De secretaris van Filips liet dit aan den koning lezen en deze
schreef er zelf in margine bij: "Ik begrijp dat niet, omdat ik niet
weet, waar het hoofd van den admiraal is gebracht, noch van wien dat
andere hoofd is, hoewel het mij voorkomt, dat hiermee Oranje bedoeld
wordt. Zeker hebben ze weinig hart getoond, met hem niet te dooden,
want dat zou het beste geneesmiddel zijn."
En Cayas schreef aan Albornoz terug: "Ik heb Z. M. over die personen
gesproken en over de middelen, om de beide broeders uit den weg te
ruimen. Z. M. was daar zeer over voldaan. Geef mij door alle koeriers
bericht van het resultaat; Z. M. zal er zeer bijzonder over verheugd
en zeer tevreden mede zijn."
Men zegt, dat Alva een Albanees had gehuurd om den Prins te dooden,
maar dat die verplicht was, zijn voornemen op te geven. Hij was geheel
onbekend met het Vlaamsch en kon niet in tegenwoordigheid van Oranje
komen. St. Goard, Fransch gezant te Madrid, schreef aan Karel IX,
dat Alva en Don Frederik verschillende vertrouwde personen hadden,
die den Prins wilden vermoorden. Maar Oranje was wel verdacht op
zulk verraad. In elke richting had hij spionnen, tot zelfs in Filips'
eigen kabinet. Een klerk van denzelfden Cayas was in zijn dienst en
verzuimde nooit een copie van alle brieven van den koning, die voor
den Prins belangrijk waren, aan Oranje te zenden.
We zullen Alva's laatste dagen in de Nederlanden hier niet
beschrijven. Zijn geldgebrek en schulden drukten hem zeer. Wat we
nog wel moeten vermelden uit Alva's laatsten tijd in de Nederlanden
doorgebracht, is, dat hij in September 1573 de Staten van alle
Nederlandsche gewesten opriep, om in Brussel te komen, ten einde
hun ondersteuning te verkrijgen voor bijdragen. Oranje maakte van
die gelegenheid gebruik, in zijn naam en in den naam van Holland en
Zeeland een beroep te doen op de vergaderde Staten. Het bevatte een
krachtdadigen oproep tot gezamenlijke handeling. Al de geldmiddelen,
die Alva verkreeg om het volk te onderdrukken, kwamen uit hun eigen
zak. Moesten de Staten dan kalmpjes voortgaan, om hem den zenuw van
den oorlog te verschaffen, die tegen henzelf gericht was? Hun vroegere
vorsten hadden geleefd op hun grond en nooit was hun een stuiver
geweigerd. Waarom moest dan die vreemdeling misbruik maken van hetgeen
geen ingeboren vorst ooit zou hebben durven vragen? Holland zou doen,
wat het kon, al was ook Amsterdam niet met haar vereenigd. Als de
Nederlanden slechts één waren, wat zouden ze dan niet kunnen doen!
Dit stuk, in naam van de Staten opgesteld, werd gevolgd door een brief
aan den koning van Spanje, die wijd en zijd over Europa verspreid
werd. Met nietssparende kleuren werd daarin een schildering gegeven
van de ellende van het land; het pardon, door Filips aangeboden,
werd met verachtelijke uitdrukkingen gekenmerkt en daarop verklaarde
de schrijver rond en open, dat de wapenen, die tegen Alva waren
opgenomen, niet zouden worden neergelegd, zoolang er een hand was,
die het zwaard kon hanteeren.
Toen Requesens, met grooten tegenzin en bovendien met een wankelende
gezondheid, in December 1573 Alva als landvoogd opvolgde, was de
oorlogstoestand in Holland als volgt: Don Frederik was, gelijk we
zagen, verplicht geweest, het beleg van Alkmaar op te heffen en ging
toen voor een poos naar Amsterdam, van waar hij naar den omtrek van
Leiden toog, om die stad te gaan insluiten. Toen echter vertrok hij
zelf met zijn vader naar Spanje en gaf het bevel over het leger,
dat Leiden insloot, aan Valdez over.
De burgers dier stad hadden zich niet op deze gebeurtenis voorbereid,
hoewel zij uit het voorbeeld van andere steden wel wijsheid hadden
mogen putten. Haarlem en Amsterdam waren nog de eenige steden in
Holland, die in de macht der vijanden waren, terwijl in Zeeland
Middelburg nog Spaansch was, maar deze stad was door een geuzenvloot
ingesloten. De tijdingen uit Duitschland waren zoo vol hoop, dat de
Prins dacht in de lente misschien wel met den nieuwen landvoogd, van
een voordeelig standpunt uit, te kunnen onderhandelen. Ook zonder
bemiddeling van den keizer meende hij thans wellicht gelegenheid
te hebben, tot een schikking met Filips te komen. Juliaan Romero,
een vroegere krijgsmakker van Oranje begon in November tegenover den
Prins eenige openingen tot onderhandeling te doen. "Ik heb drie of
vier brieven van Juliaan Romero ontvangen, schreef Oranje aan zijn
broeders, "vol hoffelijkheden en beleefde aanbiedingen, die ik op
dezelfde wijze beantwoordde."
