HOOFDSTUK II.

WAARIN EEN BEGIN WORDT GEMAAKT MET HET VERHAAL, EN DE

HOOFDPERSOON ZIJN INTREDE MAAKT.

Het zou zeker het gemakkelijkste wezen voor mij, om maar zonder meer,

hier het dagboek overteschrijven, en mijne lezers er zich dan op de

best mogelijke manier te laten doorworstelen. Maar ik vrees dat dit een

heel vervelend stukje werk voor hen zou wezen, en dat er dan kans

bestond dat zij, voor het boek nog half uit was, het ergens in een hoek

zouden werpen, met den uitroep: „Dat boek is mij te saai”. Om zulk een

ongeluk te voorkomen, heb ik besloten, om uit het materiaal in het

dagboek vervat, een verhaal optetrekken, in mijn eigene woorden, en op

mijn eigen manier, mij echter steeds vasthoudende aan de feiten zooals

bevat in het dagboek. Ik meen te mogen zeggen, dat over het algemeen,

die feiten vrij wel overeenkomen met hetgeen men in de geschiedenis

boeken van die dagen vindt; hier en daar is er een klein verschil, maar

dit doet niet veel af aan de waarde van het werk.

Voor ik echter dit verhaal begin, is het noodig dat mijne lezers iets

weten van den man die dit dagboek heeft geschreven: Jan van Eck. Heel

veel kan ik niet van hem vertellen, want de familie van Eck schijnt in

Zuid-Afrika vrij wel uitgestorven, zoodat het mij niet doenlijk is

geweest om eenige familie-dokumenten in handen te krijgen, en het

weinige dat ik heb kunnen uitvinden, en dat ik hier ga weergeven,

bestaat deels uit aanteekeningen gevonden in het boek van wijlen den

heer C. C. de Villiers, en uit gevolgtrekkingen door mij gemaakt uit

hetgeen ik in het dagboek heb gevonden, schoon de heer van Eck zelve

maar zeer karig is in het geven van berichten omtrent zijn leven of

identiteit.

In het jaar 1691 leefde er te Drakenstein een zekere Adriaan van Eck,

die burger der Kolonie was, en die in 1712 een zoon liet doopen met den

naam van Johan. Deze Johan had weder een zoon Johannes, geboren in

1741, en later gehuwd met Martha Magdalena Cordier bij welke hij 3

kinderen had, waarvan de jongste, Arie, in 1799 werd gedoopt. Geen

dezer van Ecks kan echter de schrijver van dit dagboek zijn, om de

eenvoudige reden dat uit het dagboek zelve blijkt dat de schrijver niet

gehuwd was. Dat hij echter tot deze familie behoorde is geenszins

twijfelachtig, want wij zullen zien dat hij in de Kaapstad eene

achternicht had, met name Elizabeth, weduwe van Zacharias de Beer, die

met hare kinderen verscheidene malen in dit werk voorkomen. Nu is

volgens het boek van den heer Villiers eene dochter Elizabeth, van den

ouden Johan van Eck gehuwd geweest met zekeren Zacharias Joseph de

Beer, en het is dus zeer waarschijnlijk dat dit de hierin vermelde

Elizabeth was. Maar verdere nasporingen van de identiteit van onzen

schrijver hebben geen resultaten opgeleverd.

Ook is het ons niet geheel duidelijk wat de schrijver van het dagboek

geweest is; er zijn echter passages in het boek die ons er toe zouden

kunnen leiden om tot de conclusie te komen dat hij vroeger in dienst

der Compagnie is geweest, en een vrij aanzienlijke betrekking heeft

bekleed. Immers hij verkeerde blijkbaar op zeer intiemen voet met een

aantal der aanzienlijkste mannen in Kaapstad, velen waarvan hij bij

hunne voornamen noemt; ook schijnt hij bekend te zijn geweest met

verscheidene boeren uit differente deelen der Kolonie. Ten tijde dat

hij dit dagboek aanhield woonde hij in een klein huisje gelegen aan het

strand tusschen het tegenwoordige Woodstock en Zoutrivier; een oude

kleurling die in het dagboek dikwijls voorkomt onder den naam van

Thijs, en die blijkbaar een slaaf was, en jaren lang in dienst van den

schrijver, zorgde voor hem, zoover het koken van de kost, en dergelijke

huishoudelijke zaken aangaat; en daarbij was hij een vertrouwde van

zijn meester, die hem allerlei gewichtige bezigheden liet verrichten.

