Otto I
1247-1290
[+] voor 3 Maart 1290, gehuwd met Agnes,
dochter van graaf Emich van Leiningen.
----------------------------------------------
| |
Hendrik I 5 andere kinderen.
1285 [+] 1343
geh. met Adelheid,
dochter van Diedrich,
Heer van Heinsberg.
|
----------------------------------------------
| |
Otto II 9 andere kinderen.
1318 [+] 25 Jan. 1351
geh. met Adelheid,
zuster van graaf
Hendrik van Vianden.
|
----------------------------------------------
| | |
Jan I Hendrik Otto
1340 [+] 1416 1351-1402. 1351-1384.
geh. met Margaretha, dochter
van graaf Adolf van der Mark.
|
-----------------------------------------------------------------------------
| | | | |
Adolf Jan II Engelbert I Hendrik Jan III
1384 bijgenaamd 1401-1442 1401. [+] 1430.
[+] 1420 “Met den helm” geh. met Johanna,
zonder [+] 1443. dochter en erfgename
mann. nak. van Jan III, Heer
van Polanen en Leek.
(Eerste Heer van
Breda uit het
Nassausche Huis.)
|
-------------------------------------------------------------------------------
| | | | | |
Jan IV Hendrik II Margaretha. Willem. Maria. Filips.
1410-1475 [+] 1450.
geh. met Maria,
docht. van Jan,
Heer van Loon
en Heinsberg.
|
-------------------------------------------------------------------------------
| | | | | |
Anna. Johanna. Adriana. Engelbert II. Jan V Odilia.
1455-1516
geh. met Elisabeth,
docht. van landgraaf
Hendrik van Hessen.
|
-------------------------------------------------------------------------------
| | | | | |
Hendrik III Jan Ernst Willem de Oude Elizabeth Maria
1483-1538 1484-1491. 1486. of de Rijke 1488-1559 1491-na 1542
geh. 1. met 1487-1559 geh. met geh. met
Francesca, geh. 1. met Jan graaf Jodocus
docht. van Walpurga, dochter van Wied graaf van
hertog Jac. van graaf Jan [+] 1533. Holstein-
van Savoye. van Egmond Schaumburg
geh. 2. met ([+] 1529). [+] 1532.
Claudia, geh. 2. met
docht. van Juliana,
Prins Jan docht. van graaf
van Chalons Botha van Stolberg,
en Oranje. weduwe van graaf
| Filips van Hanau.
Réné [+] 1580.
1518-1544. |
Prins van |
Oranje 1530 |
geh. met |
Anna, docht. |
van hert. |
Ant. van |
Lotharingen. |
| |
Maria |
gestorven |
3 weken na |
de geboorte. |
|
|
----------------------------------------------------------------------------------------+
| | | | | | |
Elisabeth Magdalena Willem van Oranje Hermanna Jan de Oude Lodewijk |
1515-1523. 1522-1567 24 April 1533- 1534. 1536-1606. 1538-1574. |
geh. met 10 Juli 1584. | (Sneuvelt |
Herman (Diens -------------- op de |
graaf familiestam | Mookerheide.) |
van Moers volgt Willem |
en Nuenar. later.) Lodewijk, |
[+] 1578. Voorvader van |
ons regeerend |
vorstenhuis. |
|
----------------------------------------------------------------------------------------+
| | | | | | | |
| Adolf Anna Elisabeth Catharina Juliana Magdalena Hendrik
| 1540-1568. 1541-1616 1543-1616 1543-1624 1546-1588. 1547-1630 1550-1574.
| (Sneuvelt geh. met geh. met geh. met geh. met (Sneuvelt
| bij Heili- Albert Koenraad Gunther Wolfgang, op de
| gerlee.) graaf van graaf graaf graaf Mooker-
| Nassau- van Solms- van van heide.)
| Saarbrück Braunfels. Schwarzburg. Hohenlohe
| [+] 1593. [+] 1592. [+] 1583. [+] 1610.
De tak, waaruit Willem van Oranje is ontstaan, gaat terug tot
Ruprecht, de eerste, die den titel Laurenburg voor dien van Nassau
verwisselde. Zijn kleinzoon Hendrik de Rijke, die in het midden
der 13e eeuw leefde, was zeer gezien in het Rijk en stichtte het
kasteel Dillenburg, teneinde daardoor vasten voet te hebben in het
noordelijk gedeelte van zijn domeinen. Onder zijn twee zonen Walram
en Otto, de stichters van de Walramsche en Ottonische lijnen, werd
het voorvaderlijk goed verdeeld, terwijl beiden een deel hadden in
Nassau zelf.
