Omtrent tien jaren geleden woonde ik in een klein dorpje in den
Oranje-Vrijstaat, den naam waarvan het niet noodig is op te geven. Het
was een klein plekje, waar ik misschien van verveling zou gestorven
zijn, als het niet was geweest voor den ouden dokter. Goede, oude
dokter, hij ligt al meer dan negen jaren onder den koelen grond,
verlost van alle ellende en plagen des levens; en het is juist het
feit, dat hij er niet meer is, dat mij thans eerst het recht geeft om
hier dit verhaal te doen, en iets te publiceeren dat reeds lang in
mijn bezit is. Maar ter zake.
Dokter J. was een oud man: toen ik hem kende moet hij omtrent zeventig
jaar geweest zijn, maar hij was nog kras voor zijne jaren, schoon haar
en baard reeds spierwit waren. Van de levensgeschiedenis van den ouden
heer had ik nooit veel te weten kunnen komen: de dokter sprak zelf er
liever niet over, en natuurlijk was ik niet gerechtigd mij te bemoeien
met zijne private zaken. Al wat ik wist, was dat hij te Kaapstad
geboren was uit een oud Hollandsch-Afrikaansch geslacht, in Holland had
gestudeerd en aan de Universiteit te Leiden zijn graad van Doctor in de
Medicijnen had verkregen. Ook vernam ik eens van hem dat hij nooit
getrouwd was, en, te oordeelen naar de uitdrukkingen, die hij bij die
gelegenheid gebruikte over de schoone sekse (ik zal ze maar niet
herhalen om mijne lezeressen niet kwaad te maken) was de dokter een
echte vrouwenhater. Er waren, zooals licht te begrijpen valt, heel wat
praatjes over den ouden heer, maar ik heb uit ondervinding geleerd, dat
de kwaadsprekendheid steeds als een onvermoeid spook door al onze
Zuid-Afrikaansche dorpen waart, en, daar dus waarschijnlijk niet een
twintigste deel der praatjes over dokter J. waar waren, is het onnoodig
om ze hier weer te geven. Maar, zooveel stond vast, en daar kon zelfs
niet de meest vuige tong iets tegen zeggen, de dokter was een knap man
in zijne professie; hij was de vriendelijkheid zelve tegenover zijne
patiënten, en wat maar kon gedaan worden om den dood af te wenden, of
de pijn te verzachten, dat werd door hem gedaan.
Mijn eerste kennismaking met den dokter was in de kwaliteit van
patiënt. Ik had kort na mijne aankomst in het dorp een erge koude
gevat, en daar ik geplaagd was door een akelige soort van kerkhofhoest,
ging ik den Esculaap een drankje vragen. Inderdaad gaf de dokter mij
een probaat middeltje dat mij in weinige dagen genas; maar wat nog
beter was, was dat die korte kennismaking zich ontwikkelde tot een
groote vriendschap tusschen den dokter en mij. Ik geloof, dat dit een
groot geluk voor mij is geweest; wie weet of, als ik niet het
gezelschap van den dokter had gehad, ik niet, zooals zoo vele andere
jongelui in kleine dorpjes in ons land, mij zou hebben overgegeven aan
den drank, of andere verkeerdheden, die onze jonge lieden ten gronde
richten, omdat ze geen anderen raad met hun goeden tijd weten. De
aangename avonden die ik bij den dokter doorbracht, deden mij
dergelijke verleidingen gemakkelijk weerstand bieden.
Ik vond spoedig uit, dat de dokter niet alleen een knap man was in zijn
vak, maar ook uitmuntend belezen, zoodat hij over heel wat meer dingen
kon meepraten dan pillen en poeders alleen. Zooals de meeste goed
opgevoede lieden, had hij ook zijn geliefkoosd onderwerp; bij hem was
het de geschiedenis van Zuid-Afrika en alles wat daarmede in verband
stond. Hij had gedurende lange jaren, en tegen een groote uitgave, een
prachtige bibliotheek verzameld over de geschiedenis van Zuid-Afrika;
deze verzameling bevatte inderdaad zeer kostbare boeken, niet alleen in
de Engelsche en Hollandsche talen, maar ook in het Duitsch en in het
Fransch, welke talen hij alle gemakkelijk las. Hij was zooals hij mij
dikwijls vertelde, in het begin van zijn loopbaan geneigd geweest om
sterk Engelschgezind te zijn; doch toen hij bekend raakte met de
bijzonderheden van het bestuur der Engelsche regeering in dit land
gedurende de negentiende eeuw, maakte de bewondering, die hij voor de
Engelschen en hunne denkbeelden koesterde, plaats voor eene diepe
verachting van alles wat Engelsch en Engelschgezind was; hij werd een
vurige voorstander van de rechten der Afrikaners, en dit was een der
voornaamste redenen waarom hij de oude Kolonie, waar hij destijds een
zeer goede praktijk had, verliet om zich in den Vrijstaat te vestigen.
