C. DE BOURBON.

Wat moeten zulke liefkoozende woorden van Charlotte na al de

egoïstische uitlatingen van Anna van Saksen, een verkwikking geweest

zijn voor het gemoed van den Prins, dat aan sympathie zooveel

behoefte had!

Alle pogingen om de stoutmoedige Zierikzeesche burgers te helpen,

bleken vergeefsch. Negen maanden hadden ze het uitgehouden, maar het

verlies van Boisot was zoo ernstig, dat alle verdere verzet hopeloos

scheen. Den 21en Juni had, overeenkomstig de instructies van den Prins,

de overgave van Zierikzee plaats. Mondragon, wiens soldaten zich in

een ellendigen toestand bevonden en op het punt waren aan het muiten te

slaan, was bijzonder verheugd een eerlijk verdrag te kunnen toestaan.

In een brief van Oranje aan zijn broeder Jan, meldt hij de

noodzakelijkheid, dat de stad zich heeft overgegeven, maar schrijft

hij: "indien ons van eenige zijde hulp was geboden, of wij allen van

het begin af onzen plicht hadden gedaan, zou de arme stad nooit in

's vijands handen zijn gevallen, te meer omdat we gehoord hebben,

dat de zaken van den vijand zoo slecht stonden, dat ze het beleg niet

lang zouden kunnen volhouden."

Blijkens denzelfden brief, liet Oranje ook nu den moed niet zinken,

maar werkte met grooten ijver om het verder voortgaan van den vijand

te beletten.

De val van Zierikzee, schijnbaar de grootste ramp voor het Noorden,

werd door zijn gevolgen eene groote uitkomst. Wel werden de burgers tot

een schadevergoeding van 200.000 gulden genoodzaakt, doch daar deze

som grootendeels naar de hoofdkwartieren ging, achtten de Spaansche

soldaten zich schromelijk door die schikking benadeeld. Een opstand

van die soldaten, beter georganiseerd dan een der voorgaande, werd

de aanleiding tot onze redding uit den meest benarden toestand.

Gedurende 23 maanden hadden de Spaansche krijgslieden geen betaling

ontvangen. De soldaten beschouwden de Nederlanden als een mijn, die zij

slechts met hunne hoofden gemeenschappelijk hadden te exploiteeren en

zij meenden, dat een schikking met een stad, die door hun dapperheid

tot onderwerping gebracht was, hen van hun wettig deel aan den buit

beroofde. Zij vroegen niet om hun loon, toen ze het vooruitzicht

hadden op buit, maar toen de vredelievende schikking met Zierikzee werd

afgekondigd, barstte hun ontevredenheid uit en een geregelde muiterij

in al haar gewone vormen werd er georganiseerd. Tevergeefs trachtten de

hoofden hun compagnieën met beloften en spoedige betaling te paaien. De

mooie woorden werden niet door klinkende munt gevolgd; de muitende

soldaten gingen voort met hun organisatie en spoedig heerschte de

Eletto met het hoogste gezag over het leger in Schouwen. Men weigerde

Mondragon te gehoorzamen. De muitende soldaten vereenigden zich uit

verschillende posten met elkander; ze verlieten de Zeeuwsche eilanden

en sloegen den weg in naar Vlaanderen.

De regeering in Brussel, die zich eerst gouden bergen beloofd had

van dien tocht naar Zeeland, zag zich erg in het nauw gebracht,

want niet alleen werd door die muiterij de gansche onderneming ijdel,

maar 's konings gezag zou daardoor ook in het Zuiden aan het wankelen

gebracht worden.

In Vlaanderen was men reeds lang de Spaansche soldaten moede; doch

nu sloeg de inwoners der Vlaamsche steden de schrik zoo om het hart,

dat de burgers zelf naar de wapenen grepen en de poorten sloten voor

het onheil dat hen wachtte. Reeds gevoelde zich Brussel onveilig op

de nadering der benden. Wel trachtte nog de Raad van State (voorloopig

het hoogste regeeringslichaam na den dood van Requesens) zijn gezag te

handhaven, door Mansfelt, den commandant der stad, af te zenden om met

de oproerige soldaten te onderhandelen, maar dit was geheel vergeefsch

en steeds stouter en stouter traden de muiters op. Onverwachts maakten

deze zich van Aalst meester en eischten ze daar onderwerping aan

hunne bevelen, op straffe van vermoord te worden; zelfs een honderdtal

plaatsen in de buurt werden door hen schatplichtig gemaakt.

Dit veroorzaakte, gelijk te begrijpen is, hevige opschudding en

beroering in de hoofdstad. Het volk eischte thans van den Raad van

State, dat hij de Spaansche oproerige soldaten buiten de wet zou

stellen en openlijk tot rebellen verklaren. De Raad van State waagde

het niet, dien eisch te weerstreven en gaf daarbij aan het verzoek

der Staten van Brabant gehoor, tot het lichten van troepen over te

gaan om de rebellen te bestrijden.

Aan het hoofd der troepen werd als kolonel gesteld Willem van Hoorn,

Heer van Heze, een jong, eerzuchtig edelman, die, gesteund door de

burgerij, spoedig een voldoend aantal troepen onder zijn bevelen had,

om de Spaansche soldaten angst in te boezemen, Brussel te bewaken

en den Raad van State, die niet wist wat te doen, naar zijn hand

te zetten.

In dien Raad was nog een Spanjaard: Jerome de Roda; doch deze moest

zich, evenals Romero, geruimen tijd voor de woede der bevolking

verborgen houden. Oogenschijnlijk alleen gericht tegen de muitende

troepen, was de geheele volksbeweging eigenlijk tegen alle Spaansche

troepen bedoeld en zelfs geen Spanjaard gevoelde zich meer veilig. Wel

trachtte d'Avila nog uit Antwerpen tusschenbeide te komen, maar de

Nederlandsche leden van den Raad van State bedankten hem voor zijn

tusschenkomst, daar zij elke Spaansche bescherming wantrouwden.

