VII

Het is een opmerkelijk verschijnsel dat de Duitschers, het sterkste volk

met de wapenen, zoo weinig gerust in hun geweten zijn. Herhaaldelijk

blijkt het dat de vraag hen bezighoudt wat de kleine onzijdige

volken van hen denken. Herhaaldelijk geven zij te kennen dat zij een

verdedigingsoorlog voeren, dat de Belgen hun ondergang zelf gewild

hebben, dat zelfs de verwoesting van Leuven hún niet als schuld mag

worden aangerekend. Zoo is het in manifesten en ambtelijke berichten,

zoo in telegrammen en artikelen van dagbladen. Ook wie vrienden in

Duitschland hebben, weten het. Iedere brief die zij ontvangen, is een

verdediging. Een ruimdenkende duitsche vrouw schreef mij in volle

onschuld: waarom heeft België dan ook niet, zooals Luxemburg, ons rustig

doorgelaten?

De duitsche rijks-kanselier wist het beter. Onze inval in België—zei

hij—is een schending van het volkenrecht.

Is het misschien toch een teeken dat het rechtsgevoel in Europa is

vooruitgegaan: het besef dat schending van het volkenrecht door een

groote sterke natie een zonde is tegen de heilige geest van de

menschelijke gemeenschap, en een misdrijf dat niet vergeven wordt?

Holland en de oorlog · 第 36 / 138 题