Indien iemand tegenover de opgestane gewesten en Oranje een leelijke
rol heeft vervuld, dan was het wel Koningin Elisabeth, van wie, als
hoofd der Anglicaansche kerk, de Geuzen recht hadden ondersteuning te
verwachten, doch die uitsluitend en alleen haar belang tot richtsnoer
van haar gedrag tegenover de Nederlanden gemaakt heeft.
Het is bekend, hoe zij in 1572 de Watergeuzen een langer verblijf in
Engeland verbood, hetgeen de aanleiding werd tot de inneming van den
Briel. Daarna had zij niet opgehouden, met Spanje, ter wille van het
handelsbelang van haar volk, op een goeden voet te blijven, zoodat er
in 1573 tusschen Alva en haar te Nijmegen een verdrag werd gesloten,
dat pas in 1575 door de koningin bekrachtigd werd, maar toen ook
vergezeld ging van een proclamatie, waarbij Oranje en de zijnen tot
rebellen verklaard werden.
Trok daarom Elisabeth eene lijn met Filips II? Verre vandaar;
zij bestreed toch de staatkunde van den Spaanschen koning, om de
Nederlanden tot een onderdeel der Spaansche monarchie te maken, maar
van aansluiting bij Frankrijk wilde zij ook niets weten. De koningin
was daarom nu en dan voorkomend tegen de Nederlandsche gewesten, maar
dreigde ze, zich geheel bij Spanje te voegen, indien de Nederlanden
zich bij Frankrijk aansloten.
Zoo iemand haar doorzag, dan was het wel de Prins; hij begreep zeer
goed, wat Elisabeth tot zulk een dubbelzinnige handelwijze dreef en
van haar verwachtte hij ook werkelijk geen steun.
Evenals in de groote kwestie van Schotland en Maria Stuart,
haar staatkunde beheerscht werd door argwaan en ijverzucht, zoodat
Elisabeth zich niet bekommerde om het arme Schotland, indien zij Maria
Stuart maar in haar macht kreeg, zoo was haar politiek tegenover de
Nederlanden even gewetenloos als huichelachtig.
Schonk zij eens hulp aan de gewesten, dan was er steeds zooveel
eigenbelang bij in het spel, dat voor Oranje, die den toestand goed
kon doorzien, die hulp geenerlei waarde had.
Wat gebeurde er nu in Juni 1575? Toen kwam er vanwege Koningin
Elisabeth een gezant namelijk Daniel Rogers, tot Oranje,
niettegenstaande hij en de zijnen in de maand April door de koningin
tot rebellen waren verklaard. Wat kwam die gezant bij den rebel Oranje
doen? Elisabeth had van de komst van een Fransch edelman in Nederland
gehoord en tevens, dat daarop iemand naar Parijs was gezonden. Hierdoor
ontstond bij Elisabeth vrees voor aansluiting bij Frankrijk en het
doel van Rogers was dan ook, den Prins door bedreiging en overreding
te doen afschrikken van een nadere verbintenis met Frankrijk. Dat
Holland zich bij Frankrijk zou aansluiten en dit land daarvan de
voordelen zou genieten, kon de koningin niet dulden. Hoewel Rogers bij
vele Engelschgezinde vrienden van Oranje wel succes had, bij den Prins
zelf niet, die er den gezant nadrukkelijk op wees, dat de handelwijze
van zijn koningin Holland dwong, naar Frankrijks zijde te neigen.
Kort daarop werd tengevolge van de vroeger vermelde overwinningen
van den vijand in den zomer van 1575, zoowel in het hart van Holland
als van Zeeland, de toestand zoo benauwd, dat de Prins tegen den
4en October de Staten te Rotterdam bijeenriep. Hier wilde hij met
hen overleggen of men niet aan eenigen vorst en zoo ja, aan welken,
de souvereiniteit dezer landen zou opdragen. De Prins meende, dat een
souverein protector onmisbaar was voor de gewesten. Onder de Staten
bestond groot verschil van gevoelen, maar het slot was toch, na de
vroedschappen te hebben gehoord, dat men onder zekere voorwaarden
de souvereiniteit aan Elisabeth zou opdragen. Terwijl de koningin
een gezant naar de gewesten had gezonden, om weder op de gevaren van
een Fransch bondgenootschap te wijzen, waardoor ook invloed op het
besluit was uitgeoefend, zond de trouwelooze vorstin tevens gezanten
naar Spanje en Brussel, teneinde hulp tegen Holland aan te bieden.
