HOOFDSTUK XX.

"Achtbare Heer,

"Het gemoed den spiegel der menschheid waarin men gansch zijn leven

kan terugzien, belast mij met zwarighedes.

"Mijn leven dat niets anders is dan eene aaneenschakeling van ellende,

armoede, verdriet en misdaden, gepaard met nog vele andere misdrijven

en omstandighedes, doet mij bij zekere klas van personen een aanzien

verschaften als uitschot der maatschappij, nieteling in de samenleving.

"Nochtans geachte Heer, gij, dat levend massa, gij die bezield zijt

met een fabelachtig vermogen, een edel gevoel en innemend karakter,

begaafd met eene geleerdheid van Salemon, gedenk een man die aan het

visionisme lijd?

"Menigmaal heb ik opgemerkt dat na het verhaal van een klein gedeelte

mijns levensloop den ongeletterden of bijgeloovig mensch een afkeer

voor mij koesterde, menschen die ik aanzien als ontaarde wezens,

wiens karakter naar het dierlijke overhelt.

"Achtbare Heer, vergeef het mij, maar man als ik rondzwervende

rampzalige, die ook alle uitvluchtsel en omstandigheden der samenleving

kent, volgens mij is de sympathie die uwe dienstbode mij koesterde min

of meer uitgedoofd. Ik kan mij inbeelden wat daar aanleiding toe geeft.

"Maar vermits gij eenmaal gansch mijn levensloop zult weten--'t

ergste komt nog!--veroorloof ik mij uw goedheid af te smeeken, om

mij te helpen in mijne noodwendigheden, en haar, die twee druppels

water een Prinses is, in te beelden dat ik goedhartig en nederig ben

aangaande haar persoon.

"Steunende op Uw welwillende Edelmoedigheid achtbare Heer, en in

aanmerking nemende mijn voorliefde, die ik voor u koester, hoop ik wel

geachte Heer, dat uw medelijdend oog zal nederzien op het rampzalig

leven van mij

"Uw nederig dienaar C. E. Racier."

Dien middag had Racier tot drie uur op mijn kamer zitten vertellen. Een

uur later vond ik dezen brief in de bus,--getrouwe variatie op zijn

fameuse generaalspleidooi,--zóó keurig gecalligrafeerd en met zulke

prachtig omkrulde beginletters versierd, dat hij hem zeker door een

ander had laten schrijven.

Maar net of er niets tusschenbeide was gekomen, zat hij den volgenden

morgen al weer tijdig klaar om op het vale stramien van zijn leven de

bonte kleuren zijner verbeeldingen voort te borduren. Ik sprak evenmin

van den brief. En 't scheen al alsof die rare gril bij stilzwijgende

overeenkomst maar liever zou worden genegeerd, toen hij opeens lacherig

verlegen naar mij opkeek, en er waarachtig een schuchter rose opbloosde

in zijn groezelwitte gezicht.--Want 't was wonderlijk, maar nu en dan

zag je op die verloopen facie kinderlijk-teere emoties weerschijnen, en

de kerel, die in 't grove zoo meesterlijk kon veinzen, zoo bedriegelijk

comedie kon spelen, was nog altijd z'n naïeve aandoeningen geen baas,

al trachtte hij ze ook aanstonds brutaal te overschetteren.

Zoo ging 't ook nu. 't Hinderde hem, dat ik er niet over begon. Dat

zwijgen verwarde 'm een beetje, en zoodra hij zich voelde blozen,

schoot ie in een onechten schaterlach, sloeg overdreven op z'n knieën,

en alsof 't niets dan een mop was geweest, proestte hij los: "hoe

was tie, hoe was tie?--wat 'n bak hè, zeg, hoe von je 'm nou?"

Maar ik was in een stemming om 'm te plagen en hield me lakoniek of

'k er niets van begreep. En door z'n aanstellerij van uitbundige pret

heen hunkerden z'n oogen aldoor dat ik toch mee zou gaan lachen om

zijn penibele houding te redden...

