FAMILIEBETREKKINGEN. HUWELIJK MET ANNA VAN SAKSEN. 1559-1561.

Gedurende het eerste tiental jaren van het verblijf van Oranje

in de Nederlanden, schijnt alle omgang tusschen den Prins en zijn

betrekkingen te zijn vermeden; van briefwisseling zelfs is in die

dagen geen sprake. Wie zal het zeggen, of Karel V, die den Prins

aan zijn hof liet opvoeden, dat niet uit vrees voor het geloof van

Oranje's ouders heeft verboden. In 1556 vinden we echter, gelijk we

vroeger zagen, Lodewijk van Nassau in de Nederlanden, dienende onder

de bevelen van Oranje. Daarna vertoefden ook andere zijner broeders en

zusters aan zijn hof, zoodat er een nieuwe aanraking met het ouderlijk

huis scheen gekomen.

Een jaar later werden door hem te Frankfort familiezaken met zijn

vader geregeld en ook in 1558 vinden we den Prins te Dillenburg,

waar hem het bericht bereikte van de ziekte zijner eerste vrouw.

Wij kunnen ons voorstellen, hoe die toenadering vooral naar het hart

van de vrome Juliana van Stolberg was. Had Willem de Oude het nooit

zoo diep met de Hervorming opgenomen, reeds zeer vroeg was Juliana,

niettegenstaande haar vader en moeder aan de katholieke leer getrouw

bleven, door de opvoeding van haar oom, graaf Eberhard von Königstein,

een ijverige aanhangster der nieuwe leer geworden. Mildheid van

opvatting had zij zeker wel geleerd tijdens haar eerste huwelijk

met Filips van Hanau, die met groote nauwgezetheid aan de oude

kerkgebruiken vasthield; ook als zij in Hanau's kerkgebouw, onder het

gehoor van een Lutherschen prediker, een ander deel der Hanausche

bevolking in hetzelfde kerkgebouw naar de mis zag gaan. Toch kan

het niet anders dan met weemoed zijn geweest, dat zij haar oudsten

zoon uit haar tweede huwelijk, ter wille van de erfenis van Réné,

aan Karel V en aan het oud geloof moest afstaan.

Welk een vreugde moet het dan ook voor de moeder zijn geweest, toen

zij na den afstand van Karel V, van de zijde van dien bijna verloren

gewaanden knaap toenadering (ik zeg niet tot haar geloof), maar tot

het ouderlijk huis ontdekte.

Zeer angstvallig kon ze zich uiten over het katholieke geloof van

den Prins en over de vrees van besmetting harer andere kinderen,

die in de omgeving van haar zoon leefden. De begrafenis van Anna van

Buren gaf Juliana groote bekommernis; ze vreesde zelfs, dat haar zoon

Lodewijk daarbij zou moeten tegenwoordig zijn en zeer verheugd was ze,

toen haar werd meegedeeld, dat het "Frauenvolk" niet behoefde mee te

gaan. "Ik zou zelfs wel wenschen," schrijft ze, "dat de Prins zelf ook

niet tegenwoordig was bij die dingen, welke zoo tegen God strijden."

Juliana was een merkwaardige vrouw, een hoogst ernstige moeder, die

zich altijd bleef wijden aan het geluk van al de haren. Zij werd

door de kinderen als het middelpunt aller vereering beschouwd; ze

kweekte bij hen een onverstoorbare eenheid en aanhankelijkheid aan,

eigenschappen, die later van het hoogste gewicht zijn geworden voor

de bevrijding der Nederlanden, waaraan de meesten van haar zonen hun

leven en hun bloed gewijd hebben.

Dringende staatszaken hielden den Prins tot zijn innige droefheid van

de begrafenisplechtigheid zijns vaders terug, doch aan hartelijke

uitingen, later door daden gevolgd, is in de brieven van die dagen

geen gebrek. Hij erkent, dat het thans een heilige plicht voor hem is

geworden, in de voetstappen van den afgestorvene te treden en belooft

zijn moeder, die nog meer dan 20 jaren na den dood van haar man als

de hoogvereerde stammoeder aan het hoofd van haar huis bleef staan,

dat hij voor zijn broeders en zusters een tweede vader zal wezen.

Hiervan geeft hij al dadelijk een bewijs door den echt hartelijken

brief, dien hij naar aanleiding van het overlijden van zijn vader aan

zijn broeder Lodewijk zendt. Na zijn droefheid te hebben uitgedrukt

over het heengaan van hun goeden vader, spoort hij Lodewijk aan met

de andere broers en zusters in de voetstappen te treden van hun vader,

want dan, zegt hij, zal de goede naam van ons huis niet verloren gaan,

maar nog beter worden.

In overeenstemming en liefde te leven, noemt hij als voornaamste

hulpmiddel daartoe en van zijn kant geeft hij de verzekering hierin

te zullen voorgaan. Zoo aardig zegt hij aan het slot: "Laat ons

buitendien toezien, dat wij onze moeder voor de verplichting, die we

jegens haar hebben, bijstaan, haar dienen en aangenaam zijn in al wat

wij vermogen. Dan doet gij slechts uw plicht en verricht een dienst

welbehagelijk in de oogen van God, een zaak, die u uw gansche leven

tot eer strekken zal."

