Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk
geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s,
andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met
aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig
opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan
wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al
zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst,
zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had;
denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren en die door
velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als
verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de
18de tot de 19de eeuw, is op het gebied van des menschen geest eene
zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij
heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te
veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men
hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische
beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers
vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf,
ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met
ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in
beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.
Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik
van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht
te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd,
dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795
tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk
betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort
zijn, omdat er kans bestaat, dat wij later onze lozers die
gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.
Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795
in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins
van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor
henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen
zeer treurig. De handel was in de Kaapstad geruïneerd, en er heerschte
een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op
zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa
papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering
was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit,
want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de
grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik
althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie.
Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid
waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om
de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de
bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een
der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de
bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in
den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe
volken, te naderen met die vooroordelen die in het Angel-Saksische ras
ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles
wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is
merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een
dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog,
geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren
van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen
verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het
is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.
De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles
behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant
bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor
den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed
tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat
ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet
veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel
te kunnen wijzigen door ondervindingen.
Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der
inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote
voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun
vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou
opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou
betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed
van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die
eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en
zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de
nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van
regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er,
wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het
distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een
zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd,
begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering
kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede
voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur
was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar
gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de zaak, dat men
vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd
getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering
erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de
Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en
bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat
met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle
omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.
In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om
juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de
kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen
schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd
door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de
Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven
met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche
regeering openlijk te kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed
te houden als eene Britsche bezitting, en die niet terug te geven aan
het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor
het bestuur der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord
Macartney uit, en met diens regeering begint de treurige tijd van
Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle
betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur
zich alsof hij in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners
moesten een nieuwen eed afleggen aan koning George, en de geringste
vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de gouverneur wel noodig
beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden.
Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den
koning hadden afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog
eens afteleggen; doch diegenen die weigerden werden spoedig door dwang
tot eene andere zienswijze gebracht; men liet een troep dragonders zich
bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. Mocht er iemand
gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen
der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt,
en de geschiedenis verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval.
In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van
Bergvliet, tusschen Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en
voor die gelegenheid zond de vader een aantal uitnoodigingen uit aan
vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. Dit deed hij op de
wijze zooals toen ter tijde gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij
was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen te adresseeren aan
„Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van het bruiloftsfeest kreeg
hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een
detachement dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den
Gouverneur waren gezonden onder het voorwendsel dat er een oog moest
worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde personen die op de
bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk naar
het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en
te kennen te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het
uitzenden der uitnoodigingen, maar het duurde een heele tijd voor den
gouverneur zich vermurwde en ten laatste order gaf dat de dragonders
terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen borgtocht
ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet
meer zulke misdadige dingen zou plegen.
Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in
Zuid-Afrika haar nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te
volgen. Schoon aan de kolonisten vrije handel was beloofd, hield men
die belofte op eene eigenaardige manier. Goederen uit Engeland konden
vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden uit andere landen
worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten zij
een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere
omstandigheden die vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche
landen met vreemde schepen moesten worden ingevoerd, dan werd op zulke
goederen dubbel invoerrecht geheven.
Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika
aangekomen, een man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze
kolonie, en aan Zuid-Afrika in het algemeen heeft gedaan. Dit was de
heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, maar vol van vooroordelen,
en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de
Afrikaansche boeren vernam te gelooven zonder een onderzoek in te
stellen of die berichten juist waren of niet. Na korten tijd hier te
zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie en hare bevolking,
dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw bijna
het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden
de Afrikaansche boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en
ter verachting van het menschdom ten toon gespreid.
Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen, zich een geheel
verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en dat
zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar
niet alleen de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland
kreeg door het boek van den heer Barrow, dat een groot aantal lezers
had, een totaal verkeerden indruk van den toestand alhier. Aan de
werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige misslagen
van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate
verantwoordelijk voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd
heeft tegen den Afrikaanschen boer; hij en Dr. Philip, die met andere
oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft belasterd.
Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een
tijd lang door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te
Graaff-Reinet stil bleef. Doch in 1798 was de gezondheid van den ouden
Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar Engeland
terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten, Generaal
Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk
daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep,
deels omdat men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels
omdat de plannen van de leiders van den opstand slecht waren
overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de
Kaapstad gezonden; een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor
hoogverraad terecht en werden tot verschillende straffen veroordeeld;
de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo en Adriaan van Jaarsveld
werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, en
zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden,
totdat zij, bij het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op
vrije voeten werden gesteld. Doch voor dien tijd was Adriaan van
Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd hij dus de eerste
martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den
geschiedschrijver en den student van onze geschiedenis is deze
gebeurtenis van ontzettend gewicht, want daarin ligt de bron van al het
kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand van 1799 zijn
onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen
wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen
oogenblik geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote
Trek, het stichten der beide republieken ten noorden van de
Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden oorlog; dat
alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den
opstand van 1799 de Engelschen niet met het noodige verstand te werk
gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, den
vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die
berekening uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen
te schrijven zijn, maar daarvoor is het hier niet de plaats, en met
deze weinige aanmerkingen moet de lezer zich tevreden stellen, voor het
tegenwoordige althans.
Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze
bewegingen in Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er
een werkzaam aandeel aan had, schoon hij niet de wapenen opnam.
Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt
gemist, maar er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door
hem werd gedaan, en uit een ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer
intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis Edeman, een
schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had
gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand
had aangespoord. Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten
gevangen genomen, veroordeeld tot geeseling en verbanning uit de
kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. Hij werd als
bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene
jaren later.
Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon
van Sir George Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde,
en die hier een allerschandaligst bestuur voerde, waarin knoeierijen
van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren een hoofdrol
speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van
den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht,
op onkosten van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een
man, die goed met alle zaken betreffende de boerderij bekend was, en
die met behulp van eenige assistenten die met hem waren uitgekomen, een
modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in de buurt van
Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer
Duckitt gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te
ontkennen, dat deze laatste veel gedaan heeft om de boerderij op
beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, dan zij tot dien tijd werd
gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, dat er spoedig
klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich
verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20
April zijne betrekking overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen
later deze kusten verliet. Hij werd later terecht gesteld voor eene
commissie in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der
aanklachten, waarop hij uit den staatsdienst werd ontzet.
Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de
Oostergrenzen, die door het Engelsche gouvernement vrij slap werd
gevoerd, maar waarin de burgers, die opgeroepen waren, zeer dapper
vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant Tjaart van
der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de
Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon,
en nog geen vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de
Kougarivier. Zijn dood was een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd
feitelijk na dien tijd opgegeven, en met de Kaffers een soort van
opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend veel moeite
en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk
ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was
waarschijnlijk aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen
bespaard geworden, die millioenen gelds gekost hebben, zoowel als
duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit den rechten slag
gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen,
maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen
werd gevoerd onder den invloed der negrophilistische partij in Engeland
en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, dan dat wij hier er nog
over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom generaal
Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de
Engelsche regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren
oorlog te voeren, omdat het thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de
Hollanders zou worden teruggegeven.
Op den 1sten October van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt
tusschen Engeland en Frankrijk te Amiens, en een der voorwaarden waarop
de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte had gestaan, was, dat de
kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, eene
voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De
Oost-Indische Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze
Volkplanting dus direkt door de regeering van Holland worden bestuurd.
Het duurde echter geruimen tijd voor de finale vrede gesloten werd,
doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk werden
toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een
uiterst bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als
Commissaris om de zaken in de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen
grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan
Willem Janssens, een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle
verdenking was verheven. De Mist en Janssens kwamen op den 23sten
December in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal
Dundas eene schikking getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den
31sten zou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen
door de Hollandsche worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren
ook op den middag van dien dag de Engelsche troepen bezig zich
inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland aankwam, met
orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij
hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den
Engelsche soldaten weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die
reeds geland waren, werden gezonden in een kamp nabij Rondebosch, ten
gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad van Kaapstad, den
naam draagt van de Campground Road.
Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis
in de Kaapstad veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek
onder de bevolking, want men had de Hollanders met groote vreugde
ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland hier toch ten slotte de baas
bleef, de personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon
gespreid, scherp zouden worden behandeld. Er vond dus dadelijk een
uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd zoodanig dat Generaal
Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren in de
Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De
opgewondenheid duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep
natuurlijk niet wat er aan scheelde. Ten slotte kwam er op 19 Februari
een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het bericht dat de kolonie
thans kon worden overhandigd, en op den 21sten Februari woei de
Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het
Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien.
Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man
in Kaapstad de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan
Jan van Eck, die thans zijn hartewensch zag vervuld. Niet alleen was
hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de kolonie nu worden bestuurd
volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door de Bataafsche
republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de
gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken.