Zooals we zagen was de Prins onvermoeid werkzaam geweest in het
belang van Haarlem en Holland; die werkzaamheid was waarlijk niet
gering geweest, als we bedenken, dat er groote verwarring heerschte,
dat het in bestuurs- en rechtszaken treurig gesteld was, ook al door
de verdeeldheid onder de regenten, vroedschappen, schepenen en steden.
Trots alle pogingen om Roomsch en Geus te doen samengaan, steeg met den
dag de haat tusschen Calvinisten en Katholieken en werden de eersten
bijna overal de machtigsten. Terwijl Oranje intusschen met zijn
broeders en verwanten druk correspondeerde over het zenden van een
leger, waren er nog andere gewichtige zaken te behandelen. Hieronder
neemt een eerste plaats in, het opnieuw aanknoopen van onderhandelingen
met Frankrijk. Het schijnt vreemd, dat reeds in October 1572, dus
slechts twee maanden na den beruchten Bartholomeusnacht, Oranje weder
in verbinding trachtte te komen met het hof van Karel IX, maar de
Prins had gehoord, dat de koning onmiddellijk na den moord berouw
had gehad en als echt staatsman wilde Oranje in zijn politiek belang
daarvan gebruik maken.
Van Fransche zijde was voorgewend, dat de Bartholomeusnacht alleen
het gevolg was geweest van eene Calvinistische samenzwering tegen
den koning, maar dat hij volstrekt geen verandering gebracht had
in de verhouding van Frankrijk tot Spanje, welks macht Frankrijk
bleef vreezen en waartegen het zich zou blijven verzetten. Graaf
Lodewijk had volstrekt geen lust met het verraderlijke Frankrijk
weer in onderhandeling te treden; zijn geheele gemoed kwam daartegen
in opstand. De Prins dacht er anders over; zijn staatkundige blik
achtte die onderhandeling onmisbaar voor de toekomst en hij hoopte
met Frankrijk tegen Spanje den oorlog voort te zetten, teneinde de
volkomen vrijheid van de Noordelijke gewesten te verkrijgen. Voor
dezen raad van den Prins bezweek ook Lodewijk.
Van andere zijde was er zelfs bij Oranje op aangedrongen om
rechtstreeks met Spanje te onderhandelen, waartoe de keizer zijn
bemiddeling aanbood.
Uit een brief van den 5en Februari aan zijn broeders geschreven
blijkt, hoe weinig vertrouwen de Prins heeft in onderhandelingen
met Spanje. Toch wil hij zijn broers en de Duitsche vorsten niet
terughouden van hetgeen zij meenden, dat gedaan kon worden.
Op Engelands hulp kon in 't geheel niet worden vertrouwd; Elisabeth
had toenadering tot Alva getoond en het aanbod van den Prins, om
Holland en Zeeland onder haar gebied te brengen, had de vorstin
afgeslagen. Engeland poogde zelfs de handelsbetrekkingen met Spanje
te hernieuwen, maar hoewel dit mislukte, bleef Elisabeth als vroeger
even dubbelzinnig tegenover de Watergeuzen.
In een aanknooping der vredesonderhandelingen met Spanje zag Oranje
echter erg weinig licht; toch waren er die meenden, dat het succes kon
hebben. Jan van Nassau ging zelfs in Mei naar Keulen, uitdrukkelijk
met het doel den vrede te bevorderen, terwijl de landgraaf van Hessen
zich bereid verklaarde als bemiddelaar op te treden om den vrede
tusschen Filips en zijne onderdanen op den grondslag van den vrede
van Augsburg van 1555 te helpen stichten.
"Ik kan me niet voorstellen," schrijft Oranje aan Lodewijk, "dat de
Koning van Spanje ooit eenigen vrede met zijn onderdanen sluiten zal,
dan alleen in den vorm van pardons, die gewoonlijk vol capties en
excepties zijn en buitendien natuurlijk weinig vertrouwbaar, omdat
een gunst weder naar willekeur en welbehagen kan worden teruggeroepen."
Wat het verbond van Frankrijk aangaat, waarop Oranje altijd hoopt,
schrijft hij aan Lodewijk, dat de Staten er een groot wantrouwen in
koesteren, tengevolge van de vreeselijke daad, die de koning van dat
land op zijn geweten heeft en, gaat de Prins verder:
"Men acht zijn verraad, zijn tirannie en wreedheid zoo verschrikkelijk,
dat men beweert, dat het dan nog beter is, door zijn natuurlijken
vorst te worden onderdrukt en die meening is diep in het hart van
ieder geworteld en is inderdaad redelijk."