Otto werd het hoofd van den Nassau-Dillenburger stam, waartoe ook
Willem van Oranje behoorde.
Zijn afstammelingen sloten rijke huwelijken, waardoor de familiebanden
werden vergroot, veel goud in de schatkist kwam, terwijl de gelegenheid
zich daardoor opende, nieuwe titels te verwerven. Vooral het huwelijk
van Otto II met Adelheid was een der rijkste verbintenissen, die
zooveel hebben toegevoegd bij de Nassausche bezittingen, o.a. Vianden,
dat Adelheid als bruidschat meebracht. (Zie geslachtsregister pag. 3.)
Onder Otto's oudsten zoon Jan werden verschillende stadsprivileges
aan Dillenburg toegestaan en in 1384 verkreeg hij van den keizer
de vergunning, om onder zijn eigen jurisdictie een gerechtshof te
bezitten.
Door het ongehuwd blijven van den eenen broer en het overlijden zonder
mannelijke nakomelingen van den anderen, verliet Engelbert, die reeds
vroeg een geestelijke gelofte had afgelegd, den geestelijken stand
en huwde met Johanna, eenig kind van Jan, Heer van Polanen en Leek,
welke gebeurtenis van zoo groot belang was, daar op die wijze de
Nederlandsche goederen in de familie werden gebracht en Engelbert in
staat werd gesteld een voorname positie in te nemen aan het hof van
Bourgondië, binnen welks kring zijn landen lagen.
Terwijl Engelbert zijn leven in de Nederlanden doorbracht, regeerde
zijn oudere broer Jan van Nassau over de familiegoederen aan den
oostkant van den Rijn. Hij leefde op zulk een voortdurenden voet van
oorlog met zijn buren, dat hij bekend stond als Jan "Met den helm",
daar hij nooit den tijd kon vinden, zich van zijn oorlogshoofdtooisel
te ontdoen. 't Schijnt een merkwaardig man geweest te zijn, over wiens
dapperheid nog vele legenden in omloop zijn in de buurt van Dillenburg.
Sedert den tijd van Jan I was de bezitting meer dan verdubbeld en
Jan IV werd nog rijker door zijn huwelijk met Maria, erfgename van
Loon en Heinsberg.
In 1475 overleed Jan IV en zijn erfgenamen Jan en Engelbert verdeelden
de landen bij overeenkomst, terwijl ze sommige goederen ter wille
van de titels gemeenschappelijk behielden. Het aldus verdeelde land
werd niet weder vereenigd dan na den dood van Willem III, Koning van
Engeland, in 1702.
Er was vastgesteld, dat bij gebreke van mannelijke erfgenamen van den
eenen broeder, de zoons van den anderen broer zouden erven. Dergelijke
schikkingen werden in de Nassau-Dillenburger familie meermalen gemaakt,
maar wat merkwaardiger was, ook uitgevoerd. Mochten er ook al processen
voorkomen bij den minsten twist met de naburen, de familiebetrekkingen
bleven altijd vriendschappelijk.
In overeenstemming met dit verdrag, volgens hetwelk Nassau aan den
ouderen, de Nederlandsche goederen aan den jongeren broer kwamen,
leefde Jan, de vijfde van dien naam, te Dillenburg, terwijl Engelbert
II Breda tot zijn hoofdkwartier maakte, waar hij echter niet lang
woonde, daar hij zijn leven in den dienst van Karel den Stoute van
Bourgondië en zijn opvolgers doorbracht.
Beide broers hebben zich nog al bekend gemaakt, hoewel op geheel
verschillend terrein.
Engelbert zou men de staatkundige voorganger van Willem van Oranje
kunnen noemen; hij was ridder van het Gulden Vlies en had een gewichtig
aandeel in de belangrijke staatkundige onderhandelingen van dien tijd.
In 1477 werd hij in den noodlottigen slag bij Nancy gevangen genomen
door de Zwitsers; zijn vrouw beloofde aan de kerk een reliquienkast
en een kaars, even zwaar wegende als de wapenrusting van haar man,
indien deze in veiligheid terugkeerde, hetgeen niet dan tegen een hoog
losgeld geschiedde. Ook aan het hof van Karels opvolgster, Maria van
Bourgondië, bekleedde Engelbert een voorname plaats en op haar huwelijk
met Maximiliaan had hij grooten invloed. In 1487 tijdens den Franschen
veldtocht werd hij nogmaals gevangen genomen en om zijn losprijs van
84.000 francs te betalen, was hij verplicht een deel van zijn goederen
o.a. Vianden, St. Vis en Daesberg aan zijn broeder Jan te verpanden.
