XIII.

'S WINTERS OP DE NOORDZEE.

(VERHAAL VAN BEYNEN)

Het is een gure Februarinacht in 1879. Dezelfde grauwe lucht, welke

zich weken lang over Nederland welfde, hing kil en somber boven de

Noordzee. Dezelfde Oostenwind, die onze vaarten en kanalen met ijs

bedekte, floot snerpend en fel door het want van de schoenersloep

Castor, schipper Albert Koster Hzn., die midden in de Noordzee bij

de Doggersbank de golven kliefde, en uit was op de beugvisscherij.

Het was fel koud. Het dek was eenzaam en verlaten. Er was een man op

den uitkijk en de roerganger stond op zijn post. Ik had op en neer

loopend mij pogen te verwarmen, toen ik gewaarschuwd werd dat het

avondeten gereed was.

Langs een steil laddertje daal ik in een oogenschijnlijk donkeren

afgrond, en, als ik weêr vlakken bodem onder de voeten voel, bespeur

ik dat ik in een klein, rookerig, onbeschrijfelijk warm vertrek ben,

waarin een aan koperen kettingen slingerend lampje te vergeefs beproeft

een zwak lichtschijnsel te werpen.

Een oogenblik aarzel ik een stap verder te doen en blijf aan den

voet van 't laddertje staan, daar het mij een onbegonnen werk scheen,

om plaats te zoeken in dit lage, berookte, met visschers volgepropte

verblijf, waar ik geen voet dacht te kunnen verzetten zonder iemand of

iets ongerief te veroorzaken, doch toen mijn oogen een weinig aan den

rook en de duisternis begonnen te wennen, en ik aller blikken op mij

gericht zag, nam ik het besluit, een wanhopende poging te wagen. Ik

greep stevig de onder het bovendek gespannen touwen vast, en, juist

toen het scheepje een valschen kaaier maakte, liet ik mij neervallen

op de knieën van een der rustig hun pijpje rookende visschers.

Verontschuldigingen werden gemaakt noch verwacht. Men knikte mij toe

en schoof een weinig op, en werkelijk er bleek nog plaats voor mij

te zijn op een leege scheepskist.

Gaandeweg begin ik mij rekenschap te geven van hetgeen ik zie.

In het midden staat een lage platte kachel, die tot kombuis dient

en waarover een plank wordt gelegd, wanneer ze als tafel gebruikt

wordt. Boven de kachel hangt het heen en weer slingerend olielampje en

rechts een ronde Amerikaansche scheepsklok.--Uit rook en schemering

komen enkele fiksche geuzenkoppen aan het licht, naarmate het lampje

recht of links slingert. Een twaalftal flinke, breedgeschouderde

visschers zitten op lage scheepskisten rakelings om en tegen de

kachel, terwijl ze met den rug leunen tegen hun slaapplaatsen, die

voor allerlei benoodigdheden tevens tot bergplaats dienen. Dit werd

ik gewaar, toen ik den ouden kok met de grootste voorzichtigheid,

geheel gekleed, uit zijn kooi zag kruipen, wat hem bijzonder moeielijk

gemaakt werd door de acht zakken met victuali, welke het grootste

deel der ruimte in beslag namen. Doch een zeeman weet zich te behelpen.

Bij elke slingering van het scheepje schommelden en zwaaiden links

en rechts tallooze oliepakken, zuidwesters en zeelaarzen, die tegen

de zwart berookte wanden waren gehangen.

Schijnt een en ander ook minder frisch in dit volgepropte hokje,

waar we het avondeten gingen gebruiken, dan is dit zeker in geen

enkel opzicht het geval met de gezonde, trouwhartige gezichten,

die mij van alle zijden vriendelijk toeblikken. Wanneer die kloeke,

krachtige mannenkoppen met hun zuidwesters, stoppelbaarden en

neuswarmertjes--gelijk ze hun korte pijpen noemen--achtereenvolgens

in den rookdamp zichtbaar worden, verbeeldt men zich onwillekeurig

verplaatst te zijn te midden van een groep zeevolk uit de 16de eeuw.

Die jonge flinke figuur, met het breede litteeken boven het

linkeroog--herinnering aan een gevecht met een naijverigen Engelschen

visscher--is de schipper van het vaartuig, het hoofd van ons allen,

mijn vriend Albert Koster.

Hij is 26 jaar oud en zwalkte al 15 zomers en winters onafgebroken

rond over de zilte wateren, waarop hij zich steeds deed kennen als

een ervaren visscher, deed eeren als een kloek zeeman.

Toen Albert Koster vijf jaar geleden trouwde, was hij reeds als een

knap visscher bekend, en schitterde bij feestelijke gelegenheden op

zijn borst de groote zilveren medaille, welke hem voor het redden

van schipbreukelingen geschonken was.

Wilt ge weten door welke heldhaftige daad Albert die medaille verkreeg?

't Was op een stormachtigen najaarsdag dat de vischsloep, waarop Albert

als matroos voer, onder dichtgereefde zeilen langs een masteloos

wrak dreef, welks gezagvoerder--een vreemdeling--te vergeefs om

hulp smeekte. De woeste stortzeeën sloegen reeds van alle kanten met

donderende slagen en stooten over het wrak heen, en Albert's schipper

durfde zijn vaartuig niet aan bijna gewissen ondergang ten prooi geven,

door het zinkende schip nabij te komen.

Het was een wanhopig gevoel voor iemand als Albert, geen hulp te

kunnen verleenen en machteloos toe te zien dat zeelieden overwonnen

wierden door den oceaan, en voor zijn oogen zouden verdrinken. Hij en

een kameraad boden zich dan ook aan, om in de kleine jol de hooge zeeën

te gaan trotseeren en naar het wrak te roeien, om de schipbreukelingen

te redden. De zee stond echter zoo hol dat de schipper nadrukkelijk

dit waagstuk verbood.

Tranen van smart en spijt stonden den koenen zeelieden in de oogen,

toen eindelijk de vreemde kapitein, om een laatste beroep te doen op de

Hollandsche visschers, zijn tweejarig dochtertje in de armen nam en,

tegen de verschansing opklouterend, haar omhoog hield. Nauwelijks was

het kleine kind gezien of Albert en zijn vriend sneden de sjorringen

los, lieten de jol te water, en roeiden over de razende golven naar

het wrak, van waar zij in twee tochten de geheele bemanning redden. De

zeeman, die dit deed, is Albert.

Naast hem zit de oude, ervaren stuurman Leen Ketting, met zijn eerlijk,

verweerd gelaat, die reeds een halve eeuw de stormen der Noordzee

heeft getrotseerd, en daarop dan ook thuis is, als in de straten van

zijn dorp.

"Die ouwe man is altijd bezorgd," pleegt Albert schertsend te zeggen,

en naar mijn inzien was het recht verstandig gehandeld toen de

doortastende jonge schipper zoo'n bekwamen, zorgvollen stuurman tot

rechterhand koos.

Leen Ketting en de 65-jarige kok Jan Noordzij, die al in '30 als

vrijwilliger meê uittrok en twee jaar op 't fort Bath diende, zijn de

eenige oude visschers aan boord, en het overige jonge volk is het nooit

moede om naar de tallooze verhalen en zeemanslegenden te luisteren,

waarvan zij beiden een schier onuitputtelijken voorraad bezitten.

