De zuiging van de gebeurtenissen wordt zoo sterk dat ze ons die terzijde
staan zou kunnen meesleuren. Al de grootste volken van de wereld doen nu
in hoofdzaak niets dan middelen en wapenen maken opdat de oorlog gevoerd
kan worden, èn de oorlog voeren. Toch is hij niet een oorlog uit woede
van volk tegen volk, uit haat van regeering tegen regeering. Hij draagt
het karakter van uitgestelde bespreking. Hij beproeft de omstandigheden
te wijzigen waarin de besprekingen moeten hervat worden. Hij is ontstaan
uit tijdelijk onvermogen van de diplomaten. Als die straks weer aan 't
woord komen, zullen zij rekening houden met de gemeten krachten. Ook met
de onze. Beseffen wij genoeg dat het voor ons erop aankomt, tegen dat de
vrede gesloten wordt, de indruk van onze kracht en vastberadenheid als
natie zoo sterk mogelijk te doen spreken? Niet door oorlog, hopen we.
Maar door onze gewapende onzijdigheid. Die is een zware last. Maar het
is onze eenige. En de oorlog zelf zou zwaarder zijn. Alleen in de
gewapende onzijdigheid kunnen wij onze kracht en eenheid toonen als
natie. Niet door van ons oordeelen over de strijdenden de hoofdzaak te
maken, heftig anti-engelsch of anti-duitsch te zijn. Niet door enkel te
vonnissen of te meesteren over anderen toonen wij onze eigen beteekenis.
Wij kunnen dat alleen door de wijze waarop wij onze eigen bizondere
gezamenheid van dit oogenblik, onze toestand van gewapende onzijdigheid,
handhaven, versterken, tot uitdrukking brengen. De regeering doet het:
diplomatiek, militair, ekonomisch. De politieke partijen doen het, in
zooverre zij hun onderlinge geschillen hebben opgeschort en met elkander
samenwerken. Maar doen wij, de bevolking, in en buiten het leger, het
ook zelf? Eénerzijds een pers die schommelend tusschen de oorlogvoerende
partijen, met een onnoozele meerderheids-glimlach aantoont hoe de eene
al even verdorven is als de andere, en die niets liever doen zou dan
het stilzwijgen opleggen aan iedere openhartige uiting van gevoel en
oordeel. Anderzijds eene die de geprikkelde stemming van een menigte tot
haar instrument om te bespelen neemt, inplaats van tot haar braakland
dat gewied en gezuiverd moet. De schrijvers van de eerste zijn zij die
de menigte niet kennen, en die meenen dat men haar over 't hoofd moet
zien of muilbanden. Die van de andere kennen haar, maar verstaan niet de
kunst haar te leiden, zoo ze ook al weten welk doel gewenscht zou zijn.
Dat doel zou moeten zijn het vaste weten dat handhaving en versterking
van onze gewapende onzijdigheid het eenige middel is waardoor onze
volkskracht zich nu toonen kan. En dat aan dit toonen, in afwachting
van de onderhandelingen over de vrede, alles gelegen is.
Ik bedoel niet dat de eerste vraag die moet zijn naar meer soldaten.
Ik bedoel dat de eerste vraag is, het in ieder ontwaakt besef dat
samenwerking tot gewapende onzijdigheid onze eerste behoefte is.
Ieder Nederlander moet doen blijken hoezeer hij zich daarvan doordrongen
voelt. De officieren, door zich zelf te ontwikkelen en zich plichten op
te leggen tegenover hun minderen,—de minderen, door te gevoelen dat ook
het saaiste werk wijding ontleent aan de noodzaak van het landsbelang.
Maar niet alleen in het leger, ook erbuiten moet ieder bedenken dat de
lasten van de gewapende onzijdigheid te dragen, voorloopig onze beste
deugd blijft. Kerk en school hebben geen dringender plicht dan de
beteekenis van die onzijdigheid uiteen te zetten.
Laat dan ieder vrijuit spreken over de oorlogvoerenden, hun heldendaden
en hun misdrijven,—mits ieder ook wete dat de kracht van zijn eigen
land zich in de onzijdigheid toonen moet,—de kracht, en niet de
lamlendigheid.
Het is een verandering van geest die ik zou willen voorstellen. Wat zegt
de Pers? Wat zegt de Kerk?