Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche
officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den
Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen
omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot,
doch deze vragen zeide de officier niet te kunnen beantwoorden daar
zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te
overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het
antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.
Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen
de leden het kasteel verlieten.
Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden
morgen kwamen in de Kaapstad aan luitenant-kolonel Mackenzie, van het
78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein
Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als
voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een
gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal
Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen,
waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden
toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de
Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht
dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den
brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij
verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in
Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap er afgeschaft was,
zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje
absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de
kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen
overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit
Kew in Engeland op den 7den Februari 1795, waarin aan den heer
Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland
toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te
ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie
te beschermen tegen een aanval door de Franschen.
Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den
Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind,
en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar
het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet
wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking
moest nemen, en volgens de konstitutie van de Oost-Indische Compagnie,
zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen,
zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de
Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig
wezen, want zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders
uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij,
die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden
overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde
zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken
van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat
kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het
beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men
een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de
Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met
dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad
mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze
voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te
kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo
noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden
leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd
gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was,
werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat
oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk oogenblik Generaal Clarke
uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger.
Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14den Juni
werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den
volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf
aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als
onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene
opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel
Gordon behoort te geven.
Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.
Edele Heer,
Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den
heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur
ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet
u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste
genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan
is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht
te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven
vereenigde provinciën met hunnen erfstadhouder, den Prins van
Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb
afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd
zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te
vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke
misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest
van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik
er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen,
die denken dat zij hunne geruïneerde geldzaken zullen herstellen
door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door
anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden
medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik
is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te
brengen.
Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan
komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte.
Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met
al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden,
en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik
42 jaren lang heb gediend, mocht komen te vallen hetgeen God
verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.
Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot
mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en
verblijf verder met eerbied, enz.