Een der visschers, Berthie genaamd, is een Vlaardinger, de overigen

zijn allen van Pernis op IJselmonde, een sierlijk dorpje, welks

bewoners reeds eeuwen geleden als stoute, ondernemende visschers

vermaard waren.

Van oudsher stonden de Pernissers bij het zeevolk als bijzonder

godsdienstig bekend, en het tegenwoordig geslacht eert ook in dit

opzicht de nagedachtenis der vaderen door hun voorbeeld te volgen.

De dagen, dat er niet gevischt wordt, houden zij elken avond eene

korte godsdienstoefening, en des Zondags (op welken dag zij nimmer

visschen) heeft dit bovendien ook 's morgens plaats.

Daar wij niet vischten, maar naar de vischgronden zeilden, had heden

de gewone godsdienstoefening eenvoudig en ernstig plaats.

Twaalf in linnen zakjes geborgen bijbels worden rondgedeeld, en als

de hoofden ontbloot zijn, leest Albert een psalm voor, die weldra

door allen wordt aangeheven.

Berthie leest daarop een kapittel uit het Evangelie van Johannes;

er wordt opnieuw een psalmvers gezongen en de schipper besluit de

plechtigheid met een toepasselijk gebed uit de Godvreezende Zeeman

of de Nieuwe Christelijke Zeevaart, waarvan in 1725 de vijfde druk

te Amsterdam het licht zag.

Nadat de bijbels opgehaald en weggeborgen zijn, gebiedt Albert:

"Bidden, kleine Jan," en hoewel ik te vergeefs moeite doe, den

aangesprokene op den donkeren achtergrond te ontdekken, hoor ik een

zwakke slaperige kinderstem halfluid het "Onze Vader" bidden, waarna

het avondeten wordt opgedischt.

Heden bestaat het maal uit gebakken visch, welke gevolgd wordt door een

mengsel van gort en stroop, dat met bier tot eene soort soep is bereid.

Aan het eerste gerecht geef ik de voorkeur, en volg het algemeene

voorbeeld om uit een grooten, op de kombuis staanden, vertinden koperen

schotel een moot visch te pakken, wanneer ik spoedig de verrassende

ervaring opdoe, dat men gebakken visch, wil men er goed van smullen,

uit de hand moet eten.

Borden, vorken of messen zijn dan ook aan boord eene ongekende weelde.

De gekookte visch met aardappelen eet men uit van teen gevlochten

langwerpige mandjes en de cement (snert), boonen of biergort uit

groote ronde houten nappen.

Niet de reeders, maar de visschers zelven zorgen op de Pernisser

sloepen voor hun proviand, die uit geen karige beurs gekocht wordt.

De voeding is krachtig en de verschillende artikelen zijn van de beste

hoedanigheid, waardoor het verklaarbaar wordt, dat de visschers dagen

en nachten achtereen hun moeielijk bedrijf bijna onafgebroken kunnen

blijven voortzetten, zonder er bij te bezwijken.

In den zomer bestaat het eten voornamelijk uit aardappelen, rijst,

gort en spek, en in den winter uit meelpudding, bruine boonen, groene

erwten en visch, terwijl in November elke sloep een vet varken van

plus minus 600 pond slacht, waarvan elke reis een gedeelte wordt aan

boord genomen.

Na het avondeten wordt de wacht aan dek (die overdag meestal uit één,

's nachts uit twee man bestaat) afgelost, en velen gaan naar kooi,

anderen rooken hun pijpje of spelen domino--het eenige spel dat

veroorloofd is, daar kaarten door den schipper niet aan boord geduld

worden.

Toen de Castor de Doggersbank begon te naderen, werd om het half uur

het lood over boord geworpen. De roerganger laat daartoe het scheepje

even aan den wind loopen; de flappende zeilen schudden dien wind van

zich af; de korte zeeën stoppen in enkele minuten de vaart--en het

25ponds lood heeft spoedig de diepte doen kennen.

Op ongeveer 56° N. Br. ligt de Doggersbank, door de visschers "'t

Zand" genaamd. Zij heeft eene peervormige gedaante en strekt zich in

Z. Z. W-lijke en O. N. O-lijke richting uit. De westelijke helft is

het breedste gedeelte.

De diepte neemt van het Westen naar het Oosten vrij geleidelijk toe

van 9 tot 28 vaâm, wat den visschers het middel aan de hand geeft om

te bepalen waar zij op de bank zijn.

In hoe korter tijd men "'t Zand" over is en hoe grooter diepte men

loodt, des te oostelijker bevindt men zich, en een verschil van één

vaâm in diepte wordt gerekend een verschil in lengte van 4 mijl aan

te geven.

De Castor liep op 16 vaâm de bank over en had heden, op den avond

van den 2den Februari, de groote Visschersbank, die benoorden "'t

Zand" op 56° 30' N. Br. ligt, bereikt, waar zij onder klein zeil om

de Oost bleef drijven, daar de visscherij eerst na middernacht een

aanvang neemt.

De overige mannen begaven zich nu ook ter rust, want het zijn

vermoeiende dagen, die in aantocht zijn, wanneer men hard werken moet

en slechts weinig slaap bekomt.

Er worden geen andere visschers in den omtrek gezien, en het doet

goed de reden hiervan te hooren. Alléén onze Hollandsche beugers

durven in het hartje van den winter hun beug in zulk diep water neer

te laten of "te schieten", gelijk onze visschers zeggen. Overal op

de Visschersbank vindt men ongeveer 40 vaâm water en er is slechts

één plekje, waar niet meer dan 26 vaâm staat, waarom het dan ook bij

ruw weer door de zeelui zooveel mogelijk wordt vermeden, want het is

genoeg bekend hoeveel arme visschers juist daar schip en leven lieten.

Meer dan ergens anders kan de zee hier spoken en razen, en de

visschersverhalen spreken van verbazende grond- en stortzeeën, die het

ongelukkig daartusschen verzeilde vaartuig van alle kanten bestoken

en onderdompelen, en de kleine vischsloepen door water overstelpt

doen zinken.

Het is nu één uur 's nachts geworden, en Albert heeft zich naar dek

begeven, en laat Berthie, die aan het roer staat, dit even aan lij

draaien om de diepte te looden. Ik was met hem op dek gegaan om het

lood uit te werpen.

De nacht is bijzonder donker; grauwe zware luchten verbergen achter

een loodkleurigen sluier het licht van maan en sterren, en ontnemen

aan de geheele omgeving zelfs de geringste kleurschakeering.

Het vriest sterk, en de droge Oostenwind, door niets in zijn vaart

gestuit, waait doordringend koud over het lage open scheepje, dat

stampt en slingert op de hooge golven.

"Zeven-en-twintig vaâm!" zegt Albert met een huivering tot Berthie;

"dit heb ik hier nog nooit geworpen, acht-en-twintig is steeds het

minste geweest!"

