Na boos weder gehad te hebben op de Oostkust van Nova Zembla, waar deze
van kaap Nassau tot aan IJskaap toe op één grooten gletscher gelijkt,
waardoor slechts hier en daar een brok land dringt, en na negen dagen
met mist en hooge zee en storm gekampt te hebben in die gevaarlijke
nabijheid, besloot de kommandant van de Barents den 5den September
naar het vaderland te stevenen. Kaap Nassau was in een dichte sneeuwbui
boven winds uit het oog geraakt; de wintervorst naderde, dr. Sluiter,
de bekwame, ijverige zoöloog, lag zwaar ziek in zijn vochtige,
duistere slaapplaats, en alles dwong tot de huisreis. Toch werd
besloten nog eerst te onderzoeken hoever de noordelijke ijsrand zich
uitstrekte, en voortgestuwd door een stijve bries uit het W. N. W.,
ging de Barents nog eens noordwaarts, en ontmoette het ijs op 78°
7' N. Br. Een hevige storm uit het Z. W. noodzaakte kommandant de
Bruyne weder uit het ijs te sturen, en na geworsteld te hebben met
aanhoudenden tegenwind en stormweêr viel het kleine schoenertje, dat
zich zoo prachtig gehouden had, den 12den Oktober te IJmuiden binnen.
Officieren en bemanning werden met veel warmte welkom geheeten in het
vaderland. Hun kloeke tocht naar het Noorden werd algemeen gewaardeerd
en Beynen was recht gelukkig dat de proeftocht zoo wel geslaagd
was. Toch was hij de vroolijke, levenslustige jonge man van vroeger
niet meer. Men kon bespeuren, dat de groote verantwoordelijkheid,
welke hij, bij ijsdrang en noodweer, gevoeld had dat op hem rustte,
hem had aangegrepen. Onbeschrijfelijke moeite kostte hem het stellen
van zijn verslag. Hij vertoonde zich nergens, doch sloot zich op in
zijn kamer om er aan te werken, en met compressen koud water om het
gloeiende hoofd gebonden, poogde hij zijn verslag zoo te schrijven,
dat het hem voldeed.
"Vindt ge mijn beschrijving van ons vechten tegen het ijs niet lauw
water?" schreef hij mij; "zeg mij toch wat ik doen moet. Er deugt
niets van en ik was dwaas het je zoo te zenden, maar men kan van
een vriend houden om zijn dwaasheden en zwakheden, en beschouw het
werk, dat ik u toezend, dan ook als een sprekend voorbeeld van het
schrijfwerk van een onnadenkenden zeeman, een onpractischen vriend."
Hetgeen hij mij zond was degelijk en goed, doch er ontbrak de
levendigheid aan, welke zijn meesleepende verhaaltrant, wanneer
hij sprak, onderscheidde. Hij kwam een paar dagen bij mij logeeren,
en als hij dan over zijn reis sprak en in vuur geraakte, schreef ik
de woorden uit zijn mond op, en wat hij zocht vond hij zelf. Geen
woord kwam er dus in 't verslag, of in zijn aardig verhaal "In
't Kraaiennest", dat niet uitsluitend van hem zelven was. Ik heb
ze voor mij liggen, de potloodkrabbels, waarmede ik haastig zoo
menig kenschetsend woord van hem opschreef, en het is me alsof ik
het bezielde woord van den nobelen jongen opnieuw hoor. De reactie,
welke kwam na al zijn inspanning gedurende vijf jaren, was groot, en
het werken was hem zeer moeielijk geworden, gelijk ik mededeelde. Aan
het einde van zijn verslag schreef hij dan ook met volle waarheid:
"en hiermede eindig ik mijn taak als verslaggever, die mij zwaarder
is gevallen dan de reis."
Toch besloot hij dat verslag met woorden vol van de oude geestdrift, en
't is me of ik hem met vonkelend oog en 't fiere hoofd omhoog gebeurd,
nog spreken hoor, als ik herlees:
"Al de waarnemingen en handelingen op de Barents verricht gaven aan
ieder aan boord het bewustzijn, dat hij eene belangrijke taak te
vervullen had, wekte op tot bovenmatige inspanning en schonk bij
welslagen der pogingen de voldoening van ook als Nederlander iets
tot het natuurkundig onderzoek der zeeën te hebben bijgedragen,
waarin andere zeevarende natiën zich in de laatste jaren zoo
verdienstelijk hebben gemaakt. Daarin toch vindt een klein volk eene
schoone gelegenheid om in tijd van vrede zich lauweren te verwerven,
door veroveringen in het belang der wetenschap te maken.