Toen nu Spanje te kennen gaf daarvan niet gediend te zijn ging
Elisabeth in op onze voorstellen, althans zij gaf te kennen, dat
de gezanten uit de gewesten haar welkom zouden zijn. Maar tot het
verleenen van hulp kwam het niet; Spanje en Frankrijk moesten niet
in het bezit der Nederlandsche kusten komen, doch Holland helpen,
dáár dacht de baatzuchtige vrouw niet over, zelfs niet onder afstand
van Walcheren. De onderhandelingen liepen op niets uit en het bleek
maar al te zeer, dat Oranje's twijfel aan Elisabeth niet zonder grond
was geweest.
Ondertusschen was de toestand zelf minder dreigend; wel bleef
Zierikzee ingesloten en zou die stad eindelijk moeten vallen, doch
onder de Spaansche soldaten in Zuid en Noord, steeg de verbittering
met den dag. Bovendien had Filips algemeene ontstemming gewekt onder
de bankiers van Antwerpen en elders door het besluit, waarbij alle
geldcontracten verbroken, de onderpanden vervallen verklaard en de
renten gereduceerd werden.
Requesens verkeerde meer dan ooit in geldelijke verlegenheid
en het kostte hem steeds meer moeite, geld van de gewesten
los te krijgen. Toen hij nog op Duiveland was, ontving hij
van de Staten-Generaal antwoord op zijn verzoek om geldelijke
ondersteuning. Het hield echter alleen een uitvoerige klacht in over
het wangedrag van het krijgsvolk en dit schrijven vol verwijten, in
plaats van beloften van geld, deed den groot-kommandeur in wanhoop
uitroepen : "O die Staten, die Staten! Heer verlos ons van die Staten."
Zijn plotselinge dood verloste hem ook werkelijk ervan, want den 5en
Maart 1576 overleed hij, zonder eenige schikking voor zijn opvolger
gemaakt te hebben.
Geen wonder, dat Oranje, zoo somber gestemd in het najaar van 1575, in
het begin van het volgende jaar de zaken weer veel lichter inzag. Dat
hij zeer ontmoedigd was geweest blijkt wel uit hetgeen men omtrent
het plan van den Prins vertelt, kort voor den dood van Requesens. Hij
zou met de gedachte hebben rondgeloopen, al de sloepen, die hij in
Holland en Zeeland kon vinden, te verzamelen, de inwoners, mannen,
vrouwen en kinderen aan boord te nemen, tegelijk met alle eigendommen
en dan de zee over te steken en een nieuwe republiek te stichten. Voor
men afreisde, zouden eerst alle molens verbrand worden en alle dijken
doorstoken, zoodat de vijand niets anders dan overstroomd land kon
bemachtigen. Het kan wezen dat Oranje in dagen van ontmoediging daar
wel eens over gedacht heeft, maar onwaarschijnlijk is het, dat het
ooit een plan is geweest. Aan zijn broer Jan heeft hij er nooit over
geschreven en zeker is het, dat bij den dood van Requesens dat plan,
mocht er ooit over gedacht zijn, onmiddellijk terzijde werd gelegd.
Het tijdelijke gemis van een opvolger en de verwarring, welke daardoor
ontstond, werden door den Prins ten nutte gemaakt, zich meer met
het Zuiden te bemoeien en daardoor tevens zijn plaats in het Noorden
te verbeteren.
Oranje begreep, dat de vereeniging van Holland en Zeeland doorgedreven
moest worden, anders zou men altijd blijven stuiten op strijd van
belangen en wat een vorig jaar was mislukt, kon hij thans door den
nood van 1576 tot een goed einde brengen.
Door de Unie van Delft op den 25en April gesloten, werd de eenheid in
de regeering der beide gewesten aangenomen. Deze gebeurtenis was van
groot belang, daar het document als de oorspronkelijke stichtingsacte
van de Vereenigde Nederlanden werd aangemerkt en als een model voor
vele latere confederaties diende.