Toen de dokter bevond, dat ook mijne sympathiën met de Afrikaners
waren, en dat ik zeer verlangde om goed op de hoogte te komen der
geschiedenis van mijn geboorteland, waarvan ik toen, helaas, bitter
weinig wist, draalde de dokter geen oogenblik met mij het vrije gebruik
zijner bibliotheek aan te bieden, en ik behoef nauwelijks te zeggen dat
ik van dat aanbod gretig gebruik maakte. Kwam er dan eens een nieuw
boek uit over dit onderwerp dan bestelde mijn oude vriend dit dadelijk
van Kaapstad, en dan lazen wij het te zamen. Het was vooral bij die
gelegenheden dat ik dikwijls de scherpzinnige aanmerkingen van den
dokter bewonderde. Hij was volmaakt op de hoogte der algemeene
geschiedenis, en hield er van om vergelijkingen te maken tusschen de
gebeurtenissen in dit land, en die, welke vroeger in andere landen
hadden plaats gevonden. De geschiedenis, zoo zeide hij dikwijls
herhaalde zich steeds; dezelfde oorzaken hadden steeds dezelfde
gevolgen, en wat eenmaal gebeurd was, zou weer gebeuren. Salomo was
nooit wijzer dan toen hij zeide, „Er is niets nieuws onder de zon.”
Het was op een kouden winteravond dat er iets tusschen mij en den
dokter plaats vond, dat de eigenlijke oorzaak van dit verhaal is, en
dat dus hier moet worden verteld om den lezer op de hoogte van zaken te
brengen. Ik zat in de eetkamer van den dokter (een voorkamer hield hij
er niet op na); wij hadden juist samen een der nieuwe boeken van onzen
uitmuntenden Zuid-Afrikaanschen geschiedschrijver G. M. Theal gelezen,
die toenmaals zich een naam begon te maken, en daarop hadden wij onze
vrij drooge kelen met wat warme ponsch nat gemaakt, of liever gezegd,
wij waren daarmede nog bezig, toen ik uit bloote nieuwsgierigheid, mijn
ouden vriend vroeg, wat hem zulk eene bijzondere voorliefde voor de
geschiedenis van zijn land en volk had gegeven. De oude heer zat eenige
oogenblikken in gedachten en zeide toen:
„Mijn waarde A., om die vraag te beantwoorden, zal ik je iets uit mijn
levensgeschiedenis moeten vertellen, en wel een heel snaaksch geval. ’t
Is een beetje een lange storie, maar ’t is nu nog vroeg, en als wij een
beetje extra spraakwater nemen, zal de stof misschien wat vinniger
loopen”.
Zoo gezegd, zoo gedaan; de dokter schonk onze glazen nog eens vol, en
na een flinke teug te hebben genomen, begon hij als volgt:
„Het was in het jaar 1835, ik meen in Mei, dat ik als behoorlijk
gepromoveerd Doctor Medicinae uit Holland naar de Kaap terug kwam. Mijn
vader leefde toen nog, en woonde op een soort van buiten, of plaats,
zooals wij hier in Zuid-Afrika zouden zeggen, even buiten de Kaapstad,
in hetgeen men thans Woodstock noemt, maar dat toen nog als Papendorp,
of liever Roodebloem bekend was. Ik was de oudste zoon van mijne
ouders; na mij kwamen drie meisjes die allen ongetrouwd gestorven zijn,
en de eenige broeder, dien ik had, en die overleed, toen hij nog maar
twintig jaar oud was, had toen nog niet den leeftijd van vijftien jaren
bereikt. Mijn vader was toen wel af, en hij zei de dat als ik wilde, ik
mij kon vestigen in de Kaapstad, en, om kosten te besparen, mijn intrek
kon nemen in zijn huis. Ik had echter reeds in die dagen weinig zin om
mij in de buurt van de stad te vestigen en was ook niet geneigd om op
eenige wijze op kosten van mijn vader te leven. Ik wilde de wereld in,
op mijn eigen beenen staan, en op eigen houtje mijn fortuin maken.