In een postscriptum van dien brief, welke 15 October uit Brussel was

verzonden, doelt Oranje nog op een reis, die de graaf van Schwartzburg,

zijn aanstaande zwager, met Lodewijk zou maken.

Deze reis hield verband met een huwelijksplan van Oranje met Anna

van Saksen, eenig kind en erfgename van Maurits van Saksen, den

beroemden bestrijder van Karel V. Zij was de kleindochter van Filips

van Hessen. De geschiedenis van dit tweede huwelijk, op zich zelf niet

zoo'n gewichtige gebeurtenis, heeft door hetgeen er ten onrechte door

velen aan verbonden is, een plaats in het leven van den Prins gekregen,

veel belangrijker, dan ze eigenlijk verdiende.

Men heeft er zijn geheele verandering van staatkunde en godsdienst

op gebouwd en zelfs tengevolge daarvan, lijnrecht tegen de waarheid

in, dit tweede huwelijk beschouwd als de oorzaak van Willems opstand

tegen Filips II.

Tot aan dit huwelijk, zoo beweren tal van geschiedschrijvers, was de

Prins een geloovig zoon der kerk en een getrouw onderdaan van Filips

II. Door den invloed zijner tweede vrouw is hij van de moederkerk

vervreemd en tot opstand tegen den Spaanschen koning aangezet. Zelfs

wordt Anna van Saksen voorgesteld als een andere Helena van onzen

Trojaanschen oorlog. Niets kan verder van de waarheid verwijderd zijn.

"De afval van de moederkerk, de opstand tegen Spanje is zoo weinig aan

den invloed van deze Anna te danken, dat juist denzelfden tijd, waarin

Oranje aan Filips de gehoorzaamheid opzegde, hij met zijn vrouw (door

haar schuld) in de meest volslagen onmin leefde; dat op het oogenblik,

toen hij goed en bloed ging wagen, zij haren gemaal opofferde en met

den koning van Spanje tegen hem ging onderhandelen. Ja zelfs toen de

kreet van vrijheid door Nederland weergalmde en de algemeene roepstem

den Prins aan het hoofd der beweging geplaatst had, zuchtte Anna

(als verdiende straf voor haar misdadig leven) in den kerker."

Anna van Saksen was een hartstochtelijke, zinnelijke vrouw; zij

heeft geenerlei invloed op Oranje uitgeoefend, alleen misschien in

zoover zij door haar ellendig gedrag en door de bittere ervaringen,

die de Prins van haar had, zijn gemoedsleven heeft verrijkt.

In een levensgeschiedenis van den Prins is het dus wel noodzakelijk

alles uitvoerig na te gaan wat met dit huwelijk in verband staat. Hoe

werd Anna zijn bruid en welke gebeurtenissen zijn uit dat huwelijk

voortgevloeid?

Na de beide mislukte huwelijksplannen, waarvan vroeger gesproken is,

eerst met Madame de Touteville en daarna met Renée van Lotharingen,

vermeed Willem van Oranje, bij het kiezen van een derde bruid,

vreezende voor eene hernieuwde tegenwerking van den koning en van

Granvelle, dezen in vertrouwen te nemen, voordat de zaak goed en wel

haar beslag had. Dezen keer wendde hij zijn blik naar Duitschland. Wij

zeiden het reeds, Anna was de dochter van den beroemden keurvorst

Maurits van Saksen, den overwinnaar van de Smalkaldische ligue bij

den slag bij Mühlberg, die daarna de vijand werd van Karel V en

den keizer tot het verdrag van Passau dwong, dat tot den voor de

Hervormden zoo voordeeligen vrede van Augsburg leidde. Maurits zelf

was in 1553 gestorven; zijne weduwe hertrouwde met Jan Frederik van

Saksen en zijn eenige dochter werd in Dresden aan het hof van haar

oom, Augustus, opgevoed, die Maurits als keurvorst was opgevolgd,

doch die niet in de schaduw kon staan van zijn dapperen broeder. Hij

was een kleingeestig, schraapzuchtig en flauwhartig man. Vooral de

tweede genoemde ondeugd maakte hem geneigd het oor te leenen aan

het aanzoek van den Prins van Oranje om de hand van zijne nicht en

pleegdochter. Geen huwelijk van haar met een der Duitsche vorsten

kon voordeeliger zijn; ja, zelfs hare verwijdering van den Duitschen

bodem vond Augustus voor zijn eigen veiligheid zekerder. De rijkdom

van den Prins gaf in zijn gedachten den doorslag. Wat beteekenden

toch de 35.000 rijksdaalders, die waren aangewezen als bruidsschat

van Anna o.a. bij de 70.000 gulden jaarlijksch inkomen, die de Prins

aan zijne kinderen uit dezen echt verzekerde? In weerwil van allen

tegenstand dreef de keurvorst dus die verbintenis met kracht door.

Want er waren vele bezwaren. En zelfs de grootvader der bruid heeft

niet opgehouden, ze als onoverkomelijk te doen gelden. Die grootvader

was Filips van Hessen. Wie zich de veete herinnert, waarvan vroeger

in den breede gesproken is, die er tusschen de graven van Hessen

en van Nassau bestond, eene veete, die reeds van de Middeleeuwen af

dagteekende en die sedert het proces Catzenellenbogen, door Willem den

Oudere tegen Hessen jarenlang gevoerd en grootendeels ten voordeele

van Nassau beslist, niet was verminderd, kan zich licht den wrevel

van Filips van Hessen verklaren over dit voorgenomen huwelijk. Daarbij

was Willem van Oranje de vertrouweling en geliefde beschermeling van

Karel V geweest en kan het wel anders, of de naam van den ouden keizer

klonk steeds in de ooren van den grijzen landgraaf als een sombere

herinnering aan zijn jarenlange gevangenschap na den slag bij Mühlberg.

