TWIST MET GRANVELLE. HUISELIJK LEVEN VAN ORANJE. OVERWINNING OP DEN
KARDINAAL. 1561-1564.
Toen de Hessische Filips zoo vol zorg aan Anna van Saksen schreef, wist
hij ook niet, wat er in de jaren 1560 en 1561 plaats had in het kleine
vorstendom, welks naam zijn aangehuwde kleindochter nu droeg. Had
hij het geweten, dan zou hij zijn ergste vrees verwezenlijkt gezien
hebben. Reeds in de eerste jaren der Hervorming had het Protestantisme
uit Genève zijn intrede in Oranje gedaan. De nabijheid van Avignon, dat
eigendom van den Paus was, maakte dit bijzonder onaangenaam voor het
hoofd der kerk, dat dan ook aan den Prins een brief richtte, ten einde
hem tegen de verspreiding der nieuwe denkbeelden te waarschuwen. Oranje
antwoordde als een getrouw zoon der kerk, belovende zijn best te
zullen doen, de aangroeiende ketterijen uit te roeien. Het is een
zonderlinge brief van een man, wiens naam later een symbool van
het Protestantisme is geworden. Vooral deze zin is merkwaardig:
"Ik zou wel wenschen, dat die kettersche sekse, die tegen mijne
verwachting uit naburige plaatsen van Gallië is binnengedrongen,
met dezelfde gemakkelijkheid, waarmee zij is ingevoerd, er weer uit
kon worden weggenomen." Typische woorden, zeer kenschetsend voor het
godsdienstig standpunt, dat Oranje die dagen innam.
In 1560 en 1561 was hij nog zoover verwijderd van sympathie met de
leerstellingen van het Protestantisme, dat hij vurig wenschte, dat èn
in Nederland èn in zijn Prinsdom Oranje die onruststokers onschadelijk
konden worden gemaakt. De wijze echter, waarop hij dit mogelijk achtte,
was volgens zijn toenmalige meening niet "gemakkelijk".
Vandaar, dat hij ook gedurende de lente van 1561 met Granvelle
correspondeerde over de beste middelen, om de godsdienstige zaken in
Oranje te regelen. Hij stelde zelfs onder goedkeuring van den prelaat
voor, een edict van algemeene vergiffenis uit te vaardigen voor allen,
die aan de jongste godsdienstige troebelen hadden meegewerkt. Dat
voorstel berustte volstrekt niet op sympathie met hunne meeningen,
maar wel op medelijden met de arme slachtoffers der vervolging. Hij
wil in die correspondentie Granvelle blijkbaar den indruk geven, dat
de zachtheid van zijn voorgestelde maatregelen uit politiek en niet
uit sympathie voortvloeide; hij zou het zelfs betreuren, indien hij
misverstaan werd. Granvelle stelde daarop de verandering van eenige
zinsneden voor, opdat de beklaagden niet zouden denken, dat zij in 't
minst gerechtvaardigd zouden zijn, als ze weder in die zonde vervielen.
Deze vergiffenis, het "Juli-edict" genoemd, werd behoorlijk
afgekondigd. Ze bewees aan de eene zijde den wensch van den Prins om
het uitroeien van de Protestantsche inwoners van Oranje te vermijden,
maar aan den anderen kant was ze geheel in het belang van "onzen
waren en ouden godsdienst", gelijk het woordelijk luidt.
Was in 1561, Oranje's huwelijksjaar met Anna van Saksen,
zijn verhouding tot Granvelle op het punt van godsdienst nog
onveranderd--want men mag niet vergeten, dat ook Granvelle geen
voorstander was van de uitroeiing der ketterij door geweld en hij
volgens den afwezigen koning veel te laks was in de toepassing der
bloedige plakkaten--op ander gebied was er reeds in hetzelfde jaar
eene spanning tusschen beiden ontstaan, tengevolge van de nieuwe
kerkregeling en de inrichting der bisdommen, welke in 1560 haar
beslag kreeg.
Op zichzelf was die kerkregeling zeer gewenscht, doch wat er
onmiddellijk uit voortvloeide, wekte de ergernis der Nederlanders op.
Gewenscht was het in zoover, omdat tot dien tijd de kerkelijke zaken
in de Vereenigde Nederlanden onder de suprematie van Frankrijk en
Duitschland stonden en de Nederlanden door die regeling even goed een
aparte afdeeling van de Roomsche kerk werden, als zij sinds 1548 een
afzonderlijke kreits van het Roomsche rijk vormden.
Men had in de Nederlanden slechts drie bisdommen, Atrecht, Kamerijk
en Utrecht, die afhankelijk waren van den Duitschen en Franschen
aartsbisschop van Keulen en Reims. Nu richtte men in de Nederlanden
drie aartsbisdommen op, Mechelen, Kamerijk en Utrecht en van dezen
zouden de vijftien in 't leven geroepen bisdommen afhankelijk zijn. Aan
den aartsbisschop van Mechelen werd buitendien het primaat toegekend
en daartoe werd Granvelle benoemd, die tegelijk met den kardinaalshoed
was vereerd. Reeds dit feit op zich zelf, waardoor de positie van
Granvelle nog zoozeer werd verhoogd, was een doorn in het oog van
de Nederlandsche grooten en ook van Oranje, te meer omdat het niet
lang duurde, of de Prins bemerkte, hoezeer hij zelf door die hooge
stelling van Granvelle werd achteruitgezet.
Vroeger dacht men, dat daarom bovenal de bisschoppelijke organisatie
de ergernis der Nederlandsche edelen opwekte, omdat die organisatie
met de instelling der inquisitie hand aan hand ging. Ongetwijfeld, de
uitroeiing der ketters viel niet in den smaak der Nederlanders, doch
ook Granvelle was zelf niet bloeddorstig en poogde den roekeloozen
geloofsijver van zijn meester te matigen en aan den anderen kant
leert ons het geval van het Prinsdom Oranje en de wijze, waarop de
Prins zelf daar tegen de ketterij wilde optreden, wel zijn afkeer van
geweldige middelen, maar tevens ook zijn zucht om de oude moederkerk
te steunen. De oorsprong van de vijandschap tegen Granvelle moet dan
ook niet idealistisch gezocht worden in sympathie met de ketters,
maar was bij de meeste grooten en ook bij Oranje met egoïstische en
politieke bedoelingen vermengd. Hoe griefde de Nederlandsche edelen,
die tot dien tijd de voordeeligste geestelijke posten hadden vervuld
o.a. de bepaling van de pauselijke bul, dat voortaan alleen doctoren
in de theologie een bisschoppelijk ambt mochten vervullen. Hoe werden
de eerste families de Crois, de Bergens, de van der Marcks daardoor
in hun belangen te kort gedaan! Bij Oranje was dit het geval niet,
al is het waar, dat hij later gepoogd heeft zijn broer Hendrik met
de rijke abdij van Marciennes te begunstigen. De Prins zelf stond
daarvoor te hoog. Voor hem waren er andere grieven, voortvloeiende uit,
althans samenhangende met de nieuwe inrichting van het episcopaat en
de verheffing van Granvelle tot kardinaal.
