ONDERHANDELINGEN. BELEG VAN ALKMAAR. VERTREK VAN ALVA. 1573.

Zooals we zagen was de Prins onvermoeid werkzaam geweest in het

belang van Haarlem en Holland; die werkzaamheid was waarlijk niet

gering geweest, als we bedenken, dat er groote verwarring heerschte,

dat het in bestuurs- en rechtszaken treurig gesteld was, ook al door

de verdeeldheid onder de regenten, vroedschappen, schepenen en steden.

Trots alle pogingen om Roomsch en Geus te doen samengaan, steeg met den

dag de haat tusschen Calvinisten en Katholieken en werden de eersten

bijna overal de machtigsten. Terwijl Oranje intusschen met zijn

broeders en verwanten druk correspondeerde over het zenden van een

leger, waren er nog andere gewichtige zaken te behandelen. Hieronder

neemt een eerste plaats in, het opnieuw aanknoopen van onderhandelingen

met Frankrijk. Het schijnt vreemd, dat reeds in October 1572, dus

slechts twee maanden na den beruchten Bartholomeusnacht, Oranje weder

in verbinding trachtte te komen met het hof van Karel IX, maar de

Prins had gehoord, dat de koning onmiddellijk na den moord berouw

had gehad en als echt staatsman wilde Oranje in zijn politiek belang

daarvan gebruik maken.

Van Fransche zijde was voorgewend, dat de Bartholomeusnacht alleen

het gevolg was geweest van eene Calvinistische samenzwering tegen

den koning, maar dat hij volstrekt geen verandering gebracht had

in de verhouding van Frankrijk tot Spanje, welks macht Frankrijk

bleef vreezen en waartegen het zich zou blijven verzetten. Graaf

Lodewijk had volstrekt geen lust met het verraderlijke Frankrijk

weer in onderhandeling te treden; zijn geheele gemoed kwam daartegen

in opstand. De Prins dacht er anders over; zijn staatkundige blik

achtte die onderhandeling onmisbaar voor de toekomst en hij hoopte

met Frankrijk tegen Spanje den oorlog voort te zetten, teneinde de

volkomen vrijheid van de Noordelijke gewesten te verkrijgen. Voor

dezen raad van den Prins bezweek ook Lodewijk.

Van andere zijde was er zelfs bij Oranje op aangedrongen om

rechtstreeks met Spanje te onderhandelen, waartoe de keizer zijn

bemiddeling aanbood.

Uit een brief van den 5en Februari aan zijn broeders geschreven

blijkt, hoe weinig vertrouwen de Prins heeft in onderhandelingen

met Spanje. Toch wil hij zijn broers en de Duitsche vorsten niet

terughouden van hetgeen zij meenden, dat gedaan kon worden.

Op Engelands hulp kon in 't geheel niet worden vertrouwd; Elisabeth

had toenadering tot Alva getoond en het aanbod van den Prins, om

Holland en Zeeland onder haar gebied te brengen, had de vorstin

afgeslagen. Engeland poogde zelfs de handelsbetrekkingen met Spanje

te hernieuwen, maar hoewel dit mislukte, bleef Elisabeth als vroeger

even dubbelzinnig tegenover de Watergeuzen.

In een aanknooping der vredesonderhandelingen met Spanje zag Oranje

echter erg weinig licht; toch waren er die meenden, dat het succes kon

hebben. Jan van Nassau ging zelfs in Mei naar Keulen, uitdrukkelijk

met het doel den vrede te bevorderen, terwijl de landgraaf van Hessen

zich bereid verklaarde als bemiddelaar op te treden om den vrede

tusschen Filips en zijne onderdanen op den grondslag van den vrede

van Augsburg van 1555 te helpen stichten.

"Ik kan me niet voorstellen," schrijft Oranje aan Lodewijk, "dat de

Koning van Spanje ooit eenigen vrede met zijn onderdanen sluiten zal,

dan alleen in den vorm van pardons, die gewoonlijk vol capties en

excepties zijn en buitendien natuurlijk weinig vertrouwbaar, omdat

een gunst weder naar willekeur en welbehagen kan worden teruggeroepen."

