FRAGMENTEN

I

Friedrich Theod. Vischer, dichter en esteticus, gaf in zijn werk „Auch

Einer,” kort na zeventig, de voorstelling van een ontmoeting die hij op

reis in Zwitserland met een vreemdsoortig Duitscher gehad zou hebben.

Het was een man die de lastigheid en vernedering waarmee hun stoffelijk

bestaan menschen van een hooge idealiteit kan plagen, op het pijnlijkst

voelde, en zich met een wonderlijke poging tot weerwraak en zelfbehoud

allerlei oorspronkelijke denkbeelden en verbeeldingen geschapen had,

produkten van een belangwekkend geestesspel rondom de kleinste en meest

gehate dingen van het leven. Voorgesteld als niet humoristisch bedoeld,

maar hoogst humoristisch om aan te zien, is de gedachtenwereld van deze

zonderling tevens vol ernst, vol opmerkingen die een Duitscher van

Vischer's beteekenis het noodig achtte uit te spreken, zonder dat hij ze

nu juist opzettelijk weerklinken deed.

Hij plaatst zijn gesprek met „Auch Einer” in 1865, toen de spanning

tusschen Pruisen en Oostenrijk dreigend werd, en de vraag van een

Duitsch rijk overal ter sprake kwam, en hij laat hem zeggen dat hij al

voor de meest nabijliggende gevolgen vreest, als het Duitsche rijk zal

zijn opgebouwd.

Wat voor gevolgen? vraagt hij dan.

En het antwoord: Ziet ge, de Duitschers kunnen het geluk en de grootheid

niet goed verdragen. Hun soort van idealiteit berust op het verlangen.

Als zij hun doel bereikt hebben—misschien beleven wij het, let er eens

op—en er niets meer te verlangen valt, dan zullen ze frivool worden, de

handen wrijven en zeggen: onze legers hebben het ons immers bezorgd,

worden we nu recht gemeene genot- en geldhonden, met uitgestrekte tong.

Ik schrok—zegt de schrijver—wilde het niet gelooven, en schrok toch.

En op deze plaats veroorlove de lezer mij een enkele tusschenzin. Sedert

het langzamerhand gebeurde, zooals het nu gebeurd is—(hij schreef

eenige jaren na '70)—sedert oneerlijkheid, bedrog, vervalsching,

gemeenheid van zoo menige soort dieper en dieper in het bloed van ons

volk invreet, moet ik dagelijks aan deze profeten-woorden denken. A. E.

legde mij, dien hij zoo in gepeins zag, nu de hand op de arm, en zei:

„We moeten het niet zoo zwaar opnemen; een fatsoenlijke minderheid zal

overblijven, een volk kan zoo iets wel te boven komen; het heeft dan een

groote ramp noodig en die zal komen in een nieuwe oorlog, dan zullen wij

onze krachten moeten inspannen, alles wat in ons is aan het werk zetten,

en dan zal het weer beter en goed worden.”

Of ook dit in vervulling gaat?

Holland en de oorlog · 第 110 / 138 题