"Moge deze eerste tocht door meerdere tochten ook op grooter schaal
gevolgd worden; en mochten de middelen niet toelaten om daartoe een
stoomschip te gebruiken, laat ons dan voortgaan te doen wat door de
Willem Barents gedaan is en ook zeggen, als de Spartaan tot zijn zoon,
die zich beklaagde dat zijn zwaard te kort was: "Zoon, doe een stap
nader tot den vijand."
Doch den volgenden "stap nader tot den vijand" zou Beynen niet
medemaken. Zoodra hij in het land was teruggekeerd, had de minister van
marine Jhr. Wichers, die den heer van Erp Taalman Kip was opgevolgd,
hem gezegd dat het varen naar het Noorden nu uit moest zijn en hij
in 't voorjaar weder naar Indië had te gaan. Voor zijn loopbaan als
zee-officier was dit trouwens beter, en hij gevoelde zelf dat het in
het belang van de ijsvaart was dat meer en meer zee-officieren zich
zouden bekwamen in die vaart. Zij die een paar reizen gemaakt hadden,
deden dus beter plaats voor kameraden te maken, opdat ook anderen
die leer- en oefenschool mochten doorloopen. Wij, zijn vrienden,
raadden hem met grooten aandrang aan, geen poging te doen om den
minister te bewegen hem nog eens verlof te geven naar het Noorden
te gaan. Wij zagen hoe zijn gestel geleden had door die "bovenmatige
inspanning", waarvan hij sprak en die nu jaren lang geduurd had. In
enkele opzichten was het Noorden beter dan het Oosten voor zijn
gezondheid, maar zijn zenuwgestel had dringend rust noodig, en geen
groote verantwoordelijkheid moest daarom vooreerst weer op die jonge,
gewillige schouders gelegd worden.
Ik zag hoe aanhoudende hoofdpijn en slechte spijsvertering hem
hinderden, en eens dat hij op een avond bij mij zat, stelde ik hem
een plan voor dat mij niet verwerpelijk scheen. "Kunt ge niet wegens
uw gezondheidstoestand een paar jaar non-actief blijven?" vroeg ik,
"dan komt ge tot rust en kalmte. Er is een betrekking waarin gij
gedurende dien tijd met genoegen zult werken, voor je open, en er is
bovendien zooveel dat je nu meer dan ooit aan het vaderland boeit."
De verleiding was groot, want het leed geen twijfel dat hij rust in
een gematigd klimaat noodig had, maar rust is voor edele enthousiasten
juist het eenige wat ze niet voor hun ideaal over hebben. "Repos
ailleurs" is hun motto. Mijn voorstel weigerde hij in een brief,
waaruit ik enkele woorden wil aanhalen, omdat ze hem doen kennen als
geen andere zouden vermogen. Ze zullen zelfs den onverschilligste
doen beseffen waarom men Beynen niet ten halve liefhad.
"Mijn plicht is het te werken zoolang het dag is, en naar Indië
te gaan. Als ik in de tegenwoordige droevige tijden (waarin de
menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf gelooven)
rust ging nemen, terwijl het de schijn had alsof ik meer luisterde
naar mijn belang dan naar mijn plichtbesef, dan zou ik door die daad
verbazend veel kwaad doen aan het plantje, dat wij pas na zooveel
moeite en met zooveel opofferingen gepoot hebben, opdat het later
vruchten geve aan ons land. Duizenden zouden zeggen: "daar hebt ge nu
die vaderlandlievende geestdrift! Zoodra men er munt uit kan slaan,
verlaat men schaamteloos en zonder te blozen, den standaard, dien men
zelf heeft opgeheven en dien men eerst zoo heilig beweerd had nimmer
in den steek te zullen laten.
"Waarlijk! mijn vriend, ik zou aan de zaak welke wij beide zoo
liefhebben, veel, zeer veel kwaad doen, en ik geloof dat het grootste
offer dat ik aan de Nederlandsche poolzaak brengen moet, dit is, dat
ik het publiek de gelegenheid beneem te beweren, dat geen waarachtige
vaderlandsliefde, maar enkel vuig eigenbelang pour parvenir de prikkel
was, dien Nederlandsche zeelieden een beroep deed doen op den steun
en de medewerking van het geheele volk. Neen, wij officieren, deden
het enkel uit liefde voor ons land en ons corps.
