De Koning dacht: "Dat is een waar woord!"

Daarmeê lieten zij het gesprek varen. Elegast beval zich aan God, dat

Hij hem behoeden mocht! hij was niet onbezorgd--maar kon geheime

kunsten, waarmee hij allen in slaap bracht, die op de burcht waren, en

al de sloten, klein en groot, opende, die men anders alleen opendeed met

sleutels; hij ging toen ter plaatse waar de schat lag, zonder dat iemant

hem zag of hoorde, en haalde en bracht zoo veel hem geviel.

Toen wilde Carel henenrijden--maar Elegast beval hem nog te toeven: hij

wilde om een zadel gaan, dat in de kamer stond, waar Eggheric en zijn

vrouw lagen--een zadel, het schoonste dat men ooit gezien had. De man

leeft niet, die u de heerlijkheid van het gantsche zadeltuig zoû kunnen

beschrijven; alleen aan den voorboog[2] is prijzensstof genoeg. Daar

hangen honderd schellen aan, die alle van rood goud zijn, en klinken als

Eggheric rijdt. "Gezel, doet wijs en wacht! Ik zal hem zijn zadel

stelen--al zoû ik bij de keel gehangen worden!"

[Illustratie: Ziet hier het zadel, waar ik U zoo even van verhaald heb.]

Dit beviel den Koning kwalijk. Hij had liever het gewin van het zadel

ontbeerd, dan dat Elegast weêr naar binnen ging. Toen Elegast bij het

zadel kwam, waar ik zoo even van sprak, en dat hij van daar wilde

wechnemen, gaven de schellen, die er aan hingen, zulk een klank, dat

Eggheric er door opsprong uit zijnen slaap en riep: "Wie is daar aan

mijn zadel?" Hij zoû zijn zwaard getrokken hebben, hadde de vrouwe 't

niet verhinderd, die een kruis maakte en hem vroeg "wat het was dat hem

zoo onrustig deed zijn? Of elven hem kwaad wilden doen?" Zij nam het

zwaard en de scheê en zeide: "Er kan niemant ter wereld binnen zijn

gekomen. 't Is iets anders dat u deert." Zij verzocht en bezwoer hem

haar te zeggen, 'wat toch de reden mocht zijn, dat hij, naar zij had

opgemerkt, in drie nachten niet geslapen had, noch in drie dagen

gegeten.' Aldus begon zij hem te ondervragen. Vrouwen-list is

menigvuldig--ze mogen jong of oud zijn. Zoo lang hield ze bij hem aan,

dat hij haar begon te verhalen, hoe hij 's Konings dood had gezworen, en

hoe zij, die uitgelezen waren om de daad te volbrengen, op het punt

stonden van te komen. Hij noemde haar met namen hoe ze heetten, wie ze

waren, die den Koning zouden treffen.

Dit alles hoorde Elegast, en hield 'et vast in zijn hart. Hij dacht bij

zich-zelven, hij zoû de wandaad, het verraderlijk stuk, aan het licht

brengen.

Zij, de vrouwe, antwoordde: "Mij ware 't véél liever dat men u ophing

bij de keel, dan ik gedoogen zoû, dat de Koning aldus zonder dat hij

gewaarschuwd werd zijn leven zoû verliezen." Op dat woord sloeg Eggheric

de vrouwe zoo driftig in het aangezicht, dat haar het bloed terstond

uitbrak uit neus en mond. Zij richtte zich op en stak het hoofd buiten

de legerstede. Elegast, die dit alles had gaâ-geslagen, kroop er

zachtkens heen. In zijn rechter handschoe ving hij 'et bloed op van de

vrouwe, om dat hij 't wilde laten zien aan wie 't den Koning als een

teeken brengen mocht, dat hij zich wachten zoû voor het gedreigde leed.