Berthie zwijgt, want hij weet dat de Castor zich op dit oogenblik op

de gevreesde plek der Visschersbank bevindt, waar, nog pas vier jaren

geleden, ook Albert's vader is gebleven te gelijk met den vader en

de beide broers van Harmens, die nu rustig omlaag ligt te slapen.

's Avonds was de sloep nog gezien, maar 's nachts had het al heel boos

gewaaid en 's morgens had men te vergeefs naar de Pernisser uitgekeken,

waarvan men nimmer meer taal of teeken vernam.

Albert heeft ook geen woord meer gezegd, maar is stilzwijgender dan

ooit omlaag gegaan, waar hij tot twee uur in het vóóronder bezig is

om met behulp van "kleine Jan" het aas voor de hoeken klaar te maken.

Het aas bestaat uit zoogenaamde prikken of negenoogen (petromyzon

fluvialis), kleine alen 0.3 meter lang, die op onze bovenrivieren

zich in stroomend water onder groote steenen vastzuigen, en van daar

naar Vlaardingen of Pernis worden afgevoerd.

Zij zijn zeer duur, tegenwoordig een schelling het stuk, maar de

kieskeurige kabeljauw is er bijzonder fel op, en onze visschers

kunnen er in dezen tijd van het jaar niet buiten, al is er ook veel

zorg noodig om ze in het leven te houden.

Zij moeten daartoe in zoetwater worden meêgevoerd in een grooten

warbak, waarin het water aanhoudend in beweging moet gehouden worden,

want anders zuigen zij zich in zeer korten tijd tegen de wanden

aan dood.

Op zee is de beweging van het schip hiertoe voldoende, maar zoodra het

vaartuig stil ligt, moet "kleine Jan" polsen, dat is, midden op den

warbak staande, uren achtereen met twee stokjes in het water roeren.

"Kleine Jan," 12 jaar oud, klein voor zijn leeftijd, met een zuidwester

op en een oliepak aan, is een gewichtig en onmisbaar persoon aan boord.

Het is verbazend wat zoo'n dreumes dagelijks verricht.

Hij staat om één uur te gelijk met den schipper op, en doodt de

prikken, voordat Albert ze in gelijke stukjes snijdt.

De Vlaardinger jongens doen dit, door het dier in den kop te bijten,

maar "kleine Jan" vindt dat te bitter en slaat ze liever, eerst met

den kop en dan met den staart, tegen den ijzeren kombuisrand dood.

Daarna zet "kleine Jan" koffie, port het volk, veegt het logies aan,

vult den kolenbak, onderhoudt het vuur, helpt het vischwant klaren,

zorgt voor de prikken, kookt het eten, zet de thee en bidt hardop,

"want anders zou de jongen het Onze Vader heelemaal vergeten," zeggen

de visschers.

Het aas, dat "kleine Jan" gereed maakt voor de haken, is verschillend

in winter, voorjaar en zomer. Men moet den smaak van koning kabeljauw

raadplegen.

Van half October tot Februari bezigt men hiertoe prikken en

gezouten sardijnen, en daarna tot Paschen versche haring, bij Tessel

gevangen. 's Zomers bezigt men aan den Helder gevangen en in tonnen

gezouten geep.

Zoodra Albert het versneden aas in negen bennetjes gelijkelijk heeft

verdeeld, staat het volk op, kruipt door een schuif uit het logies naar

"het deken," waar ieder visscher voor zijn eigen bak het ontvangen

aas aan de hoeken gaat slaan.

Vóór zich steekt hij in het scheepsboord een ouderwetschen

"kaarssteker," waarin een vetkaars brandt, en naast zich heeft hij

een mand, waarin 20 lijnen liggen, waaraan hij het aas moet slaan,

welk werk het azen van de beug heet.

Doch wat is "het deken," wat is "de bak" en wat "de beug?" zal

menigeen vragen.

Om te weten wat "het deken" is, volge men de visschers slechts uit

het volkslogies voor in het schip naar het dek. Het is een vreemd

schouwspel. Vlak bij de donkere zwarte zee is het dek van de schoener,

welke een zeer lage verschansing heeft. Die geen zeemansbeenen heeft

en zich niet weet vast te houden, loopt allerlei slechte kansen aan

boord van zulk een visscherssloep. Dit zeg ik niet om kwaad te spreken

van de Castor, want het is een sieraad onzer visschersvloot, en een

handig, goed zeehoudend, snelzeilend vaartuig, doch zijn inrichting

is niet voor vervoer van passagiers geschikt!

Hoofdzakelijk bestemd om de gevangen visch (kabeljauw, ijlbot,

lengvisch en schelvisch) versch aan te brengen, is het geheele

middengedeelte van het vaartuig in beslag genomen door de bun,--een

grooten, gedeeltelijk door de zijden van het scheepje zelf gevormden

bak, waarin het zeewater door tallooze gaten naar binnenstroomt,

zoodat het water even hoog den bak vult als het vaartuig diep ligt.

Aan weêrszijden van deze bun is eenige ruimte overgebleven, welke "het

deken" genoemd wordt, waar men het vischtuig bergt en de visschers

de beug in gereedheid brengen, voordat zij in zee wordt gezet.

Daarachter heeft men de ijskamer, die bestemd is om de in de bun

gestorven visch in het ijs voor bederf te bewaren, welk ijs in

groote brokken aan boord gebracht, eerst in den ijsmolen moet worden

fijngemalen.

De beug, welke de visschers nu bezig zijn gereed te maken, is een van

vischhaakjes of hoekjes voorziene dunne lijn, die met tien dreggen

op den bodem der zee wordt vastgelegd.

Zij wordt verdeeld in 9 of 10 "bakken"; een bak bestaat uit 20 lijnen

elk 75 meter lang en voorzien van 23 fijne dwarslijntjes (0.5 meter

lang), sirennen genaamd, elk met een vischhaakje aan 't uiteinde.

De beug, die stijf wordt uitgezeild, is dus 15.000 meter lang, ongeveer

den afstand tusschen Leiden en den Haag, en er zijn 4500 hoeken aan.

Om de ligging der beug aan te geven, heeft men boven iedere dreg op

zee een houten boei drijven, "joon" genaamd, die door de "baaklijn"

met de dreg is verbonden.

Op de jonen prijken vlaggetjes, die door vorm en kleur onderling

verschillen, en waarvan enkele, bij mistig weer, door lantaarns

worden vervangen.

Hierdoor is de schipper ten allen tijde in staat te zien, op welke

hoogte der beug hij zich bevindt.

Het azen duurt ongeveer twee uur; ieder heeft de handen vol en er

wordt weinig bij gepraat. De beugvisscher is rustig en bedaard, en,

onder het werk, zelden of nooit luidruchtig vroolijk, maar hij is

met geheel zijn hart bij wat hij verricht, wetend dat een verkeerd

aangeslagen aas den visch verjaagt.

De visscher, die met zijn lijnen klaar is, gaat een kommetje koffie

drinken en tegen vier uur roept de schipper "alle handen" aan dek,

om de beug over boord te zetten.

Nu begint "het schieten van de beug," dat is het uitzeilen van de lijn,

welke 15.000 meter lang is en op den bodem geankerd moet worden.