Wat Filips van Hessen echter het meest in den persoon van den

Prins hinderde, was zijn katholiek geloof. Dat was voor den vurig

ijverenden Protestantschen landgraaf een ergernis zoo groot, dat

hij die onoverkomelijk achtte. 's Prinsen volgen van alle Roomsche

gebruiken, zijn bijwonen van de mis (gelijk nog onlangs toen hij in

Frankfort was), zijne onthouding van vleeschspijzen op vastendagen

en zoo meer--het waren alle gemoedelijk en eerlijk gemeende bezwaren

van Filips van Hessen tegen den bruidegom.

Men heeft het wel doen voorkomen, alsof die bezwaren niet zoo oprecht

gemeend waren en beweerd, dat Filips van Hessen daarom zoo tegen dit

huwelijk was, omdat hij een zijner eigen dochters met Oranje wilde

doen huwen en in dat geval niet zoozeer tegen den overgang zijner eigen

dochter tot de R. K. Kerk zou geweest zijn. Maar dit is een laaghartige

beschuldiging, door geen enkel historisch bewijs gestaafd. Toch hangt

dit verhaal niet geheel in de lucht. Het is een legende, voortgevloeid

uit een gesprek van Filips van Hessen met den graaf van Schwartzburg,

die Oranje's belangen bij den grootvader der bruid kwam verdedigen. Bij

die gelegenheid gaf de oude landgraaf zoo kras zijn onwil te kennen,

om zijn goedkeuring te hechten aan Oranje's huwelijk met zijn nicht,

dat hij zeide nog liever zijn eigen dochter aan Oranje als bruid te

willen geven dan de dochter zijner dochter. Men gevoelt, dit zeggen

staat niet gelijk met de aanbieding van de hand zijner dochter, maar

was eenvoudig een krasse manier van spreken, om zijn onwil uit te

drukken. Wat er overigens op Filips den Grootmoedige is aan te merken,

zijne weigering vloeide voort uit den ijver voor zijn geloof. Toch

heeft die weigering het tot stand komen van het huwelijk, jammer

genoeg, niet belet.

De bruid in quaestie was bij de eerste ontmoeting van den Prins van

Oranje zeer met hem ingenomen en zelfs hartstochtelijk op hem verliefd

geraakt. "Daar is geen ader in mijn lichaam," zei ze onder meer,

"die niet voor hem klopt. Wensch hem duizendmaal goedenavond en zeg

hem, dat hij er wel aan denke, dat ik hem nooit zal vergeten, al zou

het ook de geheele wereld leed doen," zoo sprak ze tot den graaf van

Schwartzburg, die Willems bemiddelaar was in deze zaak.

Het scheen wel, alsof haar eigenzinnigheid, die haar later tot zoo

diepen val heeft gebracht, ook in deze aangelegenheid haar voornaamste

raadsvrouw was. Door al de tegenwerking, die zij ondervond, werd haar

welgevallen in den Prins van dag tot dag grooter.

Of de bruidegom ook zoo hartstochtelijk was, mag betwijfeld

worden. Voor den Prins was dit tweede huwelijk bovenal een staatkundig

huwelijk. Anna's uiterlijk was alles behalve bekoorlijk; zij was

integendeel leelijk, ging mank en was een weinig misvormd. Maar

eendeels de verwantschap met Saksen en Hessen, anderdeels de

begeerte om buiten invloed van den koning van Spanje en Granvelle,

na herhaaldelijk door hen te zijn tegengewerkt, een huwelijk te

sluiten, prikkelden den Prins zeer. Daarbij viel ze hem bij de eerste

ontmoeting niet tegen, zoodat van zijne zijde alles gereed was, mits

hij, hetgeen toch eindelijk geschieden moest, slechts de toestemming

van zijn landheer, den koning van Spanje, kon verwerven. Ten einde

die te verkrijgen, het kan niet ontkend worden, heeft de prins een

tamelijk dubbelzinnige rol gespeeld. Al zijne diplomatie was noodig,

om Filips te winnen voor zijn huwelijk met een kettersche vorstin,

die daarbij de dochter was van den grootsten vijand van Filips'

vader. Door middel van Granvelle heeft hij den natuurlijken weerzin des

konings overwonnen. Hij trachtte dezen te overtuigen, dat het in het

rechtstreeksch belang van den koning zou zijn, indien hij hem door zijn

huwelijk het bondgenootschap van Duitsche vorsten kon verzekeren. En

wat den godsdienst aangaat, daaromtrent behoefde Filips zich niet te

verontrusten; hij zelf (de prins) wilde alleen den waren katholieken

godsdienst bevorderen, de koning kon zich daarop geheel verlaten.