Alleen echter van Frankrijk, den ouden vijand van het
Bourgondisch-Habsburgsche huis, verwachtte Oranje op den duur hulp.
Zooals we zagen, daagde er voor Haarlem geen hulp van Lodewijks kant
en moest de stad zich ten slotte overgeven.
Dat Haarlems val grooten indruk maakte is licht te begrijpen; Oranje
ging de steden rond, ze "bezoekende en sterkende" gelijk een oud
schrijver zegt. Wel klaagde de Prins, dat hij raad noch steun in deze
moeilijke omstandigheden ontving, maar zijn grootste kracht vond hij
in die dagen in zijn vurig en warm geloof. Van dien tijd dagteekent
ook de bekende uiting, welke van zijn godsdienstig gemoed de hoogste
getuigenis aflegt. Op de vraag van zijn vrienden in Noord-Holland,
of hij geen machtig vorst tot bondgenoot had, schreef hij hun deze
indrukwekkende woorden:
"Wij willen u daarop antwoorden, dat, aleer wij deze zaak tot
bescherming der Christenen en andere verdrukten in dit land zijn
begonnen, wij met den alleroppersten Potentaat der Potentaten zulk
een vast verbond hebben gesloten, dat wij geheel verzekerd zijn,
dat wij en al degenen die daarop vertrouwen, door zijn geweldige en
machtige hand ten laatste nog ontzet zullen worden."
Die bemoedigende toon hielp. De bevolking van Holland besloot, ook
zonder andere bondgenooten, den strijd voort te zetten. En het was,
alsof die nieuwe moed, in het hart der bevolking overgestort, ook
aanstonds eenig licht in den donkeren toestand aanbracht. Want van
Alkmaar begon de victorie!
Na Haarlem kwam Alkmaar aan de beurt. Reeds in Juli, nog tijdens
het beleg van de Spaarnestad, hadden de Spanjaarden een vergeefsche
poging gedaan de stad te nemen, maar nu Haarlem gevallen was en ook
de muiterij onder het Spaansche krijgsvolk was bedwongen, kon Don
Frederik al zijn krachten gebruiken om ook deze stad in het lot van
Haarlem te doen deelen.
De Spaansche krijgsoverste had goede plannen, want hij was reeds
besloten tegenover Alkmaar niet zoo goedertieren (!) op te treden
als tegen Haarlem. Aan Filips schreef hij zelfs, dat er in de stad
geen levende ziel behoorde gelaten te worden, want met goedheid was
er met dit volk niets uit te richten.
Den 21en Augustus begon de insluiting en binnen enkele dagen reeds
kon Alva aan zijn koning berichten, dat "geen mensch bij mogelijkheid
uit of in de stad kon komen."
De strijd was wel ongelijk! De sterkte der belegeraars bedroeg ongeveer
16000 man, allen ervaren in den krijg, terwijl de stad een 2000
weerbare mannen telde, waaronder een 700 krijgslieden van beroep waren.
Van overgave, zooals Don Frederik bij aankomst eischte, was echter
geen sprake. De opperbevelhebber met de Burgemeesters en vroedschappen
besloten zelfs, niet met den vijand "in gesprek te treden".
De bezetting begreep welk lot haar te wachten stond en besloot
zich tot het uiterste te verdedigen, maar daarbij rekende zij op een
machtigen bondgenoot: het water. De onderwaterzetting van de omstreken
bracht natuurlijk tal van bezwaren mede en zoo besloot men iemand met
brieven naar Sonoy te zenden, teneinde het doorsteken van de dijken
te verkrijgen.
Het gelukte Pieter van der Meij het waagstuk te volvoeren. Met een
in lood gewikkelden brief, welke in een polsstok was geborgen, wist
hij door het vijandelijk kamp te komen.
Intusschen hadden de belegeraars niet stilgezeten, doch de vele
schermutselingen, welke hadden plaats gehad waren zonder groote
gevolgen gebleven. Den 18en September werd door Don Frederik een
ernstige aanval op de stad gedaan; na gedurende twaalf uur op de stad
geschoten te hebben, trachtte de bevelhebber de veste stormenderhand te
nemen. Met groote onstuimigheid rukten de troepen met de Lombardische
keurbenden aan het hoofd op de Friesche poort en den rooden Toren los,
maar de ontvangst viel hun niet mee.