Van groot belang voor de regeering was de samenstelling van de Staten
van Brabant. In zekeren zin was dit gewest het hoofd der 17 provinciën;
in haar hoofdstad Brussel zetelde de landvoogdes en een stadhouder
was er dus niet noodig. Nu was de regeering er veel aan gelegen om
in de vier hoofdsteden van Brabant de overheid onder haar invloed te
hebben, want in de Staten vormden de magistraten dier hoofdsteden het
derde lid. In de vergadering van de Brabantsche Staten, die spoedig
zou worden gehouden, zou beraadslaagd worden èn over de bede èn over
de quaestie, of de bisdommen de rijke abdijen bij zich zouden mogen
inlijven om daarin het middel van bestaan te vinden. Van de zijde
der abten en ook van den kant der edelen bestond daartegen groote
oppositie.
Vandaar de ijver der regeering om bij de vernieuwing der wet de keus
der vroede mannen ten gunste van haar te doen uitvallen. Geheel buiten
Oranje om werden nu negen nieuwe leden door Margareta in Antwerpen
aangewezen, niettegenstaande Oranje als burggraaf der stad, recht
had bij die keuze geraadpleegd te worden.
En alsof die beleediging niet genoeg was, droeg Granvelle aan den
Prins en aan Aremberg op, plechtig de keuze der nieuwe mannen aan
de magistratuur bekend te maken. Deze dubbele beleediging krenkte
den Prins zeer, te meer, omdat hij de bedoeling ervan geheel doorzag,
namelijk de Staten van Brabant tot gewillige dienaars van de regeering
te maken. Hij deed dan ook Granvelle weten, dat hij niet als lakei
de boodschap van de regeering wenschte over te brengen. Ook Aremberg
bedankte tot bitteren spijt van Granvelle.
Men kan zich voorstellen, dat bij de bekende trotschheid van Oranje,
hij zich beleedigd achtte door Granvelle en nog wel over eene quaestie,
waarin de koning hem indertijd niet voorbijging, maar wel degelijk
over de keuze raadpleegde, zooals ook inderdaad tot Oranje's recht
als burggraaf behoorde.
Deze beleediging naar aanleiding van de keuze der nieuwe stadsregenten
te Antwerpen stond echter niet alleen, maar was eigenlijk slechts
een onderdeel van de voortdurende krenking, die Oranje van de zijde
der regeering moest ondervinden.
Bij het vertrek van Filips aangesteld tot lid van den Raad van State,
had hij, wel wetende, hoe weinig die post in werkelijkheid beduidde,
reeds bezwaar gemaakt dien te aanvaarden. Het bleek hem en Egmond op
den duur al meer en meer, hoe dat geheele lidmaatschap niets anders
was dan een wassen neus. Wel werd die Raad nu en dan opgeroepen,
maar alles was reeds te voren door de consulta bepaald, die evenveel
zaken in den Raad van State bracht, als zij zelf verkoos en die hare
besluiten toch deed zegevieren. Viglius, Barlaimont en vooral de
nieuwe kardinaal, beslisten met Margareta over alles wat aanhangig
was en deelden de openstaande posten geheel naar hun willekeur uit. [2]
De nieuw benoemde Prins der kerk vergat geheel en al de eenvoudige
geboorte van Antonius Perrenot en eischte krachtens zijn kerkelijke
stelling elken voorrang boven de Nederlandsche edelen.
Terwijl dus het tweede huwelijk van Oranje met al zijn beslommeringen
werd voorbereid en voltrokken, begon in dienzelfden tijd (1561) de
minder goede verstandhouding tusschen Granvelle en den Prins, die van
zoo groote gevolgen voor de Nederlanden is geweest. Duidelijk bleek
daarbij, dat deze gebeurtenissen niets met den godsdienst hadden uit
te staan.
Ofschoon de invloed van Anna van het begin af zeer onbeduidend op
Oranje is geweest, lijkt het toch niet onmogelijk dat zij indirect
eenigen invloed op hem heeft gehad. Anna was erbarmelijk jaloersch,
voelde zich altijd de dochter van den grooten keurvorst Maurits en
zal haar man zeker nog meer hebben doen voelen, dat hij niet behandeld
werd overeenkomstig zijn positie. Toch overdreef zij die gevoeligheid
zoo erg, dat haar houding den weerzin van Oranje moest opwekken.
De trotsche Saksische gaf daarvan een bewijs bij haar voorstelling aan
het hof te Brussel. Margareta van Parma, vooringenomen jegens haar om
den godsdienst en juist verdiept in een schaakpartij met Granvelle,
liet haar een oogenblik wachten. Die behandeling krenkte Anna zoo erg
dat zij driftig vertrok en vroeg: "Zijn we hier gekomen om ons als
honden van aardewerk te laten bekijken?" Eenigen tijd later maakte
een quaestie van plaatsnemen haar tot kwade vrienden met de vrouw
van Egmond, de zachtzinnige Sabina van Beieren, die zij tenminste
ter wille van haar gemaal had moeten ontzien.
Toch was voor Oranje waarlijk het gemor van zijn ontevreden jonge
vrouw niet noodig, om te bemerken, dat hij en zijne Nederlandsche
standgenooten niet passend behandeld werden. Meermalen beklaagde Oranje
zich met de andere leden van den Raad van State bij Margareta over
hunne achteruitzetting, doch zij vonden geen gehoor en daarop besloten
de Prins en Egmond een brief aan den koning te richten, waarin zij zich
over den gang van zaken, sedert zijn vertrek ondervonden, uitdrukten.
Die brief opent een nieuw tijdvak in de geschiedenis van den opstand
tegen Spanje.
Oranje en Egmond herinnerden daarin den koning, dat zij bij zijn
vertrek geaarzeld hadden, zitting te nemen in den Raad van State,
wetende hoe dat lichaam èn onder Maria èn onder den hertog van Savoye
slechts voor den schijn bestaan had. Hun was toen verzekerd, dat
alle gewichtige zaken in den Raad van State zouden overwogen worden,
doch de ervaring had hun geleerd, dat ze slechts in onbelangrijke
aangelegenheden gekend werden en dat de gewichtigste zaken eenvoudig
buiten hen om werden bestuurd. Toch hadden ze gezwegen. Nu had
Granvelle echter in den Raad van State verklaard, dat alle leden
verantwoordelijk waren voor de maatregelen, die de regeering goed
vond te nemen. Dit ging te ver. Tot zulk een ijdel spel lieten zij
zich niet gebruiken. De koning moest hen òf ontslaan, òf gelasten,
dat de Raad van State niet langer een schijnlichaam was, maar werkelijk
mee regeerde. Oranje en Egmond deden daarbij goed uitkomen, hoe hunne
grieven niet de landvoogdes, maar Granvelle betroffen.