Omstreeks dienzelfden tijd schreef de Prins een onderdanigen brief aan

den Paus over de "pest der ketterij," die hij in zijn prinsdom Oranje

hoopte te vernietigen en raadpleegde hij met Granvelle over de beste

middelen, om dit doel te bereiken. Den keurvorst Augustus van Saksen

bracht hij in den waan dat hij zelfs een geheim voorstander van het

Protestantisme was en tegenover Filips getuigde hij van den katholieken

godsdienst als van den "waren godsdienst". Aan Filips verzekert hij,

dat Anna van Saksen in de Nederlanden als een "katholieke" leven zal

en aan Augustus wordt beloofd, dat zijne aanstaande vrouw in hare

vertrekken een Evangelische preek zou kunnen hooren!

Er zouden inderdaad geene woorden te vinden zijn, scherp genoeg, om die

huichelarij te brandmerken, indien wij bij den prins in dat tijdvak

van zijn leven eenig godsdienstig gevoel aantroffen. Dat was in die

dagen kort en goed in het geheel niet 't geval. Hij moge ook toen

reeds beseft hebben, dat er eerlijke en oprechte menschen bij beide

eerediensten te vinden waren, zelf was hij, gelijk zijn meeste vrienden

uit die dagen, wier leven opging in aardsche belangen, ontbloot van

alle gevoelens, die godsdienstig genoemd kunnen worden. Waarneming

van kerkelijke plichten behoorde nu eenmaal tot de vormen van het

leven; daarom onttrok hij zich ook niet, maar zijn hart was er niet

bij. Was dat wel het geval geweest, dan zou het spelen met de heiligste

geloofsovertuigingen van anderen, gelijk hij in deze aangelegenheden

deed, nog meer ten zijnen nadeele moeten worden uitgelegd. Hoe weinig

ware levensernst bij den Prins in deze geheele huwelijkszaak in het

spel was, blijkt o. a. uit het lichtzinnig antwoord, dat hij aan de

keurvorstin gaf, toen deze haar vrees nog eens te kennen gaf over

pogingen, die Oranje misschien zou aanwenden, om zijn vrouw roomsch

te maken. Toen luidde zijn woord: "Hij zou haar niet vermoeien met

de melankolieke quaestie van den godsdienst. Hij zou haar Amadis de

Gaule en andere Spaansche ridderromans laten lezen en haar de gaillarde

leeren dansen." Of de Prins later nimmer berouw heeft gehad over deze

lichtzinnigheid, toen hij de gevolgen van die opvoeding in zijn eigen

huiselijk leven ondervond? Ongetwijfeld. Als schakel in de keten van

zijn karakterontwikkeling hebben wij vrede met deze levensfase--maar

de schakel zelf is niet te idealiseeren. Daar het echter een punt is in

de levensgeschiedenis des Prinsen, van te groot gewicht voor de kennis

van zijn persoonlijkheid, moeten we nog nader bij de preliminairen van

dat huwelijk stilstaan en hem zoo getrouw mogelijk volgen op den vrij

langen weg, die tot de voltrekking van dezen tweeden echt leidde. De

zaken van algemeen belang, die in dienzelfden tijd plaats hadden,

kunnen, voor zoover ze in verband staan met het leven van Oranje,

in het volgend hoofdstuk hunne plaats verkrijgen.

In October 1559 deed Lodewijk van Nassau, die toen reeds het volle

vertrouwen van den Prins genoot en die de natuurlijke tusschenpersoon

van den Prins en de Luthersche vorsten in Duitschland was, de eerste

formeele openingen voor dit huwelijk ten behoeve van zijn broeder. Zijn

voorstellen werden gevolgd door een bijzondere zending naar Dresden

van den graaf van Schwartzburg en George von Holl, denzelfden overste,

dien we ook vroeger leerden kennen. In April 1560 verkreeg de Prins

van Margareta de vergunning, naar Duitschland te gaan, ten einde

de nalatenschap van zijn overleden vader te regelen. Hij ging er

in Mei heen en was slechts eenige weken afwezig, maar had in dien

tijd een samenkomst met keurvorst Augustus te Deventer, waar zij de

huwelijkszaak bespraken, maar tot geene overeenstemming kwamen, die

trouwens moeilijk was. Oranje kon Filips van Spanje niet beleedigen,

door te veel te beloven en Augustus was bevreesd, om Filips van Hessen

te negeeren. In November 1560 werd het huwelijk voltrokken tusschen

graaf Schwartzburg en 's Prinsen zuster, Catharina van Nassau; ook

toen ging Oranje naar Duitschland om als hoofd van het huis Nassau

daarbij op te treden.

Sedert de samenkomst te Deventer was zijn eigen huwelijksplan hangende

gebleven. De oude landgraaf bleef zijn toestemming onthouden en

schreef talrijke brieven, om zijn redenen uiteen te zetten. Na het

huwelijk van zijn zuster ging Oranje naar Dresden, waar hij tien

dagen bleef en trouw de Luthersche kerk bezocht. Dat bezoek behoeft

niet als dubbelzinnig te worden aangemerkt, maar kan alleen als een

beleefdheid beschouwd worden, aan de familie zijner bruid bewezen. Het

was bij dat bezoek, dat de Prins den gunstigen indruk op Anna maakte,

die reeds vermeld werd.