Wat het verbond van Frankrijk aangaat, waarop Oranje altijd hoopt,

schrijft hij aan Lodewijk, dat de Staten er een groot wantrouwen in

koesteren, tengevolge van de vreeselijke daad, die de koning van dat

land op zijn geweten heeft en, gaat de Prins verder:

"Men acht zijn verraad, zijn tirannie en wreedheid zoo verschrikkelijk,

dat men beweert, dat het dan nog beter is, door zijn natuurlijken

vorst te worden onderdrukt en die meening is diep in het hart van

ieder geworteld en is inderdaad redelijk."

Alleen echter van Frankrijk, den ouden vijand van het

Bourgondisch-Habsburgsche huis, verwachtte Oranje op den duur hulp.

Zooals we zagen, daagde er voor Haarlem geen hulp van Lodewijks kant

en moest de stad zich ten slotte overgeven.

Dat Haarlems val grooten indruk maakte is licht te begrijpen; Oranje

ging de steden rond, ze "bezoekende en sterkende" gelijk een oud

schrijver zegt. Wel klaagde de Prins, dat hij raad noch steun in deze

moeilijke omstandigheden ontving, maar zijn grootste kracht vond hij

in die dagen in zijn vurig en warm geloof. Van dien tijd dagteekent

ook de bekende uiting, welke van zijn godsdienstig gemoed de hoogste

getuigenis aflegt. Op de vraag van zijn vrienden in Noord-Holland,

of hij geen machtig vorst tot bondgenoot had, schreef hij hun deze

indrukwekkende woorden:

"Wij willen u daarop antwoorden, dat, aleer wij deze zaak tot

bescherming der Christenen en andere verdrukten in dit land zijn

begonnen, wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk

een vast verbond hebben gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn,

dat wij en al degenen die daarop vertrouwen, door zijn geweldige en

machtige hand ten laatste nog ontzet zullen worden."

Die bemoedigende toon hielp. De bevolking van Holland besloot, ook

zonder andere bondgenooten, den strijd voort te zetten. En het was,

alsof die nieuwe moed, in het hart der bevolking overgestort, ook

aanstonds eenig licht in den donkeren toestand aanbracht. Want van

Alkmaar begon de victorie!

Na Haarlem kwam Alkmaar aan de beurt. Reeds in Juli, nog tijdens

het beleg van de Spaarnestad, hadden de Spanjaarden een vergeefsche

poging gedaan de stad te nemen, maar nu Haarlem gevallen was en ook

de muiterij onder het Spaansche krijgsvolk was bedwongen, kon Don

Frederik al zijn krachten gebruiken om ook deze stad in het lot van

Haarlem te doen deelen.

De Spaansche krijgsoverste had goede plannen, want hij was reeds

besloten tegenover Alkmaar niet zoo goedertieren (!) op te treden

als tegen Haarlem. Aan Filips schreef hij zelfs, dat er in de stad

geen levende ziel behoorde gelaten te worden, want met goedheid was

er met dit volk niets uit te richten.

Den 21en Augustus begon de insluiting en binnen enkele dagen reeds

kon Alva aan zijn koning berichten, dat "geen mensch bij mogelijkheid

uit of in de stad kon komen."

De strijd was wel ongelijk! De sterkte der belegeraars bedroeg ongeveer

16000 man, allen ervaren in den krijg, terwijl de stad een 2000

weerbare mannen telde, waaronder een 700 krijgslieden van beroep waren.

Van overgave, zooals Don Frederik bij aankomst eischte, was echter

geen sprake. De opperbevelhebber met de Burgemeesters en vroedschappen

besloten zelfs, niet met den vijand "in gesprek te treden".

De bezetting begreep welk lot haar te wachten stond en besloot

zich tot het uiterste te verdedigen, maar daarbij rekende zij op een

machtigen bondgenoot: het water. De onderwaterzetting van de omstreken

bracht natuurlijk tal van bezwaren mede en zoo besloot men iemand met

brieven naar Sonoy te zenden, teneinde het doorsteken van de dijken

te verkrijgen.

Het gelukte Pieter van der Meij het waagstuk te volvoeren. Met een

in lood gewikkelden brief, welke in een polsstok was geborgen, wist

hij door het vijandelijk kamp te komen.

Intusschen hadden de belegeraars niet stilgezeten, doch de vele

schermutselingen, welke hadden plaats gehad waren zonder groote

gevolgen gebleven. Den 18en September werd door Don Frederik een

ernstige aanval op de stad gedaan; na gedurende twaalf uur op de stad

geschoten te hebben, trachtte de bevelhebber de veste stormenderhand te

nemen. Met groote onstuimigheid rukten de troepen met de Lombardische

keurbenden aan het hoofd op de Friesche poort en den rooden Toren los,

maar de ontvangst viel hun niet mee.