Derhalve besloot ik mij te gaan neerzetten in A. waar kort te voren de
plaatselijke geneesheer overleden was.
„Ik deed zulks, en had er spoedig een zeer aardige praktijk; ik ben dan
ook te A. gebleven, totdat ik in 1865 op raad van onzen President
Brand, naar den Vrijstaat ging, blij om eindelijk toch een plek in
Zuid-Afrika te vinden, waar die eeuwigvervelende Britsche vlag niet
woei. Toen ik omtrent twee jaar te A. was geweest, moest ik wegens
noodzakelijke bezigheden naar de Kaap gaan, en daar ik zelf ook een
weinig rust noodig had, besloot ik een maand lang in de stad te
vertoeven; een jonge dokter, pas uit Engeland aangekomen, zou zoolang
mijn praktijk waarnemen.
„Ik nam natuurlijk mijn intrek bij mijn vader, en toen ik mijn
voornaamste bezigheid had afgedaan, amuseerde ik mij zoo goed ik kon.
Waar ik het meest van hield, was om stil en rustig aan het strand te
zitten, op den eeuwig rusteloozen oceaan te staren, en mijne gedachten
dan den vrijen loop te laten. Er was toen nog in die dagen niet dat
gewoel, dat thans langs het strand in de buurt van Woodstock en
Zoutrivier heerscht, en men kon er uren zitten, zonder door iemand
gehinderd te worden.
„Het was juist op een warmen rustigen middag, dat ik er eens zat in
mijn eentje. Verschillende gedachten gingen mij door het hoofd en al
peinzende was ik werktuigelijk bezig om met mijn stok gaten in het zand
te boren. Plotseling stiet mijn stok op iets hards en dit trok mijn
opmerkzaamheid. Ik boorde verscheidene gaten binnen den omtrek van
omtrent een yard, maar telkens kwam de stok op het harde voorwerp te
recht. Ik begon bepaald nieuwsgierig te worden, wat dit harde ding kon
zijn, en ik had een soort van voorgevoel dat ik op het punt stond eene
ontdekking te maken. Derhalve beproefde ik dan ook, zoo goed en zoo
kwaad het ging om met mijn stok een gat te graven in het half natte
zand, en na heel wat tobbens was ik zoover, dat ik zag dat ik hier met
een kist of koffer te doen had, die met ijzer beslagen was. Op dat
oogenblik schoot het mij te binnen, dat het een beetje gevaarlijk was
om hier op helderen dag op een openbare plek zoo iets te voorschijn te
halen. Ik herinnerde mij, dat een medestudent in Leiden die in de
rechten studeerde, mij eens een heel verhaal had gedaan van een misdaad
die strandroof genaamd werd, en waarop de doodstraf of levenslange
verbanning of zoo iets vreeselijks stond.
„Met dat schrikbeeld voor mij, vond ik het geraden om het door mij
gemaakte gat maar dadelijk weer toe te maken. Doch om de plek niet te
vergeten, maakte ik een hoopje van steenen op de plaats, zoodat ik die
zonder moeite kon terugvinden. Daarop ging ik naar huis om een plan te
beramen hoe ik het best mijn gevonden schat op een veilige plek kon
brengen. De kist was blijkbaar zwaar, en ik zou hem zeker niet alleen
baas kunnen raken; ik moest dus naar hulp uitzien. Ik was juist aan het
denken welk persoon ik met dit gewichtig werk kon vertrouwen, toen ik
den ouden jongen ontmoette, die reeds jaren lang bij mijn vader werkte,
en die mij bijna sedert mijn geboorte kende, want hij was nog als slaaf
bij mijn grootvader geweest, en noemde mij niet anders als „kleinbaas”.
Ou Andries was, meende ik juist de jongen, om mij in deze netelige zaak
van nut te zijn. Ik drukte hem dan ook een halve kroon in de handen, en
zeide hem dat hij dien avond, als het avondeten afgeloopen was, met mij
mede moest gaan, en een graaf samen nemen; er was iets van belang, dat
hij voor mij moest doen, maar hij moest er geen woord aan iemand van
zeggen, vooral niet aan mijn vader. Andries beloofde dit dan ook trouw,
en ik wist dat ik op hem aan kon.