De Prins van Oranje volgde natuurlijk deze gebeurtenissen met de

hoogste belangstelling. Van Middelburg uit, waar hij tijdens en na

het beleg van Zierikzee vaak toefde, zocht hij bij vernieuwing de

oude betrekking in het Zuiden aan te knoopen en trachtte hij onder

de leden der Brabantsche Staten en aanzienlijke burgers eene partij

te vormen. Allerbelangrijkst is o. a. de brief, door den Prins uit

Middelburg aan den Heer van Heze geschreven op den 1en Augustus

1576. Deze brief luidt als volgt:

Mijnheer en Neef,

Ik heb gehoord, dat eindelijk de Staten van het land

besloten hebben niet langer de tirannie en insolentie van

de Spanjaarden te verdragen, die hen zoolang onder een te

schandelijk en ondragelijk juk hebben gehouden; tevens dat

zij met de wapenen in de hand er een eind aan willen maken,

zooals zij door hun ambtseed verplicht zijn te doen voor God

en voor het volk en dat gij tot dit doel met alle dapperheid

en alle grootmoedigheid zijt toegerust. Ik heb daarom niet

willen nalaten, u dezen brief te schrijven, ten einde u in

naam van het geheele vaderland geluk te wenschen, dat daarvoor

aan u en uwe nakomelingschap ten eeuwigen dage de grootste

verplichting zal hebben.

Ik wil u ook bidden, dat gij met de standvastigheid, u en uwe

voorvaders waard, moedig moogt voortgaan met de uitvoering

dezer onderneming, die ongetwijfeld tot eer van God, tot het

bijzonder heil van het geheele land, tot den waren dienst

van Z. M. en tot groote eer van u en uw nakomelingschap

zal strekken. En daar ik geheel mijn leven aan hetzelfde

doel gewijd heb, zooals ik nog tegenwoordig doe, te weten,

om dit arme land eens terug te brengen van die ongelukkige

en schandelijke tirannie tot zijn oude, wettige vrijheid,

zooals al mijn daden helder kunnen bewijzen aan allen, die ze

onpartijdig zullen onderzoeken, daarom heb ik u door middel

van brenger dezes, dien ik U verzoek te vertrouwen, ook in

enkele bijzonderheden, die hij u mondeling zal mededeelen,

willen te kennen geven de goede en algeheele affectie, die ik

heb, om u in al wat in mijn macht staat te secundeeren. Ik

bid u daarbij, staat op mij te maken, als een uwer beste en

hartelijkste vrienden en u verzekerd te houden, dat ik en het

geheele land alhier u, zooveel in ons vermogen is, zullen

helpen en assisteeren tot het doel hierboven genoemd. Want

wij allen begeeren niets liever dan eens de tegenwoordige

jammeren van het land veranderd te zien in een goede en

wettige vrijheid, en een zekeren gelukkigen vrede, dien wij

nooit zullen bereiken dan door middel van wapenen; deze zullen

ons alleen van zoovele gruwelijke insolenties en tiranniën,

als wij reeds te lang hebben geleden, kunnen verlossen.

Ik verzoek ook met nadruk, u niet door bedreigingen te

laten bang maken, noch u te laten overreden door allerlei

voorstellen, die men mogelijk zal aanbieden. De zaken

zijn reeds te ver gegaan, dan dat gij uw onderneming

zoudt kunnen opgeven of daarin terugwijken, zonder u zelf

in een ellendigen ondergang te storten, waaruit naast God

alleen uw standvastigheid en grootmoedigheid u zullen kunnen

helpen. Gaat gij voort met een goed geweten, met het doel voor

oogen, dat gij u hebt gesteld, dan behoeft gij er niet aan

te twijfelen, of gij zult geholpen worden door alle menschen

van goeden wille, zelfs door hen, die zich nu nog niet willen

verklaren. En in het bijzonder zult gij u verzekerd kunnen

houden, dat de goedgunstigheid van God u nooit zal verlaten. Na

mij te hebben aanbevolen in uw goede gunsten, hoop ik, mijnheer

en neef, dat uwe plannen een goeden uitslag zullen hebben en ik

wensch u een goede gezondheid, een lang en gelukkig leven toe.

Uw toegen. neef, WILLEM VAN NASSAU.

Middelburg, 1 Aug. 1576.

Deze brief is uit Middelburg gedateerd. Daar was de Prins sedert den

6en Juli, dus kort na de overgave van Zierikzee, gevestigd, terwijl

ook afgevaardigden van de Hollandsche en Zeeuwsche Staten zich daar

met hem bevonden, o.a. Paulus Buys, Arend van Dorp en Peter de Rycke.

Behalve tot Heze, richt zich de Prins ook tot anderen in het

Zuiden en wel door bemiddeling van den Zuid-Franschen edelman en

hugenoot Jean Théron, die onberekenbaar groote diensten aan de

zaak der Nederlanden in dat tijdperk bewees. Hij was dan ook de

tusschenpersoon, die onophoudelijk van Middelburg naar Brussel reisde,

om brieven van den Prins aan zijne geestverwanten in de hoofdstad over

te brengen. Merkwaardig is bovenal de briefwisseling door den Prins

gevoerd met den burgemeester van Brussel, Henri de Bloyere. Anderen,

als Liesfelt, de abten van St. Geertrui en du Parc, misschien ook

Aerschot werden voor de plannen gewonnen en zoo kwamen de Staatsgreep

van 4 September en de Pacificatie van Gent tot stand.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 48 / 80 题