De brief trof natuurlijk den laatste in het hart. Waar de grootsten der
edelen zoo voorgingen, buiten de landvoogdes en Granvelle om zich tot
den koning te richten, daar lag het voor de hand, dat dit eerstdaags
van alle zijden zou herhaald worden. Daar hier afbreuk aan de regeering
te Brussel werd gedaan, bond Granvelle, die dit goed inzag, den koning
op het hart, de edelen te verbieden aldus voort te gaan.
Filips antwoordde, dat Hoorne, die binnenkort naar de Nederlanden
terugkeerde, zijn besluit zou medebrengen. Wat dit behelsde is
niet bekend, maar Oranje en Egmond bleven in den Raad van State
zitting nemen, zoodat waarschijnlijk is, dat hun eenige belofte van
verandering is gegeven. Toch kan dit niet veel zijn geweest, want
de koning gaf nadrukkelijk te kennen, dat de belangrijkste zaken
van buitenlandschen aard, voor den Raad van State moesten geheim
gehouden worden. Uit dit lichaam zou spoedig groote oppositie komen
tegen Filips' geheime Fransche politiek, waarbij de Prins steeds tot
meerder verzet geprikkeld, de hoofdrol vervullen zou.
Voor we echter hiertoe overgaan, moeten we nog eenmaal een blik slaan
op 's Prinsen huiselijke aangelegenheden en zijn familiebetrekkingen.
Juliana van Stolberg, de sedert 1558 achtergebleven weduwe, had met
groote ingenomenheid van het tweede huwelijk van haar oudsten zoon
gehoord. Noch hem, noch Anna van Saksen kennende, had ze alle hoop
gevestigd op deze echtverbintenis als een middel tot terugkeer van haar
zoon tot den Lutherschen godsdienst, dien hij in zijn jeugd vaarwel
had moeten zeggen. Daarom kwamen er van haar kant opgewekte brieven
in die dagen, dat het huwelijk werd voorbereid, o. a. "Ik ben zeer
verlangend te hooren, tot welk vergelijk de keurvorst en de landgraaf
van Hessen in de zaak gekomen zijn. De Almachtige moge die spoedig
tot een goed eind brengen, opdat gij Fräulein Anna ras met vreugde
in uwe armen kunt drukken. Hij geve u beiden geluk en welvaart."
Juliana was bij het huwelijk niet tegenwoordig, maar aanstonds
na de voltrekking ervan, ontving de moeder de jonggehuwden bij
zich te Dillenburg. Misschien vergezelde zij het jeugdig echtpaar
wel naar Breda, althans in September 1561 was zij daar. Zij moet
reeds vrij spoedig de slechte karaktertrekken van haar nieuwe
schoondochter hebben leeren kennen; meermalen was zij getuige van
haar eigenzinnigheid en hartstochtelijkheid. In het bestuur van haar
huishouden in Breda was Anna het tegenbeeld van haar voorgangster,
die Oranje ter zijde stond als een ordelievende huisvrouw. Anna van
Saksen daarentegen was zeer spilziek en de oude Juliana moest zelfs
tweemalen tusschenbeiden komen, om het evenwicht in het huishouden
te herstellen. Niet alleen bezocht de moeder den Prins dikwijls;
de gemeenschap tusschen hem en het ouderlijk huis werd van jaar
tot jaar levendiger, zoodat we telkens ook broeders en zusters van
Oranje bij hem ontmoeten. Granvelle drukte zich zelfs in een brief
aan Filips van den 13en Mei 1562 daarover min of meer spottend uit,
toen hij zijn angst te kennen gaf over den omgang van den Prins met
zijn Duitsche stamverwanten: "Zijn broeders en zusters en een broeder
van den graaf van Schwartzburg zijn er altijd over den vloer."
Het is volkomen onnoodig, die tegenwoordigheid van 's Prinsen familie
te Breda aan bijoogmerken toe te schrijven, die Granvelle blijkbaar
met zijn spottend en bijtend gezegde daaraan toekende. De Prins
gevoelde zich, gelijk wij uit zijn brief bij het overlijden van
zijn vader vernamen, als de tweede vader zijner jongere broeders en
zusters. Zorg voor hen en hunne toekomst is dus ongetwijfeld in het
spel geweest bij die herhaalde bezoeken.
Een belangrijke vraag is, hoe het stond met de uitoefening van den
Lutherschen godsdienst aan het hof van den Prins te Breda. Hij hield
er destijds twee hoven op na, een te Brussel en een te Breda. Het
laatste was natuurlijk veel minder koninklijk ingericht dan het
eerste. Over de hofhouding te Breda, waar het paleis van den Prins de
tegenwoordige Koninklijke Militaire Academie was, is over het algemeen
weinig bekend. Dat de bruiloft daar nog eens op vorstelijke wijze werd
overgevierd kan men eenigszins uit de stadsrekening opmaken, maar het
ligt in den aard der zaak, dat er alles veel eenvoudiger was ingericht
dan in Brussel, waar de Prins zijn waardigheid moest ophouden.
Wat de uitoefening van den Lutherschen godsdienst betreft, daarvan kon
in Brussel geen sprake zijn, maar in Breda was het een ander geval,
ofschoon men ook wel zegt, dat het ook daar niet geschiedde. Er is
echter geen reden voor, den Prins te verdenken, dat hij ontrouw zou
geweest zijn aan zijn mondeling gegeven belofte, die de Prinses in
hare kamer eene Evangelische godsdienstoefening toestond. Ook is het
niet denkbaar, dat Juliana van Stolberg met zooveel vertrouwen hare
kinderen telkens naar Breda liet gaan, als zij geen zekerheid had,
dat het aan godsdienstige leiding niet zou ontbreken.
Anna van Saksen, die hoe langer hoe darteler werd, zou misschien
wel geneigd zijn geweest, haar vaderlijk geloof te verloochenen, van
Juliana is dit niet te denken en evenmin van Willem van Oranje, dat
hij zulk een zielswensch van zijn moeder zou hebben weerstaan. Juliana
zorgde zoo nauwgezet voor de opvoeding van de haren, dat de kinderen
steeds de onderwijzers en godsdienstleeraars mede kregen. Zij
vertrouwde ten volle op haar oudsten zoon Willem, dat die hun de
vrijheid van geweten niet zou ontnemen, ook al moest hij zelf den
godsdienst van het land volgen en met het oog op zijn positie in
het katholieke Nederland uiterst voorzichtig en behoedzaam daarmee
zijn. Zelfs de tienjarige Hendrik werd in 1561 aan de opvoedende zorg
van Willem toevertrouwd. Zou de moeder dit ooit met haar jongsten
gedaan hebben, indien ze niet ten volle overtuigd was geweest, dat
ook bij den schijn, dien Oranje moest handhaven, de kiemen van het
Protestantisme niet in hem werden verwoest? Uit een en ander zien
we ten duidelijkste, dat de vroeger min of meer verbroken betrekking
tusschen den Prins en zijne bloedverwanten weder geheel werd hersteld.
