Engelsche accountants op onze kantoren—wat zou Potgieter getoornd
hebben! Want dat engelsche schepen onze brievenmalen van boord halen,
dat de duitsche regeering haar fabrikanten dwingt tot kontraktbreuk die
in ons nadeel is, dat duitsche duikbooten onze schepen torpedeeren,—dit
zijn schaden die wij niet zouden kunnen afwenden. Maar in het engelsche
toezicht op onze handel en voortbrenging is veel dat we niet hoefden te
dulden als het niet was uit winzucht,—en waarvan de regeering niet
dulden moest _dat_ we het dulden.
X
Van Willem III, onze laatste koning, wordt verteld dat hij met zijn
tuinman zijn tuin op Soestdijk bezichtigde, toen daar een vreemdeling
binnenkwam. Wat moet die kerel daar? vroeg hij. Want hij hield er niet
van dat vreemden zonder verlof op zijn grond liepen. St, Sire! zei de
tuinman, dat is een klant. Majesteit zweeg, want hij hield er ook niet
van dat hij met zijn overscharige vruchten zitten bleef. Ons gaat het nu
evenzoo. Wij zouden de oorlogvoerenden graag van ons erf houden, maar
wij kunnen niet verhinderen dat wij met hen als klanten van doen hebben.