Toen zeide Elegast een gebed, waarmee hij Eggheric en de vrouwe deed

inslapen; vast sliepen zij in, met zoo veel goed geloof had hij zijn

woord gesproken. Toen ontstal Elegast hem het zadel en het zwaard, dat

hem lief was, en repte zich buiten burcht en hof weêr naar zijn paard en

tot den Koning, die zich zeer verontrustte, om het goed, dat Elegast

had aangebracht.

Had 'et naar zijn wensch gegaan, hij zoû er niet langer getoefd hebben:

zoo beangst was hij. Hij vroeg aan Elegast, "waar hij zoo lang gemard

had?"--"Ik kon er niet aan doen," was het antwoord. "Bij al wat door God

leeft, als nu mijn hart niet breekt van het leed, dat ik gevoel, zoo zal

het van geen rouwe noch leed ter waereld meer breken--daar ben ik reeds

te voren zeker van. Mijn hart heeft zoo groote droefheid. Gezel!" ging

hij voort, "ziet hier het zadel, waar ik u zoo even van verhaald heb.

Neemt het! ik ga--om Eggheric het hoofd af te slaan of hem met een dolk

te doorsteken, ginds waar hij ligt bij zijn vrouwe. Dat liet ik niet, om

al het goud, dat de waereld bevat. Ik kom spoedig te-rug."

Toen bezwoer de Koning hem plechtig, dat hij hem zeggen zoude om welke

reden hij zoo mismoedig was; "hij was er immers heelhuids afgekomen, en

bezat nu wel duizend pond goud; en nog bovendien het zadel, waar hij om

was gegaan."

"Ai mij! 't is iets geheel anders, dat mijn harte ontstelt en mijn

droeven zin verteert: Ik heb mijnen Heer verloren! Vroeger had ik

uitzicht tot mijn goed te-rug en mijne armoê te boven te komen. Ik

leefde in goede hoop, nu ben ik dat alles kwijt. Mijn Heer moet sterven,

morgen vroeg. Ik zal u zeggen hoe. Eggheric heeft zijn dood gezworen!"

Nu zag Carel in, dat God hem aangezegd had uit stelen te gaan, om hem

voor de dood te beschutten. Oodmoedig dankte hij des den Heer des

Hemels.

Toen sprak hij tot Elegast: "En hoe zult gij 't ontkomen? Als gij hem

doorstaakt met den dolk, waar hij te slapen ligt, zoû heel het hof in

opschudding raken; zoo gij althans niet meer dan goed geluk hadt, zoudt

gij 't ras met de dood bekocht en uw leven aan een einde geholpen

hebben. Zoudt gij u in dit gevaar werpen? Sterft de Koning--welnu, dan

is hij dood! Wat zoû men daar méér van zeggen? Van uw droefheid zoudt ge

wel genezen."

Dit zeide hij uit loosheid, deels om Elegast te beproeven, maar deels

ook met een ander doel: hij wilde gaarne daar van daan zijn; 't lange

vertoeven was hem onaangenaam.

"Bij al dat God leven liet!" riep Elegast fluks; "waart ge niet mijn

makker--het bleve dees nacht niet ongewroken, dat gij met uw woorden te

nà kwaamt den Koning Carel, mijnen Heer, die aller eere waardig is! Gij

God, die mij schiep! Ik zal mijn voornemen doorzetten en mijn verdriet

zal ik wreken aan die 's Konings dood heeft gezworen--eer ik deze burg

verlaat: 't moge mij goed of kwalijk vergaan."

De Koning dacht: "Deze is mijn vriend! al heb ik mij des weinig waard

gemaakt. Ik zal het goedmaken, indien ik het leven behoude. Hij zal al

zijn wederspoed te boven komen." "Gezelle!" zeide hij daarop: "Ik zal u

beter wijzen, hoe gij hem in het net zult brengen --dien Eggheric van

Egghermonde. Rijdt in den morgenstond tot den Koning, waar gij hem

vinden zult; verhaalt en verklaart hem dan de wandaad--het verraderlijk

opzet. Als hij uw woord hooren zal, zult ge met hem verzoend zijn, en uw

loon zal niet gering wezen:

"Al uw dagen, zoo lang God u spaart, zult gij, als waart gij des Konings

broeder, zonder iemants wederzeggen, aan zijn zijde rijden."