Dat Juliana bereidwillig was haar kinderen steeds naar Breda te zenden,
kwam ook voort uit den natuurlijken zucht om in de Nederlanden door
de hulp van den machtigen zoon vooruit te komen. Zij wil ze allen tot
den dienst van haar oudsten zoon opleiden, weinig vermoedend, dat zij
zelf voor drie harer zoons, Adolf, Lodewijk en Hendrik, een graf in
de Nederlanden zou delven. Moge er al verschil wezen over de vraag,
of Willem van Oranje de uitoefening van den Lutherschen godsdienst
in Breda toeliet, geen verschil bestaat er over het feit, dat de
kinderen van Anna van Saksen op Roomsch-Katholieke wijze gedoopt
zijn. Het eerste kind uit dit tweede huwelijk werd geboren tijdens
de afwezigheid van den Prins en stierf kort daarna. Granvelle, die
er bericht van zond naar Spanje, deelde mee, dat het stervende kind
onmiddellijk door een huisgeestelijke was gedoopt en dat de pastoor
van St. Goele de bezwering en de andere gebruikelijke plechtigheden
in de kapel had verricht.
Uit dit laatste bericht blijkt ten duidelijkste, dat Anna van Saksen
althans niet zeer aan haar geloof gehecht was en het is daarom niet
onmogelijk, dat een vrouw zoo weinig betrouwbaar als zij en die
duizendmaal meer belang in de aardsche dan in de geestelijke zaken
stelde, zelfs in het geheim katholiek is geworden, in plaats van,
zooals de fabel zegt, de aanleiding tot 's Prinsen overgang tot de
Hervorming geweest te zijn. Granvelle kon althans ook aan den koning
schrijven: "Men verzekert mij, dat de Prinses heeft gebiecht en als
een katholieke heeft deelgenomen aan de communie."
De Prins deed ongetwijfeld zijn lichtzinnig woord gestand. Hij
vermoeide haar niet met de melankolieke quaestie van den
godsdienst. Zijn hof te Brussel had zich wel met andere dingen onledig
te houden. Brussel was het officieel verblijf van Oranje. Als een
der eerste staatsdienaars van den koning, als lid van den Raad van
State, als Ridder van het Gulden Vlies, als Prins van Oranje, moest
daar de nakomeling van de Nassau's, die sinds een eeuw reeds in de
Nederlanden een voorname rol vervuld hadden, een staat ophouden,
overeenkomstig zijn stand en zijn standgenooten: de Bergen's, de
Aremberg's, de Aerschot's e. a.
Die staat was uiterst kostbaar. In het huishouden van den Prins deden
24 edelen dienst, terwijl niet minder dan 18 pages op zijn wenken
vlogen. Dat zijn keuken goed was ingericht, blijkt wel uit het feit,
dat er op zekeren dag als maatregel van bezuiniging niet minder dan
28 koks werden ontslagen. Bijna geen vorst was er in Duitschland,
die niet zijn koks naar het hof te Brussel zond om zich in de kook-
en bakkunst te volmaken. In alle hoeken van het paleis stonden van
den vroegen morgen tot op den middag de ontbijttafels met keur van
wijn en spijzen gereed, terwijl voor het middag- en avondmaal de
schotels niet minder talrijk en kwistig waren. De gulheid van den
gastheer was spreekwoordelijk; steeds hield hij open hof en open
tafel en niet alleen was er toegang voor de voorname edelen, maar
ook lieden van minderen rang genoten hetzelfde vriendelijke onthaal.
In hoeverre er verband bestond tusschen de tafels van den Prins en
het later omvergeworpen gezag van den koning, gelijk sommigen beweren,
zal wel moeilijk juist zijn uit te maken. Zeker heeft de gastvrijheid
van Oranje hem ook tal van aanhangers doen verwerven en zijn naam
mede groot gemaakt. Dat hij met zulk een luisterrijk hofleven zijn
financieele krachten te boven ging is zeker, maar in de dagen, dat
het hof van Nassau het rijkst was ingericht, heeft het ongetwijfeld
medegewerkt, om hem de eerste plaats, die hem onder de edelen toekwam,
te verzekeren.
Wij zagen reeds, dat er een minder goede verstandhouding was ontstaan
tusschen de edelen met Oranje aan het hoofd en Granvelle. Zijn
eerstvolgende daad van verzet tegen den kardinaal hield verband met
den staatkundigen toestand in Frankrijk. Willen we den opstand van
de Nederlanden en het aandeel van den Prins daarin goed begrijpen,
dan is het steeds noodzakelijk ook buiten onze grenzen te gaan,
in het bijzonder nu naar Frankrijk. Ook daar had men een voorspel
van de godsdienstoorlogen, die met het bloedbad van Vassy in 1562
een aanvang namen. Vóór dien tijd was er reeds veel gebeurd, dat er
aanleiding toe gaf.
Frans II was gehuwd met Maria Stuart, de nicht van de aanzienlijke
familie der Guises, die dus onder zijn korte regeering den grootsten
invloed hadden. In 't bijzonder was Karel van Guise, kardinaal
van Lotharingen een der hoofdpersonen. Was deze voor de Fransche
Hugenoten een gevaarlijke vijand, niet minder was Granvelle het voor de
aanhangers van de nieuwe leer. Samen hadden ze reeds overleg gepleegd
om in het geheim de ketterij in Frankrijk en Spanje te bestrijden. Toen
was Granvelle nog bisschop van Atrecht, nu had hij nog grooter invloed
door zijn kardinaalshoed. In Frankrijk had het tijdens Frans II en
Maria Stuart aan kettervervolgingen en kettergerichten niet ontbroken,
maar met den dood van Frans II in 1560, hield de groote macht van
Maria en de Guises op. Catharina de Medicis, die als regentes Karel
IX (1569-1574) geheel beheerschte, koos partij voor de Bourbons met
Anton van Navarre en Lodewijk van Condé aan hun hoofd. Zelfs werd de
eerste algemeen stedehouder en de Guises, dus ook de kardinaal van
Lotharingen, hadden tijdelijk niets meer te zeggen.
Deze omkeer werkte op Nederland terug en gaf aan Egmond en Oranje
moed om openlijk tegen Granvelle op te treden, die zoo dikwijls met
den Franschen kardinaal was vergeleken. Wat aan Bourbon, Condé en
Coligny gelukte, was ook mogelijk in ons land, zoo dacht men en toen
de gematigde Fransche politiek het edict van verdraagzaamheid (1562)
ten gevolge had, was men hier te lande zeer geneigd, dat voorbeeld
na te volgen.
