ONZIJDIGHEID

Een bekend partijleider schreef onlangs dat wanneer wij vallen bij de

verdediging van onze onzijdigheid, wij voor „den vrede” sterven. Dit is

natuurlijk een drogreden. Als wij onze onzijdigheid verdedigen tegen een

indringer, dan strijden wij voor het recht heer in ons eigen huis te

zijn. Wie temidden van oorlog-voerenden de onzijdigheid afkondigt, leeft

dan ook niet in vrede, maar in de afwachting na een oorlogsverklaring.

Hij heeft de oorlog verklaard aan ieder die bij hem wil binnendringen.

Of hij uit de bereidheid tot de oorlog zal overgaan tot de werkelijke

daad, hangt verder niet van hem af, maar van anderen. Wie komt zal hem

gereed vinden.

Onder sommige omstandigheden evenwel is de onzijdigheid een

onmiddellijke oorlogsdaad. Het onzijdige land beschermt door zijn

grenzen een ander land, het belet vrienden elkaar te hulp te komen,

en vijanden elkaar te bestoken, het kan door doorvoer en uitvoer van

levens- en oorlogs-behoeften de eene strijder gerieven en de andere

afbreuk doen.

Dit karakter van oorlogsdaad te zijn, kan te allen tijde een buur

uitlokken de onzijdigheid te schenden, om van de voordeelen die het

gesloten land aanbiedt, partij te trekken.

Het volk, wiens regeering besloten heeft, dat het onzijdig zal zijn,

behoeft daarom niet minder, maar eer meer vastberadenheid dan een volk

dat onmiddellijk oorlogvoert. Het moet geen oogenblik toegeven aan

de gedachte, dat het door wie maar wil in een oorlog „gesleept” kan

worden. Het moet integendeel leven in het besef, dat het, door zijn

houding zelf, vrijwillig aan de oorlog deelneemt. Het moet vrijwillig

vastbesloten zijn heer en meester te blijven in eigen land en op eigen

grenzen. Het moet die grenzen, zoo noodig, kunnen verdedigen zonder de

_overprikkelde_ vaderlandsliefde die in haat tegen één bizondere vijand

wordt omgezet, maar met die onomkoopbare liefde voor het eigene, die al

het vreemde, als het wil indringen, weert.

De pruisische geest is ons hier ondenkbaar, maar niet minder de fransche

of de engelsche. Pruisen _heeft_ de onzijdigheid van België geschonden;

maar Engeland heeft de Boeren-republieken verwoest, en Frankrijk heeft

ons eertijds ingelijfd. Geen enkel van deze groote staten is voor ons

betrouwbaar. Als vriend zijn zij, stuk voor stuk, ons misschien nog

gevaarlijker dan als vijand. Maar als wij tusschen of tegenover hen onze

houding bepaald hebben, dan vergt het handhaven van die houding, zoolang

wij zelf haar gewenscht achten, in elk geval eerbied af.

V

Holland en de oorlog · 第 25 / 138 题