In 1496 kwam tusschen Maximiliaan en Karel VIII een verdrag tot
stand, waarbij Engelbert als onderhandelaar optrad, terwijl, uit het
handels- en vriendschapsverdrag met Hendrik VII van Engeland in 1493,
ook zijn bekwaamheden als staatsman bleken. Toch treft hem eenigen
blaam gedurende zijn bestuur als stadhouder in de Nederlanden, toen
hij, na het dempen van een oproer te Brussel, de oproerlingen wel
begenadigde, maar hiervan 50 rijke kooplieden uitsloot en hen dwong,
hun leven door middel van zware losgelden te redden. Van deze sommen
bouwde hij het paleis der Nassau's in Brussel.
In Nassau was Jan niet minder werkzaam, hoewel in begrensder kring,
in vergelijking van zijn meer beroemden broeder. Hij bevorderde den
vooruitgang van zijn land en volk door het oprichten van rechtbanken,
het uitbreiden van den handel en het ontginnen van mijnen. In 1511
stichtte hij een kerk en school te Dillenburg. Door zijn huwelijk met
Elisabeth van Hessen, bereidde hij zijn zoon Willem een levenslang
verdriet, want daardoor had Nassau recht verkregen op een deel van de
Catzenellenbogen-goederen, waarover meer dan een halve eeuw is getwist.
In 1516 stierf Jan en liet twee zonen na, Hendrik en Willem. Reeds in
1504 werd Hendrik, die in het leven aan het Bourgondische hof door
Engelbert was ingeleid, ter gelegenheid van zijn huwelijk met de
rijke bruid Francesca, als de erfgenaam van zijn oom erkend, waarom
Hendrik ten gunste van zijn broeder Willem van het grootste deel van
zijn vaderlijk erfgoed in Duitschland afzag.
Hendrik was een waardig opvolger van zijn oom den staatsman en overtrof
hem zelfs, in zoover het tooneel zijner daden grooter was dan dat van
zijn voorganger. Kort na Engelberts dood toch vielen de Nederlanden
als erfenis ten deel aan hem, die reeds Koning van Spanje was en
later Keizer van Duitschland zou worden.
Hendriks leenheer, de heer van Bourgondië, aan wien hij krachtens zijn
Nederlandsche goederen trouw was verschuldigd, had alzoo als Karel V,
een rijk, waarbij dat van Karel den Stoute onbeteekenend en een macht,
waarbij de ingebeelde macht van Maximiliaan niets was.
Hendrik hoorde ook tijdens de minderjarigheid van den jongen vorst
een tijdlang tot zijn voogden en toen hij eenmaal de teugels van het
bewind aanvaard had, werd hij zijn zeer gewaardeerde raadgever. Ja,
men beweert zelfs, dat het bij de keizerskeuze in 1519 vooral
Hendriks groote invloed was, die de balans ten voordeele van Karel
deed overslaan tegenover Frederik van Saksen, wiens aanspraken door
vele keurvorsten werden verdedigd.
Dat de keizer nooit den dienst, hem toen door Hendrik bewezen, vergat,
is licht te begrijpen en we zien hem dan ook altijd in het persoonlijk
gevolg van den keizer, tenzij Hendrik hem verving in de Nederlanden
als zijn vertegenwoordiger, tenzij hem een diplomatieke zending naar
een vreemd hof werd toevertrouwd.
Op de voornaamste rijksdagen was Hendrik tegenwoordig en ook te
Augsburg, toen de confessie van het Protestantsch geloof werd
vastgesteld, voor welken nieuwen godsdienst hij echter weinig
sympathie had, in tegenstelling van zijn broer graaf Willem, die tot
het Protestantisme was overgegaan.
Hendrik was voortdurend aan het Fransche hof op verschillende
diplomatieke tochten en, ter erkenning van de voortreffelijke
diensten, door hem bij een dezer gelegenheden aan Frans I bewezen,
schonk deze hem de hand van Claudia, zuster van Philibert, prins van
Oranje-Chalons. Dit huwelijk was in zijn gevolgen nog gewichtiger
voor de Nassau's dan dat van Engelbert met de erfgename van Polanen en
Leck, want bij den dood van Philibert, zonder mannelijke erfgenamen,
werd hun zoon Réné tot legataris benoemd.