Toch kan men in dat jaar nog niet van Willem van Oranje zeggen, dat
hij geheel beheerscht werd door de Fransche politiek en evenmin,
dat hij toen reeds medeplichtig was aan verzet tegen den koning
van Spanje, hetgeen in die dagen nog in 't geheel niet op zijn
programma voorkwam. Hierop stond wel: strijd tegen Granvelle, sedert
de ondervonden krenking in zake de regentenkeuze in Antwerpen en zijn
herhaalde beleediging als lid van den Raad van State.
Het bloedbad van Vassy, een gevolg van het tolerantie-edict van
Januari 1562 opende de reeks van oorlogen en gruwelen, waarin
de onverdraagzaamheid der beide partijen, Hugenoten zoowel als
Katholieken, haar droevige rol speelde.
Koning Filips zond uit Spanje en Italië hulp aan de katholieken en
daar ook de Nederlanden aan de zuidelijke grens door de Hugenootsche
ketterij werden bedreigd, beval hij, dat er ook uit het land 2000
ruiters van de benden van ordonnantie in Frankrijk zouden vallen,
teneinde ook daar mede te werken tot de bestrijding der Hugenoten.
Dit bevel was gemakkelijker te geven dan uit te voeren en Granvelle,
die dit ook wel inzag, schreef er den koning over. Oranje en Egmond,
wel begrijpende, dat hun stem alleen in den Raad van State niet
voldoende zou zijn om dit heilloos ontwerp te keeren, dwongen
de regeering ertoe voor deze hoogst belangrijke aangelegenheid
alle stadhouders en Vliesridders in Brussel op te roepen, teneinde
daarin gezamenlijk met den Raad van State een besluit te nemen. Die
bijeenroeping, op zich zelf reeds eene overwinning voor Oranje en
de nationale partij, had ten gevolge, dat de uitzending van troepen
naar Frankrijk niet plaats had. Niettegenstaande de redevoering van
Viglius, welke de bewondering van Margareta opwekte, bereikte de
Spaansche regeering hare bedoeling niet en werd alleen tot het zenden
van geld besloten.
Het samenzijn van de aanzienlijksten te Brussel werd bovendien door
den Prins aan een ander doel nuttig gemaakt. Men zegt, dat er in het
geheim samenkomsten bij Oranje werden gehouden om de macht van den
kardinaal te breken, zelfs wordt het een "conspiratie" genoemd onder
leiding van Oranje, Egmond en Bergen.
Aan klachten over de heerschzucht en hoogmoed van Granvelle ontbrak
het in die vergadering niet en men besloot op voorstel van Oranje,
trots het verzet van Barlaimont, die ook ter vergadering als stadhouder
was, zich gezamenlijk tot den koning te richten, hem hunne grieven
te melden en verbetering van de regeering te verzoeken. Weinige dagen
later werd een bepaalde ligue tegen den kardinaal gevormd. De meesten
der voornaamste grooten sloten zich daarbij aan. Hoorne en Montigny,
Bergen en Mansfelt, Aremberg en Meghen schaarden zich om Oranje en
Egmond in dezen strijd tegen Granvelle. Barlaimont en Aerschot maakten
van die ligue geen deel uit.
Montigny werd gekozen om bij Filips allen, die aan het verzet
deelnamen, te vertegenwoordigen; hem werd een instructie en een door
allen geteekenden geloofsbrief meegegeven. En terwijl deze afgezant in
Madrid vertoefde, om Filips' antwoord af te wachten, werd op allerlei
wijze de ligue tegen den kardinaal uitgebreid. Onder den hoogeren en
lageren adel, onder de krijgstroepen en de groote volksmenigte werd
de oppositie tegen Granvelle de leus voor vrijheid en nationaliteit,
voor strijd tegen het Spaansche regeeringsstelsel. Daaraan werkte
Egmond meer dan Oranje.
Deze was omstreeks denzelfden tijd op andere middelen bedacht, om de
macht der regeering, gelijk ze werd uitgeoefend, te bestrijden. Om
dit billijk te beoordeelen, mag het niet vergeten worden, dat
Oranje nog zeer langen tijd zijn getrouwheid aan den koning niet
heeft geschonden. Altijd bleef hij hopen, dat verbetering zou
komen, indien de koning maar juister werd ingelicht. Wie dat niet
onderscheidt moet hem reeds in 1562 als een opstandeling tegen de
wettige regeering van Filips II beschouwen. Velen hebben dat ook
gedaan en daardoor tevens alles wat uit Oranje's koker kwam, ten
zijnen nadeele uitgelegd. Daartoe behoort o. a. de poging van den
Prins in 1562 om een superintendent over Brabant aan te stellen en
zijn tocht naar Frankfort in het najaar.
Zooals we vroeger reeds zagen, was er in Brabant geen stadhouder; de
regeering had er veel invloed op de stedelijke besturen en dus over
het derde lid der Staten. Nu beweerde Oranje, dat de onhandelbaarheid
der Staten vooral het gevolg was van de te groote centrale macht
der regeering in dat gewest en daarom streefde hij ernaar, dat ook
in Brabant, als in de andere gewesten, zulk een tusschenpersoon zou
worden aangesteld.
Granvelle zag duidelijk in, dat de Prins voor zich naar dat nieuwe ambt
streefde. Volkomen waar was het, dat Oranje op dat oogenblik niets
liever zou gehad hebben, dan toen reeds het ambt van Ruwaart over
Brabant te bekleeden, dat hem later door de bewoners van dat gewest
werd geschonken, gedragen door de sympathie van geheel het Brabantsche
volk. Hoe zou hij zijn invloed, die toen al zeer groot was, nog hebben
vermeerderd, wanneer hij onder den schijnbaar zoo nederigen titel van
superintendent, de grootste macht kon uitoefenen. Hoe zou ook daardoor
bovenal de macht van Granvelle zijn vernietigd! Geen wonder dan ook,
dat deze er zich van het eerste oogenblik af heftig tegen verzette
en op de listigste manier van Oranje's verlangen gebruik maakte, hem
bij den koning te bekladden. Geen wonder ook, dat men er van gebruik
heeft gemaakt om Oranje's werkelijk verlangen, dien post in Brabant te
verkrijgen, in verband te brengen met andere gebeurtenissen, ten einde
hem van misdadigen opstand tegen den koning te kunnen beschuldigen.
Welke waren die andere gebeurtenissen? In Maart en April 1563
schreef Oranje's zwager, de graaf van Schwartzburg, aan hem een
tweetal brieven, waarin hij melding maakte, eerst van het plan,
daarna over de mislukking van een aanval van eenige Protestantsche
vorsten op Brabant. De voornaamste bewerker was Wolfgang Paltzgraaf
van Zweibrücken en Neuburg, schoonzoon van den landgraaf Filips
van Hessen, die in vereeniging met eenige andere Duitsche vorsten
een avontuurlijken tocht beraamde om de Hugenoten in Frankrijk te
hulp te komen, Condé (in een veldslag bij Dreux gevangen genomen)
uit zijn gevangenschap te verlossen, in Brabant te vallen en dit
gewest bij het Duitsche rijk te voegen.