Over het geheel heeft het dagboek op mij den indruk gemaakt, dat Jan

van Eck een dier menschen was, dien men gewoonlijk met den naam van een

zonderling bestempelt. Hij woonde eenzaam in zijn huisje, ging geregeld

iederen dag naar de stad om de nieuwtjes te vernemen, en zijne familie

en oude kennissen te zien, maar nam geen werkdadig aandeel in de zaken,

schoon wij zullen vinden, dat hij in 1795 dienst deed als soldaat, en

toen tot het zoogenaamde „Pennisten-korps” behoorde. Met zijne

medemenschen had hij niet veel op.

Hij was een zeer belezen man, en had vooral een grondige kennis van de

toenmalige Franschen schrijvers; Voltaire en Diderot, kende hij op zijn

duimpje, maar zijn lievelings-schrijver was toch Jean Jacques Rousseau,

en deze had een ontzettenden invloed op hem gehad. Van Eck was volbloed

revolutionair, en dweepte met de denkbeelden van „de rechten van den

mensch.” Hij haatte de ideeën van den ouden pruikentijd, had een hekel

aan het monarchisme of aan alles wat er naar zweemde, en was bovendien,

op het gebied van godsdienst doordrongen van de denkbeelden der

toenmalige vrijdenkers. Er zijn bewijzen uit dokumenten in het archief

der Kaap Kolonie, dat op dit punt er ook nog anderen waren die in die

dagen dezelfde ideeën koesterden. Men vergete niet dat de denkbeelden,

die in 1789 de Fransche Revolutie hebben veroorzaakt in Holland een

groot aantal aanhangers hadden, zoo zelfs dat deze er ernstige

politieke verwikkelingen veroorzaakten, en de „Patriotten” zooals men

ze noemde, eene mislukte poging deden om den stadhouder der

Nederlanden, Prins Willem van Oranje (Willem de Vijfde) van alle macht

te berooven. Deze poging, gedaan in 1787, werd verijdeld door de

„Prinsgezinden”, die gesteund werden door een groot leger, hun ter

hulpe gezonden door den koning van Pruisen; en het gevolg dezer

mislukte poging was, dat een groot aantal der „Patriotten” de wijk

moesten nemen naar Frankrijk, waar zij niet weinig werkzaam waren, en

ten slot te 1795 naar Holland terugkwamen, toen de Franschen dit land

hadden veroverd, en Willem de Vijfde de wijk had genomen naar Engeland.

Jan van Eck, was, wat zijne denkbeelden aangaat, een echte „Patriot”,

en dit zal den lezer in dit verhaal duidelijk worden, en verklaart

tegelijk het feit waarom hij zulk een ontzettenden haat tegen de

Engelschen had, die toenmaals vijanden van de Franschen, en sterke

ondersteuners waren van het Huis van Oranje.

Het bovenstaande zal ten minste onzen lezers eenig denkbeeld geven van

den man die het dagverhaal geschreven heeft, en wij kunnen thans ons

verhaal voortzetten, of liever gezegd, beginnen. Maar nog een kleine

verklaring is noodig. Toen ik het boek van den dokter kreeg, waren er

verscheidene bladen uit het boek gescheurd, door wien, weet ik

natuurlijk niet; een geheel gedeelte, namelijk dat tusschen de jaren

1796 tot 1802 is zoo goed als weg; andere deelen zijn door de actie van

het zeewater dat toegang schijnt te hebben gehad tot den inhoud der

kist, bijna niet te ontcijferen. Waar dit het geval geweest is, heb ik

uit andere bronnen eene korte geschiedenis te zamen gesteld van die

tijden, daar anders het verdere gedeelte van het dagboek niet te

begrijpen zou zijn. En ten slotte zij het hier gezegd, dat de eischen

van plaatsgebrek mij hebben verplicht om veel uit het dagboek te

verkorten, en er zelfs belangrijke deelen uit te laten. Het is echter

niet onmogelijk, dat als dit boekje in den smaak van het Afrikaansche

publiek valt, ik later nog meer uittreksels uit het dagboek zal geven.