De schipper beslist of weer en wind kans geven dat de beug zal worden

ingehaald. Het is altijd mogelijk de beug te schieten, doch het inhalen

is oneindig bezwaarlijker en de geheele beug kan dan verloren gaan,

een verlies dat de visschers zelve te betalen hebben.

Wat tot het uitzetten en inhalen der beug noodig is kan wellicht

slechts een zeeman naar waarde schatten, en toch is het goed een

poging te doen, om onze broeders op het land eens te doen beseffen,

wat voor flinke kerels onze zeelieden zijn, over welke krachten ons

vaderland nog kan beschikken.

Hoe mijn vrienden van de Castor dag aan dag, week aan week, werken

en durven, blijkt als men nagaat wat ze doen.

In anderhalven dag zeilen ze bij redelijk weder naar de vischgronden.

Daar aangekomen, azen ze de beug, die om vier uur 's nachts wordt

uitgezet.

De schipper zelf grijpt het roer en dwingt met de zeilen de sloep met

een 2 of 3 mijls vaart te loopen. Een gedeelte der bemanning is dus

steeds bezig aan de zeilen, met het bijzetten of wegnemen van stagzeil,

met halen en trekken. Anderen, en dat wel de voornaamste visschers,

werken aan het overboord zetten van de lijn met al zijn haken. Een

hunner brengt zijn bak aan, waarin de twintig van aas voorziene lijnen

zoodanig liggen opgerold of opgeschoten, dat zij zonder stoornis of

in de war te geraken, kunnen uitloopen.

De eerste bak wordt aan stuurboord achteruit op het boord gesteld,

zoodat hij gedeeltelijk over de lage verschansing heen steekt.

Het is een schilderachtige groep, die de visschers vormen op het

achterdek, wanneer zij aan hun ijskoud, verkleumend werk bezig zijn,

staande in het water, over de zee gebogen, terwijl de oostenwind hen

om de ooren snijdt, en het kille zeewater, vele uren lang, hun langs

de handen en armen druipt.

Ze zijn gekleed in rood baai, waarover ze een donker "kiesjak," een

boezeroen en een wambuis dragen. Verder hebben ze een bij de knie

opgebonden broek van donkerblauw baai, twee paar sajetten kousen en

klompen aan. Wanneer het sneeuwt of regent of boos weêr is, gelijk nu,

vervangen de zeelaarzen de klompen, en wordt de "oliekas" aangeschoten,

zooals ze hun gele geoliede kiel noemen.

Ze zijn echter zoo hard en aanhoudend aan het werk, dat ze vaak niet

voelen hoe koud het is. De eene bak met lijnen na den anderen wordt

achteruitgebracht, en de daarin opgeschoten lijn uitgezeild. Elke

visscher heeft zijn werk. De een zorgt voor de dreggen of ankers,

die moeten gezonken worden; een tweede voor de jonen, met de daarbij

behoorende vlaggetjes of lantaarns; een derde voor het tijdig wegnemen

der afgeloopen bakken, en het aanbrengen van nieuwe; een vierde

waakt er voor dat de lijn steeds in orde is en klaar uitloopt, een

vijfde houdt de lijn van tijd tot tijd even aan, gelijk een jongen

die een vlieger oplaat, om te zorgen dat zij stijf en strak wordt

uitgezeild. Wanneer de eerste bak geregeld is uitgeloopen, wordt

geroepen: "andere bak!" en het uiteinde van de beuglijn wordt aan de

tweede dreg gebonden, te zamen met de baaklijn en joon, welke toonen

hoe de lijn over den bodem van de zee ligt, en met de beuglijn van

den tweeden bak, die snel in de plaats van den eersten bak geschoven

wordt. De lijnen van dezen bak liggen dus met haar tal van zwevende

hoeklijnen op den bodem der zee geankerd, en zoo worden alle lijnen

gezonken, totdat de geheele beug geschoten is.

Terwijl de visschers dus werken, en anderen telkens zeil meerderen

of minderen, volgens bevel van Albert, wordt de groep der over de

verschansing gebogen visschers verlicht door de lantaarn, welke kleine

Jan ophoudt, om te waken dat de lijn klaar uitloopt. Het geel-roode

licht valt op de van den bak afschuivende bochten der beuglijn,

en Harmens ziet toe dat dit behoorlijk geschiede.

Er is geen ander licht als dit kleine lantaarntje, dat een eigenaardig

schijnsel werpt op de groep breedgeschouderde visschers. Er is nog

geen vin te zien. Het blijft donker grauw weêr, guur en koud, doch

de zee is niet langer kleurloos, want de lange golven lichten, met

een blauwen phosphorischen glans en een soort van paarsch blauw vuur,

met gele vonken en tinten van gloeiend paarlemoer.

Te vier uur begonnen, is het leggen der lijn, na drie uur zeilens,

om zeven uur afgeloopen, en men kan naar het begin der lijn

terugkeeren. Albert laat nu alle zeilen bijzetten, om tegen de beug

op te werken en weer op de plek te komen, waar de eerste dreg in zee

is gelaten.

Terwijl in iets meer dan een uur het schip dus terugzeilt, schaften

de visschers. Het morgeneten bestaat uit bruine boonen of cement,

waarbij koffie wordt gedronken. We eten volop, want de eerstvolgende

maaltijd heeft eerst plaats als de beug gelicht is, wat van avond

op zijn vroegst om 8 uur plaats zal hebben. "De eerste joon is in 't

zicht!" we vliegen op dek, en met van haken voorziene stokken wordt

de joon aan boord gehaald met de baaklijn, en de daaraan bevestigde

dreg, waardoor wij het begin van de grondlijn in handen krijgen. Nu

beginnen wij allen met frisschen moed aan het lichten van de beug,

aan het inpalmen van de zware 15.000 meter lange lijn.

Het is dag geworden, en als het zeer helder is, kan men met het bloote

oog de drie of vier volgende jonen (of beter gezegd, haar vlaggetjes)

in de verte op de golven zien dansen.

Doch heden is het mistig, de lucht is betrokken, de koude fel, en we

zien slechts één vlag.

In het midden van het schip staan tegen boord drie visschers, die,

elkander aflossend, de grondlijn inpalmen en de visschen omhooghalen,

want de vangst is goed. Terwijl we de beug uitzetten en er tegenop

zeilden, heeft het aas aan de haken de zeebewoners gelokt.

De Castor is op den rand van de Visschersbank, en wat zou men een

geweldigen strijd om het bestaan aanschouwen, indien men door het

donkere water in de diepte kon zien. Doch men kan zich toch een

denkbeeld vormen van hetgeen daar, in den zwarten afgrond van water

onder ons, plaats grijpt. Welk een strijd op leven of dood wordt er

gevoerd! De visschen zwemmen op den rand van de bank de diepte in en

uit, en het krioelt er van allerlei soorten.

Als de lijn omhoog wordt gehaald, galmt een der visschers:

"Daar komt er een!"

en een schelvisch komt het eerst naar boven. Toen de schelvisch de

oppervlakte naderde, zag men op den blinkenden rug doffe plekken

zonder schubben.

"Hier zit kabeljauw!" roept de visscher. "Ze hebben de schelvisch

beet gehad en hij is maar krap aan hun bek ontkomen."