"Ja, zie je"--begon hij zich nu gejaagd te verontschuldigen met eerst

telkens pauzes van confuus gegrinnik--"zie je, 'k had 't je ommers

beloofd, hè ... da'k je 's me fijnste handschrift zou sture... Hè je

die eerste letters gezien?... en dat adres, hè?... zoo allegaar uit de

vrije hand ... op logement in me leege ure getrokke ... En heelegaar

zèlf, hoor ... heelegaar zèlf .... geen mensch an geholpe ... of

doch je van niet? ... want die rekweste-schrijver leit tegeswoordig

ommers op 'n ander logement... Ik kòn 'm niet eens, die man, toe

'k je schreef ... nee, en toe 'k 't 'm liet zien, toe zeit ie:

'k ben d'r jaloersch op zooas jij toch ken schrijve ... want 't is

twee droppels water mijn eigeste hand, maar alleenig veel fijnder

... nòg fijnder ... nog nobelder... Ja, dat zei d'ie, dat 't nobelder

was dan zijn hand!... Nou, en hoe von jij 't dan nou?.. want je zeit

niks... Waarom zèg je nou niks?... 'k Hè je toch niet beleedigd?... Of

was 't je te amekaal van zoo'n schooier, van zoo'n brok vuil, hè

... da 'k je 'n brief schreef, zooas tie uit mijn zondige hart op was

geweld?... Want me laaste ademtocht ... hè ... me doodsnik ... da'

weet je ... de kreet eener stervende, wiens misdadige ziel opstijgt

voor de vierschaar ... van de Natuur--Nou dach jij da 'k me daar ging

versmoeze .... da 'k as verwoed atheïst me steke liet valle ... Maar

valt 't je mee ... zeg ... valt 't je mee van Racier dat-ie nog net

op 't laatste nippertje Gods's naam in het geslikt en me eigeste

geloof hoog heb gehouwe?... Want jij snàpt mijn, geloof ik ... Jij

kijkt me zoo link ... die brilleglaze van jou bore 'n mensch dwars

door z'n hart ... en d'r ontsnapt jou niet veel, man!... Waarom be'