Hendriks bezittingen werden zeer vermeerderd door giften, aankoopen
en verbeurdverklaringen, zoodat Réné een veel grooter erfgoed ontving
dan zijn vader had verkregen.
De lucht van hun geboortegrond Nassau scheen de familie beter te
bekomen, dan die van de Nederlanden; misschien ook was het rustig
gravenleven bevorderlijker voor een hoogen ouderdom, dan het heen en
weer trekkend bestaan, waartoe de volgers van het huis van Bourgondië
verplicht waren. Geen der uitstekende Nassau's in Nederland bereikte
meer dan een middelbaren leeftijd en was de Duitsche bloeiende
stam niet in de gelegenheid geweest, om steeds nieuwe enten op den
Nederlandschen tak over te planten, dan zou geen Nassau het leiderschap
in Holland hebben kunnen op zich nemen, toen de noodzakelijkheid
van zulk een leider ontstond. Hendrik stierf in 1538, op 55-jarigen
leeftijd, één zoon Réné als opvolger voor zijne staten achterlatende,
die in 1530 Prins van Oranje geworden was.
Uit dankbaarheid aan zijn oom Philibert, van wien hij het rijkste
deel zijner erfenis ontving, was zijn gewone onderteekening: Réné van
Chalons. Zijn volle titel was: "Bij de gratie Gods Réné, Prins van
Oranje, geboren van Nassau en Chalons, graaf van Catzenellenbogen,
Vianden, Dietz, Tonnerre, Pointhièvre, Charny, Heer van Breda, Diest,
Warneton, Arlay, Roseroy en Chastelbelin."
Hij nam de wapens van Oranje en Chalons aan met het devies: "Je
maintiendrai Chalons". Willem van Oranje veranderde Chalons in Nassau,
maar later werd de spreuk eenvoudig: "Je maintiendrai", terwijl men
het voorwerp van dit werkwoord naar verkiezing invulde.
De titel van Oranje, door Réné in de Nassau-familie gebracht, werd zoo
geheel en al met hen vereenzelvigd en speelde zulk een belangrijke
rol in hun achtereenvolgende geschiedenis, dat een korte schets van
dit kleine vorstendom hier niet misplaatst kan zijn.
Oranje, een naam die zoo wereldberoemd is geworden, was een kleine
landstreek niet grooter dan 38.248,4 acres, in het Zuiden van
Frankrijk, ten Oosten van de Rhône gelegen.
Het graafschap Avignon ligt rondom het gewest, uitgezonderd waar de
Rhône de westelijke grens vormt. Dit kleine vorstendom behield althans
een nominale onafhankelijkheid van den Franschen souverein tot 1713,
toen het ten slotte werd afgestaan aan Lodewijk XIV.
In de 6e eeuw dreven de ruwe stammen van het Noorden de Romeinen uit
Oranje, zoowel als uit andere steden in de provinciën, maar ze werden
op hunne beurt door de Saracenen, die uit het Zuiden kwamen, verjaagd.
Jonckbloet heeft een modern Fransche vertaling geleverd van een oud
romantisch gedicht, getiteld: Guillaume d'Orange of Guillaume au
Court Nez; de held van dit verhaal, ridder aan het hof van Karel den
Groote, deed wonderen van dapperheid. Hij was het, die Oranje, dat
de rijkste en prachtigste stad van de Saraceensche steden geworden
was, bevrijdde, Orable, de Saraceensche prinses, die hem tegen haar
eigen geslacht bij de belegering hielp, huwde en het vorstendom uit
de handen van Karel den Groote ontving.
In de twaalfde eeuw bracht prinses Tiburge, bij gebreke aan mannelijke
erfgenamen, Oranje als huwelijksgoed aan haar echtgenoot, Bertrand
des Baux. Ook deze familie stierf uit in de mannelijke lijn en het
vorstendom ging door Marie des Baux aan haar echtgenoot Jean van
Chalons, stichter van het huis Oranje-Chalons over.
De achtereenvolgende heeren van Oranje verkozen als regel liever
het fortuin van den keizer te volgen, dan dat der Fransche koningen,
in wier rijk de armzalige bunders verzwolgen werden. Misschien was
dit eenvoudig de begeerte om met hun onafhankelijkheid van iemand,
aan wien zij geografisch hulde verplicht schenen, te bluffen. Doch
hoe dit ook zij, het gevolg van hun keuze was voor het vorstendom
niet gelukkig, daar de regeerende koning van Frankrijk, in het geval
hij zich openlijk aan de zijde van den keizer plaatste, onmiddellijk
er toe overging, het kleine arme land, dat bij afwezigheid van zijn
heer weerloos was, te confisqueeren.