"Vooral voor jong Nederland zal een duidelijk blijkbaar geheel
belangloos streven oneindig beter (ook in de toekomst) werken en tot
navolging en medewerking aansporen."
Ik heb lang geaarzeld eer ik deze regels uit een zeer vertrouwelijken
brief overschreef, doch ik heb er toe besloten omdat, zonder dat ik er
iets aan toevoeg, door ieder zal begrepen worden, dat Beynen, eer hij
zoo kon schrijven, een groote overwinning had behaald op zich zelven,
uit heilige toewijding aan 't geen hij zijn plicht achtte.
Hij was een ridder zonder vrees of blaam. Hij overtuigde anderen
dat het plicht was zich geheel aan het land en zijn belangen toe te
wijden, omdat hij zelf zoo volkomen overtuigd was. Indien hij een
profeet was van ideëel plichtsbesef, dan was hij ter zelfden tijd
zijn eigen discipel. Hij zag in wat ons land boven alles noodig
heeft. Als hij in dien brief spreekt van "deze droevige tijden
waarin de menschen nimmer aan anderen en nauwelijks aan zich zelf
gelooven," dan legde hij den vinger op de wonde, dan duidde hij de
ziekte der natie aan, waartegen hij wilde reageeren, terwijl ze hem
deed lijden. Onverschilligheid en kwaaddenkendheid moeten overwonnen,
en het volk weer innig doordrongen worden van hetgeen het den staat
verschuldigd is; het moet zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid
waardeeren, gelijk men het zijn gezondheid doet, en niet de dagen
van ziekte en zwakte afwachten om er voor te zorgen. De vrijheid
heeft twee stemmen, die der bergen en die der zee, en aan die der
zee moeten wij de verlevendiging van ons nationaal bewustzijn vragen.
Professor Helmholtz schreef eens dat een microscopist, als hij
dieper en dieper in de geheimen der natuur doordrong, ten laatste
op een standpunt kwam, waar hij meer aandacht moest vestigen op
het instrument dat hij gebruikte, dan op de voorwerpen welke hij
waarnam. Dan behoorde hij al zijn geestesgaven aan te wenden om het
instrument te verbeteren, om de lensen duidelijker en helderder te
maken, en hun vermogen te vergrooten.
Wij hebben in ons vaderland, dat reeds veel gedaan heeft, geloof ik,
dat standpunt bereikt. Het komt er op het oogenblik meer op aan om
het volk, dat het instrument is waarmede gewerkt wordt, nieuw leven,
frissche kracht, verjongd geloof in zich zelf bij te zetten, dan om
meerdere kennis te veroveren. Laat men geen volk ongelukkig noemen
voor den dag van zijn dood, want er zijn altijd nog duizende kansen
op geluk, op herstel, en het voorbeeld door Beynen gegeven zal ons
wellicht een van die kansen doen aangrijpen.
Wanneer de breede stroomen, die ons vaderland het aanzijn gaven,
roerloos en zwijgend in de winterboeien liggen, zou iemand die de
kracht der lentezon niet kende, geneigd zijn te gelooven dat ze voor
goed versteend zijn. Doch plotseling hoort men een donderenden klank
als van kanonvuur; het ijsveld kraakt en breekt, en 't water met
zijn boeien spelend, stroomt vroolijk, tintelende in het zonnelicht,
weer naar de zee.
Geweld noch toorn baat iets tegen het ijs dat rivieren stremt, maar
vast geloof in 't rijzen van de voorjaarszon, en in den vloed der zee
die vrij maakt, dwingt tot geduldige volharding, en noopt ons alles
in gereedheid te brengen tegen dat de dooi begint.
Wil men diezelfde heerlijke uitkomst voorbereiden in 't vaderland,
en zijne burgers, die door langen voorspoed zijn geboeid, de lendenen
weer doen omgorden tot nieuwe krachtsinspanning, dan moet men evenmin
met toorn, schimpen en geweld aan 't werk gaan. Dan moet men niet te
veel critiseeren en afkeuren, niet te veel klagen en gispen, maar
met woord en daad hen helpen, die op frissche bezielende wijze het
goede voorbeeld geven.