Even later klinkt het weêr: "daar komt er een!" en aan het wilde rukken

en trekken aan de lijn voelt de visscher dat er een groote visch aan

spartelt. Weldra schemert een zilverwitte vlek in het water. De witte

schim vlucht links en rechts, doch neemt meer en meer den vorm van

een kabeljauw aan, en een met een schepnet gewapende visscher vangt

hem op in het water.

Als de kabeljauw op het dek wordt geworpen, ziet men dat hem geheele

stukken uit het lijf zijn gebeten. Deze gaten zijn gemaakt door nog

grooter visschen of door de zeewolven.

Wij hebben eens zulk een zeewolf aan boord gehad. Hij was zoo groot

als een kleine zeehond en had scherpe, fijne tanden, en een gladde,

glanzende huid.

Alleen de ijlbotten hebben zelden of nooit beten. Ze schijnen door

snelheid aan de visschen, en door plat langs den bodem te fladderen,

aan de zeewolven te ontkomen.

Soms wordt een kabeljauw opgetrokken met een schelvisch in den bek,

die er slechts met den staart uitkomt. "Hij heeft zich door een

schelvisch laten bedotten!" zegt de visscher. Toen hij het dier

ophapte, heeft het haakje, dat de schelvisch vasthield, hem in den

kop of onder de vinnen gepakt.

Van den schelvisch, welke in den bek van den kabeljauw geweest is,

"zijn we vies," verklaart de visscher die den kabeljauw van de

beug afneemt, en den schelvisch, met een gebaar van afschuw, over

boord werpt. Nauwelijks slaat de visch op het water of de zeemeeuwen

schieten toe, en betwisten elkander den buit. Fladderend en met de

vleugels slaande, cirkelen ze boven den visch, en de gelukkige, die

het eerste beet krijgt, wordt door de anderen vervolgd en nagejaagd.

Intusschen wordt de eene kabeljauw na den ander opgehaald en op dek

geworpen aan de voeten van Leen Ketting, waar ze, spartelend en met

den staart slaande, op en neer springen en, na bevrijd te zijn van

den in het verhemelte vastzittenden hoek, en een kleine operatie

te hebben ondergaan, levend in de bun worden geworpen, waarin ze

rusteloos rondzwemmen.

De kleine operatie wordt snel en vlug door Leen gedaan, ten einde

den visch in het leven te houden.

Door het snel inpalmen der grond- of beuglijn is de luchtblaas van

den kabeljauw dermate met lucht gevuld, dat het hem onmogelijk zou

zijn opnieuw naar de diepte te schieten, en hij, in de bun geworpen,

zoo lang boven op het water zou blijven ronddrijven, tot hij stierf.

De operatie van Leen Ketting heeft dus ten doel, de luchtblaas te

ontlasten van te overvloedige lucht, hetgeen hij doet door den visch

vlak voor zich op dek te leggen en met een scherp puntige naald achter

de voorvin een gaatje te prikken, dat in de luchtblaas uitkomt.

Met de hand langs den visch strijkende, drukt hij zoodoende de lucht

uit het lichaam, die door het geprikte gaatje hoorbaar ontsnapt,

waarna de visch in de bun wordt geworpen.

Naarmate de lijnen binnen boord worden gepalmd, worden zij weder klaar

opgeschoten, om 's nachts gereed te zijn wanneer de hoeken van nieuw

aas worden voorzien.

Behalve kabeljauw, lengvisch en bot, komen schelvisschen in grooten

getale naar boven. De eerste drie soorten worden in de bun gedaan,

doch de schelvisschen worden in gereedstaande manden geworpen, en

later in de ijskamer weggeborgen.

Dit ijs is in groote massieve brokken aan boord, die eerst in den

ijsmolen tot fijne brokjes moeten gemalen worden, in welke (op grof

zand gelijkende) massa de visch geborgen en daardoor voor bederf

behoed wordt.

De bun, midscheeps, waarin het zeewater in- en uitstroomt, ziet er

vreemd uit, als men een paar uur lang aan het ophalen geweest is.

In het midden hangt een bos lengvisch met den kop in het water, anders

"schavielt" hij zich dood tegen de wanden der bun. Langs de zijden is

de bun gegarneerd met ijlbot, die aan den staart hangt. Liet men de

dieren vrij, dan wrongen ze zich dood tegen de wanden, of ze gingen op

de gaten liggen, waardoor lucht en water binnendringen. De staarten van

de blanke, zilverwitte botten worden vuurrood, doch het dier blijft

zes dagen lang in het leven. In de bun zwemmen de kabeljauwen op en

neer, allen gewond, met gescheurde bekken, en velen sterven dan ook

en worden in zout gepakt.

Om het inhalen van de lijn met al die zware visschen uit het fel

bewogen water, waarop het scheepje danst en huppelt, mogelijk te

maken, moet de schipper het dwingen langzaam over de beug te drijven,

wat veel oplettendheid, kennis en zeemanschap vordert.

Naarmate wind, stroom of weêr verandert, moeten ook de zeilen

gewijzigd worden.

Bij handzaam weêr gaat zulks vrij gemakkelijk, doch bij windstilte

of storm wordt het al spoedig zeer moeielijk.

Ieder oogenblik moet met het scheepje en met de zeilen gemanoeuvreerd

worden; er zijn geen handen genoeg aan boord, en als wind en zee

opsteken, en de schipper alle aandacht noodig heeft om het inhalen

der beug onafgebroken te kunnen doen voortgaan, zegt hij zegevierend:

"Ja! ja! je moet zoo'n draad naloopen als een ondeugend kind."

Soms, bij stormweêr, kunnen de twee man, die de beuglijn inpalmen,

het niet alléén af en zijn drie, vier, ja soms vijf man noodig om

de lijn binnen boord te halen; met zooveel vaart drijft het scheepje

dan nog over de lijn heen, hoewel alle zeilen reeds geborgen zijn.

Wind, zee en stroom doen het vaartuigje snel voortdrijven en maken

het koude werk lastig en verbazend vermoeiend. Men stelle zich deze

bezigheid slechts voor.

Naarmate de zee toeneemt, slingert het scheepje meer en meer, zoodat

men op het bevroren glibberige dek zich slechts met groote moeite op

de been kan houden.

Sneeuw of hageljacht wisselen elkander met pijnlijke hinderlijkheid af,

en de strenge vorst verandert de wanten der visschers in klompen ijs.

"Kleine Jan" zorgt dat een groote ketel warm water steeds op dek

gereed staat, waarin van tijd tot tijd de visschers de wanten doopen,

om ze te bevrijden van al het ijs dat er zich aan vastzet.

Het binnen boord nemen der jonen vooral is te moeielijker, naarmate

meer zee staat, en als zij aanhoudend "onderklauwen," is het bij

nevel of sneeuwjacht moeielijk te zien in welke richting zij liggen.

Waarlijk, men moet er niet licht over denken, om bij hooge zee en

stormweêr een beug van 15.000 meter lengte, verbazend zwaar gemaakt

door de visch die er aan hangt, uit eene diepte van 30 tot 50 vaâm

op te halen.