--"Neen," zegt Elegast, "wat mij weêrvare--voor den Koning kome ik niet.

De Koning is te zeer op mij verstoord, om dat ik hem eens twee zware

paarden-vrachten schats ontroofd heb. Ik kome bij dag noch bij nacht

onder zijne oogen. Al wat gij moogt aanvoeren, is verloren moeite."

--"Wil ik u zeggen wat gij doet," sprak Carel, de edele man, "rijdt wech

naar het woud, waar gij uw gezellen liet, en luistert nu: voert onzen

buit met u meê, tot morgen op den dag; dan deelen wij in veiligheid. Ik

zal bode der tijding zijn bij den Koning, waar ik hem weet: want werd

hij doodgeslagen--het zoû mij grieven."

Met deze woorden scheidden zij; Elegast keerde naar zijne makkers, waar

hij ze in het woud had achtergelaten, en Carel, de edele man, reed naar

Ingelhem in zijn kasteel. Alle vreugd was uit zijn hart geweken: want

hij, die hem, zoo het naar rechte ging, behoorde bij te staan, wilde hem

verraden!

De poort stond nog open en al zijne lieden lagen nog in den slaap. Hij

bond zijn paard vast op den stal, en ging naar zijne slaapkamer, eer 't

iemant hoorde of zag. Hij had zijne wapenen nauwelijks afgelegd, toen de

wachter op de hooge tinnen stond met zijn hoorn, en den dag blies, dien

men heerlijk te voorschijn zag komen. Daarop ontwaakte menig man, over

wien God den slaap had gezonden, toen de Koning uit stelen toog: hetgeen

tot goed geluk voor hem was uitgekomen.

Toen zond Carel, de Koning, éen zijner Kamerlingen om zijn geheimen

Raad. Hier zeide hij, in welken toestand hij zich bevond, "hem was ten

volle bekend, dat zijn dood was gezworen door Eggheric van Egghermonde,

die welhaast op zal dagen met al de macht des Lands om hem schandelijk

van het leven te berooven. Nu mochten zij hem goeden raad schaffen, dat

hij zijn eere mocht behouden, en zij daarenboven hunnen rechtmatigen

Heer!"

Toen zeide de Hertog van Bayvier[3]: "Laat hen komen--hier zullen zij

ons vinden. Menig zal het zijn leven kosten. Ik weet goeden raad te

schaffen. Daar zijn forsche fransche knechten hier; menig ridder en

strijdbare man, die uit Frankrijk en Baloys[4], met u herwaarts kwamen:

zij zullen zich alle wapenen en trekken in de hooge zaal, en gij-zelf,

Heer Koning, zult gewapend in den kring staan. Die u daar deren, het zal

hem kwalijk vergaan:--tot op zijn sporen zal hem het bloed neêrvloeyen:

en Eggheric het eerst!"

Deze raad dacht hem goed--en allen, die het met hem eens waren, wapenden

zich haastig; allen, klein en groot, al wat maar wapenen dragen kon. Zij

duchtten een zwaren aanval. Eggheric was zeer machtig, en al die de

Rijnoevers op en af beheerschten wilden hem hulp bieden.

Ter poorte stelde men sestig man, welgewapend en geharnast.