Anna was toen in haar 17e levensjaar; ze was namelijk in 1544

geboren. Wij zeiden reeds, dat ze hoogst eigenzinnig was en zeer

moeilijk te leiden, een eigenschap trouwens, die zij niet van vreemden

had--want èn haar grootvader van moederszijde, Filips van Hessen, èn

haar vader, Maurits van Saksen, waren beide eigenzinnige mannen. Wat

echter bij dezen tot iets grootsch leidde, maakte de vrouwelijke

nakomelinge trotsch, ijverzuchtig en onhandelbaar. Zij wilde schitteren

in hooger rang, dan haar plaatsing aan het Saksische hof haar schenken

kon. Vandaar dat haar verbeelding geprikkeld werd door Oranje's plaats

aan het Bourgondische hof, het schitterendste van Europa. Toen hij

persoonlijk in Dresden kwam, werd zij geheel en al bekoord door zijn

hoffelijke manieren, die veel beschaafder waren dan die der Duitsche

edelen. De gracieuse toespraken van den hoveling klonken welgevallig

in de ooren van het jonge meisje, dat niet gewoon was aan sierlijke

spraakwendingen en zij begeerde van dat oogenblik af met al de kracht

van haar eigenzinnige en ongebreidelde natuur dit huwelijk.

Of de Prins eveneens van haar bekoord was, is een andere vraag;

ze viel hem niet tegen, meer wordt er niet van den indruk, door hem

ontvangen, gezegd. Maar de verbintenis kwam hem te pas en al miste

Anna dan ook schoonheid, zij had andere eigenschappen, die hij voor

zijn bruid nog van meer gewicht achtte. Op zijn terugkeer naar huis

schreef Oranje aan Granvelle, (met wien hij in die dagen op zulk een

intiemen voet verkeerde, dat hij na een reis in Brussel terug komende,

vaak eerst bij den kardinaal afstapte, voordat hij naar huis ging),

dat zijn bezoek een goeden uitslag had gehad, al meende Augustus dat

de bruiloft wel niet voor den Bartholomeusdag zou kunnen gevierd

worden, omdat er nog zooveel te doen was. Het struikelblok was de

toestemming van den landgraaf geweest, maar de keurvorst Augustus van

Saksen had nu besloten, onafhankelijk van die toestemming te handelen,

daar hij alleen beloofd had, den landgraaf Anna's huwelijk mede te

deelen. Wat den Spaanschen Filips aanging, die had op Oranje's brief

van 7 Februari 1560 geantwoord, dat zijne zuster die zaak beter zou

kunnen beoordeelen dan hij.

Gedurende de daarop volgende maanden besprak Granvelle af en toe

het onderwerp in zijn brieven met Filips en voegde er altijd bij,

dat hij hoopte, dat het plan niet zou doorgaan; want al had de Prins

zeker allen schijn van een katholiek, men kon nooit weten, wat iemand

onder vreemde invloeden zou doen enz. Na het bezoek in Dresden,

schreef Oranje wederom aan Filips en kondigde daarbij eenvoudig zijn

huwelijk aan. Hij vroeg geen vergunning, maar gaf alleen kennis van

zijn aanstaande verbintenis, zooals hij moest doen tegenover een man,

jegens wien hij verplichting had.

De brief met Filips' antwoord aan Oranje is niet bewaard, maar wel een

brief aan Granvelle, waarin hij zijn teleurstelling uitdrukt, dat het

huwelijk niet is afgesprongen. Toch gaf hij daarin zijn zuster verlof,

er in toe te stemmen, als er niets aan te doen was, daarbij voegende:

"Ik begrijp werkelijk niet, hoe de Prins kan huwen met de dochter

van iemand, die zoo tegen Zijne Majesteit den keizer is opgetreden,

als hertog Maurits deed."

Ondertusschen had Oranje met volharding geweigerd, een geschreven

overeenkomst te teekenen omtrent de toekomstige godsdienstige

gebruiken, die Anna zou in acht nemen. Hij verzekerde den bisschop,

de regentes en den koning, dat zijn vrouw zou leven als een

"Katholieke." Aan Filips van Hessen wilde hij geen ander onderpand

geven, dan de algemeene verzekering, dat hij de belangen zijner vrouw

zou behartigen. Met Augustus behandelde hij de zaak tamelijk licht,

als tusschen menschen van de wereld en aan diens echtgenoote, die

zich de quaestie van den godsdienst meer aantrok, antwoordde hij op

schalkschen toon hetgeen we reeds vermeldden van Amadis de Gaule en

van de gaillarde.

De kern der zaak is deze, dat Oranje op zeer diplomatieke manier

handelde en dat het alleen van het gezichtspunt afhangt, waar

men meent, dat de diplomatie ophoudt en de huichelarij begint. Van

persoonlijk godsdienstig gevoel was geen sprake, maar zeer duidelijk

komt zijn hardnekkige onafhankelijkheid in deze quaestie aan den

dag. Hij was bereid de zaak in een aangenaam licht te plaatsen voor

Filips van Spanje, maar hij smeekte hem niet om zijn toestemming. Zijn

eisch om de Spaansche troepen te verwijderen was zijn eerste daad

van onafhankelijkheid, het Saksisch huwelijk was zijn tweede, die

zeer spoedig door onafhankelijke daden, tot een andere orde van zaken

behoorende, zou worden gevolgd. Nochtans verlangde hij Filips' gunst

niet te verliezen en weigerde hij beslist eenig document te teekenen

betreffende Anna's waarnemen van godsdienstplichten, zooals Augustus

van hem hoopte te verkrijgen, om zich in de oogen zijner Duitsche

stamgenooten te rechtvaardigen.