Loopt alles meê, dan heeft men 's avonds om 7 uur, na ruim 11 uren

onafgebroken inpalmen, de beug weder binnen boord, doch als de

grondlijn breekt (wat meermalen voorkomt), of een of ander ongeval

eenig oponthoud veroorzaakt, loopt het al spoedig heel wat in den

nacht.

Men moet dan "eten op stootgaren," dat is, nu en dan inderhaast een

beetje eten naar binnen slaan, zonder dat het werk behoeft afgebroken

te worden. Onverschillig of men al dan niet tijd heeft gevonden om te

slapen, begint men 's nachts om half twee weêr de lijnen te azen, want

den volgenden morgen om half drie moet de beug weêr geschoten worden.

Het is verbazend hoe zeer iedere visscher dit verlangt, en hoe moeite

noch ontbering hen afschrikt, om iederen dag (zooals zij zeggen)

"een schot te doen."

Toch is dit niet altijd mogelijk, en er zijn voorbeelden dat men na

5 dagen en nachten slaven en zwoegen, zonder ooit nachtrust te hebben

genoten, slechts twee schoten gedaan heeft.

Bij mist of ontijd durft de onverschrokken Albert zijn beug in 40

vaâm te schieten, rekenende op de waarachtige visschers-geestdrift

van zijne stilzwijgende scheepsmakkers, en welke inspanningen ook

gevorderd mogen worden, zij blijven juist zoo lang doorwerken, totdat

de beug weder binnen boord is.

Meermalen, als de beuglijn gebroken is en de duisternis dreigt in

te vallen, moet de kleine jol over boord en het tweede gedeelte der

beug door 4 mannen, die in de jol op zee gaan dobberen, gelicht en

in de boot genomen worden.

Koud werk, waarbij de geheele bemanning vol spanning is, uit vrees

dat de sloep met de bemanning bij de invallende duisternis zoek zal

raken of omslaan.

Gelijk ik in den beginne opmerkte, bestaat de verdienste onzer

hollandsche beugers voornamelijk hierin, dat zij zoo véél lijnen in

één etmaal durven schieten, en dat wel in zulk een diep water.

De Engelschen bijvoorbeeld schieten hunne beug, die nauwelijks 10.000

meter lang is, in 23 à 24, hoogstens in 30 vaâm diepte.

Hun vischwant, hunne jonen, alles is lichter en zwakker.

Albert van de Castor is waarlijk geen grootspreker, en hij erkent,

zoo vaak als men 't maar hooren wil, dat de Engelschen de Hollanders in

vele zaken te slim af zijn; maar in het beugen, neen, dan staan zij ver

bij de Hollanders ten achter. "'t Zijn me beugers, die Engelschen,"

kan hij met eigenaardigen spot uitroepen: "Je kunt hun beug met de

hand uit zee lichten, en één sloep der onzen brengt gewoonlijk in

denzelfden tijd evenveel visch aan, als drie of vier der hunnen."

Misschien is dit wel de oorzaak dat zij zoo dikwerf van de veel

talrijker Engelschen te lijden hebben.

Het is natuurlijk onmogelijk om zelfs bij helder weêr het uiteinde der

beug te zien, en nu gebeurt het meermalen dat naijverige Engelschen

de jonen stelen, en de lijnen met de daaraan zittende visch binnen

boord halen of vernielen en weg doen drijven.

Schelden en met steenen gooien is een vaste aardigheid der ruwe

Engelschen, en wanneer onze visschers door aanhoudende oostenwinden

gedwongen worden te Grimsby binnen te loopen en aldaar hun visch te

verkoopen, worden zij niet alléén aan den wal, maar zelfs bij hunne

schepen "gemollesteerd," gelijk onze visschers zeggen, die een even

vinnigen haat tegen "de gemeene Engelschen" voelen alsof wij nog in

de dagen van Tromp en De Ruyter leefden.

Zeker is het, dat zelfs de stilzwijgendste Pernisser visscher

welsprekend wordt, zoodra hij uit gaat weiden over de mishandelingen,

die hij van de Engelschen te lijden heeft.

Onder de vele verhalen trof mij 't volgende:

Een Pernisser visscher moest het te Grimsby aanzien, hoe een nieuwe

tros van zijn schipper moedwillig zou doorgekapt worden.

Een dertigtal Engelschen poogden dit te doen, en hij alléén, met

den rechter arm gekwetst in een draagband, stond er bij om den tros

te bewaken.

Al sarrend gingen de Engelschen te werk, tot opeens Hojel (zoo heette

de dappere Pernisser), bleek van woede, met de linkerhand drie of

vier Engelschen op zijde stoot, den arm op den tros legt en den met

een bijl toeschietenden Engelschman toeroept: "Kap dan maar eerst

mijn arm af, jou engelsche smeerlap!"

Onbeschaafd en ruw zijn vele engelsche visschers, wier zelfzucht

weergaloos is, maar ze weten, als alle echte Engelschen, moed te

huldigen, pluck te waardeeren. Hartelijk begonnen ze allen den

Hollander toe te juichen; ze gaven drie cheers voor den gehaten

mededinger, die hun de visch voor den neus wegving, en ze lieten den

nieuwen tros van zijn schipper verder al dien tijd ongemoeid.

Het zijn ferme kerels, die hollandsche visschers! Er klopt een

mannenhart onder die boezeroenen. Van hun jeugd af is de Noordzee hun

woning, en bij mist of ontij zijn zij overal in de zee thuis, dank zij

hun scherp geoefend zeemansoog, dat werkelijk buitengewoon is. Zelfs

bij mistig weêr zien zij de jonen op een verbazenden afstand, en bij

het langs de kust varen, toen ik nauwelijks de torens van Egmond kon

ontdekken, wist Albert al dadelijk op te merken, dat er 30 bomscheepjes

op 't strand stonden, zoodat er blijkbaar 7 in zee waren.

Opmerkelijk is het, hoe weinig nachtrust zij behoeven. Wordt er niet

gevischt, dan kunnen zij de wijzers rondslapen, maar nauwelijks is

't visschen mogelijk, of met onverstoorbare toewijding kunnen zij

dag en nacht doorvisschen. Zij zijn gehard tegen weêr en wind, sterk,

kloek, arbeidzaam en eenvoudig.

Groote kinderen, die hun eigen krachten niet kennen, zijn ze aan wal,

waar de maatschappij hun vreemd is.

Vooral zijn ze gul, hartelijk en vroom, en zonder er zelfs bewust van

te wezen, zijn zij de bewaarders der deugden onzer "zeevaders." In

gedachten, kleeding, wijze van voeding, opvatting van godsdienstige

en maatschappelijke toestanden, in alles komen zij volkomen overeen

met ons zeevolk van 200 jaren geleden, en dit is niet stelselmatig

aangekweekt, maar ze hebben van vader op zoon die begrippen en

opvattingen geërfd, waardoor de oude zeden en gewoonten voortleven.

Van de vaderlandsche geschiedenis weten zij bijna niets.

Zelfs De Ruyter en Tromp zijn bij hen onbekende grootheden; ze

weten van hun daden, maar niets van hun namen, en ik herdenk nog

met verbazing het gezegde van een hunner, toen wij over die groote

zeevaarders spraken:

"Ja! ja! 't waren vrome zeehelden in die dagen. Daar heb je die

Erasmus, die te Rotterdam staat."