Van deze geheele tocht is niets gekomen, daar de koningin van
Frankrijk achter het geheim kwam en daardoor den beraamden aanval op
Metz deed mislukken.
Zeer ten onrechte heeft men Oranje als medeplichtige aan dien tocht
beschouwd en in verband met andere gegevens hem van zulke verraderlijke
plannen beticht. Het is bekend, hoe Oranje in dien tijd den band
tusschen hem en zijn Duitsche stamgenooten nauwer aanhaalde; met
den landgraaf van Schwartzburg stond hij in levendige briefwisseling
en als hij kon, greep hij elke gelegenheid aan dit door persoonlijk
bezoek te bevorderen.
Zoo bezocht hij in het najaar van 1562 ook Frankfort om tegenwoordig te
zijn bij de verkiezing van den nieuwen Roomsch-Koning, niettegenstaande
hij van hooger hand daartoe geen verlof had ontvangen en de regeering
Aerschot afvaardigde.
Alleen afgaande op geruchten, op den argwaan van Granvelle en de
kwaaddenkendheid van den koning in Madrid vragen de tegenstanders van
Oranje, wat er wel niet in Frankfort is geschied en of Willem niet de
bevelhebbers der Duitsche ruiters heeft ontmoet, die gereed stonden
om Frankrijk binnen te trekken. Ja, men heeft het vermoeden geuit of
daar in Frankfort geen geheime plannen werden gesmeed om de beweging,
als zij in Frankrijk mocht slagen, tot de Nederlanden uit te strekken.
Aan de samenkomsten van Oranje, Hoorne en Egmond te Maastricht (Maart
1562) en in de abdij van Forêt (Maart 1563) worden vragenderwijs
allerlei verdenkingen vastgeknoopt, terwijl alleen op grond van
een bericht aan Granvelle wordt beweerd, dat de Prins voornemens
was van Maastricht een tweede Orleans te maken. Natuurlijk was deze
veronderstelling geheel en al uit de lucht gegrepen en zou het wel
zeer onwaarschijnlijk zijn geweest, dat de Prins tot zulk een daad
van verzet gekomen was in een tijd, toen de kans reeds schoon stond,
dat het land van Granvelle zou worden bevrijd!
Wat de Frankfortsche reis betreft, heeft de Prins zelf verklaard,
dat er zaken te regelen waren, die uit de nalatenschap van zijn vader
voortvloeiden en dat hij als geboren Duitscher niet kon verzuimen
te doen, wat hij schuldig was aan zijn vaderland en huis. Maar ook
andere berichten bevestigen, dat deze tocht naar Frankfort in het
najaar van 1562 voor familiezaken inderdaad dringend noodig was,
zooals ook Oranje aan Filips schrijft, als hij hem bedankt voor de
nog later toegezonden goedkeuring der reis.
Deze dringende zaken waren o.a. de pogingen, welke aangewend werden
om Lodewijk van Nassau te doen huwen met de rijke erfdochter van
Rietberg. Dit blijkt o.a. uit den brief van 20 Januari 1563 van
Lodewijk aan den Prins, wien het niet weinig speet, dat het huwelijk
niet tot stand kwam, want dat zou uit financieel oogpunt van groot
belang zijn geweest voor zijn broeder en het geslacht.
Met de financiën van het huis was het in die dagen treurig gesteld en
de broers hadden ten einde raad de zaken zelf ter hand genomen om de
groote schuld van 300.000 florijnen te regelen en voor een gedeelte af
te doen. Duidelijk bleek uit de correspondentie van die dagen, dat de
rijkdom van Willem den Oude, die ook den bijnaam van den "Rijke" had,
nog al fabelachtig was en dat inderdaad bij zijn dood de geldelijke
toestand van Nassau veel te wenschen moet hebben overgelaten.
Het was het geheele jaar nog getob om de zaken te regelen en in een
brief van den Prins aan Lodewijk zegt Oranje, dat hij spoedig over
een groote som geld hoopt te beschikken om daarmee obligaties af te
lossen, waarvan een veel te hooge rente wordt geëischt.
In dienzelfden brief deelt hij deze bijzonderheid mede: "We hebben
St. Maarten erg vroolijk gevierd; er was een prettig gezelschap
bijeen. Brederode was op een der feestdagen in zulk een toestand,
dat ik vreesde, dat hij het met den dood zou bekoopen. Nu bevindt
hij zich beter."
Die bijzonderheid brengt ons vanzelf terug tot de zaken van algemeen
belang. Brederode toch en Culemborg waren de voornaamsten van den
lageren adel, die zich in het einde van 1563 bij de ligue tegen
Granvelle voegden. Tot dien tijd was Brederode volstrekt geen
aanhanger van de vijanden van den kardinaal; waarschijnlijk heeft
de vrouw van Brederode, aan het huis Mansfelt verwant, invloed op
hem uitgeoefend. Welken naam hij zich ook later bij het bekende
smeekschrift moge verworven hebben, hij was, gelijk ook dit bericht
omtrent zijn gedrag op St. Maarten bewijst, een man, die zich vooral
onder den wijn niet best kon beheerschen.
De vijandschap tegen Granvelle was sedert 1562 steeds gestegen. We
zagen hoe Montigny naar Spanje gezonden werd, om in naam van
allen, die aan het verzet tegen den kardinaal deelnamen, Filips
de heerschende ontevredenheid in de Nederlanden te beschrijven en
hem op te wekken, zelf naar het Noorden te komen, om te zien wat er
gedaan moest worden. Voor het eind van het jaar was de gezant terug,
doch zijn zending had tot niets geleid. De klachten over Granvelle,
over het invoeren der nieuwe kerkorde, over de Spaansche inquisitie,
die men verwachtte, dat in Nederland zou worden overgeplant, waren
door den koning wel met vriendelijke, maar weinig bemoedigende
woorden beantwoord.
De verbondenen deden thans een nieuwen, stoutmoedigen stap. Bij
gelegenheid van een bruiloft in het huis van Egmond te Brussel gevierd,
was de geheele ligue bijeen en besloot zij nog eens bij den koning
over den kardinaal te klagen. Een gezamenlijke brief werd opgesteld,
alleen door Oranje, Egmond en Hoorne onderteekend. In dien brief wordt
er vooral de nadruk op gelegd, dat het volk hoe langer hoe luider
zijn afkeer van Granvelle aan den dag legt. De kardinaal maakte zich
zoo gehaat, dat de zaken, zoolang hij aan het bestuur bleef, nooit
goed zouden worden. De drie onderteekenaars boden dan ook hun ontslag
als leden van den Raad van State aan, waarin ze naast Granvelle niet
langer konden noch wilden zitten. Zij zouden het niet overeenkomstig
hun trouw aan hunnen heer achten, indien ze hem niet mededeelden,
hoe schadelijk de kardinaal voor de gewesten was.