De reis van den Prins naar Dresden heen en weer gaf aanleiding tot

veel banketeeren en vroolijkheid, waarbij de wijn en het bier niet

werden gespaard. Toen Oranje den keurvorst schreef, om hem voor zijn

ontvangst te danken, zei hij, dat hij en zijne vrienden zoo dikwijls

op Augustus' gezondheid hadden gedronken, dat ze er nog de kwade

gevolgen van bemerkten. In Januari schreef hij aan Schwartzburg,

dat hij "behouden in Breda was teruggekeerd, al hadden ze het ook

onderweg bont gemaakt, zooals gij reeds in den breede van uw broeder

Hans Gunther zult vernomen hebben....."

"Ik verzeker U, dat ik mij hier erg eenzaam gevoel; ik kan de goede

sier niet vergeten, die gij ons hebt bezorgd. Ik zou wel weer bij U

verlangen te zijn, zoowel om Uwentwille, als omdat ik mij dan dichter

bij "Fraielle (Fräulein) Ainge" (Anna) zou bevinden. Ik ben nog niet

aan het hof geweest, daar ik genoodzaakt was een reis naar Holland

te doen, zoodat ik geen nieuws weet."

Die bedoelde reis naar Holland geschiedde op Margareta's verzoek, om

geld van de Staten te krijgen. De harde vorst en daarop volgende dooi

maakten het reizen moeilijk en de strengen van de beurs der Staten

waren ook bevroren. Ze waren alleen bereid een zekere som te geven

op hun eigen voorwaarden, waartegen de regentes weer bezwaren had,

zoodat de taak van den stadhouder om verzoening tot stand te brengen,

geen sinecure bleek.

Op den 2en Maart schreef de oude landgraaf een beleefden en

uitvoerigen brief aan Oranje, hem nader uiteenzettende, waarom het hem

onmogelijk was, het huwelijk van Anna toe te staan. Behalve dat de

godsdienstquaestie onoverkomelijk was, kon hij ook niet goedvinden,

dat, daar Oranje's kinderen uit het eerste huwelijk noodzakelijk den

voorrang hadden, de te wachten kleinkinderen van den grooten keurvorst

een tweede plaats zouden innemen. Maar het was reeds bepaald, dat men

zich ontslagen zou rekenen van de toestemming van den ouden grootvader,

toen het duidelijk was geworden, dat men hem die nooit zou kunnen

afpersen; ook zonder Filips van Hessen werden de voorbereidingen voor

het huwelijk dus voortgezet.

In Maart verzoekt Oranje zijn broer Lodewijk, namens hem naar

den keurvorst Augustus te gaan om dezen de bedoeling van den Prins

inzake den godsdienst mondeling mee te deelen. Aan Fräulein Anna moet

Lodewijk de groeten overbrengen, haar bedanken voor de brieven en

tevens waarschuwen voor de moeilijkheden, die men nog in den weg zou

kunnen leggen. Mochten de menschen probeeren haar tot andere gedachten

te brengen, dan zal geen beter antwoord zijn, schrijft Oranje: "Waar

God wil, dat deze zaak tot een goed eind komt, daar zullen wij het

samen wel eens worden."

Aan het slot van den brief vertelt hij Lodewijk, dat hij een prachtigen

speurhond heeft gekregen, wit als sneeuw en dat hij een reiger heeft

geschoten, wiens vlucht een kwartier lang steeds stijgende duurde. Voor

Lodewijk een bericht om van te watertanden, want als de tijd van de

jacht was aangebroken, kon hij nauwelijks zijn ongeduld bedwingen een

uitstapje naar Brussel te maken en met zijn broeder de genoegens van de

valkenjacht in de Brabantsche of Luxemburgsche jachtvelden te smaken.

Lodewijk was altijd een getrouw afgezant en Anna bleek een zeer

bereidvaardige leerling te zijn, want zij schreef kort en goed aan

den Prins, na melding gemaakt te hebben van de pressie, die haar

grootmoeder op haar wilde uitoefenen; "Mijne gevoelens jegens Uwe

Hoogheid zijn dezelfde, als ik U laatst schreef en daar hoop ik

bij te blijven, want ik geloof vast, dat wat God heeft besloten,

de duivel niet verhinderen kan."

Na die samenkomst zond de keurvorst een klein document

aan Oranje, waarin werd vastgesteld, dat Anna protestantsche

godsdienstoefeningen mocht houden en haar kinderen Evangelisch gedoopt

zouden worden. Lodewijk zond dat document aan zijn broeder met de

opmerking erbij, dat het een vreemd, wijdloopig en spitsvondig stuk

was en ontraadde zijn broer het te teekenen. Inderdaad kon de Prins

er onmogelijk zijn naam onder zetten met het oog op zijn verhouding

tot Filips. Ook zijn bekende voorzichtigheid zou hem wel terughouden

van zulk een zelfvernietigende handelwijs. Hij besloot mondelinge

verzekeringen te geven en daarbij bleef hij.

Augustus maakte blijkbaar van de onderteekening geen conditio sine qua

non. Misschien voelde hij evenals Lodewijk, dat het schande zou wezen,

in het stadium, waarin men reeds gekomen was, terug te trekken en

in spijt van de weigering werden de voorbereidende maatregelen van

het huwelijk voortgezet, dat bepaald werd op den Bartholomeusdag,

een datum, die twaalf jaar later zeker niet zou gekozen zijn.