Maar al kennen ze de geschiedenis niet, de traditie leeft in hen.

Het zijn Geuzen, fijn gereformeerd en bijzonder godsdienstig. Uit tal

van legenden en zeemansverhalen blijkt echter hunne bijgeloovigheid.

Vooral Leen Ketting had er een onuitputtelijken voorraad van.

"Ik herinner mij onder anderen een verhaal van mijn vader," zeide hij

eens, "die een reepschieter aan boord had, die zijn ziel aan den Böze

had verkocht.

"Op zekeren avond, 't was een koude winteravond toen het vroor dat het

kraakte en want en scheepje een ijsklomp geleken, stond mijn vader

aan het roer, toen onverwachts de reepschieter aan dek kwam snellen

en mijn vader toeriep: "Neen, schipper! nu kan ik het beneden niet

langer uithouden, want de Böze zelf zit bij de kombuis en die wil

me meênemen."

"Mijn vader deed een kort gebed, en daardoor aangemoedigd, ging hij

zelf naar omlaag en zag in 't rookerige logies, waarin de geheele

bemanning lag te slapen, den duivel zelf de handen boven de kombuis

warmen.

"Toen mijn vader dit zag, werd hij dan toch wel zoo kittig boos, dat

hij den Böze toeriep, wat hij bij hem aan boord kwam doen, en toen de

duivel zeide: "ik kom den reepschieter halen, die zijn ziel aan mij

verkocht heeft en die dus in mijn dienst is," antwoordde mijn vader hem

onbedeesd, "dat hij zelf hem betaalde en hij dus in zijn dienst en van

niemand anders was." Ja, hij sprak hem zoo flink aan, dat de duivel,

toen hij van boord ging, den reepschieter twee jaar uitstel schonk.

"En de Böze hield woord ook. Gedurende twee jaar werd de reepschieter

niets meer van hem gewaar en hij en mijn vader waren 't geval schoon

vergeten: doch dit was bij Satan helaas niet het geval, want juist

dien zelfden dag, twee jaar later, lag mijn vader met zijn hoeker voor

Maassluis, waar de reepschieter hem in de jol naar den wal bracht,

aan niets denkend.

"Eerst 's avonds keerde mijn vader aan boord terug, waar hij tot zijn

groote droefheid vernam dat de reepschieter verdronken was en de jol

zonder iemand er in langszijde aan boord was gedreven.

"'t Was bijster duidelijk. De Böze had woord gehouden en had den

reepschieter, na twee jaar uitstel, weggehaald."

Zoo leven er nog in Pernis wonderlijke verhalen van zekeren Mees

Kroon, die met een helm geboren was, en zich dan ook door bijzondere

slimheid onderscheidde.

Als scheepsjongen voer hij met zijn vader op een klein bezaantje

(klein vaartuig) en kwam hij eens met zulk een dikken mist voor 't

Bokkengat te Hellevoet, dat zijn vader zelf er niet binnen dorst en

juist gereed was weêr in zee te steken, toen een groote koopvaarder,

met rijke lading uit Indië gekeerd, plotseling in den dikken nevel

langs zijde schoot, en de kapitein, die stormweêr verwachtte, riep:

"Schipper, kunt ge mij ook binnenloodsen?" De oude ervaren schipper

durfde daaraan niet denken, maar zijn zoon Mees Kroon praaide:--"jawel

kapteintje, gooi me maar een lijntje toe."

In een oogwenk was Kroon aan boord; hij nam onmiddellijk het roer

zelf in handen en stuurde onverschrokken den wal in, tot eindelijk

de kaptein zeide: "Maar loods, waar zijn wij toch omtrent?"

"Laat hier gerust je anker maar vallen," gaf onze jeugdige visscher

ten antwoord. "We zullen hier niet ver verwijderd zijn van 't

Hellevoetsche havenhoofd." En werkelijk, toen den volgenden morgen de

mist voor 't eerst optrok, lag de koopvaarder veilig en wel vlak bij

't Noorderhoofd, en hadden zij de haven van Hellevoet open voor zich.

Een anderen keer wilde men beproeven Mees Kroon om den tuin te leiden

en zijne knapheid op de proef te stellen.

Toen men in de Noordzee voer, had men op Doggersbank grond gelood en

dien in stilte bewaard en weggeborgen.

Toen men nu dagen daarna in 't Engelsche Kanaal voer, en lang door

tegenwind werd opgehouden, kwam men op zekeren dag met den grond van

Doggersbank naar Kroon toe, zeggend:

"Mees Kroon, we hebben zoo even deez' grond gelood, kunt ge ook zeggen

waar we met het schip staan."

"'t Is te donker om 't goed te zien," zei Kroon, die te kooi lag,

"doch laat het mij maar eens even proeven."

Eerst rook hij er aan, proefde het zeer zorgvuldig, en zeî toen

bedaard:

"O! fijne grond van 't Doggerszand,

Hoe kom jij in 't Kanaal te land?"

Deze verhalen werden na het avondeten gedaan, doch onder het werk

wordt niet gesproken.

Onze beugers zingen aan boord nooit (behalve psalmen bij het

kerkhouden), doch twisten op 't zelfde vaartuig ook nimmer onderling.

Ieder weet precies zijn taak, en wat hij op zich genomen heeft te doen,

verricht hij met voorbeeldige stiptheid.

't Is eene kleine republiek aan boord, waarin de bevelen van Albert met

meer dan militaire vlugheid worden uitgevoerd, wat evenwel niet belet

dat Harmens soms ongevraagd uit het pijpje van Albert zit te rooken,

en kleine Jan zonder eenig vertoon van ontzag naar omhoog praait,

waar de schipper slaapt: "Albert! Albert! thee is klaar!!!"

Straffen komen niet voor; Albert is baas aan boord; er is wel een

stuurman, maar hij heeft niets boven de overige matrozen vóór, dan

dat hij bij den schipper achter slaapt, en zoo noodig hem vervangt.

Wanneer de equipage voor eene nieuwe "teelt" of seizoen voltallig

is, wordt om de verschillende betrekkingen, als stuurmansmaat, kok,

klimmer enz., met dobbelsteenen gegooid, welke betrekkingen dan ook

min of meer voordeelen afwerpen.

De beugers zijn weinig bespraakt, zeide ik reeds, maar zij denken veel:

"Aan hun vader, die nooit weer thuis kwam, aan zijn oudsten jongen,

die met een stuk water overboord spoelde, of aan de broers, die nimmer

van de reis terugkeerden."

Arme, dappere, eenvoudige visschers, vroeg of laat wordt de Noordzee

(dat onmetelijke kerkhof) ook hun graf.

Zij weten het wel, die kloeke harten, maar van hun jeugd af zijn ze

met dit denkbeeld vertrouwd geraakt.

"Zoo lang ik vaar," zegt Albert, "werden er maar drie visschers te

Pernis aan den wal begraven. De rest bleef op zee."

Weten wij wel, dat de visch, die wij eten, zoo duur betaald is?