„Het was ongeveer negen uur dien avond, dat ik Andries ontmoette bij
het tuinhek, dat aan den zeekant uitkwam. Er was geen maan en het was
pikdonker, juist een geschikte avond, zooals ik bij mijzelven dacht, om
de misdaad van strandroof te plegen; in werkelijkheid voelde ik een
beetje als een misdadiger; doch er was een zeker onverklaarbaar iets,
dat mij aandreef en mij belette om veel attentie te wijden aan de
inblazingen van het geweten. Ik had, in het donker eenige moeite om de
juiste plek te vinden, doch eindelijk liep ik den steenhoop raak, en
spoedig was Andries hard aan het graven. Nu en dan stiet de graaf tegen
het harde hout van de kist, en het geluid dat daardoor veroorzaakt werd
in den stillen nacht, deed mij schrikken, zoodat ik Andries
toefluisterde om toch niet zooveel lawaai te maken. Eindelijk was de
kist aan alle kanten los, en nu probeerden wij om haar uit den grond te
tillen. Het was een heele toer, die onze vereenigde krachten
vereischte, maar ten slotte hadden wij haar boven den grond. Maar nu
deed zich een nieuwe moeielijkheid voor. Hoe moesten wij die zware kist
naar huis krijgen? Om die te dragen met ons tweeën, daar was geen
sprake van; de kist was zoo zwaar, dat Andries beweerde, dat die zeker
vol geld zat.
„„Zooveel te beter, Andries”, antwoordde ik lachend, „dan zal jij ook
iets uit het voordeeltje krijgen; maar ons moet nou eerst een plan
maken om die ding bij die huis te krijg”.
„„Ik geloof, baas”, zeide de oude jongen, „dat daar niet een ander plan
is dan om die kist hier open te maak, en dan die geld of die goed, wat
daarin is, met klompjes naar die huis te vat”.
„In werkelijkheid scheen dit mij ook het eenige mogelijke plan; maar ik
moest bij mijzelven bekennen dat het niet weinig gevaar aanbood. Mijn
vader was nog niet naar bed, en het ongewone geloop zou ongetwijfeld
zijn aandacht trekken, en dan zou hij willen weten wat er aan den gang
was.
„Andries scheen dit ook te begrijpen, want hij zeide fluisterend tot
mij, „Baasje, ons moet wacht tot die menschen in die huis slaap, en dan
zal ons die goed naar mijn kamer draag, stukje voor stukje, en daar kan
ons dan zien wat die goed is”.
„Dit was geen slecht plan, want de kamer waar ou Andries sliep, was een
buiten-kamer, die een heel eindje van het huis verwijderd was. Wij
besloten dan ook dit plan te volgen, en daar het minstens nog een uur
zou duren, voor al de menschen in het huis aan slaap zouden zijn, zeide
ik aan Andries dat hij, om geen opspraak te wekken, maar liever naar
huis moest teruggaan, en later, als alles rustig sliep, weerkomen, met
een deken (kombaars), of iets dergelijks, waarin wij het goed
geriefelijk konden dragen; ondertusschen zou ik de wacht in de buurt
houden, en zorgen dat niemand ons onzen buit ontstal.
„Toen Andries weg was, begon ik in de buurt van de kist heen en weer te
loopen. Ik was nu nog nieuwsgieriger dan ooit, en de lust om eens nader
te weten, wat er eigenlijk in die geheimzinnige kist zat, werd zoo
onbedwingbaar, dat ik eene poging maakte om de kist te openen. Er zat,
zooals ik na onderzoek merkte, een slot op, maar het zilte zeewater had
zulk een effekt op het ijzer gehad, dat toen ik een weinig mijne
krachten inspande, het slot uit elkander sprong. Ik tilde de zware
deksel op en stak, in het donker mijn hand in de kist. Ik voelde iets
zachts, dat mij toescheen kleederen te zijn, en verder mijn hand
instekende, raakte ik aan iets hards en kouds, blijkbaar van metaal. De
deksel was te zwaar dan dat ik die lang op kon houden, en ik moest dus
mijne verdere onderzoekingen staken, en geduldig wachten op de
terugkomst van Andries. Na een goed uur en een half, die mij in mijn
ongeduld wel zes uren toeschenen, kwam de trouwe jongen weer aanzetten.