Toen Eggherics volk met groote scharen 's Konings hove binnentoog,

zett'e men de poorten wijd open en liet ze alle binnentrekken: maar toen

zij in den hof waren, trok men hun de kleederen uit en vond op hun lijf

blanke rustingen, scherpe dolken. De misdaad was blijkbaar. Men leidde

ze gevangen wech, naar mate dat zij kwamen, tot dat men ze alle gáder

had. Eggheric, die den geheelen aanslag beraamd had, reed binnen, met

den laatsten troep. Toen hij van zijn paard gestapt was en in de hofzaal

wilde gaan, sloot men geheel en al de poorten; men nam hem gevangen, zoo

als men de anderen gedaan had; men vond zijne leden beter gewapend dan

van een der aanwezigen. Toen leidde men hem binnen, voor den Koning,

zijnen Heere. Daar mocht hij wel beschaamd zijn! De Koning verweet hem

véél: hij wilde er niet naar luisteren; hij loochende al zijne misdaden

en zeide: "Heer Koning, beraadt u beter! Deedt gij mij, onverdiend,

schande--gij zoudt menigen goeden vriend verliezen. Noch zoudt ook gij,

noch geen uwer Baroenen de stoutheid hebben van mij te durven aantijgen,

dat ik u verried! Ware daar iemant, die des begeerte had--ik zoû 't hem

doen loochenen met den zwaarde of met de punt van mijn speer. Dat hij nu

vooruittrede, die daar lust in heeft!"

Dit hoorende, was de Koning in zijn hart verheugd. Hij zond om

Elegast--boden op boden--waar hij zich onthield in het woud; en zeide

hem aan: "dat hij haastig komen zoude, dat alle misdaad hem vergeven

was, indien hij den kamp besta tegen Eggheric. Rijk zal hij hem maken."

De boden toefden niet; zij volbrachten 's Konings last. Zij togen voort,

tot waar zij Elegast vonden. Zij zeiden alles, wat de Koning hun

opgedragen had, aan Elegast, die zich verheugde op die woorden. Toen hij

de tijding vernam, liet hij zijn paard zadelen met het zadel dat hij

Eggheric ontstolen had, en beval dat men hem zonder uitstel tot Carel

leiden zoude. Hij wilde Eggherics boosheid bekend maken en zwoer, "zoo

waar hij een Christen was, dat, indien God hem ééne bede kon inwilligen,

hij geen ander goed begeerde dan den kamp te mogen strijden voor zijn

rechtmatigen Heer en voor het behoud zijner eere." Met spoed reden zij

wech.

Elegast, de goede Ridder, kwam in des Konings zale: hoort nu hoe hij

sprak. Hij zeide: "God behoede deze burchtzaten--den Koning en wie ik

hier vinde!--maar Eggheric--hém groet ik niet! God, die zich om

onzentwille liet kruicigen, en die alles vermag, moge, met Maria, de

zoete Maagd, op dezen dag doen zien, dat men ter prooi van de winden

moet hangen--Eggheric van Egghermonde! Kon God ooit zondigen--zoo heeft

Hij zonde gedaan; dat Eggheric tot heden de galg ontkomen is;

want--mijns Heeren dood heeft hij gezworen, zonder dat hij daartoe uit

noodweer gedwongen was."

Toen Elegast dit gezegd had, zoû Eggheric het gaarne gewroken hebben:

maar hij had er de macht niet toe: menig die hem vroeger voorstond, liet

hem nu over aan zijn lot. De Koning antwoordde daarop: "Zijt welkom in

mijn hof! Nu bezweer ik u, bij al datgene, wat goede mannen hun plicht

achten, dat gij ons meldt en bekend maakt de wandaad en den moordaanslag

van Eggheric, die hier tegen u overstaat. Laat niet na, ter liefde van

wie het ook zij, de waarheid en enkel de waarheid te zeggen van de

toedracht der zaak."

--"Gaarne, Heer!" zeide Elegast; "ik mag het niet achterlaten. Ik ben er

vooraf wel zeker van, dat Eggheric uw dood gezworen heeft. Ik hoorde 't

hem zeggen, toen hij te bedde lag, en zijne vrouwe sloeg, wijl zij het

durfde wraken--dat haar het bloed uitbrak uit tanden, neus en mond. Zij

richtte zich op, en stak het hoofd buiten de legerstede. Ik was daar en

had het gadegeslagen, en kroop er zachtkens heen. In mijn rechter

handschoe ving ik het bloed op der vrouwe." Met toonde hij het den

Koning en allen, die het zien wilden. "Durf Eggheric dit loochenen--ik

doe hem onder ons-beiden de wandaad belijden vóór zonne-ondergang, of ik

zal mijn leven verliezen."