Op den morgen van den 12den Mei in het jaar 1791, omtrent 11 ure

stonden er in de Graaffestraat (die later verkeerdelijk Grave straat

werd genoemd, en nu herdoopt is in Parliament street) in Kaapstad, drie

mannen een vrij opgewonden gesprek te voeren. De grootste dier mannen,

een flinke kerel van iets over de zes voet, en gekleed op eene wijze

die toonde dat hij tot den deftigen stand behoorde, heette Sebastiaan

van Reenen, en was inderdaad een der aanzienlijkste inwoners van de

Kaapstad in die dagen, gedeeltelijk wegens zijn groote rijkdom,

gedeeltelijk omdat hij een zeer bekwaam man was, en deels ook omdat hij

geparenteerd was aan bijna al de andere aanzienlijke burgerfamiliën der

stad, en dus een grooten invloed uitoefenen kon. Naast hem stond een

kort, eenigszins gezet man, die schoon niet zoo deftig uitgedoscht als

de heer van Reenen, ook tot de betere klasse van burgers scheen te

behooren, en wiens broeder dan ook de vrij aanzienlijke betrekking van

Resident van Simonsbaai bekleedde. Zijn naam was Pieter Brand, waaruit

men merken kan, dat hij tot een oud Kaapsch geslacht behoort. De derde

man is insgelijks een klein mannetje, iets kleiner zelfs dan de heer

Brand; hij is daarenboven veel schraler dan deze, en zijne kleeding is

veel eenvoudiger dan die der anderen; ja, men zou zelfs zeggen dat ze

hem slordig aan het lijf zitten, en dat de drager geen man is die zich

erg moe maakt over zijn uiterlijk aanzien. Hij is een man van iets over

middelbaren leeftijd, naar schatting omtrent acht en veertig of vijftig

jaar oud. Haren en baard vertoonen de eerste sporen van grijsheid, maar

hij loopt nog flink rechtop, en zijne houding heeft zelfs iets

„parmantigs” over zich, terwijl gebaren en spraak toonen dat het hem

geenszins aan levendigheid ontbreekt. De naam van dezen man is Jan van

Eck, en hij woont als jonggezel in een klein huisje aan het strand

tusschen de stad en de Zoutrivier.

De heer Van Eck is aan het woord, en hij zegt op heftige wijze, terwijl

hij zijn Malacca rottang, met zilveren knop, heen en weer zwaait:

„’t Is alles van het zelfde brouwsel, die groote heeren van de

Compagnie, mijnheer van Reenen; iedereen zorgt slechts voor zich

zelven; wat van de Compagnie of van den lande wordt schijnt niemand te

kunnen schelen. En natuurlijk, als men de gunst geniet van zijne

Hoogheid den Stadhouder, dan behoeft men zich niet aan de bevelen der

Compagnie te storen”.

„Ik beaam niet alles wat gij daar zegt, mijnheer van Eck,” hernam de

heer van Reenen, op ernstige wijze, „want er zijn ambtenaren zooals de

broeder van onzen geachten vriend, de heer Brand, die wel degelijk hun

plicht doen, maar ik vind het toch een schandaal dat mijnheer de

Gouverneur op deze onbeschaamde wijze handelt. ’t Is nu toch al meer

dan drie maanden geleden dat ZEd. uit Patria orders heeft ontvangen om

het bestuur hier neder te leggen, en zulks ten gunste van den Secunde,

en op het oogenblik speelt hij toch nog de baas, alsof hij van niets

wist.”

„Dat zou zeker niet het geval zijn, als het niet ware, dat de Fiskaal

van Lynden hem in zijn verzet steunt” viel den heer Brand in „die man

is een ware vloek voor deze volksplanting.”

„Ja waarlijk, dat moogt gij wel zeggen, mijnheer Brand” hervatte van

Eck, „nog nooit is alhier het recht op zulke schandelijke wijze veil

geweest als het thans is; de rechtvaardigheid, het eenige juweel, dat

de burger tot nu toe had, wordt aan den hoogsten bieder verkocht, en

het volk schijnt er zich niet tegen te durven verzetten. Neen, dan was

het wat anders in de dagen van Adam Tas, zaliger memorie; toen durfde

men nog voor zijne rechten opstaan, en als er thans onder onze burgers

denzelfden manmoedigen geest heerschte, dan was Cornelis Jacob van de

Graaff al lang op het eene of andere schip gezet, en zonder

complimenten naar huis toe gezonden, wat ook de Stadhouder mocht hebben

gezegd. Maar wij zijn slaven geworden, en eerst als de Fransche

Republiek ons de ware vrijheid zal hebben gebracht, zal er een betere

tijd voor de volksplanting opdagen”.