Alle burgers waren op de wallen; de bestormers, zegt een tijdgenoot,

werden met grof geschut, musket- en pistoolvuur begroet; kokend

water, pek en olie, gesmolten lood en ongebluschte kalk stroomden op

hen; honderden brandende pekkransen werden hen behendig om den hals

geslingerd en vruchteloos worstelden zij om zich van die doodelijke

halskragen te ontdoen; niet zoodra had een hunner den voet gezet in

de bres, of hij werd met zwaard en dolk door de burgers ontvangen en

hals over kop in de gracht teruggeworpen.

De aanval werd tot driemaal toe ondernomen, maar ook telkens weer

afgeslagen. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen namen

aan de verdediging deel; ze stoorden zich niet aan het fluiten der

kogels en voorzagen de mannen op de wallen van kruit en lood, dat ze

uit de tuighuizen haalden. Zulk een hardnekkig verzet bleef dan ook

niet zonder succes, want tegen het vallen van den avond trokken de

Spanjaarden af met een verlies van eenige honderden dooden. Alva's

vergrijsde krijgers hadden het dien dag afgelegd.

De stad van Alkmaar behielt de kroon,

Zij gaaven de Spanjaards kranssen,

Pijpen en trommelen gingen daar schoon,

Men speelde daar vreemde danssen,

De Spanjaards stonden daar vergaart,

Zij dansten een nieuwe Spaansche galjaart,

Maar zij vergaten te komen in hun schansen.

Het is begrijpelijk, dat de burgers bemoedigd werden door dezen uitslag

en ook de berichten van een gevangen genomen Spanjaard brachten de

belegerden op de hoogte van den toestand en de plannen van den vijand.

Het was intusschen van der Meij gelukt Sonoy te bereiken en deze had

reeds enkele dijken laten doorsteken, zoodat het land in den omtrek

der legerplaats reeds drassig was geworden.

Oranje gaf in een brief, welke van der Meij aan Sonoy overbracht te

kennen, dat het beter was het land geheel onder water te zetten, dan

Alkmaar in handen van de Spanjaarden te doen overgaan. Bovendien

verzocht Oranje in dien brief aan de burgers vier seinvuren

te ontsteken, indien tot de uiterste maatregelen moest worden

overgegaan. Verheugd over deze goed geslaagde zending trachtte van

der Meij weer binnen de stad te komen, hetgeen hem met veel moeite

wel gelukte, maar hij had het ongeluk zijn stok te verliezen. Deze

viel in handen van den vijand, waardoor Don Frederik op de hoogte

kwam van den inhoud der brieven, welke hem voldoende toonde, hoe er

alles op gezet zou worden om de stad te behouden.

De geest onder het Spaansche krijgsvolk was er al niet beter op

geworden na de vergeefsche stormaanvallen, maar als zijn soldaten

nu nog vernamen dat een veel grootere vijand, het water, hen op de

hielen zat, dan zou de toestand nog minder worden.

Daarom gaf Don Frederik, meenende, dat men voor de eer der Spaansche

wapenen genoeg gedaan had, bevel tot het opbreken van het beleg.

Het was de 8e October! Alkmaar ontzet!

Oorlof die daar in Alkmaar zijn

De Heer heeft zijnen zeegen

Gegeeven nu op dit termijn

Door zijnen grooten reegen.

Door 's menschen hulp nog door bijstand

Dan alleen door Gods magtige hand

Hebt gij 't ontzet gekreegen. [8]

Behalve dit groote succes was Bossu op de Zuiderzee verslagen en werd

deze koninklijke stadhouder gevankelijk binnen Hoorn gebracht.

Wel stond daar tegenover het verlies van Marnix van St. Aldegonde,

die bij Maaslandsluis gevangen genomen en naar Den Haag gevoerd werd,

doch ook begon van verschillende andere zijden het licht door de

wolken te breken.

De zooeven aangehaalde getuigenis omtrent het innig geloof van Oranje,

verdient eenige nadere toelichting, te meer omdat men juist dergelijke

uitspraken van hem heeft aangemerkt als bewijzen voor het huichelachtig

karakter van den Prins.

