XXIV

Een eerste invloed die de tijd op ons uitoefent is een verschuiving

van de belangstelling. Natuurlijk ook naar de gebeurtenissen: die

voelt ieder; maar voor schrijvers is er nog een andere. Sedert twaalf

jaar heeft niets me zoo geboeid als het innerlijk van belangwekkende

personen. Wat men zou kunnen noemen het portretteeren van hun

binnenborst hield me aldoor hartstochtelijk bezig. Het meeleven met hun

gevoel, het doorgronden van hun gedachten, het bepalen van hun waarde

als vertegenwoordigers van korter of langer durende maatschappelijke en

geestelijke stroomingen, en het daarna ontwerpen van een beeld, zoo

gelijkend dat zij er zich zelf in herkennen zouden, was al die jaren

mijn liefste werkzaamheid. En ook nu nog zijn er die mij geweldig

aanlokken. Vincent van Gogh bijvoorbeeld. De ingeschapen kronkel van

zijn wezen tempteert me soms om hem te grijpen en bloot te leggen.

Maar ik kan het niet. Waardoor? In den beginne misschien omdat de

omstandigheden mij verhinderden mijn aandacht te verzamelen en te

richten. Evenwel, wat eerst verhindering scheen, werd ten slotte in

zichzelf onderwerp. En welk een onderwerp. Een wereld in beweging heeft

onze aandacht, onze belangstelling gevangen genomen. Er heeft een

verschuiving plaats gehad. Wij zien niet langer de personen, maar de

volksgroepen, de volksmenigten. Hoe de mensch wordt, ook de grootste,

wanneer hij zich enkel als deel voelt, is het eerste wat ons getroffen

heeft. De epidemieën van geestdrift, van haat, van vrees en van woede

werden ons begrijpelijk. De lichtgeloovigheid, de zelfverblinding, de

onmogelijkheid van helder doorzicht, niet bij enkelingen, maar bij allen

gelijkelijk. Doch tegelijkertijd de onloochenbare verheffing die voor

velen geboren werd uit dit bad van meegevoel, uit die onderdompeling in

stroomen van hulpvaardigheid en vertrouwen. Hoe menigeen, dachten we,

die tot nu toe in zijn kleine belang opging, zonder een rest na te

laten van schoone menschelijkheid, in zijn eigen ikkigheid tot niets

verschrompelend, kan nu gered worden. Hoe velen beklaagden we, die

stierven omdat ze geen doel vonden, voor wie dit groote doel een

uitkomst geweest zou zijn als het hun krachten in zich verzwolgen had.

Want groot is het aantal van hen die uit een waan leven: wat had het

uitgemaakt of dezen de waan van een vaderlandsche zending gedeeld

hadden? Zij zouden zalig gestorven zijn. Wat ons dan weer bevreemdde

was de onevenredigheid tusschen wezen en woorden. Terwijl wij aan de

verheffing van het leven niet konden twijfelen, waren de vormen waarmee

de menschen aan hun gevoel uitdrukking gaven, geesteloos. Zij zongen de

oude zinlooze of sentimenteele liederen, zij schreven in onnoemelijke

aantallen onbenoembare gedichten.

Holland en de oorlog · 第 67 / 138 题