Behalve de tallooze grieven tegen Granvelle was er nog een
zeer gewichtige, die met de welvaart van het land ten nauwste
samenhing. Handel en handelsverkeer met Engeland begonnen stil te
staan en de kardinaal had niet 't minste begrip van de beteekenis
daarvan. Wat den godsdienst aangaat, ook uit dezen brief, door
Oranje, Egmond en Hoorne geteekend, blijkt ten duidelijkste, dat
zij, hoezeer krachtige tegenstanders van geweldige maatregelen, op
dat oogenblik toch geen voorstanders van gewetensvrijheid waren. In
de zaak van den godsdienst zullen de grooten en edelen alles doen,
waartoe goede katholieke onderdanen verplicht zijn. Het volk, door
de ketterij aangetast, zal alleen door de houding der edelen kunnen
worden beteugeld. Zij beloven den koning dus hun bijstand in het
beschermen van het katholiek geloof, indien Granvelle verwijderd wordt.
In dezelfde maand Maart richtte Granvelle een schrijven tot Filips,
waarin ook hij zijn ontevredenheid over den loop der zaken uitsprak. In
scherpe bewoordingen bespreekt hij daarin de ligue der edelen en doet
voorkomen, alsof dit een geheim verbond tegen den koning is. "Zou
het geen goed plan zijn," zoo vraagt hij, "om voor die Nederlandsche
edelen posities in Italië of Spanje te scheppen? Sicilië b.v. zou een
veilig en uitmuntend veld voor hun werkzaamheid zijn." Geen brieven
waren zoo geschikt, als die van Granvelle, om een diep wantrouwen in
Filips' hart te zaaien, dat bewijsvoering noch redeneering er ooit
weer zouden kunnen uitroeien.
De reis der koeriers naar Spanje duurde in dien tijd omstreeks tien
dagen. In den aanvang van April had er dus antwoord kunnen zijn op
den brief der edelen van den 11en Maart. Filips zocht weder in uitstel
zijn heil. Eerst op den 6en Juni was zijn antwoord gereed. Hij deelde
daarin mede, voornemens te zijn, spoedig zelf over te komen. Zijn
persoonlijke tegenwoordigheid zou wel alles herstellen. Intusschen
zou het hem aangenaam zijn, indien een der drie onderteekenaars zelf
naar Spanje kwam, om hem van alles nader toelichting te geven. Daar de
koning in Egmond het meeste vertrouwen stelde, noodigde hij dezen in
een afzonderlijken brief uit, naar Spanje te komen. Doch evenmin als
Egmond, waren Oranje en Hoorne bereid, op dat oogenblik aan Filips'
wensch te voldoen. Zij schreven gezamenlijk een antwoord aan den
koning, waarin ze te kennen gaven, dat ze in de crisis, die het land
doorleefde, hunne stadhouderschappen en andere ambten niet mochten
verlaten. Zij bleven aandringen op verwijdering van Granvelle, gaven
met vreugde te kennen, dat ze uit 's konings antwoord bemerkt hadden,
dat hij nog geloofde in hun ijver en genegenheid voor zijn dienst,
maar deelden ook onomwonden mede, dat zij niet langer leden van den
Raad van State wilden zijn, zoolang ze niet inzagen, dat dit tot heil
van het land zou zijn. Zij voegden bij dit vernieuwd schrijven een
copie van eene remonstrantie aan de hertogin van Parma.
Van dag tot dag vermeerderde de spanning tegen Granvelle. Weinige dagen
later, na het verzenden van dien brief aan den koning, schreef Willem
van Oranje aan zijn grootvader, Filips van Hessen een brief, waarin hij
hem, Willem van Hessen en den keurvorst van Saksen mededeeling deed
omtrent de redenen van ontevredenheid over Granvelle. Ook vertelde
hij over den brief, dien hij met Egmond en Hoorne aan den koning had
geschreven en over hun besluit om, zoolang Granvelle bleef, niet meer
in den Raad van State te verschijnen.
Wellicht hoopte Oranje, dat door dit schrijven de zaak ter oore van
den keizer zou komen, vóór deze door zijn Spaanschen neef in den geest
van den kardinaal werd ingelicht. Vooral de volgende mededeeling is
merkwaardig: "Wij hebben besloten niet meer in den Raad te verschijnen,
omdat er achter ons om, zonder ons medeweten, allerlei belangrijke
en groote zaken gedaan worden en er zelfs tegen onzen wil wordt
gehandeld. Wij moeten derhalve bij iedereen den naam krijgen, dat we,
als deelhebbende aan dien raad, hetzelfde in de hand werken en daarom
moeten wij er wel op bedacht zijn, dit er niet bij te laten rusten,
daar het anders tot onze schade en schande zou moeten uitloopen."
In antwoord op dien brief schreef Willem van Hessen aan Oranje, dat
hij Granvelle door en door kende en dat de koning van Spanje zich wel
mocht in acht nemen tegen den kardinaal, die in de dagen van keizer
Karel V (1552) mede aandeel had in de maatregelen, die de coalitie
tegen den keizer ten gevolge hadden.
Doch Filips was er de man niet naar, om zich door dergelijke feiten
uit de geschiedenis van zijn vader, zelfs indien hij ze gekend had,
te laten leeren. Al zou hij, spoediger dan men had kunnen vermoeden,
Granvelle moeten opgeven, voor het oogenblik leefde hij nog geheel
alleen onder de Spaansche invloeden, die hem hoe langer hoe meer tegen
de Nederlandsche edelen verbitterde. Zoo schreef o.a. de hertog van
Alva in October 1563 een brief aan den koning, om hem raad te geven
voor zijn antwoord aan de Nederlandsche heeren: "Als ik de brieven
der drie mannen lees," zoo schreef hij ongeveer, "kan ik mijn woede
nauwelijks bedwingen. Zij verdienen te worden gestraft en niet hun zin
te krijgen. De ergsten van die muiters hebben hun hoofd verbeurd. Het
zou nog ontijdig zijn zoo streng te werk te gaan. Vooralsnog kan men
niet meer doen dan naijver wekken en verdeeldheid strooien. Granvelle
op te offeren zou niets baten. Daaraan moet niet gedacht worden."
Verdeeldheid zaaien, dat was tijdelijk het parool. Reeds in Juli 1562
had de koning de hertogin van Parma aanbevolen, den Prins van Oranje
en den graaf van Egmond, twee in natuur en zeden zeer verschillende
karakters, met elkaar in oneenigheid te brengen en volgens den
schrijver van de Mémoires de Granvelle, had deze omstreeks denzelfden
tijd aan den koning geschreven: "Er zijn onder de hoogere edelen twee
leiders, de Prins van Oranje en de graaf van Egmond; de laatste is een
goed dienaar van Uwe Majesteit, oprecht, eerlijk en standvastig van
godsdienst. Maar de Prins van Oranje is een gevaarlijk man, listig
en geslepen, voorgevende het volk te steunen en zijn belangen te
behartigen zelfs tegen uwe edicten in; slechts de gunst der menigte
zoekende, nu eens Katholiek, dan weer Calvinist of Lutheraansch zich
toonende. Hij is in staat, alles heimelijk te ondernemen, wat zijn
groote eerzucht en zijn afgunst hem inblazen. Het zou goed zijn, hem
niet in Vlaanderen te laten. Men zou er hem met eere vandaan kunnen
roepen, onder voorwendsel van een of ander gezantschap, dat hem deed
schitteren of van een of ander onder-koningschap. Zelfs zoudt ge
hem naar Uw hof kunnen roepen. Wat den graaf aangaat, hij heeft zich
door den eerstgenoemde laten verleiden, maar het ware gemakkelijk hem
daarvan terug te laten komen, door hem te doen gevoelen, dat men hem
de voorkeur boven den Prins gaf."