Nog stelde de Prins in Mei bij Lodewijk een belangstellend onderzoek

in naar de schikkingen, die hij moest treffen voor de bruiloft en

naar de kleuren der kleeding van de Prinses.

De Prins verlangde zeer, dat de Nederlandsche edelen hem naar Leipzig

zouden vergezellen, waar het huwelijk zou worden voltrokken, doch

Margareta gaf daartoe geen verlof; zij beweerde, dat zij niet alleen

kon worden gelaten in het bestuur, zoodat Montigny door Filips als

zijn persoonlijke vertegenwoordiger benoemd, de eenige Nederlandsche

heer van beteekenis was, bij die gelegenheid tegenwoordig. De koning

toonde dus zijn goedkeuring tot het huwelijk en droeg ook Margareta

op, een ring voor de bruid te koopen, voor welk doel hij een wissel

van 3000 kronen zond.

Filips van Hessen wilde op geenerlei wijze de feestelijkheid

in bescherming nemen en waarschuwde den keurvorst, dat hij geen

uitnoodiging tot zijn familie behoefde te richten, daar die toch

vergeefsch zou zijn. Hij bleef staande houden, dat er een jong,

onschuldig meisje werd opgeofferd en blootgesteld aan onnoemelijke

gevaren. Vele andere aanzienlijke gasten namen aan de feesten deel,

al werden ook de Nederlandsche edelen thuis gehouden en al bleef ook

de Hessische familie op een afstand.

De koningen van Spanje en Denemarken waren uitgenoodigd, doch lieten

zich door bijzondere gezanten vertegenwoordigen. Hertogen, keurvorsten,

markgraven, aartsbisschoppen en stadsraden namen de uitnoodigingen

aan en bleven niet in gebreke te verschijnen.

Iedere gast werd verzocht zijn eigen koks en botteliers, tafel- en

keukengereedschap mee te brengen; voor de spijzen zou echter ruim

worden gezorgd. Al de voornaamste gasten werden genoodigd dagelijks

met den keurvorst op het stadhuis te eten, daar de keurvorstelijke

woning voor de schitterende heeren en edelen, die zich op den 22en

Augustus in Leipzig moesten vereenigen, gerestaureerd werd.

Eigenaardige voorschriften waren gegeven om de orde te bewaren. Aan de

jongeren was bevolen zich van alle drinken en luidruchtige vroolijkheid

te onthouden, terwijl de souvereinen en grooten dineerden. "Het

zou schandelijk ongepast zijn, indien de vreemde autoriteiten, als

zij aan tafel zaten, hun eigen woorden door het schreeuwen van hun

gevolg niet konden verstaan. Ook werd hun bevolen, wanneer zij door

iemand, aan de groote tafels gezeten, werden uitgenoodigd te drinken,

eerbiediglijk te bedanken en de reden na het middagmaal uit te leggen."

Geheel Leipzig deed aan de feesten mee en voor de veiligheid van de

stad waren bijzondere maatregelen genomen; de gewone politiemacht werd

vijfmaal sterker gemaakt; aan vijftig schutters was de bescherming

van het stadhuis opgedragen en een burgerwacht van 600 personen werd

door de stad verdeeld, om tegen brandgevaar te waken. Een troep van

tien ruiters kreeg o. a. bevel, met hunne lantaarnen al de straten en

stegen op en neer te rijden, alle personen aan te houden, die zij op

straat mochten vinden zonder licht, hun in beleefde termen te vragen,

wat zij daar uitvoerden en naar huis te praten. Tegelijkertijd moesten

ze zorgen voor de rust en veiligheid van de stad!

Op Zaterdag 23 Augustus kwam Oranje met een duizendtal vrienden te

Merseburg aan en den volgenden dag reed Augustus met 4000 volgers uit,

om hem te gemoet te gaan. Door dezen geheelen troep geëscorteerd,

kwam de Prins Leipzig binnen en stapte aan het stadhuis af, waar

hij door Anna op het balkon van de trap werd ontvangen. Na haar

bruidegom begroet te hebben, trok zij zich onmiddellijk met haar

vrouwen terug, om haar bruidsgewaad aan te trekken. Toen zij daarmede

gereed was, verschenen beide partijen voor den notaris Wolf Seidel in

een bovenkamer van het stadhuis. Willem werd daarbij door graaf Jan

van Nassau en door Hendrik von Wiltberg, Anna door Sophia von Miltitz

en de raadsheeren Hans von Ponika en Ulrich Woltersdorff vergezeld.

Een der raadsheeren richtte zich in naam van den keurvorst tot den

Prins en vroeg hem, of hij zich den inhoud herinnerde van een memorie,

hem op den 14en April toegezonden. Volgens dit stuk moest de Prins

beloven, noch bedreiging noch overreding aan te zullen wenden om

zijn vrouw de Augsburgsche confessie te doen verlaten, maar haar

toestaan daarheen te gaan, waar zij de sacramenten kon ontvangen en

in geval van nood ze zelfs in haar kamer te kunnen gebruiken. Ook

werd van den Prins geëischt, dat Anna's kinderen in de Augsburgsche

leerstellingen zouden worden onderwezen. De raadsheer vervolgde daarop,

dat, aangezien de Prins om verschillende redenen geweigerd had zulk

een overeenkomst op schrift aan te gaan, het toch bepaald was, dat

hij in tegenwoordigheid der bruid en der getuigen een mondelinge

belofte zou afleggen. De memorie werd toen gelezen en de Prins zei:

"Genadige keurvorst. Ik herinner mij het stuk, dat gij mij op den

genoemden datum hebt toegezonden. Al de punten door den doctor vermeld,

waren daarin vervat en hierbij beloof ik, dat ik er mij aan houden zal,

zooals een Prins betaamt en beloof hetzelfde aan Zijne Keurvorstelijke

Hoogheid met mijne hand."