„Bedaar u wat mijnheer van Eck,” zeide van Reenen op waarschuwenden

toon, „men mocht u eens hooren, en dan zoudt gij misschien op zeer

onaangename wijze kunnen kennis maken met den Fiskaal”.

„Hebt gij nog geene tijdingen uit Graaff-Reinet, mijnheer van Reenen?”

vroeg van Eck bedaard, alsof hij niet de minste notitie nam van de

woorden van dezen; „ik hoorde gisteren een gerucht dat er daar heel wat

ontevredenheid heerscht, en de zaken er leelijk staan”.

„Men is er zeer gebelgd over de onverschilligheid van den Politieken

Raad, en eischt bevelen omtrent een kommando tegen de Bosjesmannen die

het de boeren aldaar zeer lastig maken moeten,” was het antwoord.

„De regeering behoort zeer voorzichtig te zijn met de burgers van

Graaff-Reinet” viel hier de heer Brand in „ik ken de bevolking daar

goed, en zij zullen zeker niet verdragen wat de menschen hier

verdragen”.

„Dat is een waar woord, mijnheer Brand” zeide van Eck, „de burgers van

Graaff-Reinet en ook die van Swellendam zijn wakkere mannen, die de

vrijheidsliefde van hunne voorvaderen nog hebben bewaard, en zich niet

zullen laten vertrappen door een handjevol betweters, die meenen alles

te kunnen doen, omdat zij in den gunst van den Prins of van de Hoog

Mogenden meenen te staan. Laat men maar oppassen; de waarheid is ook

reeds in die streken doorgedrongen, en het volk begint zijn eeuwige

rechten, hem door de Natuur geschonken te kennen. Vrijheid, Gelijkheid,

en Broederschap, zijn voor hen geen ijdele klanken meer, maar zullen

spoedig werkelijkheid worden. En dan wee de ellendelingen die hen

zoolang onderdrukt en uitgezogen hebben”.

Het gezicht van den heer van Reenen betrok, toen hij deze woorden

hoorde, en hij keek den spreker scherp aan; deze beantwoordde dien blik

echter even scherp, waarop de heer van Reenen zijn mond tot een

glimlach plooide, en zeide:

„Ik ga u groeten, mijnheer van Eck, want gij wordt mij ietwat te

gevaarlijk, en ik heb geen lust om u gezelschap te houden in het

Kasteel, waar gij ongetwijfeld zult belanden, als gij uwen vinnigen

mond niet wat meer in toom houdt”.

De drie heeren scheidden. Van Reenen en Brand stapten in de richting

van de Parade, terwijl de heer van Eck zijn weg voortzette, het

Stalplein overging, en toen een weg insloeg die de helling van den

Tafelberg opging. Al loopende, mompelde van Eck steeds bij zichzelven,

en het was niet alleen mompelen, maar ook morren, want hij zeide, op

driftige wijze, en zoo hoorbaar, dat als iemand hem voorbij gegaan was,

deze de volgende woorden had kunnen vernemen:

„Van Reenen heeft mooi praten met zijne waarschuwingen. De kerel is,

dat weet ik, net van dezelfde opinie als ik, en is een even echte

patriot. Maar zooals vele anderen is hij banghartig, en speelt den

heilige, uit vrees voor zijn karkas. Wat heeft men aan zulke

lammelingen, die even als Erasmus in de oude dagen, alles beamen wat er

door Luther gezegd en geschreven werd, maar die niet gemaakt zijn uit

het materiaal, waaruit de martelaren bestonden. ’t Is huilen met de

wolven in het bosch, wat zulke menschen doen; maar wacht maar een

weinig, mijnheer van Reenen, de wolven zullen net nu een ander deuntje

huilen, en dat zal dan ook uw deuntje zijn. Maar een voorzinger om de

goeie gemeente te leiden, dat te zijn, daar hebt gij den moed niet toe.