Hierop antwoordde Eggheric: "Die schande zal mij niet gebeuren, en 't

zoû ook niemant welkom zijn, dat ik mijn hals zoû wagen tegen een

verbannen dief. Beter zoû hij met boerenlummels kampen dan met mij."

Elegast antwoordde snel: "Wel zoo, ben ik geen hertog even als gij? Al

was ik een tijd verbannen en nam mij de Koning, omdat hij op mij

vertoornd was, mijn goed: verraad en moord heb ik niet gepleegd. Ik heb

den rijken lieden veel van hun goed genomen, uit nood en armoede. Maar

gij, die een moorder zijt, moogt kamp noch strijd ontzeggen aan wie ook,

die de schuld aan u wil tijgen."

Daarna andwoordde de Koning: "Bij mijn geloof, gij spreekt waarheid! Zoû

ik naar recht met hem leven, ik deed hem door éen mijner knechten

wechsleepen en hangen bij de keel."

Toen werd het ernst voor Eggheric tot het uiterste, en bij zich-zelven

dacht hij, naar 'et met hem geschapen stond: "Beter gevochten dan

gehangen!" In het hof was er niemant, die ter zijner gunste spreken

dorst. Dus werd het strijdgeding aanvaard.

Weinig tijds na de noen[5] deed de Koning zijnen Baroenen aanzeggen, dat

zij gewapend te velde moesten verschijnen. Het was zijn wil, dat de kamp

zoû plaats hebben. Hij beval het strijdperk gereed te maken en bad God,

dat hij den kamp beslissen zoû naar recht en rede. (En God verhoorde

zijn gebed.)

De Koning sprak Elegast moed in, en zeide, "liep de strijd gelukkig af

en behield hij het leven, dan zoude hij hem zijne zuster ter vrouwe

schenken, die nu aan Eggheric, den belager des Konings, gehuwd was."

Men spande koorden op het veld, waar menig man gewapend post vatt'e,

kort voor verspertijd. Elegast reed het eerst in 't strijdperk, om dat

hij aanlegger was van den kamp. Hij steeg af; knielde in het gras ter

nader, bad, en zeide: "God! bij uw goedertierenheid kom ik u heden

vergiffenis smeeken voor al wat ik ter waereld jegens u misdreven heb.

Maar al te wel ken ik mijne misdaden, Genadige God, die alles vermoogt!

ai, wreekt op dezen dag mijne zonden niet aan mij! Bij uwe heilige vijf

wonden, die gij ontvingt om onze ongerechtigheden, nemet mij heden in

uwe hoede, zoodat ik niet sterve noch den kamp verlieze! Indien het mijn

zonden niet zijn, die mij verslaan zullen--dan, voorwaar, meen ik wel

behouden van hier te komen. Heilige God! van uwe barmhartigheid bid ik,

dat ge mij sterkt. En gij, Maria, Lieve Vrouwe! met rechte trouw wil ik

u dienen; nimmermeer word ik voortaan dief noch roover in wouden en

wildernissen--mag ik het leven hier afbrengen!"

Toen hij zijn gebed had gedaan, zegende hij al zijne leden, en met zijne

rechter hand zegende hij naar behooren zijn riddersrusting, en zegende

zijn paard, dat vóór hem stond, en smeekte van Gods genade, 'dat het

ros hem met eere dragen, en behouden uit den kamp te-rug-brengen mocht.'

Met die bede steeg hij in den zadel. (Nu zult gij hooren van een grooten

strijd!)

Elegast hing het schild ter linker zijde; hij nam de speer in de hand.

