Eene schoone en tevens geheel ware geschiedenis kan ik u vertellen:
luistert met aandacht!
Op zekeren avond lag Carel in zijn eersten slaap tot Ingelheim op den
Rijn. De landen daar kwamen hem, den Keizer en Koning, alle in eigendom
toe.
Gij zult hier wonderen hooren en waarheid er bij. 't Volk, daar te
Ingelem, weet er nog wel van te spreken, wat den Koning overkwam. Hij
lag en sliep dan, en was voornemens, tot staving van zijn glorie, des
anderen daags met gekroonden hoofde hof te houden: maar in zijn slaap
kwam een heilige Engel tot hem en riep zijnen naam; zoo dat de Koning
ontwaakte, op de lieflijke stemme.
"Staat op, edele man!" zeide de Engel, "doet haastelijk uw kleederen
aan, wapent u, en gaat naar buiten, om te rooven en te stelen. God, de
Heere des Hemelrijks, beval mij--u dit, op verbeurte van lijf en eere,
te gelasten. Gaat gij deze nacht niet uit rooven, zoo zal u iets kwaads
overkomen; gij zult er om sterven en het leven verliezen, eer dit hof
nog scheiden zal. Zoo dan, wacht u daarvoor, en vaart uit stelen. Haast
u, verliest geen tijd, wapent u, neemt uw speer en uw schild, en stijgt
te paard."
De Koning hoorde dit, en het dacht hem vreemd wat dat roepen beduiden
moest; want hij zag niemant. Hij meende 't in zijn slaap gehoord te
hebben, en stoorde er zich verder niet aan. Maar de Engel, die van God
gezonden was, sprak nu tot den Koning: "Staat op, en vaart uit stelen!
God gelast mij het u te gebieden en zegt 't u van te voren aan. Luistert
gij niet, dan hebt gij uw leven verbeurd." Met deze woorden zweeg hij,
en de Koning riep als een die zeer bevreesd was: "Wee mij! wat heeft dit
wonder te beduiden? Is het een elfsgedrocht, een spooksel, dat mij kwelt
en deze vreemde zaak mededeelt? Ai, Heere des Hemels, wat reden zoû ik
hebben uit stelen te gaan? Ik ben zoo rijk, dat er niemant in heel het
aardrijk is, noch Koning noch Graaf, hoe rijk aan goederen, of hij moet
mij onderdanig zijn en dienst doen. Mijn land is zoo groot, dat het
nergends zijn weergade heeft. Al het grondgebied behoort mij toe: van
Keulen op den Rijn tot Rome; 't is alles des Keizers. Ik ben Heer, en
mijn gade is Vrouwe, van den Donau ten Oosten af, tot aan de wilde Zee
ten Westen. Bovendien bezit ik nog veel andere goederen: Gallicië en 't
land van Spanje, dat ik met eigen hand veroverd heb en waar ik de
Heidenen uit heb verdreven, zoo dat het land mij-alleen verbleef.[1] Wat
behoef ik dan te stelen, als of ik een arm man ware! Waarom zendt God
mij deze boodschap? Ongaarne brak ik zijn gebod, wiste ik, dat Hij 't
mij opleîde: maar-ik zoû niet licht kunnen gelooven, dat God, ter mijner
schande, mij zoû gunnen, dat ik begon te stelen."
Terwijl hij aldus in zijne gepeinzen heen- en weêrgevoerd, ginds en
derwaarts geslingerd werd, beving hem de slaap weêr een weinig, zoo dat
hij de oogen sloot. Toen sprak de Engel op nieuw: "Zult gij Gods gebod
in den wind slaan. Koning, zoo zijt gij verloren. Het zal u op uw leven
staan, Koning," vervolgde de Hemelbode: "Doet als de wijzen--vaart uit
stelen; wordt heden dief, dat is Gode welgevallig." Met deze toespraak
voer hij heen, en Carel zeide, een kruis makend, om het wonder, dat hij
gehoord had: "Ik wil Gods gebod en zijne woorden niet onvolbracht laten.
Ik zal een dief zijn--al is het schande; al zoude ik bij de keel
gehangen worden. En toch--ik had oneindig liever, dat God mij alles
ontnam wat ik van hem te leen houde, beide, burcht en land--mijn
riddersrusting uitgezonderd--dat ik mij met den schilde en met den spere
den kost moest winnen, als een die niets bezit en leeft op
avontuur:--dit, ja, dit zoû ik nog eerder willen, dan dus in het net te
zijn gevangen, en nu uit stelen te moeten gaan; zoo, zonder eenig
uitstel, bij de duistere nacht te moeten stelen of Gods gunst te
verbeuren! Moge Hij mij sterken, in die zwarigheid!...