Hij bracht het bericht dat iedereen in het huis vast in slaap scheen;
tevens bracht hij ook een reusachtige kombaars, die zeker wel alles had
kunnen bevatten wat in de kist was. Wij begonnen dadelijk de boel uit
te pakken, schoon wij in het donker niet konden uitmaken waaruit de
inhoud bestond; sommige dingen waren hard, andere weer zacht. Ik pakte
vooreerst genoeg in de kombaars om Andries in staat te stellen die
zonder veel moeite te dragen; daarop zond ik hem met die eerste vracht
naar huis, hem gelastende het goed in zijn kamer te leggen, en die dan
toe te maken, en dan de tweede vracht te komen halen. Met die tweede
vracht was de kist leeg en de kwestie was nu wat wij met de leege kist
zouden aanvangen. Het was te gewaagd haar te laten staan waar zij was,
en om haar waardeloos karkas naar huis te slepen, daar had ik geen lust
in; bovendien zou het onmogelijk zijn om haar tegenwoordigheid in ons
huis te verhelen. Na een kort beraad tilden wij haar dus op, droegen
haar zoover wij konden de zee in, en lieten haar aan de genade van de
woeste baren over. Tusschen twee haakjes mag ik hier zeggen, dat ik
nooit weer iets van de kist vernomen heb; of ze misschien vandaag nog
op de golven van den oceaan rondzwabbert, of er een tweede strandroof
aangaande haar gepleegd is, dat kan ik niet zeggen. In alle geval ben
ik maar blij dat die kist niet als stomme getuige van mijn misdaad ooit
is opgetreden.
„Toen wij de kamer van Andries binnen waren, en iets voor het venster
hadden gehangen, om het schijnsel van het licht niet te laten bemerken,
staken wij een kaars op, en onderzochten de waarde van onzen buit. Het
was niet veel, en ik weet niet wie het meest teleurgesteld was, ik of
de oude jongen. ’t Was waar, er zat geld in de kist, want wij vonden
een klein lederen zakje, dat wij met een zekere soort van
zenuwachtigheid openden, doch, helaas, bij onderzoek bleek het zakje te
bevatten.... de groote som van vier oulap. Maar er was toch één ding
van aanzienlijke waarde, namelijk een goud horloge, een dier
ouderwetsche dingen met dubbele kast, amper zoo groot als een „pompoen”
zooals Andries het uitdrukte. Ik borg dat in mijn rokzak, even als een
zeer mooi medaillon van gedreven goud, dat een werkelijk prachtstuk
was. De verdere inhoud bestond meest uit kleederen, volgens de mode van
het midden der achttiende eeuw, een oude verrekijker waarvan echter een
der glazen stuk was, een oude Statenbijbel, een psalmboek, en nog een
aantal snuisterijen van betrekkelijk weinig waarde. Ik gaf last aan
Andries om den Bijbel en eenige andere kleinigheden, die ik wilde
bewaren, zoolang voor mij te bergen, en verder de kleeren op de best
mogelijke manier te verkoopen of op eenige andere wijze van de hand te
zetten, en wilde juist de kamer uitgaan, toen Andries uitriep „Baasje,
hier is nog een boek”; en met deze woorden overhandigde hij mij een
vrij dik gebonden boek, dat ik even snel opende, in de meening dat het
van weinig waarde zou zijn. Bij het openen viel mijn oog dadelijk op de
woorden „Dagboek van Jan van Eck”. „Zoo”, dacht ik bij mijzelven, „dat
is zeker de eigenaar van de kist geweest”, en ik besloot het boek met
mij naar mijn kamer te nemen, om het bij gelegenheid eens door te
bladeren. Voor ik echter uit de kamer van Andries ging, beloofde ik den
ouden jongen, die blijkbaar zeer teleurgesteld was, dat er geen geld
was gevonden, en hij dus zijn deel van de winst kwijt was, om hem den
volgenden morgen een pond sterling te geven voor zijne moeite, mits hij
geen woord repte van het gebeurde. Die belofte bracht Andries dan ook
weder in een goede luim. Toen ik in mijn kamer kwam, voelde ik mij erg
vermoeid; ik ontkleedde mij snel, en wierp mij op bed, maar het was te
vergeefs dat ik trachtte te slapen. Ik voelde mij werkelijk als een
misdadiger, en werd hevig gekweld met allerlei vreeswekkende gedachten.
Als die ellendige kist opspoelde, of als er iets van mijn nachtelijk
avontuur uitlekte, zou ik ongetwijfeld in groote onaangenaamheden
komen; misschien zou de rechter er bij te pas komen, en zou ik zoo niet
gestraft, althans gebrandmerkt zijn, en waarschijnlijk was mijn
loopbaan dan bedorven. Kwaad met mijzelven verwenschte ik de kist en
alles wat er in zat, doch daardoor viel ik nog niet in slaap.