Alle burgers waren op de wallen; de bestormers, zegt een tijdgenoot,
werden met grof geschut, musket- en pistoolvuur begroet; kokend
water, pek en olie, gesmolten lood en ongebluschte kalk stroomden op
hen; honderden brandende pekkransen werden hen behendig om den hals
geslingerd en vruchteloos worstelden zij om zich van die doodelijke
halskragen te ontdoen; niet zoodra had een hunner den voet gezet in
de bres, of hij werd met zwaard en dolk door de burgers ontvangen en
hals over kop in de gracht teruggeworpen.
De aanval werd tot driemaal toe ondernomen, maar ook telkens weer
afgeslagen. Niet alleen mannen, maar ook vrouwen en kinderen namen
aan de verdediging deel; ze stoorden zich niet aan het fluiten der
kogels en voorzagen de mannen op de wallen van kruit en lood, dat ze
uit de tuighuizen haalden. Zulk een hardnekkig verzet bleef dan ook
niet zonder succes, want tegen het vallen van den avond trokken de
Spanjaarden af met een verlies van eenige honderden dooden. Alva's
vergrijsde krijgers hadden het dien dag afgelegd.
De stad van Alkmaar behielt de kroon,
Zij gaaven de Spanjaards kranssen,
Pijpen en trommelen gingen daar schoon,
Men speelde daar vreemde danssen,
De Spanjaards stonden daar vergaart,
Zij dansten een nieuwe Spaansche galjaart,
Maar zij vergaten te komen in hun schansen.
Het is begrijpelijk, dat de burgers bemoedigd werden door dezen uitslag
en ook de berichten van een gevangen genomen Spanjaard brachten de
belegerden op de hoogte van den toestand en de plannen van den vijand.
Het was intusschen van der Meij gelukt Sonoy te bereiken en deze had
reeds enkele dijken laten doorsteken, zoodat het land in den omtrek
der legerplaats reeds drassig was geworden.
Oranje gaf in een brief, welke van der Meij aan Sonoy overbracht te
kennen, dat het beter was het land geheel onder water te zetten, dan
Alkmaar in handen van de Spanjaarden te doen overgaan. Bovendien
verzocht Oranje in dien brief aan de burgers vier seinvuren
te ontsteken, indien tot de uiterste maatregelen moest worden
overgegaan. Verheugd over deze goed geslaagde zending trachtte van
der Meij weer binnen de stad te komen, hetgeen hem met veel moeite
wel gelukte, maar hij had het ongeluk zijn stok te verliezen. Deze
viel in handen van den vijand, waardoor Don Frederik op de hoogte
kwam van den inhoud der brieven, welke hem voldoende toonde, hoe er
alles op gezet zou worden om de stad te behouden.
De geest onder het Spaansche krijgsvolk was er al niet beter op
geworden na de vergeefsche stormaanvallen, maar als zijn soldaten
nu nog vernamen dat een veel grootere vijand, het water, hen op de
hielen zat, dan zou de toestand nog minder worden.
Daarom gaf Don Frederik, meenende, dat men voor de eer der Spaansche
wapenen genoeg gedaan had, bevel tot het opbreken van het beleg.
Het was de 8e October! Alkmaar ontzet!
Oorlof die daar in Alkmaar zijn
De Heer heeft zijnen zeegen
Gegeeven nu op dit termijn
Door zijnen grooten reegen.
Door 's menschen hulp nog door bijstand
Dan alleen door Gods magtige hand
Hebt gij 't ontzet gekreegen. [8]
Behalve dit groote succes was Bossu op de Zuiderzee verslagen en werd
deze koninklijke stadhouder gevankelijk binnen Hoorn gebracht.
Wel stond daar tegenover het verlies van Marnix van St. Aldegonde,
die bij Maaslandsluis gevangen genomen en naar Den Haag gevoerd werd,
doch ook begon van verschillende andere zijden het licht door de
wolken te breken.
De zooeven aangehaalde getuigenis omtrent het innig geloof van Oranje,
verdient eenige nadere toelichting, te meer omdat men juist dergelijke
uitspraken van hem heeft aangemerkt als bewijzen voor het huichelachtig
karakter van den Prins.
