II

De duitsche dichter Friedrich Gundolf heeft in een opstel „Tat und Wort

im Krieg” de meening uitgesproken, dat het Woord—waarmee hij bedoelde

de geestelijke uiting—nu eindelijk in Duitschland één zou worden met de

Daad, waaronder hij de stoffelijke verstond. Maar naar mijn meening is

dat een waandenkbeeld. Het Woord heeft in Duitschland eenvoudig afstand

gedaan—het Woord namelijk verstaan als de openbaring van een vrij en in

zichzelf berustend geestesleven—, en de Daad, die de werking van de

brute Macht is, heeft alle instinkten van het lagere samenlevingsgevoel

opgewoeld. Gelooft hij werkelijk dat, wanneer die Macht zegepraalt, zij

de stem van de bewogen ziel, nadat deze vrijwillig, niet gezwegen, maar

haar eigen natuur miskend heeft, een wereld zal bouwen waarin ze klinken

mag? De Macht moest dan wel grondig haar aard veranderen. Ik geloof

integendeel dat zij voort zal gaan, en met een verstandigheid die

niemand haar mag euvel duiden, de wereld in te richten naar haar

behoeften. Wat zij behoeft is vaardigheid in de bewerking van de stof,

en groote eenvoudige denkbeelden, eigenlijk niet denkbeelden, maar lang

uithoudende gewoonten en hebbelijkheden, als sterke teugels, waarmee

de menigte te leiden is. Wat zij niet behoeft, wat zij vreest en haat,

en in geen geval wil laten opkomen, is het plotseling brandend, het

onberekenbaar innerlijk leven van menschelijke geesten en gemoederen,

dat onbedwingbaar opslaat en voortslaat, en hart na hart in vlammen zet.

Dat in eigen recht rustende, van binnen uit heerschende, naar buiten

zich verbreidende zielsleven, dat is het wat ge het Woord moet noemen,

en van dit Woord kan nooit gezegd worden dat het zich met een andere

Daad vereenigt dan met zijn eigene, dat is met zichzelf.

Wie de heerlijkheid en de alomtegenwoordigheid van dit Woord erkent, wie

gelooft dat het de drager is van alle geloof en alle schoonheid, van

alle zede en alle overtuiging, van alle recht en alle dichterschap, hij

kan nooit toegeven dat het tegenover welke bewegingen van de wereld ook,

afstand zou doen van zijn vermogen van zelf-bepaling.

Indien, in het Europa dat wij nu beleven, poëzie en geest iets anders

willen zijn dan een spiegelbeeld van de staatkunde—en de staatkunde

heeft nu spiegeling genoeg, bij de vlammen van haar verwoesting, in de

bloedstroomen van haar slagvelden,—dan kan dat enkel doordat zij hun

aanspraak handhaven op een heerschappij die buiten de staten gelegen is,

en door de staten niet gedeeld kan worden.

Poëzie en Geest hebben hun eigen rijk, en daarvoor geldt nog altijd het

zeggen van Jezus: het is niet van deze wereld.

Ik hoop dat in Duitschland zoowel als in Nederland dit besef van een

onvergankelijk bezit spoedig weer levendig mag worden tegenover de roes

van een tijdelijke opwinding. De tijden zijn slecht, niet voor het

innerlijk leven zelf, indien het zich dieper terugtrekt en tot helderder

bezinning brengt; ook niet voor zijn openbaring op zichzelf, die niets

behoeft dan te worden uitgesproken en ze is er voor alle eeuwigheid;

maar wel voor de werking van die openbaring op de tegenwoordige

menschen. Het verkeer is bemoeilijkt, talenten sneuvelen, schatten van

kunst en schoonheid worden verwoest en geplunderd, en waarmee troosten

zich de in een waan bevangenen? Dat hun eigen onovertreffelijke volk

wel weer eens nieuwe schatten van schoonheid en kunst zal voortbrengen.

Deze wissel op de nakomelingschap—wij zouden ons schamen als

wij hem teekenden. De schoonheid is niet iets waarvan men de

voortbrenging—gemakshalve of in vaderlandsche grootheidswaan—afwentelt

op zijn kinderen. Zij is de levende ziel binnen in ons, ons eigen bloed

en onze eigen aansprakelijkheid. Zij is de God in ons die geen uitstel

ten behoeve van vaderlandsche afgoden gedoogt. Maar zeker is dat de

dienst van die Godheid nooit moeielijker was dan onder de huidige

omstandigheden.

Holland en de oorlog · 第 111 / 138 题