Wat een geluk dat Voltaire, of Rousseau niet zulke lafhartigen waren;

hadden zij de kat de bel niet omgehangen, dan zuchtte men heden nog in

Frankrijk onder het wanbestuur der Capets.”

Op deze wijze lucht gevende aan zijn overkropt gemoed, en aan zijn

verachting van alles wat valsch en schijnheilig was, stapte van Eck

ijverig voort, totdat hij eindelijk aan een breed hek was gekomen,

waarop in vergulde letters stond te lezen—“Zeezicht”. Hij ging dit hek

door, liep het net gegruisde pad op, en bevond zich spoedig voor een

net gebouwd huis, eenigszins in den vorm van een boerenwoning, aan

beide zijden waarvan er zich dan ook eenige buitengebouwen bevonden,

die blijkbaar dienden, als stallen, wijnkelders en slavenwoningen,

terwijl aan den achterkant van deze gebouwen een groote wingerd

zichtbaar was, wier bladen in het late seizoen reeds waren afgevallen,

terwijl daarentegen de eikenboomen, die zich in twee statige rijen aan

beide zijden van het huis verhieven nog in al hun bladerdos prijkten,

al was er hier en daar reeds een geele tint aan hen te bespeuren.

De heer van Eck stapte juist den hoogen stoep van het woonhuis op, toen

een ontzettend groote hond, geel van kleur met zwarten bek, van den

zijkant opsprong en met heftig gebas aan kwam zetten; toen hij echter

de reuk van den bezoeker kreeg, veranderde hij van houding, en kwam

kwispelstaartend op den aankomeling af, die blijkbaar een oude kennis

van het dier was, en die het dan ook een vriendelijk „zoo Caesar, zou

jij den ouden baas niet meer kennen” toesprak.

Intusschen was eene rijzige vrouw, wier grijze haren verrieden dat zij

minstens vijf kruisjes achter den rug had, maar die toch nog eene fiere

houding had, op den stoep verschenen, en liep van Eck vriendelijk

groetend tegemoet.

„Kijk, neef, dat is nu net mooi van je; ik zeide daar net tegen Annie,

dat het heel aardig zou zijn als gij van daag hier kwaamt.”

„Wat is er dan weer aan den gang, Bette,” sprak van Eck, terwijl hij

zich met een roodzijdenen doek het voorhoofd afwischte, want de

perspiratie liep daar in groote parels af, daar de zon nog heel wat

kracht had, en als een vuurbol in den wolkenloozen hemel schitterde.

„Is Zachje weer in moeilijkheden, of hebt gij misschien uw nieuwe wijn

reeds getapt? Om de waarheid te zeggen zou een roemer jonge wijn mij

uitmuntend smaken,” vervolgde van Eck lachend.

„Kom maar binnen, neef, en dan zal de wijn zich wel laten vinden, al is

die van verleden jaar, want de oogst van dit jaar is nog niet goed

drinkbaar. Maar gij blijft zeker wel bij ons eten, niet waar?”

„Dat was inderdaad mijn plan, waarde nicht, als ik u niet derangeer,”

antwoordde van Eck, en meteen liet hij zich nederglijden op een

rustbank die op de stoep in de schaduw stond.

Mevrouw de weduwe Elizabeth de Beer, zooals de eigenares van Zeezicht

heette, was ongetwijfeld gewoon aan de gemakkelijke manieren van haar

neef, die deed alsof hij thuis was, en geen aanstelletjes had; zij riep

dan ook eene slavin en beval deze een kan wijn en een paar glazen te

halen, en een paar minuten daarna, was van Eck in staat om zijn dorst

te lesschen met een flink glas Kaapsche wijn, terwijl ook zijne nicht

zich den heerlijk verfrisschenden drank liet smaken.

„En wat nieuws is er in de stad, neef?” vroeg zij daarop, terwijl zij

den roemer van haren gast nog eens vulde, want schoon van Eck een matig

man was, wist zij dat hij van twee glazen zuiveren wijn niet

„hoenderkop” zou worden.

„Men is in de stad blijkbaar volstrekt niet gesticht op het verdere

gezelschap van den edelen gouverneur”, antwoordde van Eck, „en dat

verwondert mij dan ook geenszins, want de man heeft het bont genoeg

gemaakt, en heeft het zuurverdiende geld der arme burgers er op

schandelijke wijze doorgejaagd”.