Dit is echter onjuist, want het langzaam ontwaken van den Prins is
historisch zeer duidelijk te constateeren. Vroeger zagen we reeds,
hoe het bovenal tijdens zijn ballingschap in Dillenburg was ontwaakt
en hoe de voortdurende omgang met zijne moeder, de vrome vrouw bij
uitnemendheid, ook zijn hart allengs ontvankelijk had gemaakt voor
het godsdienstig leven. Juliana bleef met den Prins, ook toen hij
weer naar Holland was vertrokken, in voortdurende briefwisseling.
"Met welk een blijdschap," schreef zij aan Oranje tijdens het beleg
van Haarlem, "heb ik uw schrijven ontvangen en uw welvaart gelezen! De
Almachtige beschutte en bescherme U met al de Uwen en sta U bij in
de groote zaak... Al laat het zich aanzien, of Hij ons had vergeten,
Hij zal zich te zijner tijd met zijn hulp laten vinden..."
Zou het anders mogelijk zijn geweest, dan dat zulke woorden den Prins
zelf godvruchtig stemden? Hoe vreugdevol en deelnemend schrijft zijne
moeder hem na de overwinning van Bossu op de Zuiderzee: "Met hoe
hartelijke vreugde heb ik Uw brief ontvangen, waaruit ik de groote
overwinning las, waarbij zoovele schepen en krijgslieden der vijanden
door de genade Gods in Uwe handen gevallen zijn. Den Almachtige zij
dank in eeuwigheid! Moge Hij altijd met U zijn en steeds de opperste
Raadgever en Helper van mijn zoon in alle zaken blijven!" Zou die
moederlijke toon tegenover den Prins, die in die dagen juist geklaagd
had over zijne eenzaamheid, terwijl hij niemand had, die hem diende
met hulp en raad, zou die moederlijke toon geen ingang gevonden hebben
in zijn hart? Wij voor ons gelooven dit zonder eenigen twijfel en de
stap, dien hij dan ook in de maand October deed en die hem voor goed
zoowel van het "oud geloof" als van de Augsburgsche confessie scheidde,
die stap is zielkundig zeer goed te verklaren, ook al nemen we daarbij
alle wereldsche redenen in aanmerking, welke hem er mede toe bewogen.
Wij bedoelen zijn openlijken overgang tot het Calvinisme. Op den 23en
Oct. schreef een zekere predikant, Bartholdus Wilhelmi, te Dordrecht
wonende, aan een der Londensche Kerken: "Broeders! ik heb u niet
kunnen verbergen de genade, die God ons bewezen heeft, dat de Prins
van Oranje, onze Godzalige Stadhouder, zich tot de gemeente heeft
begeven, het brood des Heeren met de gemeente gebroken en zich aan de
kerkelijke tucht onderworpen heeft, hetwelk niet klein te achten is."
Neen waarlijk, die stap van den Prins was niet gering te achten;
integendeel, hij besliste over de toekomst der Nederlanden. Het is
bekend genoeg, dat de Prins met de omhelzing van het Calvinisme, in
geen enkel opzicht aansprakelijk wilde zijn voor den onverdraagzamen
geest, die de Calvinisten gekenmerkt had en nog eeuwenlang zou
kenmerken. De Prins moest zich echter met hen één van ziel en zin
verklaren, wilde er iets van de redding van het land komen. Van de
dweperij en den revolutionairen geest, die de Calvinisten voorheen
hadden getoond, was hij geweldig afkeerig, maar daarvan waren ook de
meeste Calvinisten genezen.
Hij herinnerde zich met vreugde het levend geloof van zijn
krijgsmakkers, de Hugenoten; hij behoefde thans noch zijn Luthersche
vrienden en verwanten, noch de Anglicanen langer te ontzien. Met
zijn overgang tot het Calvinisme was "de teerling geworpen, die over
zijn verder levenslot moest beslissen." Daarmede had hij tevens de
toekomst van ons vaderland bepaald. Want eerst toen kon het volk hem
ten volle vertrouwen en zich aan zijne leiding overgeven. Hij werd
thans meer dan ooit de ziel van den opstand, die zonder zijn invloed,
zonder zijn bemoediging, zonder zijn genie allerwaarschijnlijkst op
niets was uitgeloopen.