"Ik wilde wel, dat ik zonder veel geruchts en opspraak uit het slot was,
al moest ik er zeven sterke steenen burchten op den Rijn om prijs geven!
Wat zal ik zeggen aan de Ridders en hooge Heeren, die hier liggen op het
slot? Hoe zal ik het hun verklaren, dat ik in deze donkre nacht alleen,
zonder dat iemant mij geweld deed, in een land ga ronddolen, dat mij
vreemd en onbekend is?"
Zoo sprekende maakte Carel, de Koning, zich gereed, en besloten zijnde
te gaan stelen, trok hij zijne kostelijke wapenrusting aan. Het was een
gebruik bij hem, dat men altoos zijne wapenen naast zijne legerstede
zett'e; ze waren de schoonste, die ooit iemand zag.
Toen hij dan gewapend was, ging hij door het paleis. Daar was geen slot,
noch deur zoo sterk, daar was geen poorte, die hem tegenhield, maar ze
waren geopend voor zijne schreden. Hij kon gaan, waar hij wilde. Niemand
zag hem--want allen lagen in vasten slaap, door de beschikking Gods, die
in alles hulpe verleende ter liefde van den Koning.
Zonder langer uitstel ging de Koning de slotbrug over, en sloop behendig
naar den stal, waar hij wist dat zijn paard en zadeltuig was. Toen hij
zijn hoog te prijzen ros gezadeld had, steeg hij er op.
Hij reed naar de poort en zag den wachter en den portier, die luttel
gisten, dat hun Heer met zijn schild zoo dicht in hunne nabijheid was.
Zij lagen, door Gods wil, in een vasten slaap gezonken. De Koning steeg
af en opende de poort, die gesloten was; hij leidde zijn ros zonder
gerucht noch geluid naar buiten.
Toen steeg Koning Carel weder te paard, en zeide: "God! zoo waarlijk als
gij in t' aardrijk kwaamt en zoon en vader werdt om Adams nakroost, al
wat hij in 't verderf gebracht had, te verlossen--zoo waarlijk gij u
aan het kruis liet slaan, toen u de Joden gevangen hadden--zoo waarlijk
zij u met een speer hebben gestoken, en u sloegen en, naar uw begeerte,
u de dood gaven, die gij, om onze nood, Heere, gaarne ontvingt, en
daarna de Hel hebt geopend: zoo waarlijk als dit heeft plaats gehad, en
gij, Heere, Lazarus, waar hij in zijne kluize lag, van der dood hebt
opgewekt, en van de steenen brood maaktet en van het water wijn--zoo
zeker moget gij ter dezer duistere nacht mij uw geleide geven en uwe
kracht aan mij openbaren. Genadig God en Vader, tot u keer ik mij, op u
verlaat ik mij geheel!"
Hij was in vele gedachten, waar hij het best heen zoû rijden, om het
stelen te beginnen. Hij reed een bosch in, dat niet verre daar van daan
stond; de maan scheen zeer helder, de sterren glansten aan den hemel;
het weêr was klaar en schoon. Dit waren de gepeinzen van den Koning: 'Ik
placht immer, voor alle dingen, de dieven waar ik ze ook vond te haten,
die den lieden met listen en lagen hun goed stelen en rooven: nu wordt
het tijd, dat ik ze prijze, die op avontuur leven. Zij weten wel, dat
zij lijf en goed verliezen, als men ze vangt; men hangt ze op, slaat hun
het hoofd af, of doet ze nog erger dood ondergaan. Hun gevaar is
dikwijls groot. Nimmer gebeurt het mij meer, in al mijn leven, dat ik
iemant om een weinig geld doe sterven.
'Ik heb Elegast om een kleine zaak, uit zijn land verdreven; ik denk,
dat hij, die om den buit, waarvan hij leeft, zijn leven vaak in de
waagschaal stelt, dikwijls in groote bekommering zit; want hij heeft
land noch leen noch anderen toeverlaat, dan wat hij door stelen kan
meester worden: daarvan moet hij zich onderhouden. Ik heb hem het land
ontnomen, daar hij Heer over was: beide burcht en land: dat mag mij nu
wel rouwen. Ik ben wreed daarin geweest: want hij had een goed getal
Ridders en Knapen in zijn dienst, die ik nu geheel onterfd heb van land
en goed. Nu volgen zij hem, alle, in armoede. Ik laat ze nergends rust.
