HOOFDSTUK VII.

JAN VAN ECK VIERT FEEST, MAAR HOORT TOCH TIJDINGEN DIE

HEM NIET BEVALLEN, EN DIE HEM RUZIE DOEN MAKEN.

Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering,

die in de kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook

op den 20sten Februari ontmoette hield hij staande om met hem een

praatje te maken. Er waren echter eenige personen die hij zorgvuldig

vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, de man die in den

vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en nadat

de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef

bekleeden niet alleen, maar van het grootste nut was geweest voor de

veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote talenten had

gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de

Kazerne wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe

Hollandsche regiment voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer

notitie nam, en het allerminst onze vriend.

De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer;

op den 5den October van dat jaar had hij zich een kogel door den kop

gejaagd, en zich op die wijze aan de verachting zijner medemenschen

onttrokken.

Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd

als hij nog in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet

goed had gekend, zou misschien wel tot de liefdelooze gevolgtrekking

hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep in het glaasje gekeken had.

Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een extra borrel,

zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude

man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want

dronkenschap was iets dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen

haatte, en waaraan hij zich dus in geen geval schuldig maakte. Toen hij

echter zijn oude vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop

den heer Eksteen, dezelfde die de ongenoode gasten op de bruiloft

zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een wonder dat de drie

heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” te

gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden

spoedig uit dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat

zoet gekout wilden aangenaam maken; integendeel het was in het hotel

vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt en men dronk met innigen

dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede zaak.

Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen

men geleden had onder de Engelsche regeering.

„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten

minste twee knappe mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen

gewoon man, en iemand die niet alleen de beste bedoelingen heeft, maar

daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit zijn en als alles

hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk

een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig

man, die het goed met het land meent, en met wien onze boeren goed

zullen klaarkomen, want hij heeft geen greintje hoogmoed”.

„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die

totaal ongenaakbaar waren voor onze menschen, en niets dan verachting

voor den Afrikaner hadden”, zeide de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan

reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” vroeg hij verder

aan den heer Van Reenen.

„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat

zij hier al van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste

inwoners gesprekken hebben gevoerd, ten einde informatie te bekomen.”

„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich

heeft laten aandienen bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd

heeft hem te zien?”

De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere

personen die in de kamer tegenwoordig waren, riep uit:

„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde

den schobbejak recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en

een onderzoek instellen omtrent zijn gedrag; dan schiet hij zich

misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan

heeft.”

„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den spreker, die wel wat

opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil met rust,

en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe

gouverneur om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd

ding werd gedaan, en tweedens zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets

kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon krijgen.”

„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten

lantaarnpaal zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen

te fluisteren.

„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om

deze lieden hier thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel

goed voor hen is, en zijn juist in staat om allerlei baldadigheden te

beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld ook niet lijden mag, zou

ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten volkshoop, te

meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.”

Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en

Eksteen de stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om

zijne nicht Elizabeth op te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat

hij haar een bezoek had gebracht, en dat wel om de volgende reden. Toen

de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, had Hans de Beer zijne

betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en was hij in

dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een

boekhouder noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan

zijn neef bezorgd had, door een goed woord bij den heer Faure, zooals

de koopman heette, te doen. Want, schoon Hans nog dikwijls heethoofdig

was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen den oom en den

neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig

man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar

1802 was de heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak

op, zoodat na eenige maanden Hans de Beer weder zonder betrekking was.

Weder was het de oude oom die moeite deed om voor hem eene geschikte

betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, om een plek voor

hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs en

notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was

geworden in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de

Thesaurie. Het denkbeeld dat een lid zijner familie in Engelschen

dienst was getreden, en daardoor als het ware een verrader van zijn

land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en hij

wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht

gegaan, om zich van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen

men hem verteld had, geheel de waarheid was. De heer Van Eck was hier

zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie had met zijne nicht, die

dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. Het

was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders

was er nog meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan

ontzag hij geen mensch. Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn

hart op echt Hollandsche manier te hebben gelucht, het huis van zijne

nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet zou zetten, en

inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer op Zeezicht geweest.

Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een

goed humeur, dat hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te

vergeven, want zooals alle menschen van een opvliegenden aard, was hij

niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij stapte dus even gerust en

bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op den stoep, en

de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien had, scheen, als de

eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn ouden

vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had

doen vallen, kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof

hij een vreemde bezoeker was, in de voorkamer gelaten, en dit omdat de

meid, die nog niet lang het eigendom van Mevrouw De Beer was, hem niet

kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, vloog de goede

oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om Van

Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de

oude vertrouwelijkheid niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij

aan het praten waren, kwam Annie, thans eene groote, uitgegroeide jonge

dame, ook de kamer binnen, en groette haren „Oom” zooals zij Van Eck

steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel bij om het

gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan

het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met

vertellen, dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk

knikjes met het hoofd gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander

waarschuwt om iets toch niet te verhalen. Met al dat praten was het

bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck vroeg of hij

niet zou blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en

liet nicht daarop wat wijn en bitter in brengen, want het bitter

drinken, vooral met het zoogenaamde maagelixer, is nu juist niet een

uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden

gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook

wordt gedaan.

Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was

niet weinig verwonderd om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op

een beetje bedeesde wijze, dat hij hem groette, maar Van Eck stelde hem

gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien niet uit de sloot

zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige

eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst

van het Hollandsche gouvernement kon treden. Hans zeide echter

glimlachend, dat hij bang was dit te doen, want het scheen hem toe, dat

de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen

onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag

waren het de Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten

om den staatsdienst vaarwel te zeggen, en zou liever gaan zien of hij

niet een stuk grond of eene kleine plaats kon huren waar hij op kleine

schaal wat boerderij kon drijven. Jan van Eck zeide dat de boerderij

zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij en zoo

onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur,

tenzij Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de

regeering op request tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten

te boeren. Daar Hans echter verklaarde zich liefst met wijnbouw te

zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, was zijn

neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een

kleine wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was

tegen een redelijke prijs, en dan zou hij later aan zijn jongen neef

den uitslag van dit onderzoek mededeelen. Toen men dus aan den

middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt

hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet

bekend was met het verledene, toen plotseling de kamer was

binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen vermoeden, dat er nog maar

weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht tusschen de

hoofdpersonen van de familie.

Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan

is het onweer niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen.

Het was alweer de ongelukkige Hans die de boel verbrouwde, door

plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen

of hij het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie

hadden niet de minste gedachte wat er zou komen, en meenden dat het

nieuws iets was dat misschien in de stad bekend was geworden of dat

in verband stond met de verandering van de regeering. Maar toen Van Eck

zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met:

„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat

trouwen met een Engelschen kapitein”.

Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit

onverwacht bericht deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand

viel, en de wijn gedeeltelijk op het hagelwitte tafellaken van nicht

Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het ongeluk bijna niet, en Annie

wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist dit geweest,

dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid,

niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den

ouden stempel is er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te

doen rondbazuinen in de wereld, en vooral niet haar verloving. Wat de

reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn wij nooit in staat

geweest om precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om

opspraak te verwekken, zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het

voorgenomen huwelijk zou afspringen, en beschouwt men het als eene

schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet raakt, daar de

menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had om

het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden

gelegd. Zooveel is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder

onze boerenbevolking verlovingen gewoonlijk geheim worden gehouden, en

eerst met het gaan van het eerste gebod in de kerk het publiek in

kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling

treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in

Duitschland eene verloving bijna tot een even groot feest aanleiding

geeft als de bruiloft zelve.

Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de

omstandigheden aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene

goede reden had, dat bleek spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd,

dat niet alleen hij zijn wijn over de tafel wierp, maar met open mond

beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht Annie aanzag; en

het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, en

vroeg:

„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hier vertelt, of houdt de

duivelsche jongen mij voor den gek?”

Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige

uitdrukking van Hans, wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen

en antwoordde:

„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan

kapitein Allen van het 87ste regiment. Hij was hier verscheidene malen,

en ik heb het reeds lang zien aankomen, en toen hij mij om de hand van

Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem vurig lief had, kon

ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar Engeland

vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is,

zijn ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te

vestigen als boer, zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij,

daar zijn vader een aanzienlijk eigendom in Schotland heeft, en

blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet noodig zijn dat Annie

mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland

een boerenplaats te koopen.”

Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide,

maar men kon zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer

geëindigd had, zeide hij op heftigen toon:

„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat verlaten of niet.

Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich in

het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en

dat nog wel een nationaliteit die ik vurig haat.”

„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te

oordeelen,” antwoordde Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want

zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, en wilde een heftig tooneel

vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, en storen zich

niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook,

want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter

worden.”

„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte

Van Eck, „maar ik zeg dat ze onverstandig handelt. Ze heeft zich door

een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den waren of

voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn

ouden dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige

familiebetrekkingen dag op dag meer en meer beginnen te verschillen van

mij in opinies. En—en nu stond Van Eck op en de drift zoolang door hem

in toom gehouden, barstte nu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb

om voor u te doen, nicht, wat ik kon, en dat de behandeling mij in

dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens

geraadpleegd, en hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij

verborgen te houden. En nu gij Engelschgezind gaat worden, begint het

mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan niet meer als een lid

dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.”

Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk

onderdrukten toorn bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór

de aanwezigen nog begrepen wat er aan den gang was, stond hij reeds in

den gang, waar hij hoed en stok greep, en de deur uitsnelde.

Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en

niet zoo haastig te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed

alsof hij het niet hoorde en stapte weg.

In zijn dagboek beschreef hij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne

woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, dat wij geen goed zouden

doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. Huwelijken

tusschen Engelschen en Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds

dien dag bij duizendtallen plaats gehad, en men zou, misschien met

recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan kwaad hebben gedaan.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 15 / 28 题