Ook Réné bracht zijn leven door in het gevolg van den keizer en door
de voortdurende vijandschap tusschen dezen vorst en Frans I, werden
Réné's vorstendom en andere staten op Fransch grondgebied telkens
verbeurd verklaard. Er bleef dus weinig gelegenheid voor Réné over
om Oranje of Chalons te handhaven.
Was Frans op den jongen vorst zeer verbitterd wegens zijn actief en
dikwijls succesvol deelnemen aan de veldtochten, Réné stond in hoog
aanzien bij Keizer Karel, die hem in weerwil van zijn jeugd in 1540
tot stadhouder over Holland, Zeeland, Friesland en Utrecht aanstelde
en hem tevens met de orde van het Gulden Vlies bekleedde. In 1542 trok
hij weer te velde en werd persoonlijk zeer geroemd, al was Karel ook
niet gelukkig in den veldtocht.
Toen Karel in 1544 zijn plan wilde volvoeren om naar Parijs te trekken
en het hiervoor noodzakelijk was Saint-Dizier, een vesting aan de
Marne, te bezetten, ontving Réné het opperbevel over de belegerende
troepen.
Den 17en Juli werd een aanval op de wallen gedaan en daarbij ontving
Réné een ernstige wond, waaraan hij reeds den volgenden dag op
26-jarigen leeftijd overleed. Hij werd door het geheele leger betreurd
en Karel was tegenwoordig, toen hij den laatsten ademtocht uitblies.
Had Réné een voorgevoel van zijn naderend einde gehad? Men zou het
haast zeggen, want op den 20en Juni had hij vergunning van den keizer
gevraagd en gekregen, om zijn uitersten wil te maken, waarbij hij
al wat hij geërfd had van zijn oom Philibert aan zijn kleinen neef
Willem, oudsten zoon van graaf Willem van Nassau, naliet.
Alzoo stierf de lijn Nassau-Breda wederom uit en krachtens de
overeenkomst, die tusschen Willem en Hendrik herhaald was, keerde
de Nederlandsche bezitting van de familie Nassau naar den Duitschen
tak terug. Réné's testament betrof alles wat hij bezat, maar was
alleen noodzakelijk voor de bezittingen, die hij van moederszijde had
gekregen. Hij liet dit alles na aan Willem en diens rechtstreeksche of
zijdelingsche erfgenamen of, indien deze ontbraken, aan de erfgenamen
van diens vrouwelijke erfgenamen. Op deze clausule beriep zich Pruisen
in 1702 voor zijn aanspraak op Oranje, toen Willems mannelijke lijn
met den dood van Willem III van Engeland uitstierf.
Het in den loop der eeuwen herhaaldelijk geconfisqueerde Oranje, kwam
dan ook dit jaar aan Frederik I, Koning van Pruisen, als erfgenaam
van Louise Henriëtte, kleindochter van Willem den Zwijger. In 1713
werd een nieuwe schikking gemaakt tusschen Frederik en Lodewijk. In
ruil met andere goederen werd toen het vorstendom aan den koning van
Frankrijk afgestaan en is sedert dien tijd een deel van het Fransche
rijk gebleven. Voor dit pesthol van Hugenoterij, zooals Lodewijk XIV
het noemde, werd alles gedaan om het minder aantrekkelijk te maken voor
de Protestanten. Drie duizend hunner verlieten de stad, gingen naar
Genève en vormden later een kleine kolonie in Pruisen. Van de 10.000
inwoners waren er op Kerstmis 1890 nog slechts 78 mannen, vrouwen
en kinderen, die in een kleine zijstraat voor hun Protestantsche
godsvereering te zamen kwamen.
Terwijl Hendrik zich vooral bewoog aan het Bourgondische hof,
speelde Willem daarentegen dezelfde stille rol in Dillenburg als
zijn vader. In 1516 verkreeg hij bij het overlijden van Jan V, de
Nassau-Dillenburgsche erfenis, terwijl aan zijn ouderen broer Hendrik
alleen zijn aandeel in het voorvaderlijk kasteel van Nassau toekwam.