Die ze huisvesting schonk--ik zoû hem beide burcht en leen doen
verbeuren. Hij heeft geen toevlucht; hij moet zich steeds onthouden in
bosschen en wildernissen, en weten te bejagen, waar zij, alle, van leven
moeten. En dit is toch waar, dat hij nooit een arme besteelt, die van
den arbeid leeft. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat hij hem in
vrede gebruiken; maar anders laat hij niemant met rust. Bisschoppen en
Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en Priesters--waar hij ze
betrappen kan, of waar zij in zijn weg komen, daar ontneemt hij hun
muildieren en paarden en stoot ze uit den zadel, dat ze ter aarde
storten. Met geweld neemt hij hun af, al wat ze meêgebracht hebben:
zilver, kleederen, en vercierselen. Zoo zorgt hij voor zijn onderhoud,
waar hij rijke lieden kan vinden. Hij ontdoet hen, op staande voet, van
hun klinkende munt--beide zilver en goud. Allerlei listen verzint hij;
niemant kan hem vangen, en toch heeft er zich menigeen toe beijverd. Ik
woû wel, dat ik, ter dezer nacht, zijn gezel mocht zijn. "Ai Heere God,
helpt mij daartoe!"'
Zoo sprekende toog de Koning verder, maar hoorde op eens hoe een ruiter
kwam aangereden, met een uitzicht als van iemant, die niet bekend wilde
zijn, met wapenen zwart als een kool. Zwart was de helm en het schild,
dat hem aan den hals hing. Zijn maliënkolder verdiende hoogen lof; zwart
was de wapenrok, dien hij er over droeg; zwart het paard dat hij bereed.
Langs een afgelegen pad, kwam hij dwars door het woud rijden. Toen hem
de Koning ontmoeten zoude, maakte deze een kruis, in het angstig
vermoeden, dat het de Duivel ware--om dat hij overal zoo zwart was. Hij
beval zich den machtigen God, en dacht bij zich-zelven: 'Overkomt mij
kwaad of goed: ik zal voor dezen te nacht het veld niet ruimen, maar het
avontuur wagen. Nochtans--ik weet het van te voren--'t is de Duivel en
niemant anders. Kwame hij van Gods wege--hij zoû zoo zwart niet zijn. 't
Is alles wat ik er aan zie, alles even zwart, paard en man.'
"Ik ducht, dat mij leed genaakt. Ik bid Gode te waken, dat deze mij geen
kwaad of oneer doe!" Toen de zwarte Ridder naderkwam, zag hij dat de
Koning hem te gemoet reed, en dacht bij zich-zelven: 'Dat is iemant,
die in dit bosch verdwaald is en van den weg geraakt. Ik kan hem dat wel
aanzien. Het zal hem zijn wapenen kosten; het zijn blijkbaar de beste,
die ik in zeven jaar gezien heb; van edelsteenen en goud stralen zij als
de dag. Waarom kwam hij in het woud? Nooit droeg een arme man zulke
wapenen nog zat op een paard zoo sterk en schoon van leden.'
Toen zij elkander voorbijkwamen, reden zij dóór zonder groeten. De eene
nam den andere op van top tot teen--maar anders deden zij niet. Toen de
ruiter van het zwarte paard nog eenige stappen méér gedaan had, hield
hij stil en dacht: 'Wie die andere toch wezen mag? Waarom rijdt hij dus
voorbij en vermijdt te spreken? ... Groeten deed hij mij niet, toen ik
hem tegenkwam; hij vroeg naar niets!... Ik houd het er voor, dat hij
iets kwaads beoogt: ware ik zeker, dat hij kwam als verspieder en mij of
de mijnen leed wilde bewerken bij den Koning, dien ik vrees, hij trok
van nacht niet ongehinderd heen. Wat nood zoû hem jagen hier in het
bosch en door het kreupelhout, zoo hij mij niet zocht?
'Bij God, die mij schiep! hij ontkomt mij niet dezen nacht, of ik zal
zijn kracht op de proef gesteld hebben. Ik wil hem spreken en kennen:
licht is hij iemant wien ik zijn paard en rusting kan afwinnen, en met
schande laten thuiskeeren. Hij is niet slim geweest met hier te komen.'