Die verklaring diende alleen om den keurvorst in het oog van zijn

protestantsche gelijken te rechtvaardigen. Van den kant van den Prins

beduidde het niets meer, dan hij reeds gezegd had en niemand werd er

door misleid. Zijn positie tusschen twee vuren in aanmerking genomen,

handelde Oranje hier met zooveel oprechtheid als hem mogelijk was.

Toen die bijzondere formaliteiten waren afgeloopen, trad de

bruidsoptocht, met de hofmaarschalken, raadsheeren en groote

staatsofficieren en de keurvorstelijke familie, de groote hal van het

stadhuis binnen. Daar werd onder voorzitterschap van den superintendent

doctor Pfeffinger het huwelijkscontract geteekend. Onmiddellijk

daarna plaatsten bruid en bruidegom zich in dezelfde hal openlijk

op een schitterend verguld bed, met goud geborduurde gordijnen;

de prinses werd daarheen door den keurvorst en de keurvorstin

geleid. Confituren en gekruide dranken werden het jonge paar en het

verzameld gezelschap aangeboden, na welke plechtigheid de Prins en

de Prinses naar hunne respectievelijke vertrekken werden verwezen,

om zich voor den maaltijd te kleeden. Voor zij de hal verlieten,

beval markgraaf Hans van Brandenburg in naam van den keurvorst, de

bruid plechtig den bruidegom aan, hem opwekkende haar met vertrouwende

genegenheid lief te hebben en haar ongestoord te laten in de door

haar erkende waarheid van het Evangelie en het recht gebruik der

sacramenten. Daarop volgde een prachtig banket, terwijl de vroolijkste

en geestigste muziek werd gespeeld. Na den maaltijd, waar alles op

"zeer welvoegelijke en gepaste wijze" geschiedde, werden de tafels

opgeruimd en begon er in hetzelfde vertrek een bal.

Den dag daarna, 's morgens om 7 uur, vormde zich een optocht, om

het jonge paar naar de St. Nicolaaskerk te begeleiden, waar hun

huwelijk zou worden ingezegend. In de prachtig versierde kerk hield

wederom doctor Pfeffinger een lange rede en sprak hij van het altaar

den zegen uit, waarna de Prins en Prinses met hun gevolg naar het

stadhuis terugkeerden.

De huwelijksplechtigheden werden alzoo geheel overeenkomstig den

Lutherschen vorm, het burgerlijk huwelijk eerst, gevolgd door een

kerkelijke inzegening, voltrokken. Niettegenstaande de aanwezigheid

van Filips' vertegenwoordiger, werd er geen aanspraak op iets anders

gemaakt.

Godsdienstige gebruiken berustten toen in Duitschland op het systeem,

dat elk land daarin, overeenkomstig het geloof van den vorst handelen

moest. Zooals de regels van het land meebrachten, had ook de kerkdienst

plaats en in de oogen van geheel Europa was het niets anders dan

gepast, dat Augustus het huwelijk zijner nicht volgens de Luthersche

gebruiken in Saksen liet voltrekken, gelijk het even goed gepast was,

dat zij er in toestemde, als een katholieke te leven, wanneer zij in

de Nederlanden was gekomen, waar Filips leenheer was.

Drie dagen werden nog aan feesten en tournooien gewijd. Leipzig leek

dronken van pret; "er was geen plaats voor verdriet", zegt een oud

gedicht ervan. Op den 1en September maakte de Prins een eind aan al

die vroolijkheid en vertrok met zijn nieuwe Prinses, een eind weegs

door den keurvorst begeleid, die met tegenzin van zijn nicht afscheid

nam en haar nog eens haar echtgenoot aanbeval.

De landgraaf stond den Prins toe zijn vrouw door Hessen te leiden,

doch vroeg hun niet bij hem af te stappen, ten einde zijn zegen te

kunnen geven. Toch zette de oude man zijn wrevel niet op zij, toen het

huwelijk, waartegen hij zich zoo ernstig had verzet, een voldongen feit

was. In Januari zond hij een buitengewoon gezant naar Breda met een

gouden keten voor Anna en een grootvaderlijken brief voor den Prins.

Anna dankte hem duizendmaal voor dat geschenk en verzekerde hem, dat

zij niet gelukkiger kon zijn en niet beter kon behandeld worden, zelfs

al ware zij eene koningin. Weinige maanden later schreef de landvoogd

nog eens aan Anna en vroeg haar, of ze wel getrouw vasthield aan den

godsdienst van haar vader, waarop zij met eerbied, maar in algemeene

termen antwoordde, dat niemand zoo gelukkig kon zijn als zij.

Trots aller tegenstand was het huwelijk gesloten; de toekomst zou

bewijzen hoe ongelukkig deze stap voor Willem was.

Willem de Zwijger, Prins van Oranje · 第 18 / 80 题