Er is zeker wel niemand die zijn land lief heeft en aan de toekomst
zijner kinderen denkt, die zich niet soms diep ontmoedigd gevoelt,
en klaagt over veel dat in onze maatschappij, en de toestanden van
ons vaderland verontrustend schijnt. Er is een zekere matheid en
vermoeienis, een sleur, een onverschilligheid en gemakzucht welke
vele edele kiemen verstikken. Hier en daar ziet men bewijzen van een
geest die niet goed is, van een zelfzuchtige begeerte om de toekomst
voor zich zelve te laten zorgen, en niet bij tijds te waken voor de
krachtsontwikkeling van het volk en de verdediging van het land, voor
alles wat het zelfvertrouwen, het geloof en de hoop onzer kinderen
kan versterken.
Wanneer wij, die gelooven dat kleine, onafhankelijke staten het
zout der Europeesche volkerenfamilie zijn, en bolwerken vormen van
gewetensvrijheid en geloof in hooge beginselen, zien en ondervinden
dat in alle standen menigeen niet beseft dat krachtsinspanning en
eindelooze strijd noodig zijn, om de oude vlag fier te handhaven, dan
zouden wij bijna ontmoedigd worden. Doch dit willen we niet, dit zullen
we niet. We moeten niet gispen en klagen en veroordeelen en aan anderen
de schuld geven; neen, we willen opbouwende kritiek. In plaats van
enkel af te keuren wat verkeerd is willen we hen aanmoedigen, steunen
en bewonderen die hun plicht doen, die den staat met hunne schouders
steunen, die het ideaal eeren, die hun volk tot beweegkracht strekken.
Wanneer men het volk Jan Salie scheldt, dan denkt ieder aan zijn
buurman en niet aan zichzelf, en de berisping gaat als een galmend
gerucht over onze hoofden. Doch als men Jan Cordaat eert en prijst,
dan steekt men de hand in eigen boezem en erkent men: "hij is mijn
meerdere, hij zij mij tot voorbeeld."
Moge Beynen's toewijding aan zijn plichtgevoel, aan zijn vaderland dan
ook velen opwekken om hem na te volgen, en moge het aantal jonge mannen
groot worden die eens met eerbied voor zijn streven zullen zingen:
"Hij toonde ons hoe geestdrift de zelfzucht verwint
"En wij minnen eens 't land zooals hij 't heeft bemind." [11]
De brief, welks bewoording tot deze opmerkingen aanleiding gaf, deed
mij inzien dat elke verdere poging om te verhinderen dat Beynen naar
Indië ging, vruchteloos zou zijn. Ik vroeg hem of hij een geneesheer
wilde raadplegen, en hierop antwoordde hij: "Ik heb een geneesheer
over mijne oogen geraadpleegd, het eenige wat mij zorg baart; ik
zal overigens voor mijn gezondheid zorgen, dat beloof ik je. Ik wil
niet als een wrak uit Indië terugkeeren, en gevoel mij werkelijk
nog als een hecht en sterk scheepje dat voor vele diensten gebruikt
kan worden. Doch die hoofdpijnen moeten overwonnen. Ik ga daarom
mijn trouwe vriendin, de zee, om hulp vragen. Het geheele verhaal
van den tocht van de Barents ging heden middag in zee, en daarmeê
viel mij een zware steen van 't hart. Om geheel frisch naar Indië
te vertrekken, en koning en vaderland daar goed te kunnen dienen,
ga ik van 27 Januari tot 14 Februari met een Nieuwedieper sloep beug
visschen. Het is een heerlijk vooruitzicht onze visschers te leeren
kennen en in hun midden op zee nieuwe kracht op te doen."
Toen hij van dien tocht met de Pernisser visschers terug was gekomen
en voor het laatst bij ons dineeren kwam, vertelde hij na den eten
bij mij aan huis, op zijn eigen levendige aanschouwelijke wijze,
met geestdrift aan mijn jongens zijn wedervaren. Ik had toen met
potlood haastig het meest kenschetsende van zijn verhaal genoteerd;
dit vulde ik aan met wat hij mij, terwijl we op het dek van de Koning
der Nederlanden 's avonds heen en wederliepen, nog mededeelde. Hij
had zelf een en ander van zijn tocht opgeteekend, en uit Napels en
Indië zond hij mij in een paar brieven nog bijzonderheden omtrent de
wijze van visschen en de inrichting van het schip.
Dus kwam het volgende verhaal in de wereld, dat ik slechts geredigeerd
heb, doch dat trouw Beynen's eigen woorden wedergeeft.