's Winters blijft men gewoonlijk 10-14 dagen in zee, om na één dag

toevens opnieuw in zee te steken; maar 's zomers blijft men 5 weken

lang uit; dan wordt de kabeljauw in tonnen zout opgeborgen en als

laberdaan naar Duitschland en de Middellandsche zee vervoerd.

Doch tegen Paschen keeren alle schepen naar Pernis terug en blijft

de geheele visschersbemanning zes weken aan den wal. Dan heerscht er

blijdschap en vreugde alom.

Als de witstengen in de Pernisser haven liggen, weet de heele omstreek

het onmiddellijk, en dan tooien de meisjes der omliggende dorpen zich,

en stroomen naar Pernis.

Met Paschen is het daar feest! Wie dan een visscher krijgt is wel af,

want hij heeft veel geld en weet koninklijk te onthalen en edelmoedig

feest te vieren.

In de tien dagen dat wij uit waren, was de geheele opbrengst ruwweg f

1500.-- [12] Ieder matroos of gewoon visscher kreeg ruim f 71.--"Jelui

zult rijk worden!" zeide ik tot een mijner nieuwe vrienden, toen hij

mij bij het huiswaarts zeilen 's nachts op dek vertelde wat hij met

deze reis dacht te verdienen.

"Ja mijnheer, dat is wel zoo! maar ziet u, het geld is eigenlijk voor

vader en moeder! Wij krijgen van hen van elken gulden een dubbeltje,

maar als we trouwen willen, dan waarschuwen we met Paschen een jaar te

voren, en als we dan met den volgenden Paschen trouwen, dan krijgen we

van elken gulden een kwartje. En dan helpen onze kinderen ons later

ook weer. En soms brengen we heel wat geld mee. Albert heeft zijne

moeder eens f 1000.-- medegebracht, en hij kreeg prompt zijn f 100!"

Zijn dit geen mannen om te waardeeren en lief te krijgen!

En als men dan zelf zeeman is en met hen vaart en werkt, bidt en

zingt, dan leert men hen door en door kennen, en ik wensch ieder

zulke makkers aan boord, van wie hij zoo veel kan leeren.

Wij, van de marine, verwonderen ons wel eens hoe visschers zoo,

zonder sterrekundige waarnemingen te doen, den weg op zee kunnen

vinden en de kust kunnen aanloopen, waar ze maar willen. Maar ze

kennen den grond van de zee en voelen met het lood hun weg.

Bij het naar huis zeilen verkennen ze zich eerst aan de Doggersbank;

het hangt af van de diepte, welke zij looden, of zij Z. ten W., of

Z. ten O. naar wal sturen. Vooral bij Z. wind maken ze dat ze goed

boven 's winds van het gat blijven, en loopen dan stoutweg juist zoo

lang naar wal totdat ze land zien.

Vooral bij mistig weder is het moeielijk om onze lage vlakke kust

aan te loopen, maar onze Pernissers doen het met alle zeilen bij,

en ze hebben geen vrees voor land voordat ze de koeten zien. Deze

vogels--die men niet met meeuwen verwarren moet--vliegen in alle

seizoenen enkel in het gezicht van de kust en laag bij het water;

ze zijn onwaardeerbare bakens voor de visschers, en behoorden door

de wet beschermd te worden, want ze zijn de vrienden, die den zeeman

waarschuwen dat hij dicht bij den wal is.

Albert roept omlaag: "de koeten zijn gezien!" en onmiddellijk worden

de topzeilen ingenomen en loodt men den grond. Terwijl een visscher

dit doet, klinkt het "land!" en we zien het Wijkerduin, met het ronde

koepeltje op de noordzijde, flauw door den nevel heen schemeren. We

stonden vlak onder den wal in vijf vaâm water.

Iets later zagen we de twee torens van IJmuiden, en toen de twee

torens van Egmond.

Het bleef dik weer, doch onverschrokken liep Albert het Schulpengat

bij Den Helder binnen, het lood gaande houdend, en zich precies in

vijf vaâm water aan den wal vastklampend.

's Avonds om half tien waren we binnen, en reeds om tien uur was de

visch opgeslagen, om per spoor naar Duitschland te worden vervoerd.

Straks, toen we in den kouden winternacht voor een killen wind

naar huis zeilden, hadden ze na het avondeten afscheid van mij

genomen. Terwijl ik weer in hun midden zat in het enge berookte

scheepsruim, hadden zij allen eerbiedig den ouden zuidwester van

het hoofd genomen, want de oude grijze visscher had hun voorgesteld,

om met het oog op mijn aanstaand vertrek naar Indië, een paar verzen

uit Psalm 33 mij toe te zingen. Zonder eenig vertoon deden ze dit,

en de zware mannenstemmen hieven een "de profundis" aan, dat mij

't oog omhoog deed slaan.

't Is God, aan tijd noch plaats verbonden,

Wiens toezicht over alles gaat;

Die 't harte vormt en kan doorgronden,

Die aller werken gadeslaat.

Schilden, bogen, dolken,

Dappere oorlogswolken,

Wijsheid, moed noch kracht,

Kunnen ooit in 't strijden

Eenig vorst bevrijden,

Zonder 's Heeren macht.

Laat ons alom zijn lof ontvouwen:

In Hem verblijdt zich ons gemoed,

Omdat wij op zijn naam vertrouwen,

Dien naam zoo heilig, groot en goed.

Want de Heer der heeren

Doet ons triomfeeren,

Hij, geducht in macht,

Slaat elk gunstig gade,

Die op zijn genade

In benauwdheid wacht.

Mij had die psalm, door de trouwe kinderen der zee een nieuwen vriend

toegezongen, meer goed gedaan dan ik zeggen kan. Het moedgevend

lofgezang van hen die werken zal zegevieren op het doffe gebrom der

klagers die niets doen, dacht ik.

Toen de Castor lag vastgemeerd, kwamen ze allen, van Albert tot en met

kleinen Jan, mij uitgeleide doen, en ik nam afscheid van deze vrienden,

die ik nooit vergeten zal. Albert beloofde, na zijn terugkeer van

den volgenden tocht, een dag te Voorburg bij mijn moeder aan huis te

komen doorbrengen--wat hij ook deed--en ik schudde hen allen de hand,

terwijl ik de hoop uitdrukte hen weder te zien, en nog eens zulk een

heerlijken wintertocht met hen te maken, als ik over enkele jaren

uit Indië terugkwam.

"Dan kom ik er een paar van jelui pressen om meê te gaan naar

de Noordpool!" zeide ik lachend, doch ernstig klonk het antwoord:

"Hoor eens, luitenant, als er oorlog komt, en je hebt ons noodig, en

jij wil ons aanvoeren, dan gaan we met je meê op een kanonneerboot,

net als vader in 1830 deed onder Overste de Raad!"

En ze gaven me nog eens de hand, en ik erken dat ik aangedaan was

en mij trotsch voelde op onze Hollandsche visschers, dat zeelui

zijn naar het hart van De Ruyter. God zegen' u, moedige, eenvoudige

mannen! Zoolang het vaderland jongens heeft als gij, moet alles

goed gaan!

Leven en streven van L. R. Koolemans Beynen · 第 32 / 46 题