Het is een opmerkelijk verschijnsel dat de Duitschers, het sterkste volk
met de wapenen, zoo weinig gerust in hun geweten zijn. Herhaaldelijk
blijkt het dat de vraag hen bezighoudt wat de kleine onzijdige
volken van hen denken. Herhaaldelijk geven zij te kennen dat zij een
verdedigingsoorlog voeren, dat de Belgen hun ondergang zelf gewild
hebben, dat zelfs de verwoesting van Leuven hún niet als schuld mag
worden aangerekend. Zoo is het in manifesten en ambtelijke berichten,
zoo in telegrammen en artikelen van dagbladen. Ook wie vrienden in
Duitschland hebben, weten het. Iedere brief die zij ontvangen, is een
verdediging. Een ruimdenkende duitsche vrouw schreef mij in volle
onschuld: waarom heeft België dan ook niet, zooals Luxemburg, ons rustig
doorgelaten?
De duitsche rijks-kanselier wist het beter. Onze inval in België—zei
hij—is een schending van het volkenrecht.
Is het misschien toch een teeken dat het rechtsgevoel in Europa is
vooruitgegaan: het besef dat schending van het volkenrecht door een
groote sterke natie een zonde is tegen de heilige geest van de
menschelijke gemeenschap, en een misdrijf dat niet vergeven wordt?