Voor den duur van den oorlog was aan den Prins de souvereiniteit
opgedragen in vereeniging met de Staten en hunne gecommitteerden. Hij
werd gemachtigd met den koning van Frankrijk, zijn broeder, of
eenig ander vorst te onderhandelen, die Holland en Zeeland onder
zijn bescherming zou willen nemen. De Prins was bevelhebber te
land en ter zee en had het recht alle officieren te benoemen. De
gedeputeerden van de Staten mocht hij oproepen en zij waren op
straffe van geldboete verplicht, op te komen. Van elke stad of elk
dorp mocht hij garnizoenen zenden zonder raadpleging van de Staten of
de stedelijke magistraat. De uitoefening van den hervormden godsdienst
moest hij handhaven en eveneens de uitoefening van allen godsdienst
in strijd met het Evangelie, verbieden.
De gezamenlijke uitgaven zouden naar evenredigheid tusschen gewesten
worden verdeeld, terwijl negen commissarissen door den Prins op
voordracht der Staten benoemd, permanent zouden zitting houden als
zijn raadgevers, als assessoren en collecteurs van de belastingen. De
geconfedereerden beloofden elkander wederkeerig bij te staan, om alle
onrecht, kwaad en geweld te voorkomen.
Inquisitie mocht niet worden toegepast op iemands geloof of geweten en
niemand mocht tengevolge daarvan moeite, onrecht of hindernis lijden.
In dit verbond handelde elke gemeente als een kleine souverein,
zond gezanten naar de vergadering der Staten om als gevolmachtigden
te stemmen en te teekenen. De edelen vertegenwoordigden niet
alleen hunne eigen belangen, maar werden ook ondersteld de boeren
op het land te representeeren. Het doel van de staatsinrichting
volgens de Unie van Delft was, representatie van het volk in zijn
volle breedte. Eerst later hebben de colleges het volkselement
onderdrukt, maakten ze misbruik van eigen verkiezing en werd het
beginsel aristocratisch. Plaatselijk genomen was de confederatie
republikeinsch, maar de algemeene regeering, die gevestigd werd,
monarchaal. Oranje werd inderdaad souverein ad interim en terwijl
's konings gezag tijdelijk buiten werking was gesteld, werd de Prins
niet alleen met uitvoerende macht bekleed maar ook had hij een groot
aandeel in de wetgevende functiën van den Staat.
De uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht werden door den
Prins niet zoo gescheiden gehouden als volgens de staatsrechterlijke
theorie veroorloofd was. Het lag geheel in zijn eigen macht om zijn
voorloopige autoriteit te doen voortduren.
Oranje was op het hoogtepunt van zijn populariteit en inderdaad de
eenige man, dien men werkelijk vertrouwde. De uitdrukking "Vader
Willem" werd reeds toen gebruikt al was hij nog maar 43 jaar. Toch
wilde hij niet alleen den last dragen. Hij was het vooral, die
met kracht aandrong op de noodzakelijkheid, vreemde bescherming te
zoeken. Zeer goed zag hij de moeilijkheden in om de eenige stuurman op
het nieuwe schip van staat te zijn, dat hij trachtte van de koninklijke
dokken te lichten. Vandaar de nieuwe pogingen om zich door vreemde
hulp te versterken.
Twee dagen slechts na de Unie van Delft, had er in Frankrijk een
gebeurtenis plaats, die ook voor de Nederlanden van groot belang
scheen te worden.
In 1574 was Karel IX gestorven en weder moest een broer zijn opvolger
worden, evenals Karel zelf in 1560 Frans II had vervangen. Nu was de
derde zoon van Catharina de Medicis de aangewezen opvolger van Karel
als koning van Frankrijk, maar deze was in 1573 koning van Polen
geworden. Doch er was nog een vierde zoon van Catharina de Medicis,
de hertog van Alençon, die eerzuchtig in de hoogste mate en ontevreden
over zijn lot als jongere broeder, zich in allerlei samenzweringen
stak om macht en invloed te krijgen. De Hugenoten, die onder Condé
e. a. zich weder hadden vereenigd, wilden zelfs bewerken dat de hertog
van Alençon, bij ons bekend onder den naam van hertog van Anjou,
als koning van Frankrijk Karel IX zou opvolgen, terwijl zijn oudere
broer dan koning van Polen zou blijven. Ook Oranje trachtte dit plan
in de hand te werken, zooals uit een brief van hem aan zijn broer Jan
bleek. Toch kon de terugkeer van Hendrik uit Polen niet belet worden,
daar Catharina de Medicis hem en niet Anjou tot opvolger van Karel
wilde. Polen werd in den steek gelaten en hij keerde na een kort
regentschap van zijn moeder, als koning naar Frankrijk terug. Ook
Anjou huldigde voor het uiterlijk zijn broeder als koning, doch zijn
eerzucht zette hem aan tot het smeden van allerlei complotten en toen
het mislukt was, hem in Polen gekroond te krijgen of hem in Italië
een souvereiniteit te scheppen, bood hij, geprikkeld door jaloezie op
zijn broer, Condé zijn hulp aan. Deze wilde hem gaarne verheffen tot
het hoofd der Hugenoten, zoodat Anjou in stilte het hof ontvluchtte
om zich naar Condé te begeven, waarvan een algemeene beweging onder
de Hugenoten, vooral te la Rochelle, Nîmes en Montauban het gevolg was.