Reeds in Augustus 1516 ontving Willem de eeden van getrouwheid, eerst
van zijn vazallen in Siegen en daarna van die in andere deelen van
zijn klein vorstendom.
Hoewel hij het recht had op al de titels van de Nederlandsche staten
van zijn broer, noemde hij zich eerst eenvoudig Graaf van Nassau,
Vianden en Dietz, waarbij hij pas later dien van Catzenellenbogen
voegde.
Hij werd de Rijke genaamd, maar deze rijkdom bestond meer in den
vorm van land met aanspraken daaraan verbonden, dan in geld en deze
naam zou meer toepasselijk zijn, als we denken aan zijn vijf zonen
en zeven dochters uit zijn huwelijk met Juliana van Stolberg.
Inderdaad vond de graaf het in 't minst geen gemakkelijke zaak aan
de gedurige eischen van den keizer te voldoen, die steeds naar den
eenen hoek van zijn wereldrijk om geld keek om het in een anderen
hoek weer uit te geven.
Van de voortdurende vijandschap en oneenigheden tusschen de huizen
Nassau en Hessen kreeg Willem ook ruim zijn deel, want de twist,
die reeds 15 jaar lang gevoerd werd over de aanspraken op de
Catzenellenbogen-staten, door Jan V begonnen ten behoeve van zijn
vrouw, werd door Willem na den dood van zijn vader overgenomen.
Geen rijksdag werd er gehouden, zonder dat die zaak te berde kwam;
geen voet zette de keizer op Duitsch grondgebied, zonder door de
Nassau's of Hessens geprest te worden om een beslissing te nemen. In
1520 nam Karel volgens zijn keizerlijk recht zelf de zaak in handen,
maar vertrouwde haar spoedig toe aan een commissie, daar hij zelf
te kort op één plaats vertoefde om het getuigengehoor te eindigen en
vonnis te vellen. Ook deze commissie had niet veel succes, want was
ze gereed met een beslissing, dan kon de keizer door zijn afwezigheid
niet tot uitvoering overgaan; de tijd verliep en men kon van voren
af weer beginnen.
In 1557 eindigde de strijd. Het besluit was, dat Hessen het grootste
deel van de landen verkreeg met de voorwaarde daarbij, dat Nassau
schadeloos gesteld zou worden. De Nassau's mochten de wapens en den
titel van Catzenellenbogen dragen, de Hessens die van Dietz. Indien
beiden, Willem van Oranje en zijn vader, zonder erfgenamen stierven,
dan moesten de Hessens het voorrecht hebben om de afgestane landen
terug te kunnen koopen, als ze dat verlangden. Zoo eindigde de zaak
tot niemands bevrediging, behalve tot die der scheidsrechters.
Hoe stond Graaf Willem tegenover de Hervorming?
In 1521 was hij op den beroemden rijksdag van Worms en de Wittenberger
monnik liet niet na, grooten indruk op hem te maken; toch vereenigde
hij zich niet met de eerste protestantsche bewegingen.
Misschien was het voorzichtigheid, die hem tot die neutrale houding
dreef en werd hij door de gedachte aan zijns broeders positie aan
het keizerlijk hof daartoe aangespoord; ook kan het zijn, dat hij
met het oog op zijn proces met Hessen ongeneigd was, openlijk een
stelling in te nemen, die den jongen keizer zou kunnen mishagen.
Eenige jaren later ontving hij op Dillenburg bezoek van den jongen
hertog Hans Frederik van Saksen, met het doel hem te bewegen, zich
bij de Evangelische partij aan te sluiten en na het vertrek van zijn
gast zond deze hem tal van geschriften van Luther toe en schreef bij
het eerste pakket:
"Zooals ik u beloofde, zend ik U hierbij eenige van Luthers
geschriften, zooveel als ik op dit oogenblik kon verzamelen. Ik
hoop met Gods hulp daardoor een goed Christen van U te maken."
Frederiks hoop om een proseliet te winnen, werd niet zoo spoedig
vervuld, want al stond Willem in 1528 den monniken van het klooster
te Thron toe, zelf een reformatie te bewerken en hun invloed aan
te wenden om die op de gemeente van Old Weilnau en Wehrheim over
te brengen, toch bleef het voorloopig hierbij en pas langzamerhand
kwamen meer veranderingen.