je eigelijk geen rechter van exstructie geworde?... Of hè je nog

te veel met de boeve te doen, hè ... met d'r rampzalige lot ... om

ze allegaar in de lik op te sluite?... Anders mot je 't maar zegge

... as je met zoo'n zondaar as ik ben ... a'k je ben tegegevalle

... want 'k hè je vooruit wel gewaarschouwd... Van de eerste dag an

he'k tege jou gezeid: man, a'je Racier kan, in z'n inwendig gemoed,

en ziet hoe vuil, hoe zwart 't daar is .... dan schud je je hoofd

en roept uit: Ga van me, jij ben me te slecht!... As 't zoo ver is,

da' jij me verstoot ... nou affijn, zeg 't dan maar ... Hier zit ik,

me hoofd is geboge, neem je moker dan op, en slaan me de harsings

kapot ... Wat geef ik om mijn leve?... D'r is een wijf op logement

... van de vijnste famielje ... d'r pappa was notaris ... d'r broers

benne dokter, avecaat, en lid van de Raad ... maar zij, de gevallene,

zij loopt op de baan ... En die heeft me op koste van ongelijk lief

gekrege, die arme meid ... Gisteraved, toe ze d'r laaste volk uit

had gelate ... is ze zóó op de straat voor me voete gevalle, het ze

me knieë gegrepe, en gesnikt ... to'k d'r alles van begreep ... Maar

'k heb d'r niet verstoote ... Zooas 't een ridder betamelijkt, he'k

d'r opgeheve ... zij is toch jonkvrouw, óók immers van adel ... en

me mededogendheid van misdadiger die nog altijd een mensch is, he'k

over d'r rampzalige ziel uitgegote.--"Grijp u vast an 't kruis,

Mina!"--dat heb 'k gezeid ... Ja, as atheïst zijnde heb 'k haar

't kruis voorgehouwe, want zij staat altijd nog in de Bosschieskerk

ingeschreve ... "Zoek uw heul en uw toeverlaat in de heilige biecht,

meid! En wend je af van de manne, want 'tben toch immers allegaar

verslete kerels die jij krijgt..." Ja, 't is toch waar, zoo'n ouwe

lijkstaassie die an de brandspiritus verslaafd is, en met 't onrein

in d'r grijze hare ... "Ik--dat heb 'k gezeid--ben an 't gloof van

me moeder ontvalle; maar jij, Mina, wie veel lief heeft gehad, zal

veel vergeve worde, meid. Je het 't uit geen weelde gedaan, dat weet

God!" ... Toe heb 'k 'r 'n dubbeltje van die gulde van uwe gegeve, en

'k heb d'r geraje: ga nou morge 't eerste voor die cente baje, en vraag

dan an m'eer pastoor om je zonde te boete, en as 't kan om 'n bitje

bedeeling van turf, aarappeltjes, en 'n paar brooje bedeeling in de

week voor van 't winter... Ik ben je genege; we zijn allebei zondige

mensche van edele afkomst, maar kijk mijn an: ben ik nou de eik, waar

jij je as klimop voor eeuwig om slingere ken?... Zeg 't zelf, ik ben

'n ruïne, al ken 'k ook nog wel 'n knap vrouwspersoon an. Maar ik

zwalk zonder stuur door de bare van 't leve. En waar 'k 's nachs van

droom, die rol speel 'k 's morges, net zoo lang to'k weer in de lik

anbelant, of jammerlijk op de klippe der zonde verplettert. Want voor

mijn staat daar geen kruis meer met roze op die rotse. Zeg nou zelf,

zoo'n schuit is 'n wrak, en geen huwelijksboot, meid-lief ... Maar

'k vraag je één ding--want je ken me nog niet--: he'k voor eeuwig

schipbreuk geleje, lees dan trouw iedere aved de krant, of daar geen

berichie van de schouwburg in staat, dat er 'n stuk wordt vertoond:

"Het Leve van 'n Atheïst, of die Martelaar van zijn Geloof" ... Die

martelaar, Mina, die held voor 't ongeloof, die rampzalige gevalle man,

dat ben ik! En a' je 't dan maar effe kan lappe, effe an 'n armoeiïge

schelling kan komme--ja, al mos je 'm ook stele!--gaan dàt stuk dan

kijke, want je ziet er 't leve in gespeeld van de man, die je daar effe

je liefde het geopebaard, maar die veels te slecht was om ooit jou

bruigom te worde."--Ze snikte, haar hoofd was voor 't eerst en voor

't laast an mijn boezem gezonke ... Ik streelde haar lokke, ze zijn

nog zoo zacht ... as zij, man ... en de bleekheid der liefde verfde

haar wange ... Maar 'k rukte mijn los ... "La' we sterk zijn, Mina,

en geen kussing meer deele, daar 't noodlot zijn grauwe vlerke op

spreidt... Neem me an as uws broeder, en luister na me raad ... Voor

't onrein is geen goud zoo goed as stavezaad met jenever ... en om

je van 't spiritus af te wenne ... drink je hier dag an dag voor mijn

cente één glaassie cognac. Me zalle d'r maar direc mee beginne ..."

"Toe hebbe me same elk 'n slaapmutsie gevat ... Da's ook goed voor

't sjegrijn, want we hadde te doen met mekander. Zij met mijn, ik met

haar, die arme meid. En toen alle volk na kooi was, zei de waardin:

"Kom kinders, 'k heb maf, 't wordt tijd." Mina is na 't zolder, ik

ben na de vliering gestrompeld, maar vanochend zag 'k 't haar wel an,

dat ze net zoo min as ik een oog dicht had geloke.--

"Ben je nou nog beleedigd, om die brief?... Of heb 'k me goeie hart

voor je ope geleid, dat 't één bonk dankbaarheid is?.. Jaag me anders

maar weg... Ben 'k je te min, dan trap je me subbiet je kamer af

... Want die stoel hier bij dat kacheltje za 'k tòch nooit vergete ...

"Weet je hoe 't komt, da 'k vannacht niet kon slape?"... Ik dacht àls

an die brief ... 'k Had zèlf twee nieuwe penne gekocht, dat die man

'm op z'n mooiste zou schrijve ... Nou, en hoe was tie?... 'k Was

t'r zoo trotsch op, da 'k 'm er jou pijp met dat zilvere plaatje voor

heb gegeve ... Misschien hè je later nog wel 's zoo'n Gou'sch stompie

voor mijn ... want 'n souvenir zit 'm niet in de waarde ..."

De meid kwam binnen en bracht twee koppen koffie.

Toen ze weg was, zat Racier met z'n handen voor z'n oogen. Hij had

van die zielig verarmde, lange, bleeke handen, met roode knoken. En

ze beefden nu, schokten voor z'n gezicht.

Maar in eens keek hij met z'n betraande facie lachend naar me op:

"Zoo bèn jij nou ... da's je nobele hart ... Je zeit niks, maakt

me geneens verwijte om de astranterigheid van die brief ... En toch

deurzien je 'n mensch z'n innigste wensche ...

