VADERLAND EN MENSCHHEID

De gedachte waar alle socialistische denkers van uitgaan, is deze:

dat de menschheid bezig is één te worden. Oorlog past daarom niet

in hun beschouwingen. Hij is de heftigste uiting van de drang naar

verbizondering, die het tegenovergestelde is van de eenheidsdrang.

Zij die zich geheel vervuld voelen van die eenheidsdrang en het als

vanzelfsprekend erkennen, dat de verschillende naties één menschheid

vormen, zij zullen nooit kunnen goedkeuren dat hun eigen land zich in de

allerergste mate, d. w. z. als vijandig en oorlogend, afscheidt van een

naburig land. Als nochtans de drang naar verbizondering zich doorzet, en

hun land, gedwongen door binnenlandsche of door buitenlandsche machten,

tot de oorlog overgaat, dan staan zij een oogenblik radeloos, want hun

heele vroegere overtuiging verbiedt hun eraan deel te nemen. Daarna

evenwel wenden zij zich in gedachten om, en némen er aan deel. Zij

kunnen namelijk niet ontkomen aan het feit dat zij leden van een natie

zijn en de lotgevallen van die natie deelen moeten. Zij hebben altijd

geleefd in een wereld zonder naties, in een menschheidwereld. Maar

die was niet de werkelijke. De werkelijke was eene, die naar het

menschheid-worden wel streeft, maar tevens, en met even groote kracht,

naar het vasthouden en vormen van verscheidenheid. De wereld beweegt dus

door tweeërlei werking, door een dubbeldrift; en niet zóó alsof de eene

helft van de menschen het vaderland en de andere helft de menschheid zou

liefhebben, neen, beiden hebben èn het vaderland èn de menschheid lief,

alleen maar ieder in andere maat en evenredigheid. Zij die zeggen dat

zij de menschheid liefhebben en niet het vaderland, komen toch, al is

het dan eerst bij het uitbreken van een oorlog, tot het inzicht, dat zij

ook in hun gevoel, zich van het vaderland niet kunnen scheiden, zoomin

als zij hun lichaam en hun leven ervan gescheiden hebben. Zij oorlogen

dus nu, niet alleen als gedwongen, maar uiting gevend aan een gevoel

dat zij nu eerst in zich ontdekt hebben, een gevoel van gemeenschap

met het naaste en het eigene, een wezenlijke volksgemeenschap. Zij die

levenslang tegen de oorlog gepredikt hebben, trekken dan zingend mee

op, roepen juichend de machthebbers toe die zij vroeger minachtten en

hoonden, keuren alle maatregelen goed die genomen worden door een

regeering waarvoor ze eerst enkel achterdocht of afkeer voelden en

verheffen zelfs niet hun stem als de oorlogstoestand hun aanvoerders

drijft tot misdaden tegen het volkenrecht. Toch is het volkenrecht de

eerste zwakke schets van een menschheids-recht en moest dus allereerst

beschermd worden door hen die de menschheid meer dan het vaderland

zeggen lief te hebben. Zij voeren oorlog, en—ik herhaal het—niet als

in den strijd gejaagd, maar gehoorzaam aan een stem in hun hart die ze

vroeger niet gehoord hadden. Zij hebben altijd gemeend één te zijn,

zooals zij droomden dat de menschheid één is. Nu zij zien dat de wereld

haar gesplitstheid tot de dood toe doordrijft, ontdekken ze hun eigen

dubbelheid. Ernstige oogenblikken leeren ernstige waarheden. En alleen

in oogenblikken als de tegenwoordige konden de geloovers aan hun eigen

eenheid—de veroordeelaars van het Andere—tot het inzicht komen dat zij

zelf tweezijdig zijn en dat het Andere ook leeft in hen.

Holland en de oorlog · 第 26 / 138 题