Een eerste invloed die de tijd op ons uitoefent is een verschuiving
van de belangstelling. Natuurlijk ook naar de gebeurtenissen: die
voelt ieder; maar voor schrijvers is er nog een andere. Sedert twaalf
jaar heeft niets me zoo geboeid als het innerlijk van belangwekkende
personen. Wat men zou kunnen noemen het portretteeren van hun
binnenborst hield me aldoor hartstochtelijk bezig. Het meeleven met hun
gevoel, het doorgronden van hun gedachten, het bepalen van hun waarde
als vertegenwoordigers van korter of langer durende maatschappelijke en
geestelijke stroomingen, en het daarna ontwerpen van een beeld, zoo
gelijkend dat zij er zich zelf in herkennen zouden, was al die jaren
mijn liefste werkzaamheid. En ook nu nog zijn er die mij geweldig
aanlokken. Vincent van Gogh bijvoorbeeld. De ingeschapen kronkel van
zijn wezen tempteert me soms om hem te grijpen en bloot te leggen.
Maar ik kan het niet. Waardoor? In den beginne misschien omdat de
omstandigheden mij verhinderden mijn aandacht te verzamelen en te
richten. Evenwel, wat eerst verhindering scheen, werd ten slotte in
zichzelf onderwerp. En welk een onderwerp. Een wereld in beweging heeft
onze aandacht, onze belangstelling gevangen genomen. Er heeft een
verschuiving plaats gehad. Wij zien niet langer de personen, maar de
volksgroepen, de volksmenigten. Hoe de mensch wordt, ook de grootste,
wanneer hij zich enkel als deel voelt, is het eerste wat ons getroffen
heeft. De epidemieën van geestdrift, van haat, van vrees en van woede
werden ons begrijpelijk. De lichtgeloovigheid, de zelfverblinding, de
onmogelijkheid van helder doorzicht, niet bij enkelingen, maar bij allen
gelijkelijk. Doch tegelijkertijd de onloochenbare verheffing die voor
velen geboren werd uit dit bad van meegevoel, uit die onderdompeling in
stroomen van hulpvaardigheid en vertrouwen. Hoe menigeen, dachten we,
die tot nu toe in zijn kleine belang opging, zonder een rest na te
laten van schoone menschelijkheid, in zijn eigen ikkigheid tot niets
verschrompelend, kan nu gered worden. Hoe velen beklaagden we, die
stierven omdat ze geen doel vonden, voor wie dit groote doel een
uitkomst geweest zou zijn als het hun krachten in zich verzwolgen had.
Want groot is het aantal van hen die uit een waan leven: wat had het
uitgemaakt of dezen de waan van een vaderlandsche zending gedeeld
hadden? Zij zouden zalig gestorven zijn. Wat ons dan weer bevreemdde
was de onevenredigheid tusschen wezen en woorden. Terwijl wij aan de
verheffing van het leven niet konden twijfelen, waren de vormen waarmee
de menschen aan hun gevoel uitdrukking gaven, geesteloos. Zij zongen de
oude zinlooze of sentimenteele liederen, zij schreven in onnoemelijke
aantallen onbenoembare gedichten.