Met-een wierp hij zijn paard om, en volgde den Koning na. Toen hij hem
achterhaald had, riep hij luide:
"Staat, Ridder!--waartoe zijt gij uitgereden? Eer ge mij van hier
ontrijdt, wil ik weten wat gij hier zoekt, wat ge jaagt, wat ge begeert!
Al waart gij ook nog zoo fier, ook nog zoo karig op uw woorden: zeg het
mij--dan doet gij wel! Ik wil weten, wie gij zijt; waar gij, op dit uur,
heentrekt; en hoe uw vader heette. Ik mag u dat niet kwijtschelden."
--"Gij vraagt mij zoo vele dingen," antwoordde de Koning, "dat ik
omtrent geen u berichten wil. Liever zullen we vechten--dan dat ik mij
tot antwoord dwingen liet. 'k Hadde veel te lang geleefd, zoo ik mij
door iemant ter waereld zoû laten noodzaken tot iets, dat ik niet zeggen
zou, 't en ware 't mij vlijde. Laat er mij goed of kwaad van komen--wij
zullen dezen strijd tusschen ons beiden beslechten, en het kort maken!"
Het schild des Konings was bedekt; om het wapenteeken, dat er op stond,
voerde hij 'et niet ontbloot: want hij wilde niet bekend maken, dat hij
de Koning was.
Met dit onderhoud wendden zij dan hunne forsche en snelle kleppers om.
Beiden waren wél gewapend. Sterk waren beider speren. Zij renden, in een
open plaats van het woud, met zulk een felheid op elkander toe, dat de
paarden met de boven-achterbeenen bijna de aarde raakten. Dorstig naar
den strijd, grepen beiden naar het zwaard. Zij vochten zoó lang, dat men
een mijl in dien tijd had kunnen afleggen.
De zwarte was sterk en vlug. Zijne strijdslagen waren hevig. De Koning
vreesde, en meende, dat het de Duivel was. Hij sloeg den zwarte echter
op het schild (waar hij zich koen meê beschutt'e) dat het in stukken
vloog als een lindenblad.
De zwarte sloeg, op zijne beurt, den Koning.
De zwaarden gingen op en neder, op de helmen, op de maliën, dat er
menige losborst. Geen halsberg was zoo hecht, of het roode bloed vloeide
uit de huid door de maliën heen. Groot gedruisch was er van slagen en
wederslagen. De spaanders vlogen van de schilden. De helmen bogen hun op
het hoofd, vol schaarden en spleten--zoo scherp was de snede der
zwaarden.
'Wel is hij sterk op de wapens,' dacht de Koning; 'hij brengt me in
zulke nood, dat ik er het leven bij inschiet, tenzij God mij helpe. Zou
ik mijn naam bekend maken--eeuwig zoude ik het mij schamen; nooit meer
verwierve ik eere!'
Toen sloeg hij een zoo vreeslijken slag op den zwarte, tegenover hem,
dat hij hem bijna neervelde en aftuimelen deed van zijn ros.
Daar was kleine vrede tusschen hen. De zwarte sloeg op den Koning, en
bracht een slag aan den helm toe, dat hij inboog en het zwaard in twee
stukken vloog: zoo vreeslijk was de slag.
Op dit gezicht--dat zijn zwaard hem begeven had, riep de zwarte: "Foei,
dat ik ooit geboren ben! Waartoe dient mij het leven? Nooit had ik
geluk, noch zal het nimmer meer hebben. Waar zal ik mij meê verdedigen?
Ik schat mijn lijf geen twee peren meer: lediger hande sta ik vóór hem!"
Maar den Koning dacht het onedel te slaan op eenen die ongewapend voor
hem stond op het veld, met zijn zwaard in tweeën gebroken: 'Hij zoû niet
ongestraft blijven,' dacht hij, 'die slaat of deert, wie zich niet kan
verweeren.'
Dus hielden zij stil daar in het woud. Nog dachten zij telkens
weerzijds, wie ze toch wezen mochten.
"Bij den Heer, die mij schiep!" sprak Carel, de Koning: "tenzij ge mij
bekent hoe gij heet, en wie ge zijt, Heer Ridder--zoo hebt gij uw
laatste dagen beleefd. Maken wij een eind aan dezen strijd: mag ik met
eere doorgaan, den naam wetende van wien ik bevocht --ik zal u heen
laten rijden."