„Ik hoorde Hans er van morgen iets over zeggen, maar ik begreep niet

goed wat hij meende” zeide mevrouw de Beer. „Zoover ik opmaakte, scheen

hij van opinie te zijn dat de gouverneur het volmaakste recht had om

hier te vertoeven totdat hij zijne private zaken in orde had gemaakt,

en was al dat lawaai niets anders dan afgunst van den heer Rhenius, den

Secunde, die zijne partij opstookte, omdat hij kwaad is dat de macht

hem nog niet in handen is gegeven, en hij het hoogere salaris niet kan

trekken, voordat de gouverneur deze kusten heeft verlaten”.

„Zoo, dat had ik mij wel kunnen denken, dat Hans ook al van het hondje

gebeten is. Hij werkt nu op het kantoor van den Fiskaal, is het niet?”

„Ja, van af het begin der vorige maand is hij daar heen verplaatst, en

het schijnt hem er goed te bevallen”, luidde het antwoord.

„’t Is jammer dat ik er niet vroeger van geweten had, dan zou ik u

hebben gewaarschuwd, en u aangeraden hebben om te zien of gij geen

ander baantje voor uw oudsten zoon had kunnen krijgen. Het gezelschap

van den heer van Lynden is niet zeer geschikt voor een jongmensch die

de verleidingen van het leven en de strikken des duivels nog niet juist

kent”.

„Wel, neef, dat zijn natuurlijk dingen, waar eene arme vrouw als ik

niets van af weet; maar zie, daar komt Hans juist aan, en het zou

misschien niet slecht zijn, zoo u met hem gingt spreken over de zaak;

wellicht is er nog een plan te vinden”.

Mevrouw had nauwelijks deze redevoering klaar, of haar oudste zoon

Hans, een flink opgeschoten jongeling van omtrent twee-en-twintig jaar,

kwam de stoep op. De jonge man had iets astrants in zijn uiterlijk, dat

een eigenzinnig karakter verried, en als hij dit was, dan behoefde men

hier niet verwonderd over te zijn, want de vader van Hans was overleden

toen deze negen jaar oud was, en de weduwe had den vrij balsturigen

knaap niet in de noodige orde kunnen houden, zoodat Hans veel te veel

zijn zin had gekregen, en de baas in het huis speelde. Hij groette zijn

neef eenigszins kortaf, en zette zich toen op de rustbank naast dezen

neder, waarop hij een slaaf riep en dezen gelastte nog een glas te

brengen; toen hij dit gekregen had schonk hij zich een duchtigen

versterking in, en dronk dit uit, zonder op ’s lands manier den gast

van zijne moeder gezondheid te wenschen.

Jan van Eck keek den parmantigen knaap van ter zijde aan, en zeide toen

bedaard:

„Ik hoor, Hans, dat gij thans in het kantoor van den Fiskaal werkzaam

zijt; hoe bevalt het u daar?”

„Uitstekend oom”, luidde het antwoord, „het is zeer vermakelijk om te

zien hoe de Fiskaal met de menschen weet om te springen, en hij is

zeker een der geslepenste kerels in de Kaap. ’t Is een oude rot, die

niet makkelijk in den val loopt”.

„Ja, dat is hij zeker, maar oude rotten worden soms ook gevangen en dan

hebben zij het menigmaal harder te verantwoorden dan de jongere

dieren”, zeide van Eck koeltjes, en daarop vervolgde hij: „De heer

Fiskaal schijnt echter geen populair man te zijn onder de burgers, ten

minste niet naar ik hoor”.

„Dat weet hij ook wel, maar daar stoort hij zich niet aan; hij veracht

de menschen, en zegt dat over het algemeen de kolonisten te onbeschaafd

zijn dan dat men notitie behoeft te nemen van wat zij zeggen”.

„Heeft hij dat in uwe tegenwoordigheid gezegd?” vroeg van Eck verbaasd.

„Oh, ja, hij windt er geen doekjes om, en zegt net wat hem op het harte

ligt”, hernam de jonge man, en dit op een toon die te kennen gaf dat

het gedrag van zijn chef zijn bewondering verwekte.