Het is wel jammer, dat er omtrent deze belangrijke gebeurtenis in zijn
geschiedenis geen bijzondere brieven van den Prins meer voorhanden
zijn. Natuurlijk heeft Lodewijk, die sedert zijn omgang met de
Hugenoten, een ijverig Calvinist was, grooten invloed in dezen op zijn
broeder uitgeoefend. In 1567 had de Prins nog van de verschillende
geloofsbelijdenissen gezegd: "Het verschil is te kleen, om gesplijt
te blijven." En ongetwijfeld was dit nog zijn volle meening. Doch nu
was het duidelijk, dat hij het staatkundig hoofd van het volk moest
zijn. Daarom was het beter voor de algemeene zaak, dat hij zich met
de grootste secte vereenzelvigde, om van die sterke stelling uit ook
de andere te beschermen. Doelmatigheid was het voornaamste motief tot
zijn daad, doch het was een zeer oprechte doelmatigheid. Hoe moeilijk
het was, het hooge standpunt van zijn verdraagzaamheid te begrijpen,
wordt wel bewezen door het feit, dat zelfs vele Calvinisten hem niet
ten volle vertrouwden en met argwaan zagen, hoe vriendelijk hij zich
betoonde tegenover menschen, die niet tot hun gemeenschap behoorden.
Wij zagen reeds, hoe weinig de Prins verzuimde, om trots zijn "verbond
met den Potentaat aller Potentaten," toch ook langs andere wegen op
redding voor het land bedacht te zijn. Zijne werkzaamheid was zelfs
in dezen tijd verbazingwekkend. Geen enkele mogelijkheid in eenige
richting liet hij onaangeroerd; geen enkele kans om hulp te verkrijgen
of sympathie op te wekken, liet hij ontsnappen. Voortdurend richtte
hij lange en gedetailleerde brieven aan zijn broeders. Aan hen liet
hij de onderhandeling met de Duitsche vorsten over. Voor zich bleef
hij trots al wat er gebeurd was, trots zijn eigen meening en die der
Staten, dat het beter was zijn natuurlijken vorst tot een tiran te
hebben, dan een tiran zooals Karel IX zich getoond had, eenig geloof
in Frankrijk slaan en de hoop op Frankrijk behouden. Niet omdat hij òf
Karel IX òf Catharina de Medicis vertrouwde, maar omdat hij inzag dat
zij er belang bij zouden hebben, den indruk van den Bartholomeusnacht
uit te wisschen en motieven van eigenbelang hen wel drijven konden
tot ondersteuning zijner zaak.
In Frankrijk was naast de Katholieken en de Hugenoten een derde
partij ontstaan, onder den hertog van Alençon, de partij der
politieken. Daarbij wenschte Catharina de Medicis den troon van Polen,
die in Juli 1572 vacant was geworden, voor den Hertog van Anjou. Die
poging gelukte en de nieuwe koning van Polen moest in het jaar 1573
naar zijn rijk vertrekken. Toen bood Karel IX den Prins van Oranje
100.000 kronen aan, om den oorlog tegen Spanje voort te zetten,
onder voorwaarde, dat de Duitsche Protestantsche vorsten, den hertog
van Anjou door hunne staten naar Polen zouden geleiden. Lodewijk
was er de man niet naar, om aanstonds zonder slag of stoot op die
onderhandelingen met het trouwelooze hof van Catharina in te gaan. De
hardste waarheden zeide hij zoowel tot Fregoso, den afgezant van
Catharina de Medicis, als in een brief aan Karel IX.
Die brief, welke zelfs in druk verscheen, vertoornde eerst wel
den koning, maar ook deze offerde zijn toorn aan de staatkunde
op. Door zijn broeder en door de Nederlandsche belangen aangespoord,
deed ook Lodewijk, hoewel schoorvoetend en het hart vol bittere
verontwaardiging, telkens een stap voorwaarts in de richting van een
nieuw Fransch bondgenootschap en schreef hij in December 1573, naar
aanleiding van de samenkomst te Blamont met Fransche afgevaardigden,
een brief aan den Prins.
