggeplaatste personen o.a. met Hendrik
van Navarre in betrekking, terwijl zijn vrouw een hartelijken brief
schreef aan haar broeder, Frans van Bourbon, die geheel met het
huwelijk van zijn zuster was verzoend.
De oude gravin Juliana verloor op haar vergevorderden leeftijd ook
niet haar belangstelling in de Nederlandsche gebeurtenissen. Meer
dan eens maakte ze van de boden van haar zoon Jan gebruik, om aan
haar oudsten zoon een vriendelijk, hartelijk briefje te zenden. Ze
zijn in zeer eerbiedigen toon geschreven, dien men van een moeder
tegenover haar kind bijna niet zou verwachten. Ze spreekt hem steeds
aan als "Hooggeboren Vorst," doch in het midden van haar vormelijke
frases komt nu en dan een teedere uitdrukking voor, waaraan men de
godvruchtige moeder ten volle herkent. In een briefje van den 22en
October wenscht zij hem geluk met het helderder licht, dat voor hem
door de wolken breekt. Ze hoopt, dat God door zijn heiligen Geest
hen mag verlichten, die aan den vredehandel deelnemen. Hoe kras de
oude vrouw nog was, blijkt uit het bericht, dat ze eerstdaags naar
haar dochter Juliana, echtgenoote van graaf Albrecht von Schwarzburg
hoopt te gaan, ten einde bij hare bevalling te helpen.
In het midden van de vermoeiendste staatszaken van den Prins, met
haar slingeringen van hoop en vrees, zijn die teekenen van huiselijk
leven vriendelijke lichtstralen op zijn pad.