In de hoop op een vonnis in zijn proces, ging hij ook naar den
Rijksdag van Augsburg, die in persoon door Karel werd gepresideerd;
zag Willem zijn wensch niet vervuld, wel werd de graaf versterkt
in zijn neiging tot de nieuwe leer, want na dien Rijksdag, waar de
Luthersche geloofsbelijdenis werd geformuleerd, werden volgens de
Dillenburgsche Kroniek "godsdienstige en kerkelijke verordeningen
veranderd en de mis afgeschaft."
Toch ging de hervorming in zijn staten slechts voet voor voet vooruit
en waren er bewijzen, die deden vermoeden, dat de graaf werd beschouwd
als iemand, die nog tusschen de partijen aarzelde.
In 1533, eigenaardig het geboortejaar van onzen Willem van Oranje,
nam de graaf twee maatregelen, die toonden, dat hij zich met de
hervorming had verbonden. Hij weigerde de orde van 't Gulden Vlies,
omdat daartoe een eed van trouw aan Rome noodzakelijk was en in de
kerken Siegen en Dillenburg voerde hij de "Neurenbergsche Reformatie"
in, eene confessie, die de markgraaf van Brandenburg in Frankrijk
had opgesteld. Ook liet hij in 1536 door den weinigen voortgang van
den nieuwen godsdienst, tengevolge van onwetende en luie predikers,
de "Nassausche Kerkregelingen" samenstellen, waarbij hij zelf een
inleiding schreef, ten einde "hun gemis aan oordeel door een kleine
verklaring en instructie te hulp te komen."
Graaf Willem gaf dus zelf de leiding aan, maar van dwang, in welke
richting ook, was in zijn rijk nooit sprake! Hij streefde er alleen
naar, beter onderwijs in te voeren. Het Duitsch was de taal, die
bij den doop gebruikt werd; voor de viering van het avondmaal moest
de predikant eene duidelijke uiteenzetting van zijne meening geven
en met eene algemeene belijdenis van de gemeente moest hij zich
tevreden stellen.
Na het avondmaal in beide gestalten mocht de mis in gewone kleeding en
met onschadelijke plechtigheden gecelebreerd worden. De opheffing van
de hostie was verboden. Bijzondere missen, ook die op gewone weekdagen,
waren eveneens verboden. In kerken, waar dagelijksche missen gewoon
waren geweest, moest een eenvoudige dienst worden gehouden, waar een
brief of evangelie werd gelezen en verklaard met gebed. In andere
kerken zou er een preek worden gehouden op Woensdagen. De kinderen
moesten ten minste tweemaal 's jaars worden geëxamineerd. Het
getal feestdagen, in een jaar toegestaan, werd tot zes-en-twintig
teruggebracht. De overige artikelen handelden over de levenswijze
der predikanten, over kerkbestuur, gebruik van den Duitschen bijbel
enz. Daar was ook een bijzonder verbod omtrent bijgeloovige vereering
van zaken. Het is duidelijk, dat deze regelingen met gezag werden
afgekondigd en dat Willem algeheele bisschoppelijke jurisdictie
in zijn landen had aangenomen. De eerste superintendent van de
Nassau-kerken was een zekere Erasmus Sarcerius, die een weldadigen
invloed uitoefende, welke lang in de nabuurschap van Dillenburg
nawerkte. Zijn arbeid werd echter door het Interim van 1548 vernietigd,
dat de kerkelijke zaken weer in een staat van onzekerheid bracht.
Na den Rijksdag van Augsburg n.l. was door de ligue der Schmalkalden
een defensieve alliantie gesloten tusschen de Protestantsche edelen en
sommige van de vrije steden, tengevolge waarvan Karel V den eersten
godsdienstvrede, dien van Neurenberg sloot. Door tegenwerking van
Filips van Hessen om zich bij die ligue aan te sluiten, wat Willems
plan was, kon Willem zijn staten nog juist sparen voor het gevaar van
gewikkeld te worden in den oorlog van Schmalkalden, die zoo noodlottig
werd voor zijn naburen Saksen en Hessen. Het zag er, na den slag te
Mühlberg in 1547, donker uit voor het protestantisme; Willem zond
zijn hervormde predikers weg en stond den terugkeer der priesters toe.
In dezen tijd werd door Granvelle, toen bisschop van Arras, veel
moeite gedaan om den graaf weer in de kerk terug te brengen. Zoo
wordt verhaald, dat na een redetwist over zijn godsdienstverandering,
graaf Willem aan Granvelle op vasten toon ten antwoord gaf: "Of het
waar is of niet weet ik niet, maar daar zijn zekere dingen, die tot
den godsdienst betrekking hebben, die mij zeer verontrusten."