Het mag betwijfeld worden, of deze brief inderdaad door
Granvelle is geschreven. Zijne voorstelling van het godsdienstig
karakter van Oranje was meer op den lateren tijd van diens leven
toepasselijk. Granvelle wist zeer goed in 1562, dat de Prins toen noch
Calvinistische noch Lutheraansche sympathieën had. In zoover echter
is de brief merkwaardig, dat men er uit zien kan, hoe oud reeds de
voorstelling is van het listig en geslepen karakter van den Prins,
die tot alles, waartoe zijn eerzucht hem zou drijven, in staat werd
geacht. Nauwkeuriger is in den brief het beeld van Egmond geteekend,
wiens dapperheid zeker niet kan geloochend worden, maar wiens mannelijk
karakter ook van elders twijfelachtig is.
Gedurende den herfst van 1563 kwam het volksverzet tegen de
inquisitoriale maatregelen in Valenciennes tot eene uitbarsting. Graaf
Bergen, onder wiens jurisdictie de stad stond, was zoo onwillig om
de vereischte maatregelen door te zetten, dat hij zich zoo spoedig
mogelijk uit zijn gouvernement verwijderde. Granvelle schreef
aan Filips, dat het onmogelijk was de orde te verwachten, als de
stadhouders zoo onverschillig waren. Toch waren de dagen van Granvelle
in de Nederlanden geteld. Oranje schreef in October 1563 aan Lodewijk,
dat hij hoopte, dat eerstdaags de zaken beter zouden worden, "als
die welke den kardinaal en ons betreffen, zullen geëindigd zijn." En
inderdaad, Oranje had goed gezien.
Filips besloot slechts gedeeltelijk Alva's raad op te volgen. Hij
wilde den persoon van Granvelle opofferen, maar zijn stelsel
volhouden. Terwijl de brieven van den koning reeds onderweg waren,
waarbij deze bezweek voor den aandrang, om Granvelle op te offeren,
werd er door de ligue besloten, door één gemeenschappelijke livrei haar
kleuren en wapens te vertoonen. Naar alle waarschijnlijkheid werd tot
dit plan besloten op een der feesten, die in de maand December 1563
bij gelegenheid van de Statenvergaderingen gegeven werden, en wel op
dat bij Gaspar Schetz, Heer van Grobbendonck, die tegelijk bankier
van Filips en een groot vriend der edelen was.
Al de voornaamsten van dezen waren op het feest bij Schetz
tegenwoordig. De wijn werd niet gespaard; er heerschte een sympathieke
geest; de jongste gebeurtenissen hadden tot verbittering gestemd
en vrijelijk uitten de feestgenooten hunne meeningen omtrent den
kardinaal. Hoe meer de bekers rond gingen, des te levendiger gekleurd
werden de bijnamen, die den ongelukkigen prelaat werden gegeven. Geen
enkel van deze edellieden was spaarzaam in zijn uitgaven, maar de
verkwisting en weelde, waaraan Granvelle zich overgaf, hinderde
hun toch ten zeerste. Daarom werd besloten, dat zij gezamenlijk hun
verachting voor de kostbare kleedij van zijn gevolg zouden toonen,
door een zeer strenge, eenvoudige livrei voor hun volk aan te nemen.
De dobbelsteenen werden geworpen om te beslissen, wie het ontwerp van
die voorgestelde kleeding zou maken en het lot viel op Egmond. In
enkele dagen was zijn schets gereed en zijn gevolg verscheen het
eerst in het nieuwe kostuum gekleed, dat uit een eenvoudig wambuis,
een broek van ruw grijs fries en lange nederhangende mouwen bestond. Op
de mouwen was een versiering geborduurd, die beschreven wordt als een
zotskap met bellen of als een monnikskap. Het is niet heel duidelijk
of dit beteekent, dat sommige livreien de eerste, andere de tweede
hadden, of dat tengevolge van de kleine afmeting van het devies
de omtrekken niet helder waren. Er was echter geen twijfel aan, op
wien dat kostuum doelde. De livrei met de zotskappen is echter nooit
gedragen; wel hingen ze in de winkels ten toon en zag het volk daarin
een bespotting van den kardinaal en in de koppen de portretten zijner
gunstelingen. Op verzoek echter van de landvoogdes koos Egmond een
ander devies en wel een pijlbundel als het beeld der eendracht. Toen
Egmond de zotskappen terugnam, lagen er reeds 2000 geteekende
livrei-rokken bij de winkeliers gereed. Het is echter een onjuiste
opvatting, de beweging, die daaruit onder het volk ontstond, aan te
merken als het middel, waarvoor Filips zou zijn bezweken. Reeds voor
dien tijd waren de brieven van terugroeping van den kardinaal onderweg.
De pil werd echter verguld. Het moest heeten, dat Granvelle uit
eigen beweging en slechts voor een tijd zijn ambt verliet, ten einde
zijn moeder een bezoek te brengen. Margareta had het bevel ontvangen
Granvelle's verzoek toe te staan. De edelen moesten in het minst niet
denken, dat hun invloed gewicht in de schaal had gelegd. Geheimhouding
was ook in dien tijd een moeilijke taak. Verscheidene dagen voor
men zeker wist, dat de kardinaal vertrok, waren er in Brussel reeds
geruchten daarvan in omloop. Op den 13en Maart 1564 ging hij heen,
maar reeds op den 8en Maart schreef Oranje aan Lodewijk: "Het is een
zekere zaak, dat onze man weggaat. Ik hoop, dat hij zoover zal gaan,
dat hij nooit kan terugkeeren."
De bespotting, die hij in de allerlaatste dagen moest ondervinden,
was vernietigend. Onmiddellijk na Granvelle's vertrek vond men op de
deur van zijn woning de woorden: "Te Huur."
Zoo iemand ooit, dan is Granvelle voor een algemeenen aandrang
geweken. Anders zou zijn meester nooit besloten zijn tot die
terugroeping. Een der voornaamste leiders der beweging tegen hem was
de Prins geweest, die aldus negatief zijn macht had getoond. Het zou
thans de vraag voor hem worden, of hij ook positief een dergelijke
macht zou bezitten.