R. J. GORDON.

Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:

„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te

verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan

eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht

aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de

eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men

derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.

JOHN PRINGLE,

Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.

Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen

te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig

heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van

Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige

troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den

loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als

slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel

zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met

die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen

van vijand zoowel als van vriend.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 10 / 28 题