Dit is echter onjuist, want het langzaam ontwaken van den Prins is

historisch zeer duidelijk te constateeren. Vroeger zagen we reeds,

hoe het bovenal tijdens zijn ballingschap in Dillenburg was ontwaakt

en hoe de voortdurende omgang met zijne moeder, de vrome vrouw bij

uitnemendheid, ook zijn hart allengs ontvankelijk had gemaakt voor

het godsdienstig leven. Juliana bleef met den Prins, ook toen hij

weer naar Holland was vertrokken, in voortdurende briefwisseling.

"Met welk een blijdschap," schreef zij aan Oranje tijdens het beleg

van Haarlem, "heb ik uw schrijven ontvangen en uw welvaart gelezen! De

Almachtige beschutte en bescherme U met al de Uwen en sta U bij in

de groote zaak... Al laat het zich aanzien, of Hij ons had vergeten,

Hij zal zich te zijner tijd met zijn hulp laten vinden..."

Zou het anders mogelijk zijn geweest, dan dat zulke woorden den Prins

zelf godvruchtig stemden? Hoe vreugdevol en deelnemend schrijft zijne

moeder hem na de overwinning van Bossu op de Zuiderzee: "Met hoe

hartelijke vreugde heb ik Uw brief ontvangen, waaruit ik de groote

overwinning las, waarbij zoovele schepen en krijgslieden der vijanden

door de genade Gods in Uwe handen gevallen zijn. Den Almachtige zij

dank in eeuwigheid! Moge Hij altijd met U zijn en steeds de opperste

Raadgever en Helper van mijn zoon in alle zaken blijven!" Zou die

moederlijke toon tegenover den Prins, die in die dagen juist geklaagd

had over zijne eenzaamheid, terwijl hij niemand had, die hem diende

met hulp en raad, zou die moederlijke toon geen ingang gevonden hebben

in zijn hart? Wij voor ons gelooven dit zonder eenigen twijfel en de

stap, dien hij dan ook in de maand October deed en die hem voor goed

zoowel van het "oud geloof" als van de Augsburgsche confessie scheidde,

die stap is zielkundig zeer goed te verklaren, ook al nemen we daarbij

alle wereldsche redenen in aanmerking, welke hem er mede toe bewogen.

Wij bedoelen zijn openlijken overgang tot het Calvinisme. Op den 23en

Oct. schreef een zekere predikant, Bartholdus Wilhelmi, te Dordrecht

wonende, aan een der Londensche Kerken: "Broeders! ik heb u niet

kunnen verbergen de genade, die God ons bewezen heeft, dat de Prins

van Oranje, onze Godzalige Stadhouder, zich tot de gemeente heeft

begeven, het brood des Heeren met de gemeente gebroken en zich aan de

kerkelijke tucht onderworpen heeft, hetwelk niet klein te achten is."

Neen waarlijk, die stap van den Prins was niet gering te achten;

integendeel, hij besliste over de toekomst der Nederlanden. Het is

bekend genoeg, dat de Prins met de omhelzing van het Calvinisme, in

geen enkel opzicht aansprakelijk wilde zijn voor den onverdraagzamen

geest, die de Calvinisten gekenmerkt had en nog eeuwenlang zou

kenmerken. De Prins moest zich echter met hen één van ziel en zin

verklaren, wilde er iets van de redding van het land komen. Van de

dweperij en den revolutionairen geest, die de Calvinisten voorheen

hadden getoond, was hij geweldig afkeerig, maar daarvan waren ook de

meeste Calvinisten genezen.

Hij herinnerde zich met vreugde het levend geloof van zijn

krijgsmakkers, de Hugenoten; hij behoefde thans noch zijn Luthersche

vrienden en verwanten, noch de Anglicanen langer te ontzien. Met

zijn overgang tot het Calvinisme was "de teerling geworpen, die over

zijn verder levenslot moest beslissen." Daarmede had hij tevens de

toekomst van ons vaderland bepaald. Want eerst toen kon het volk hem

ten volle vertrouwen en zich aan zijne leiding overgeven. Hij werd

thans meer dan ooit de ziel van den opstand, die zonder zijn invloed,

zonder zijn bemoediging, zonder zijn genie allerwaarschijnlijkst op

niets was uitgeloopen.

Het is wel jammer, dat er omtrent deze belangrijke gebeurtenis in zijn

geschiedenis geen bijzondere brieven van den Prins meer voorhanden

zijn. Natuurlijk heeft Lodewijk, die sedert zijn omgang met de

Hugenoten, een ijverig Calvinist was, grooten invloed in dezen op zijn

broeder uitgeoefend. In 1567 had de Prins nog van de verschillende

geloofsbelijdenissen gezegd: "Het verschil is te kleen, om gesplijt

te blijven." En ongetwijfeld was dit nog zijn volle meening. Doch nu

was het duidelijk, dat hij het staatkundig hoofd van het volk moest

zijn. Daarom was het beter voor de algemeene zaak, dat hij zich met

de grootste secte vereenzelvigde, om van die sterke stelling uit ook

de andere te beschermen. Doelmatigheid was het voornaamste motief tot

zijn daad, doch het was een zeer oprechte doelmatigheid. Hoe moeilijk

het was, het hooge standpunt van zijn verdraagzaamheid te begrijpen,

wordt wel bewezen door het feit, dat zelfs vele Calvinisten hem niet

ten volle vertrouwden en met argwaan zagen, hoe vriendelijk hij zich

betoonde tegenover menschen, die niet tot hun gemeenschap behoorden.

Wij zagen reeds, hoe weinig de Prins verzuimde, om trots zijn "verbond

met den Potentaat aller Potentaten," toch ook langs andere wegen op

redding voor het land bedacht te zijn. Zijne werkzaamheid was zelfs

in dezen tijd verbazingwekkend. Geen enkele mogelijkheid in eenige

richting liet hij onaangeroerd; geen enkele kans om hulp te verkrijgen

of sympathie op te wekken, liet hij ontsnappen. Voortdurend richtte

hij lange en gedetailleerde brieven aan zijn broeders. Aan hen liet

hij de onderhandeling met de Duitsche vorsten over. Voor zich bleef

hij trots al wat er gebeurd was, trots zijn eigen meening en die der

Staten, dat het beter was zijn natuurlijken vorst tot een tiran te

hebben, dan een tiran zooals Karel IX zich getoond had, eenig geloof

in Frankrijk slaan en de hoop op Frankrijk behouden. Niet omdat hij òf

Karel IX òf Catharina de Medicis vertrouwde, maar omdat hij inzag dat

zij er belang bij zouden hebben, den indruk van den Bartholomeusnacht

uit te wisschen en motieven van eigenbelang hen wel drijven konden

tot ondersteuning zijner zaak.

In Frankrijk was naast de Katholieken en de Hugenoten een derde

partij ontstaan, onder den hertog van Alençon, de partij der

politieken. Daarbij wenschte Catharina de Medicis den troon van Polen,

die in Juli 1572 vacant was geworden, voor den Hertog van Anjou. Die

poging gelukte en de nieuwe koning van Polen moest in het jaar 1573

naar zijn rijk vertrekken. Toen bood Karel IX den Prins van Oranje

100.000 kronen aan, om den oorlog tegen Spanje voort te zetten,

onder voorwaarde, dat de Duitsche Protestantsche vorsten, den hertog

van Anjou door hunne staten naar Polen zouden geleiden. Lodewijk

was er de man niet naar, om aanstonds zonder slag of stoot op die

onderhandelingen met het trouwelooze hof van Catharina in te gaan. De

hardste waarheden zeide hij zoowel tot Fregoso, den afgezant van

Catharina de Medicis, als in een brief aan Karel IX.

Die brief, welke zelfs in druk verscheen, vertoornde eerst wel

den koning, maar ook deze offerde zijn toorn aan de staatkunde

op. Door zijn broeder en door de Nederlandsche belangen aangespoord,

deed ook Lodewijk, hoewel schoorvoetend en het hart vol bittere

verontwaardiging, telkens een stap voorwaarts in de richting van een

nieuw Fransch bondgenootschap en schreef hij in December 1573, naar

aanleiding van de samenkomst te Blamont met Fransche afgevaardigden,

een brief aan den Prins.