De vijfde burgeroorlog begon. Ook Hendrik van Navarre zwoer bij
vernieuwing trouw aan de zaak der Protestanten. De beweging had zooveel
succes, dat deze oorlog eindigde met zeer gunstige voorwaarden voor
de Hugenoten; de vrede kreeg naar den hertog van Anjou den naam van
"Paix de Monsieur." Hij zelf ontving daarbij een machtige, bijna
onafhankelijke positie. De Hugenoten kregen niet alleen het recht
hun godsdienst in het rijk vrij uit te oefenen, maar ze werden ook
verkiesbaar gesteld voor alle ambten en betrekkingen, terwijl aan de
gerechtshoven volkomen onpartijdigheid werd voorgeschreven.
Geen wonder, dat na het herstel van de rust in Frankrijk (nu de
toestand der Hugenoten zoo gunstig was geworden), Oranje weer een blik
naar Frankrijk sloeg, te meer daar de Prins nog zoo kort geleden van
de baatzucht van Engelands vorstin overtuigd was geworden.
Van de meerdere macht hem door de Unie van Delft verleend, maakte hij
dan ook gebruik, met de Staten de voorwaarden op te stellen, waarop
men den hertog van Anjou, die thans gold als beschermer der Hugenoten,
de grafelijke waardigheid over Holland en Zeeland zou kunnen aanbieden.
Dit voorstel was echter vergeefsch; de onderhandelingen werden lang
slepende gehouden; Elisabeth was verontwaardigd op Anjou en verzette
zich heftig tegen de ondersteuning der Nederlanden.
De onderhandelingen leidden voor het oogenblik tot geen goed
resultaat en het zou nog twee jaar duren, eer de Prins tot Anjou
terugkeerde. Misnoegd schreef hij aan zijn broer Jan:
"Wij hadden altijd gehoopt, dat de Fransche vrede tenminste hun
welwillendheid tegenover ons zou vermeerderen, maar het komt mij voor,
dat ieder zich tevreden stelt met zijn eigen bijzondere zaken, zonder
zich om het lot van anderen te bekommeren." De vraag echter dringt
zich vanzelf aan ons op: Hoe kon de Prins aan zulk een onwaardige,
als de laatste Valois was, niet alleen de bescherming van het land,
maar zelfs de souvereiniteit aanbieden?
In de eerste plaats moet men niet vergeten, dat het duidelijk gebleken
was, dat Koningin Elisabeth er niet over dacht een protectoraat te
aanvaarden; dit was afgestuit op haar onwil om met Spanje te breken. De
zaak der Nederlandsche rebellen stond bovendien in April 1576 vrij
hopeloos. Alleen uit Frankrijk was nog kans op hulp en niemand anders
dan Anjou kon die brengen. Ook zou men hem gemakkelijker dan den
koning voorwaarden kunnen stellen en het was Oranje nog niet zoozeer
om den persoon van Anjou te doen, dan wel om Fransche hulp. De Prins
zou toch het gezag hebben behouden, terwijl alleen de titel eigenlijk
werd aangeboden.
Ofschoon de zaak ten slotte op niets uitliep, was het in zoover
belangrijk, dat er voor het eerst een vorm werd gegeven aan de vorige
plannen omtrent de aansluiting bij Frankrijk, die reeds lang in veler
hoofden en harten hadden geleefd.