De aderen aan het voorhoofd van Jan van Eck zwollen als koorden, zijn

gelaat werd vuurrood, en hij mompelde iets dat veel klonk naar een

krasse vloek. Toch bedwong hij zich, tot hij tegen zijn neef

uitbarstte: „En gij Hans de Beer, een Afrikaner van geboorte, en uit

een oud Kaapsch geslacht ontsproten, gij laat iemand dat in uw gezicht

zeggen, zonder dit tegen te spreken. Foei, schaam u wat: ik zou in mijn

jonge dagen mij niet zoo hebben laten beleedigen”.

De jonge man was een weinig bedeesd onder dezen onverwachten aanval,

maar herstelde zich toch spoedig, en antwoordde toen op scherpe toon:

„Maar wildet gij dan hebben dat ik met mijn chef onaangenaamheden moet

krijgen, en met hem ruzie maken over zulk een bagatel, neef? De heer

van Lynden is een invloedrijk man, en het zou wel dwaas van mij zijn,

om hem niet te vriend te houden”.

„Ik geloof dat gij den invloed van den Fiskaal veel te hoog schat”,

hernam de oudere man, „en al was hij de stadhouder zelf, dan zou ik

mijn medekolonisten niet ongestraft hebben laten beleedigen, in alle

geval niet stilzwijgend. Het spijt mij ten zeerste dat gij op dat

kantoor zijt terecht gekomen. en gij zult er niet veel goeds leeren.

Als ik u was Hans, dan zou ik om verplaatsing aanzoek doen”.

„U heeft zeer wonderlijke veroordeelen, neef”, waagde de jonge man te

zeggen, „de zaak is eenvoudig dat gij weet dat de Fiskaal Oranjegezind

is, en gij zelve een Patriot zijt, en daarom haat gij den heer van

Lynden, omdat gij vreest dat hij een oog op u heeft. Maar een man als

de heer van Lynden, die den steun en de achting van den Gouverneur

geniet, is verheven boven uwe aantijgingen”.

Onder andere omstandigheden zou de heftige Jan van Eck den man die hem

zulke woorden had toegevoegd een slag met zijn rottang in het

aangezicht hebben gegeven; de gedachte echter, dat een domme melkbaard

zooiets zeide, en het feit dat die melkbaard een zoon was van eene zeer

geliefde nicht, hield zijn arm tegen, schoon de rottang werkelijk een

paar duim van den grond rees, om daarop langzaam te zinken.

„Hans, gij zijt een dwaas, die niet weet wat gij praat, en als gij wat

meer verstand hebt, zal het u spijten zulke onbekooktheden tegen mij te

hebben gezegd. Ik verzeker u echter dat gij u deerlijk vergist, en dat

het u geraden is niet al uw vertrouwen te stellen in den Fiskaal, en

zelfs niet in den Gouverneur want hun beider rijk is waarschijnlijk

zeer spoedig uit”.

„Zoudt gij dan denken dat de Gouverneur dwaas genoeg zou zijn om naar

Patria terug te gaan op de eerste aanmaning hem daartoe door de

directeuren gezonden. Hij heeft natuurlijk naar zijne vrienden in

Patria geschreven, om hen te vertellen, dat hetgeen men in Holland van

hem verteld niets dan leugens zijn van zijne tegenstanders alhier, en

hij zal vragen dat men eene commissie uitsture om onderzoek naar den

toestand der zaken alhier te doen. De heer van de Graaff is niet de man

er naar, om zoo maar het veld te ruimen voor zijne vijanden, en hij

heeft een uitmuntenden raadgever in den Fiskaal, die weet wat hij

doet”, luidde het heftige antwoord van den jongen Hans.

„Zoo, zoo, zit de vork zoo in den steel”, sprak van Eck, en hij wilde

juist nog iets hierbij voegen, dat misschien niet zoo bedaard zou

geweest zijn, toen plotseling de stem van zijn nicht zich deed hooren,

die weder op de stoep verscheen, met „komt, neef Jan, en Hans, komt

eten, de kost wordt anders koud en dat zou jammer zijn”.

