Uit Nijmegen, 12 Febr. 1573."

De secretaris van Filips liet dit aan den koning lezen en deze

schreef er zelf in margine bij: "Ik begrijp dat niet, omdat ik niet

weet, waar het hoofd van den admiraal is gebracht, noch van wien dat

andere hoofd is, hoewel het mij voorkomt, dat hiermee Oranje bedoeld

wordt. Zeker hebben ze weinig hart getoond, met hem niet te dooden,

want dat zou het beste geneesmiddel zijn."

En Cayas schreef aan Albornoz terug: "Ik heb Z. M. over die personen

gesproken en over de middelen, om de beide broeders uit den weg te

ruimen. Z. M. was daar zeer over voldaan. Geef mij door alle koeriers

bericht van het resultaat; Z. M. zal er zeer bijzonder over verheugd

en zeer tevreden mede zijn."

Men zegt, dat Alva een Albanees had gehuurd om den Prins te dooden,

maar dat die verplicht was, zijn voornemen op te geven. Hij was geheel

onbekend met het Vlaamsch en kon niet in tegenwoordigheid van Oranje

komen. St. Goard, Fransch gezant te Madrid, schreef aan Karel IX,

dat Alva en Don Frederik verschillende vertrouwde personen hadden,

die den Prins wilden vermoorden. Maar Oranje was wel verdacht op

zulk verraad. In elke richting had hij spionnen, tot zelfs in Filips'

eigen kabinet. Een klerk van denzelfden Cayas was in zijn dienst en

verzuimde nooit een copie van alle brieven van den koning, die voor

den Prins belangrijk waren, aan Oranje te zenden.

We zullen Alva's laatste dagen in de Nederlanden hier niet

beschrijven. Zijn geldgebrek en schulden drukten hem zeer. Wat we

nog wel moeten vermelden uit Alva's laatsten tijd in de Nederlanden

doorgebracht, is, dat hij in September 1573 de Staten van alle

Nederlandsche gewesten opriep, om in Brussel te komen, ten einde

hun ondersteuning te verkrijgen voor bijdragen. Oranje maakte van

die gelegenheid gebruik, in zijn naam en in den naam van Holland en

Zeeland een beroep te doen op de vergaderde Staten. Het bevatte een

krachtdadigen oproep tot gezamenlijke handeling. Al de geldmiddelen,

die Alva verkreeg om het volk te onderdrukken, kwamen uit hun eigen

zak. Moesten de Staten dan kalmpjes voortgaan, om hem den zenuw van

den oorlog te verschaffen, die tegen henzelf gericht was? Hun vroegere

vorsten hadden geleefd op hun grond en nooit was hun een stuiver

geweigerd. Waarom moest dan die vreemdeling misbruik maken van hetgeen

geen ingeboren vorst ooit zou hebben durven vragen? Holland zou doen,

wat het kon, al was ook Amsterdam niet met haar vereenigd. Als de

Nederlanden slechts één waren, wat zouden ze dan niet kunnen doen!

Dit stuk, in naam van de Staten opgesteld, werd gevolgd door een brief

aan den koning van Spanje, die wijd en zijd over Europa verspreid

werd. Met nietssparende kleuren werd daarin een schildering gegeven

van de ellende van het land; het pardon, door Filips aangeboden,

werd met verachtelijke uitdrukkingen gekenmerkt en daarop verklaarde

de schrijver rond en open, dat de wapenen, die tegen Alva waren

opgenomen, niet zouden worden neergelegd, zoolang er een hand was,

die het zwaard kon hanteeren.

Toen Requesens, met grooten tegenzin en bovendien met een wankelende

gezondheid, in December 1573 Alva als landvoogd opvolgde, was de

oorlogstoestand in Holland als volgt: Don Frederik was, gelijk we

zagen, verplicht geweest, het beleg van Alkmaar op te heffen en ging

toen voor een poos naar Amsterdam, van waar hij naar den omtrek van

Leiden toog, om die stad te gaan insluiten. Toen echter vertrok hij

zelf met zijn vader naar Spanje en gaf het bevel over het leger,

dat Leiden insloot, aan Valdez over.

De burgers dier stad hadden zich niet op deze gebeurtenis voorbereid,

hoewel zij uit het voorbeeld van andere steden wel wijsheid hadden

mogen putten. Haarlem en Amsterdam waren nog de eenige steden in

Holland, die in de macht der vijanden waren, terwijl in Zeeland

Middelburg nog Spaansch was, maar deze stad was door een geuzenvloot

ingesloten. De tijdingen uit Duitschland waren zoo vol hoop, dat de

Prins dacht in de lente misschien wel met den nieuwen landvoogd, van

een voordeelig standpunt uit, te kunnen onderhandelen. Ook zonder

bemiddeling van den keizer meende hij thans wellicht gelegenheid

te hebben, tot een schikking met Filips te komen. Juliaan Romero,

een vroegere krijgsmakker van Oranje begon in November tegenover den

Prins eenige openingen tot onderhandeling te doen. "Ik heb drie of

vier brieven van Juliaan Romero ontvangen, schreef Oranje aan zijn

broeders, "vol hoffelijkheden en beleefde aanbiedingen, die ik op

dezelfde wijze beantwoordde."

Uit de onderhandelingen met Romero blijkt, dat hij Oranje verzocht had

met hem een samenkomst te hebben. De Prins ging daar echter niet op

in maar beloofde een vertrouwd persoon te zenden om met Romero over

de gevangenen te onderhandelen. Tot dezen behoorde nog altijd Marnix

van St. Aldegonde en Romero verzocht den Prins, hem voor Bossu in te

ruilen. Hoewel Oranje zeer gehecht was aan Aldegonde, ging hij toch op

dit voorstel niet in, daar hij Bossu, den door den koning aangestelden

stadhouder van Holland, een te hoogen prijs vond. Marnix en Bossu

bleven derhalve vooreerst nog in de gevangenis, maar noch de een,

noch de ander had reden tot klagen. Het bevreemdt ons daarom, dat

er uit die dagen van Marnix' gevangenschap brieven van hem aan den

Prins bestaan, waaruit duidelijk blijkt, hoe hij den moed had verloren.

Marnix gaat zelfs zoover, Oranje in overweging te geven met den

strijd te eindigen, alle banden met het vaderland te verbreken en

in een vreemd land te gaan leven, waar men zijn ziel in vrede kan

bezitten. Hij acht dit beter dan in voortdurenden oorlog te verkeeren,

"hetgeen niet anders kan uitloopen dan op goddeloosheid en ellende

en die de goddelijke wraak zal wakker roepen," zoo schrijft Marnix.

Hoewel de Prins de goede bedoeling van zijn trouwen vriend Aldegonde

waardeert, meent hij toch, na de Staten over den brief gehoord te

hebben, het voorstel van Marnix geheel te moeten verwerpen.

In zijn antwoord wijst hij erop, welke slechte gevolgen o. a. het

accoord van 1566 heeft gehad, dat ten slotte op niets uitliep dan op

de uitoefening van den waren godsdienst en den moord van duizenden; het

volk, rekenende op de zoogenaamde pardons en verdragen, kwam jammerlijk

bedrogen uit en hun vertrouwen werd beloond met verbanning en dood. Ook

herinnert Oranje hem aan den gruwelijken Franschen moord, die niet

tijdens den oorlog, maar in een periode van vrede, ja te midden van

huwelijksfeesten plaats had. Neen, noch Oranje, noch de Staten willen

er iets van weten en, zegt de Prins aan het slot van zijn schrijven:

"Wil Z. M. werkelijk de tegenwoordige ellende doen ophouden, dan zal

hij zich voor altijd een goeden naam hebben verworven."

Deze brief dagteekende van 28 November 1573 uit Delft, waar de

gewone residentie van Oranje in die dagen was. Uit het overleg

met de Staten blijkt tevens in welke verhouding de stadhouder

sedert 1572 tot de Staten stond. Op de vergadering te Dordrecht

was de Prins als stadhouder erkend, waardoor het gezag aan hem werd

toevertrouwd. Spoedig was hij verplicht geweest door de overstelpende

bezigheden en de herhaalde afwezigheid een deel van het bewind aan de

Staten op te dragen, waardoor hun invloed steeds grooter werd. In de

lente van 1573 stelde hij naast zich drie raden in, voor de financiën,

voor de admiraliteit en den Raad van State. In den laatste bekleedde

Paulus Buys, sedert 1572 advocaat van den lande, eene belangrijke

plaats. Hij was als zoodanig de raadsman van Oranje en de Staten en

werd later de rechterhand van den Prins.

Niettegenstaande den brief van Oranje aan Marnix, waarin hij, gelijk

we zagen, niet in het minst vertrouwen op vredesonderhandelingen had,

bleven zij toch slepende. De vrijheid van geweten en de handhaving van

de oude privilegiën zette de Prins op den voorgrond. Noircarmes, die

te Utrecht de plaats van Bossu als Stadhouder had ingenomen, opende

eveneens een briefwisseling met den Prins, die de bedoeling had tot

den vrede te leiden. De nieuwe landvoogd beproefde alle middelen,

om den Prins te bewegen den strijd op te geven, ook nog telkens in

het jaar 1574. De Prins antwoordde op zeer koelen en waardigen toon en

hij kon hem zelfs later onderschepte brieven voorleggen, die duidelijk

bewezen, dat er niet de minste hoop was op verandering van gezindheid

bij den koning. Het ontbrak ook van andere zijden den Prins niet aan

raadgevers, die hem den krijg wilden doen eindigen. Landgraaf Willem

van Hessen schreef hem o. a.: "Het is verloren spel, dat gij speelt,

geef het op, terwijl gij nog iets te verliezen hebt." Maar de Prins

was en bleef doof voor die vermaningen. Geen aanbiedingen zelfs van

geldelijke schadeloosstelling, mits hij de Nederlanden verliet, konden

hem terugbrengen van voortzetting van den krijg. Het ontbrak hem ten

eenenmale aan vertrouwen op 's konings woord; hij wilde zijn lot niet

van dat der Nederlanden scheiden en bovenal wilde hij, hetgeen Spanje

nooit zou toestaan: vrijheid van godsdienst.

De eenige, die Oranje in die dagen hoop gaf, was zijn broeder

Lodewijk. Te Blamont had hij Fransche geldelijke hulp gekregen en

zijn expeditie, die hij reeds lang voornemens was, werd door hertog

Casimir gesteund. Op zijn komst met een leger had Oranje reeds lang

gehoopt. De belofte van die naderende komst gaf den Prins nieuwen

moed. De oorlog werd voortgezet.

In December 1573 ging de Prins naar Zeeland en sloeg zijn hoofdkwartier

op te Zierikzee, om den loop der belegering van Middelburg af te

wachten, waarbinnen de Spaansche royalisten met denzelfden moed en

dezelfde volharding het beleg van de geuzenvloot volhielden als de

Haarlemmers dit bij het beleg der Spanjaarden hadden gedaan.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 39 / 80 题