Plotseling schoot het mij in de gedachten dat als ik toch niet slapen
kon, ik net zoo goed eens een kijkje kon nemen in het dagboek van Jan
van Eck. Ik haalde het dus te voorschijn uit de plek waarin ik het
geborgen had, en daarop weer onder de kombaars kruipende, begon ik te
lezen. Toen de zon den volgenden morgen in mijn kamer scheen, vond zij
mij nog bezig aan het lezen. Ik kan je nu niet alles vertellen wat in
dat boek stond, maar ik zal het eens voor den dag halen, en dan kunt ge
het zelve lezen.”
Met deze woorden stond de oude dokter op, ging naar zijn slaapkamer, en
kwam spoedig terug met iets onder den arm.
„Hier is het dagboek van Jan van Eck, en....” Op dat oogenblik werd er
hevig aan de deur geklopt, en op het geroep van „kom in” van den
dokter, trad een man haastig de kamer in, en zeide half ademloos:
„Dokter, jij moet toch als je belieft gauw kom naar Piet van Rooijen,
van Uitkijk; zijn vrouw is banja ziek, en hij het mij gestuur om dokter
dadelijk te kom haal”.
„Naar Uitkijk”, riep de dokter uit, „machtig, kerel dit is amper zes
uur te paard hiervan daan. Ik zal natuurlijk gaan, maar kan jij niet
wacht nie, tot dit daglicht is; het is vreeselijk donker en koud
daarbij”.
„Ik zou niet om geef om te wacht nie, dokter”, luidde het antwoord,
„maar oom Piet heeft mij gezegd dat ik gauw moet maak, want dit is een
gevaarlijke ding”. En hier voegde de spreker er iets bij, dat bewees
dat het inderdaad een geval van leven of dood was.
„Wel als dit zoo is, dan ga ik nu dadelijk met jou mee” hernam de goede
dokter, die nooit aarzelde, om waar zijn plicht hem riep, te gaan,
vooral als het een zaak van dezen aard gold.
„Waar is jou kar?” vroeg hij, terwijl hij reeds bezig was om zijn
kistje met medicijnen en instrumenten voor den dag te halen.
„Dokter die kar staat klaar ingespan”, was het antwoord; „ik het
versche paarden van oom Jan Grobbelaar gekrijg, hullie is fluks, en zal
ons binnen vier uur naar Uitkijk breng”.
„Loop haal dan maar die kar, dan zal ik klaar wees” zeide de dokter, en
zich daarop tot mij wendende, vervolgde hij:
„Dit spijt mij, A, dat onze conversatie op deze manier gebroken wordt,
maar daar is nu niets aan te doen. Neem ondertusschen het boek maar
mee, dan kan je het zoolang lezen, en mij, als wij elkander weer zien,
vertellen, wat je er van denkt, en dan zal je ook wel begrijpen, waarom
ik zooveel van de geschiedenis van Zuid-Afrika houd”.
Ik bedankte den dokter hartelijk, nam afscheid van hem, en ging toen
naar huis.
Den volgenden middag bracht men het lijk van dokter J. naar het dorp
terug; hij was het slachtoffer geworden van zijne plichtsbetrachting.
In den stikdonkeren nacht had de drijver het ongeluk gehad de kar om te
gooien, de dokter was onder de kar gevallen: zijn ruggegraat was
gebroken, en hij was waarschijnlijk dadelijk en zonder pijn geleden te
hebben, overleden. Een benijdenswaardige dood voor een man die altijd
zijn plicht had gedaan tegenover God en den mensch, en die nooit den
dood had gevreesd.
Ik behield het dagboek van Jan van Eck, en maakte er geen gewag van aan
den executeur van des dokters boedel. Misschien deed ik daardoor iets
waartoe ik volgens strikt wet geen recht toe had. Maar aangezien ik
hoop dat mijne lezers het voordeel van mijn daad zullen hebben, daar
anders naar alle waarschijnlijkheid zij nooit iets van het dagboek
zouden hebben gehoord, vertrouw ik dat zij mij niet zullen gaan
verklagen bij den procureur-generaal of eenig ander gevreesden
ambtenaar, wegens het mij toeeigenen van een andersmans goed. Sommige
menschen zouden het misschien diefstal willen noemen, maar dat is zulk
een leelijk woord, dat ik het liever niet omtrent mijzelven wil
gebruiken.