Neef Jan had een half uur geleden een geweldigen appetijt gehad, maar

de woordenstrijd met Hans had dien geheel en al bedorven, en de oude

heer was alles behalve vriendelijk gestemd toen hij de ruime eetkamer

intrad, en daar de andere leden der familie aantrof, namelijk de eenige

dochter van Mevrouw de Beer, Annie genaamd, een zeer mooi meisje van

omtrent 17 jaar, en de tweede zoon des huizes, een knappe jongen van 19

jaar, die naar de boerderij van zijne moeder keek, en als zoodanig de

rechter hand dier moeder was. Hij had een geheel anderen aard dan zijn

broeder Hans, deze Andries de Beer, en schoon meer bedeesd dan deze,

was hij veel verstandiger dan zijn ouderen broeder.

Annie was een lieveling van den stuggen Jan van Eck, maar heden was

neef Jan zoo verstoord dat hij haar slechts zeer koel groette, en ook

onder het eten in gedachten verzonken scheen. Nicht Bettie giste dat er

weer een hevige woordenwisseling had plaats gevonden tusschen haar neef

en haar zoon, want dergelijke tooneeltjes waren niets ongewoons; toch

had zij nooit gezien dat neef zich zulk een zaak aldus aantrok als hij

heden scheen te doen, en zij kon dan ook niet helpen om te vragen, wat

Hans nu weer gezegd had om neef zoo overstuur te maken.

Hans antwoordde niet, want hij begon zich reeds over zijn gedrag te

schamen, en daarbij gevoelde hij dat hij in zijne aanmerkingen over de

plannen van den Gouverneur, plannen waarover hij den heer van Lynden

had hooren praten, zijn mond had voorbij gepraat, en geheimen uit het

kantoor had verklikt, iets dat hem duur kon te staan komen. De heer van

Eck daarentegen begon nu eerst geweldig ergerlijk te worden over het

gedrag van zijn jongen neef, en, op de vraag van Mevrouw de Beer,

barstte hij dan ook plotseling uit:

„Nicht als gij daar dien oudsten zoon van u niet spoedig den mond

snoert, zal hij u en anderen in groote ongelegenheden brengen.” „Ach,

neef,” hernam nicht op goeielijken toon, „jonge harten zijn maar

onbezuisd, en Hans meent het zoo kwaad niet, is het wel Hans?” Hans gaf

geen antwoord, maar Annie nam nu de zaak op en zeide:

„Oom Jan, gij moogt heden niet uit uw humeur wezen, want wij hebben

vandaag juist een spul heerlijke pampoenkoekjes gemaakt, en gij weet

dat is uw lievelingsgerecht”.

„Ja, neef, het was daarom dat ik tegen Annie gezegd heb, dat ik hoopte

dat gij heden hier zoudt aankomen, en gij moogt nu niet een zuur

gezicht trekken, want anders zou het mij gaan spijten, en zal ik bang

zijn dat de koekjes u niet zullen smaken”.

Jan van Eck was mensch; daarenboven was hij Afrikaner; en hoe kwaad hij

ook mocht zijn, tegen de verleiding van „pampoenkoekjes”, vooral zoo

als nicht Bettie ze bakken kon, was zelfs de volgeling van Jean Jacques

Rousseau niet bestand. Hij glimlachte eerst wel wat stijf, maar de lach

werd steeds breeder en guller, vooral toen de „koekjes” door de meid op

tafel werden gebracht, en nicht hem toen een viertal op zijn bord

plaatste, „om mee te beginnen” zeide zij; en toen een uur later Neef

Jan van Nicht Bettie afscheid nam, zou niemand hebben kunnen raden, dat

slechts een kleine twee uur geleden Jan van Eck zoo kwaad was geweest,

als hij zich niet herinnerde ooit te zijn geweest voor dezen.

Drie dagen daarna kreeg Hans de Beer echter een verschrikkelijke

schrobbeering van zijn chef, omdat deze had uitgevonden dat Hans uit de

school had geklapt en dat nog al tegen dien gemeenen hond van een

patriot Jan van Eck. Toch had die hond van een patriot gelijk gehad.

Het rijk van den Fiskaal was uit. Toen op 24 Juni de heer van de Graaff

zich eindelijk inscheepte om naar Holland terug te keeren, nam van

Lynden heimelijk de vlucht met hem. Nu de leeuw weg ging, vond de

jakhals het niet geraden om zich alleen te wagen tusschen de burgers,

van wier haat hij zich maar al te goed bewust was.

Aan Tafelbaai's Strand of twintig jaren uit het leven van een Kapenaar (1791-1811) · 第 3 / 28 题