Ook Eggheric kwam, wel gewapend, met grooten strijdlust naar de

kampplaats gereden. Zijn hart was in gramschap ontstoken. Hij maakte

geen kruis noch sprak eenig Gebed tot God; hij gaf zijn paard heftig de

sporen en reed op Elegast in; en Elegast met zulke kracht op hém, dat

hij Eggheric door den lederen kolder heenstak, zoo dat hij neêrviel op

het veld, van het ros ter aarde. Eggheric sprong op en greep naar het

zwaard, dat hij uit de scheede trok, en riep: "Nu zal ik u beide dooden,

U, Elegast, en uw paard; tenzij gij aanstonds afstijgt op den grond--zoo

mag uw ros het leven behouden: het is zoo sterk en zoo groot--'t ware

jammer, zoo ik het neervelde: menig zoû 't beklagen! Kunt gij er dan al

zélf het leven niet afbrengen, zoo redt gij voor 't minst uw paard."

--"Waart ge niet te voet," riep Elegast driftig, "ik zoû dezen strijd

kort maken. Ik wil u te voet niet verslaan, ik wil eer aan u behalen--al

kwame er mij het ergste van. Stijg weder op: laat ons als Ridders

vechten. Al zoude ik blijven in den kamp, ik heb liever, dat men mij

prijze, dan dat ik van uw ongeval gebruik zoû maken om u te verslaan."

Koning Carel was het leed, dat Elegast zoo lange draalde, en zijn vijand

spaarde. Eggheric ving zijn paard aanstonds op, toen Elegast had

gesproken, en steeg in den zadel.

Toen begon daar een hevige kamp, die tot lang na vespertijd aanhield.

Nooit zag iemant ergens op èenen dag zoo feilen strijd. Vreeselijk waren

hun slagen. Hunne helmen brandden als vuur, van de vonken die er uit

vlogen. Zij waren, beide, Hertogen, die daar den strijd streden, want

zoo Elegast al de smaad overkwam, dat hem zijn land ontnomen werd, hij

bleef toch even goed een Hertog.

Toen zeide de Koning van het Frankenrijk: "God! zoo waarlijk gij hier

almachtig zijt, moget gij dezen kamp en dit lange gevecht ten einde

brengen, naar recht, en naar rede!"

Elegast had een zwaard, dat, voor ieder die in nood was, zijn volle

gewicht aan bewerkt rood goud zoû waard zijn geweest: de Koning had 'et

hem geschonken.

Elegast heeft het opgeheven, en sloeg, door de Hulpe onzes Heeren, en de

bede, die Koning Carel over Elegast deed, een zoo vreeslijken slag, dat

hij Eggheric het grootste deel van den schedel kloofde, en hem dood uit

den zadel deed storten.

Dit zag de Koning, en zeide: "Waarachtige God, Gij, die in den Hemel

zijt! met recht mag ik u loven, die mij zoo menige gunst betoont. Wijs

zijn zij, die u dienen. Gij kunt helpen en verzorgen die genade bij u

zoeken."

Nu wil ik aan deze geschiedenis een einde maken.

Men sleepte Eggheric voort en hing hem--en alle verraders tevens: daar

hielp noch losgeld, noch bede.

Elegast bleef in eere. Daar dankte hij God voor. De Koning gaf hem

Eggherics vrouw. Al hun leven waren zij te zamen.

Zoo moge God al onze zaken vóór onze dood ten goede brengen!

Nu zegt allen: Amen!

[1] De plaats hier omschreven (... van den Donau ten Oosten af, ...,

Gallicië en het land van Spanje...) houdt Dr. Jonckbloet voor

ingeschoven.

[2] La bâte de devant qui forme hourd avec garde-cuisses verticaux.

Viollet-le-Duc, _Dict. du Mob_., II, 372.

[3] Beieren.

[4] Valois.

[5] Het 9e uur na zonsopgang.

Karolingsche Verhalen · 第 9 / 45 题