Uit de onderhandelingen met Romero blijkt, dat hij Oranje verzocht had
met hem een samenkomst te hebben. De Prins ging daar echter niet op
in maar beloofde een vertrouwd persoon te zenden om met Romero over
de gevangenen te onderhandelen. Tot dezen behoorde nog altijd Marnix
van St. Aldegonde en Romero verzocht den Prins, hem voor Bossu in te
ruilen. Hoewel Oranje zeer gehecht was aan Aldegonde, ging hij toch op
dit voorstel niet in, daar hij Bossu, den door den koning aangestelden
stadhouder van Holland, een te hoogen prijs vond. Marnix en Bossu
bleven derhalve vooreerst nog in de gevangenis, maar noch de een,
noch de ander had reden tot klagen. Het bevreemdt ons daarom, dat
er uit die dagen van Marnix' gevangenschap brieven van hem aan den
Prins bestaan, waaruit duidelijk blijkt, hoe hij den moed had verloren.
Marnix gaat zelfs zoover, Oranje in overweging te geven met den
strijd te eindigen, alle banden met het vaderland te verbreken en
in een vreemd land te gaan leven, waar men zijn ziel in vrede kan
bezitten. Hij acht dit beter dan in voortdurenden oorlog te verkeeren,
"hetgeen niet anders kan uitloopen dan op goddeloosheid en ellende
en die de goddelijke wraak zal wakker roepen," zoo schrijft Marnix.
Hoewel de Prins de goede bedoeling van zijn trouwen vriend Aldegonde
waardeert, meent hij toch, na de Staten over den brief gehoord te
hebben, het voorstel van Marnix geheel te moeten verwerpen.
In zijn antwoord wijst hij erop, welke slechte gevolgen o. a. het
accoord van 1566 heeft gehad, dat ten slotte op niets uitliep dan op
de uitoefening van den waren godsdienst en den moord van duizenden; het
volk, rekenende op de zoogenaamde pardons en verdragen, kwam jammerlijk
bedrogen uit en hun vertrouwen werd beloond met verbanning en dood. Ook
herinnert Oranje hem aan den gruwelijken Franschen moord, die niet
tijdens den oorlog, maar in een periode van vrede, ja te midden van
huwelijksfeesten plaats had. Neen, noch Oranje, noch de Staten willen
er iets van weten en, zegt de Prins aan het slot van zijn schrijven:
"Wil Z. M. werkelijk de tegenwoordige ellende doen ophouden, dan zal
hij zich voor altijd een goeden naam hebben verworven."
Deze brief dagteekende van 28 November 1573 uit Delft, waar de
gewone residentie van Oranje in die dagen was. Uit het overleg
met de Staten blijkt tevens in welke verhouding de stadhouder
sedert 1572 tot de Staten stond. Op de vergadering te Dordrecht
was de Prins als stadhouder erkend, waardoor het gezag aan hem werd
toevertrouwd. Spoedig was hij verplicht geweest door de overstelpende
bezigheden en de herhaalde afwezigheid een deel van het bewind aan de
Staten op te dragen, waardoor hun invloed steeds grooter werd. In de
lente van 1573 stelde hij naast zich drie raden in, voor de financiën,
voor de admiraliteit en den Raad van State. In den laatste bekleedde
Paulus Buys, sedert 1572 advocaat van den lande, eene belangrijke
plaats. Hij was als zoodanig de raadsman van Oranje en de Staten en
werd later de rechterhand van den Prins.
Niettegenstaande den brief van Oranje aan Marnix, waarin hij, gelijk
we zagen, niet in het minst vertrouwen op vredesonderhandelingen had,
bleven zij toch slepende. De vrijheid van geweten en de handhaving van
de oude privilegiën zette de Prins op den voorgrond. Noircarmes, die
te Utrecht de plaats van Bossu als Stadhouder had ingenomen, opende
eveneens een briefwisseling met den Prins, die de bedoeling had tot
den vrede te leiden. De nieuwe landvoogd beproefde alle middelen,
om den Prins te bewegen den strijd op te geven, ook nog telkens in
het jaar 1574. De Prins antwoordde op zeer koelen en waardigen toon en
hij kon hem zelfs later onderschepte brieven voorleggen, die duidelijk
bewezen, dat er niet de minste hoop was op verandering van gezindheid
bij den koning. Het ontbrak ook van andere zijden den Prins niet aan
raadgevers, die hem den krijg wilden doen eindigen. Landgraaf Willem
van Hessen schreef hem o. a.: "Het is verloren spel, dat gij speelt,
geef het op, terwijl gij nog iets te verliezen hebt." Maar de Prins
was en bleef doof voor die vermaningen. Geen aanbiedingen zelfs van
geldelijke schadeloosstelling, mits hij de Nederlanden verliet, konden
hem terugbrengen van voortzetting van den krijg. Het ontbrak hem ten
eenenmale aan vertrouwen op 's konings woord; hij wilde zijn lot niet
van dat der Nederlanden scheiden en bovenal wilde hij, hetgeen Spanje
nooit zou toestaan: vrijheid van godsdienst.
De eenige, die Oranje in die dagen hoop gaf, was zijn broeder
Lodewijk. Te Blamont had hij Fransche geldelijke hulp gekregen en
zijn expeditie, die hij reeds lang voornemens was, werd door hertog
Casimir gesteund. Op zijn komst met een leger had Oranje reeds lang
gehoopt. De belofte van die naderende komst gaf den Prins nieuwen
moed. De oorlog werd voortgezet.
In December 1573 ging de Prins naar Zeeland en sloeg zijn hoofdkwartier
op te Zierikzee, om den loop der belegering van Middelburg af te
wachten, waarbinnen de Spaansche royalisten met denzelfden moed en
dezelfde volharding het beleg van de geuzenvloot volhielden als de
Haarlemmers dit bij het beleg der Spanjaarden hadden gedaan.