Hierin meldt hij, dat hij op raad van den Paltzgraaf een poging had
gedaan om den nieuwen landvoogd te Heidelberg te ontmoeten, waar deze,
op weg naar de Nederlanden, langs zou komen. Toen dit tot zijn spijt
mislukt was, had hij een ontmoeting gehad met de koningin en haar
zoon, den koning van Polen, die op weg naar zijn koninkrijk was. Het
gevolg was geweest, dat Lodewijk aan Oranje thans kon mededeelen, dat
de koning van Frankrijk beloofd had, de zaken van de Nederlanden te
steunen, zelfs nog voordat de Protestantsche vorsten hetzelfde zouden
willen doen. Verder bericht Lodewijk aan zijn broer, dat de zaken in
Duitschland goed staan en zelfs de keurvorst van Keulen op den goeden
weg is. Lodewijk belooft geld te zenden en hij geeft nog aan Oranje
de verzekering, spoedig met een grooten of kleinen troep te komen.
't Was een brief vol goeden moed over de toekomst en in diezelfde
dagen, dat de graaf zoo goed gestemd was, begon er voor Holland
eenig licht door de wolken te breken. Wel was Haarlem gevallen, maar
Alkmaar behouden en wij zagen reeds, hoe Bossu was verslagen. Ook
in Zeeland waar de Boisots tegenover Mondragon stonden, begonnen de
kansen zich ten gunste van den Prins te keeren. Daarbij waren er aan
den kant van den vijand zeer donkere wolken te bespeuren. De tijd van
Spanje's grootsten bloei was in 1570 reeds voorbij, zelfs stond een
staatsbankroet voor de deur. De strijd met het kleine Holland zou,
gelijk Prof. Blok schrijft, verder een strijd zijn tusschen een
kolossus op leemen voeten en een kleinen doch krachtigen tegenstander.
Zelfs Alva kon, trots zijn succes, niet langer de Spaansche monarchie
in de Nederlanden tot steun zijn. Behalve den vroeger reeds vermelden
strijd tegen zijn persoon te Madrid, uitgaande van Ruy Gomez,
en de geheime oppositie van Medina-Coeli, die hem toch ook niet
opvolgde, werd de landvoogd door voortdurende geldelijke ongelegenheid
gekweld. Hij had geen financieele hulpbronnen meer en kon zijn troepen
daarom niet in orde houden. Bovendien was het aan een deputatie uit
de Z. Nederlanden eindelijk gelukt, tegen zijn onmiddellijken raad
in, den tienden penning weer geschorst te krijgen, met de belofte,
dat hij zou worden afgeschaft. Van daar dat Alva met aandrang zijn
ontslag vroeg, dat hem 19 Oct. werd verleend.
Den 18en December 1573 verliet hij de Nederlanden en werd hij opgevolgd
door Don Louis de Requesens y Zuniga. Het is hier de plaats niet,
om het volledig stelsel van Alva te bespreken. Ongetwijfeld vond
zijn tiende penning algemeen scherpe afkeuring; geen enkel katholiek
schrijver zelfs zal een Alva meer verdedigen; en toch was zoowel zijn
nieuwe wijze van belastingheffing en waren vooral zijn crimineele
ordonnantiën verbeteringen in het beheer dezer landen. Zijn geheele
optreden echter tegenover de Nederlanden heeft hem met den rechtmatigen
vloek van tijdgenoot en nakomelingschap beladen. Hier zij nog deze
trek uit zijn laatste regeeringsjaar vermeld, die hem als een der
eersten doet kennen, die getracht heeft den Prins te vermoorden.
Granvelle had vroeger reeds den koning aangeraden, zich van den Prins
en zijn broeder Lodewijk door middel van sluipmoord te ontslaan en
al was Filips op datzelfde oogenblik aan het onderhandelen met de
Duitsche vorsten over den vrede met de Nederlanden, hij had er zijn
goedkeuring aan gehecht. Nu deed zich het volgende geval voor: Een
zekere Juan de Albornoz, secretaris van den hertog van Alva, schreef
op den 12en Februari 1573 aan den voornaamsten secretaris van Filips,
Gabriël de Cayas, het volgende:
"Hij, die het hoofd van den admiraal (Coligny) heeft aangebracht,
heeft aangeboden ook een ander te dooden, die niet minder kwaad aan
de Christenheid heeft berokkend dan die schurk, die thans in de hel
is. Hij en twee anderen zijn er heen. God sta hen bij! Het is een
onderneming, waarin ze God een grooten dienst zullen kunnen bewijzen
en tegelijk zelf eer en voordeel mee zullen behalen...