Hierin meldt hij, dat hij op raad van den Paltzgraaf een poging had

gedaan om den nieuwen landvoogd te Heidelberg te ontmoeten, waar deze,

op weg naar de Nederlanden, langs zou komen. Toen dit tot zijn spijt

mislukt was, had hij een ontmoeting gehad met de koningin en haar

zoon, den koning van Polen, die op weg naar zijn koninkrijk was. Het

gevolg was geweest, dat Lodewijk aan Oranje thans kon mededeelen, dat

de koning van Frankrijk beloofd had, de zaken van de Nederlanden te

steunen, zelfs nog voordat de Protestantsche vorsten hetzelfde zouden

willen doen. Verder bericht Lodewijk aan zijn broer, dat de zaken in

Duitschland goed staan en zelfs de keurvorst van Keulen op den goeden

weg is. Lodewijk belooft geld te zenden en hij geeft nog aan Oranje

de verzekering, spoedig met een grooten of kleinen troep te komen.

't Was een brief vol goeden moed over de toekomst en in diezelfde

dagen, dat de graaf zoo goed gestemd was, begon er voor Holland

eenig licht door de wolken te breken. Wel was Haarlem gevallen, maar

Alkmaar behouden en wij zagen reeds, hoe Bossu was verslagen. Ook

in Zeeland waar de Boisots tegenover Mondragon stonden, begonnen de

kansen zich ten gunste van den Prins te keeren. Daarbij waren er aan

den kant van den vijand zeer donkere wolken te bespeuren. De tijd van

Spanje's grootsten bloei was in 1570 reeds voorbij, zelfs stond een

staatsbankroet voor de deur. De strijd met het kleine Holland zou,

gelijk Prof. Blok schrijft, verder een strijd zijn tusschen een

kolossus op leemen voeten en een kleinen doch krachtigen tegenstander.

Zelfs Alva kon, trots zijn succes, niet langer de Spaansche monarchie

in de Nederlanden tot steun zijn. Behalve den vroeger reeds vermelden

strijd tegen zijn persoon te Madrid, uitgaande van Ruy Gomez,

en de geheime oppositie van Medina-Coeli, die hem toch ook niet

opvolgde, werd de landvoogd door voortdurende geldelijke ongelegenheid

gekweld. Hij had geen financieele hulpbronnen meer en kon zijn troepen

daarom niet in orde houden. Bovendien was het aan een deputatie uit

de Z. Nederlanden eindelijk gelukt, tegen zijn onmiddellijken raad

in, den tienden penning weer geschorst te krijgen, met de belofte,

dat hij zou worden afgeschaft. Van daar dat Alva met aandrang zijn

ontslag vroeg, dat hem 19 Oct. werd verleend.

Den 18en December 1573 verliet hij de Nederlanden en werd hij opgevolgd

door Don Louis de Requesens y Zuniga. Het is hier de plaats niet,

om het volledig stelsel van Alva te bespreken. Ongetwijfeld vond

zijn tiende penning algemeen scherpe afkeuring; geen enkel katholiek

schrijver zelfs zal een Alva meer verdedigen; en toch was zoowel zijn

nieuwe wijze van belastingheffing en waren vooral zijn crimineele

ordonnantiën verbeteringen in het beheer dezer landen. Zijn geheele

optreden echter tegenover de Nederlanden heeft hem met den rechtmatigen

vloek van tijdgenoot en nakomelingschap beladen. Hier zij nog deze

trek uit zijn laatste regeeringsjaar vermeld, die hem als een der

eersten doet kennen, die getracht heeft den Prins te vermoorden.

Granvelle had vroeger reeds den koning aangeraden, zich van den Prins

en zijn broeder Lodewijk door middel van sluipmoord te ontslaan en

al was Filips op datzelfde oogenblik aan het onderhandelen met de

Duitsche vorsten over den vrede met de Nederlanden, hij had er zijn

goedkeuring aan gehecht. Nu deed zich het volgende geval voor: Een

zekere Juan de Albornoz, secretaris van den hertog van Alva, schreef

op den 12en Februari 1573 aan den voornaamsten secretaris van Filips,

Gabriël de Cayas, het volgende:

"Hij, die het hoofd van den admiraal (Coligny) heeft aangebracht,

heeft aangeboden ook een ander te dooden, die niet minder kwaad aan

de Christenheid heeft berokkend dan die schurk, die thans in de hel

is. Hij en twee anderen zijn er heen. God sta hen bij! Het is een

onderneming, waarin ze God een grooten dienst zullen kunnen bewijzen

en tegelijk zelf eer en voordeel mee zullen behalen...

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 38 / 80 题