Bij den godsdienstvrede van 1555 werd door den keizer toegestaan,
dat de godsdienstige zaken van elk land geregeld moesten worden
overeenkomstig den wil van den bestuurder en dit was het eerste
stuk van keizerlijke beteekenis, waaraan ook de onderteekening van
Nassau-Dillenburg is gehecht.
Natuurlijk was nu het gevolg van dezen vrede voor Nassau, dat de
Evangelische predikers weder hersteld werden, terwijl ook de Synoden
en kerkvisitatiën in 't leven werden teruggeroepen. Zonder tegenwerking
ging dit echter niet.
De bisschop van Trier liet niets na, om zijn gezag in Dietz te
herstellen en werd zonderling genoeg gesteund door Filips van Hessen,
den meest protesteerenden Protestant van allen, maar zulk een geducht
hater van Nassau, dat hij liever te weinig protesteerde, wanneer hij
daardoor zijn erfelijken vijand slechts kwellen kon, met wien hij
openlijk in vrede leefde.--Dat Filips Zwingliaansch en Willem geheel
Luthersch in zijn denkbeelden was, maakte den strijd nog heviger,
want het verschil tusschen deze beide takken van de hervorming begon
al even bitter te worden als tusschen de Protestanten en Katholieken.
Er was in de wijze waarop de hervorming in zijn landen werd ingevoerd
nooit eenig fanatisme. Zelfs in de aanvaarding van het Protestantsche
geloof was hij gematigd en hij beoefende verdraagzaamheid bij elke
hervorming, die hij invoerde; priesters, die weigerden de nieuwe
kerkverordeningen te aanvaarden, werden met consideratie behandeld
en in vele gevallen gepensionneerd. Zeker hoorde hij niet tot de
edelen, die de hervorming gebruikten als middel om hun inkomsten
te vermeerderen; geen kerkelijke noch monnikgoederen werden voor
wereldlijke bedoelingen gebruikt en er werd zorg gedragen, dat
alle kerkelijke inkomsten alleen zouden worden aangewend voor
gemeenschappelijke belangen.
Als krijgsman kan graaf Willem niet gerekend worden tot de groote en
uitstekende mannen van zijn dagen. Wel vergezelde hij zijn broeder
Hendrik bij de eerste veldtochten van Karel V tegen Frankrijk in
1511-1522 en was daardoor tegenwoordig bij het beleg van Mézières,
maar de latere aanbiedingen van Karel V, die hem het commando over
de geheele infanterie wilde geven en van Jan Frederik van Saksen, die
6000 gulden bood, als hij in zijn dienst wilde treden, sloeg hij af.
Militaire betrekkingen weigerde hij, maar dikwijls werd hij gekozen als
de vertrouwde, de raadgever en bemiddelaar van vele voorname vorsten
van het rijk, want men hield hem voor een man van gezond oordeel
en van zulk een onbevooroordeelden geest, als bij mogelijkheid
te vinden was in dat tijdvak van partijzucht en persoonlijken
invloed. Eigenaardig, dat bij zijn welbekend talent om moeilijkheden
van anderen te vereffenen en bij zijn grooten invloed aan het hof,
zijn eigen belangrijke zaak zoo lang aanhangig bleef.
Kan hij al niet onder de groote mannen van zijn geslacht gerekend
worden, zeker is het, dat hij een van de voornaamste bestuurders uit
het huis Nassau was.
Door het labyrinth van godsdienstige sympathieën en politieke
belangen, bedreigd nu door de eene, dan door de andere partij, met
verlies of verwoesting van zijn landen, heeft graaf Willem zich met
voorzichtigheid en standvastigheid bewogen. Hij heeft zijn land tegen
den oorlog met al zijn verwoestende gevolgen weten te vrijwaren en
liet aan zijn zonen zijn vaderlijk erfdeel, aanzienlijk vermeerderd,
achter. Zijn verhouding tot zijn onderdanen was uitstekend en hunne
belangen waren goed bij hem verzorgd.
In October 1559 stierf graaf Willem op den leeftijd van 72 jaar en
werd begraven in de keurige kleine kerk te Dillenburg, door zijn
vader gebouwd en door hem zelf veranderd.
Geen Duitsch staatsman ging met hem heen, maar een uitmuntend
bestuurder van het graafschap Nassau. Hij is alleen bekend geweest als
Willem de Oude of de Rijke, terwijl het voor zijn zoon was weggelegd,
Willem van Nassau te worden.