Was de toestand van Holland en Zeeland in het voorjaar van 1576 zeer
hachelijk, de redding kwam van een anderen kant, dan de Prins had
vermoed. De muiterij der Spaansche soldaten en de verwarde toestand
in de regeering van het Zuiden, na den dood van Requesens, werden
voor het Noorden de redding. De hulp, die Elisabeth noch Anjou met een
protectoraat of souvereiniteit hadden kunnen geven, werd door een reeks
van omstandigheden van zelf aan de benarde gewesten geschonken. Die
omstandigheden waren de gevolgen van de overgave van Zierikzee en
van den dood van Requesens.
Reeds maanden lang werd die Zeeuwsche stad, de hoofdstad van Schouwen
en de sleutel tot half Zeeland, door Spanje belegerd; de eerst zoo
goed geslaagde tocht naar Schouwen onder Mondragon, vond in het
verzet van de stad Zierikzee een keerpunt. Zoowel van Spaansche als
van Nederlandsche zijde bleef men in den strijd volharden.
De Prins van Oranje stelde alles in het werk, om de stad te hulp te
komen. Den 16en Mei schreef hij aan Jan van Nassau, dat Zierikzee het
nog uithield, en, liet hij er op volgen: "ik moet zeggen, dat allen,
die ons moesten helpen, al te bedachtzaam zijn."
Niettegenstaande de drukke bezigheden van Oranje, zoodat hij
volgens zijn secretaris "nauwelijks tijd heeft om adem te scheppen,"
beraamde de Prins in het voorjaar van 1576 een poging tot ontzet van
Zierikzee. De wakkere admiraal Boisot, de held van het gedenkwaardig
ontzet van Leiden, was belast met de onderneming. Van de zeezijde
probeerde Boisot op den 25en Mei Zierikzee te naderen, maar Mondragon
had in de nauwe haven gladde palen doen aanbrengen, waartegen Boisot te
gronde ging. Hij kon onmogelijk zijn schip, de roode Leeuw, bevrijden
en bevreesd, als de eb kwam, een gemakkelijke prooi van den vijand
te worden, sprong hij in zee om naar de naastbijzijnde schuilplaats
te zwemmen. Driehonderd man volgden zijn voorbeeld, maar Boisots
krachten ontschoten hem; zijn volgers konden in de groote duisternis
hun leider niet helpen en hij kwam jammerlijk in het water om.
Voor den Prins was de dood van Boisot een groot verlies en Charlotte
van Bourbon, dat beseffende, schreef den volgenden hartelijken brief
aan haar man, welk schrijven ons in staat stelt een blik te slaan in
de verhouding van den Prins en zijne vrouw.
Monseigneur.
Het spijt mij innig, dat al de moeite en al de arbeid, die gij
daarginds op u genomen hebt, niet den uitslag hebben verkregen
overeenkomstig ons aller hoop. Vooral ben ik zeer bedroefd
over het ongeval, het groote schip overkomen en over het
verlies, dat gij door den dood van den admiraal hebt geleden,
want ik twijfel niet, of gij zijt in groote verlegenheid,
wien gij in zijne plaats zult stellen.
"Mr. de Very deelde me mede, dat de graaf von Hohenlohe
u groote ondersteuning had geschonken. Ik was blij dat te
hooren en niet minder te weten, dat gij zoozeer verlangt, mij
bij u te hebben. Doch daar ik me nog zeer zwak gevoel, heb
ik na dit eerste bericht van Zierikzee nog geen raad durven
vragen, uit vrees, dat een nieuwe teleurstelling mij des te
meer zou treffen. Nog zeven of acht dagen zal ik wachten met
te zien, hoe ik me zal bevinden, om in dien tusschentijd,
als het God behaagt, wat versche lucht tot bij den Haag te
gaan inademen. Wat uw dochter aangaat, die maakt het wel. Ik
heb onderzocht of de zee gevaarlijk voor haar zijn zou; velen
zeggen neen. In elk geval verzoek ik u, Monseigneur! mij te
melden, wat gij wenscht, dat ik doe. Ik heb niet nagelaten,
uw brieven, zooals gij mij beveelt, aan de Heeren Staten te
laten zien, alsook het besluit van den Franschen vrede.
God geve, dat gij spoedig tijdingen mocht ontvangen, die u
zullen bevredigen; want daarvan hangt mijn geluk geheel af,
alsook van de wetenschap, of gij een goede gezondheid geniet,
waarvoor ik U zeer ootmoedig bid, goede zorg te willen dragen."
Delft, 2 Juni 's avonds 7 uur.
Uwe zeer nederige en gehoorzame vrouw, zoolang ze leven zal,