"Ben je dus nou weer heelegaar goed? Is 't alles van gistere vergeve

en vergete?... Want anders dan ben 'k je koffie niet waard, en zet

ik geen mond an 't bakkie ..."

"Waarachtig, Racier--als 'k je nou toch begrijp ..."

Maar hij stak me zijn voeten toe: z'n verloopen schoenen glommen

opmerkelijk.

???

"Ja, ja, dat was 't, dat is 't natuurlijk geweest. Da 'k daar zóó

maar, met slikkerige bene, zoo maar, net as 'n beest van de straat

in je huis was geloope. Die beleediging, da 'k haar trappe bevuild

had en jou fijne kleed in je kamer ... 't Was ommers 't minste,

't laagste ... Toe hadde jullie netuurlijk genog van de schooier;

was zij nog te vies om an een kop uit dr keuke mijn lippe te zette

... Toe was 't uit met de eer van 'n bak warme troost uit dezelfde

pot ... Dàt was 't! Vannacht is 't me in eene te binne geschote,

toe 'k maar maalde en tobde wat 't toch zijn kon, dat 'k nou geen

kop koffie meer waard was. Want dat schrijnde me, man; me ooge wouwe

d'r niet meer van dicht ... En medeen, da 'k 't snapte, ben 'k met

'n rood hoofd van schaamte me bed uitgestapt, heb 'k an Mina d'r

doossie schoensmeer gevraagd, en sting 'k te poese ...

"Niet zoo zeer om die koffie, al wist ik ook nooit, dat er zóó'n

weldaad voor 'n ziekelijk lichaam bestond; want da's medicijn, je

leeft er van op, je voelt je as zwerver de keizer gelijk,--'t hangt

effetief bruin an de kom ... en dat schuim, dat je van de lucht

altemet al gaat droome ... Ja, man, die kop zege za 'k nou tot me

dood toe dag an dag misse ...

"Maar da 'k 'm gistere nie kreeg--'t speet me geducht, want 'k lag

er de heele nacht na te vlasse ... Toch ha 'k dat nog wel kanne

verknoerste, as 't niet was, dat jullie, me laaste, me anker in

de zee van de zonde, mijn nou óók al niet langer lust ... En met

me bloedende hart, he 'k toen in één asem die brief opgemaakt, nou

'k van jou mot scheië ...

"Eén ding alleenig, da' mo'k je nog vrage ... Want zie je, die

Mina, waar 'k je daar strakkies van sprak, die kan d'r wel uit,

uit mijn tooneelstuk. Die ouwe lijkstaassie verdoet zich tòch an 't

brandspiritus, want al wat er 's avens tussche ons was voorgevalle,

had ze vanmorge alweer heelegaar vergete. Toe 'k d'r, vóór 'k hierheen

ging, nog 's effe teerhartig over begon, keek ze mijn an of ik gek

was ... dus: dronke geweest, óók pizekor: een liefdesverklaring

van spiritusdamp ... Ha'k 't gewete, dan ha'k d'r een lucifer bij

gehouwe en was d'r heele declaraassie in een mooi blauw vlammetje

subbiet opgebrand. Dat was dan maar beter geweest ook ... Dus laat

die Mina uit onze kemedie maar liever weg as je wil ... De mensche

zouwe der nog maar om motte lache.--Zoo is dat gekapte-hoofde-publiek,

dat tuig van de autemebiele! En dáár is die meid me toch nog van te

nobele afkomst ook voor; wat jou? Is 't soms niet rampzalig genog,

zoo'n val? Bovedien ... ik as held, zou door zoo'n declaraassie

ommers óók van me staassie, van me doorluchtende glorie ... van me

adel en majesteit, dar! af motte brokkele, en in 't kemieke vervalle

... Nee man, die passazie van Mina hou je d'r buite, op ieder geval,

en je zet er maar in op 't slot dat schrijver dezes netuurlijk met

zu'k soort zondaresse geen omgang hieuw ... Zulle die toeschouwers

mijn inwendig koerakter van gevalle man nog bewondere ..."

Met bei z'n armzalige handen om den kop heen, vertroetelend, zoog ie nu

eindelijk z'n koffie, de oogen aanstellerig dicht in z'n verheerlijkte,

witte gezicht. Toen stond Racier langzaam uit den leunstoel op, en

opeens wonderlijk weemoedig, nam hij afscheid als voor een lange,

lange reis ...

De zonderlinge avonturen van "Zijne Excellentie de Generaal" · 第 22 / 22 题