De zwarte sprak: "Ik ben bereid--mids gij begint, met mij kond te doen
van hetgeen gij hier te nacht kwaamt uitrichten en wiens leed gij
zoekt."
Toen zeide Carel, de edele: "Spreekt eerst tot mij--dan zal ik u zeggen,
wat ik hier zoek en jage; ik durf bij dag niet rijden. 't Is niet zonder
noodzaak, dat ge mij dus gewapend ziet. Ik zal er u de reden van
verklaren; mids ge mij uw naam noemt. Verlaat u daar veilig op."
--"Heer, ik heet Elegast!" antwoordde de ridder haastig; "'t is mij niet
ten beste vergaan. Het goed en land, dat ik vroeger bezat, heb ik bij
ongeval, als het menigeen gaat, verloren. Zoude ik u verhalen, hoe het
met mijne zaken aldus vergaan is: eer ik aan het eind ware, zoû het u
veel te lang vallen. Mijn geluk is zoo krank!"
Toen de Koning dit verstond, was hij blijder in zijn harte dan of al het
goed hem behoord hadde, dat over den Rijn wordt vervoerd: "Ridder,"
zeide hij, "gij hebt uw naam mij bekend gemaakt: zegt me nu, zoo 't u
gelieft, hoe gij in uw onderhoud voorziet. Bij al wat Gode waard is en
bij Hem-zelven het eerst--van mij staat u geen leed te wachten! en ook
ik, mids ge mij kond doet, zal het u van mijnen kant zeggen indien ge 't
mij vraagt, zonder strijd en zonder wrevel."--"Welnu dan, Heere,"
antwoordde Elegast, "ontvangt de getuigenis van wat ik u niet langer
verbergen wil: waar ik van leef moet ik stelen. Fijn dat ik ooit geboren
was! Sints ik het goed verloren had, daar ik van behoorde te leven, en
mij Koning Carel uit mijn land verdreven had, heb ik mij opgehouden (en
ik zal het u, al is het tot mijne schande, bekennen) in bosschen en
wildernissen. Daar mijne twaalf gezellen van leven, moet door de rijken
worden opgebracht. Maar dit is toch waar, dat ik geen arme, die van zijn
arbeid leeft, besteel. Wat pelgrim of koopman medevoert, laat ik hem in
vrede gebruiken: maar buiten deze laat ik niemant met rust: Bisschoppen
en Kanunniken, Abten en Monniken, Dekenen en rijke Priesters--kunnen hun
knapen niet helpen. Ik maak mij behendig meester van hun goed. Daar is
geen kist zoo vast, of als ik weet, dat ze goed bevat, neem ik het in
bezit en breng het onder mijn gezellen. Wat zoû ik er meer van zeggen?
Mijn listen zijn menigvuldig. Thands zijn mijne gezellen in het woud, en
ik voer op avonturen uit; ik heb er een bitter slécht gevonden: want ik
héb mijn zwaard verloren. Geen goed ter waereld koze ik er voor--kon ik
mijn zwaard in zijn geheel te-rug-bekomen! Daarenboven werden mij
meerder slagen toegebracht, dan ik ooit op éenen dag van éenen man had
door te staan.--Nu zegt mij, Ridder, hoe gij heet, en noemt mij den
gene, met wien gij in veete zijt. Is hij van zulke machte, dat gij de
nacht tot rijden moet kiezen? Kunt gij ze niet ten-onder-brengen, die u
haten? Gij zijt zoo goed ten wapene."
En de Koning dacht bij zich-zelven:
'God heeft mijn bede verhoord; nu zal Hij mij verder bijstaan! Dit is de
man, dien ik liever dan iemant op aarde bij mij had, om deze nacht mee
rond te rijden. God heeft op de juiste tijd hem tot mij gevoerd. Nu, om
der nood wil, moet ik een leugen zeggen.' "Bij den Heer, die mij ten
leven riep!" sprak de Koning: "gij zult een goed geleide aan mij hebben,
Heer Elegast! standvastige vriendschap en vrede. Ik zal u mijn
levenswijs verklaren. Wat nut het een vriend iets te zwijgen? Ik heb zoo
veel goeds gestolen, dat, als ik met de helft gevangen werd, men mij
niet ontkomen liet, al gaf ik mijn eigen gewicht aan rood goud, tot
losgeld. De nood heeft mij er toe gedwongen; nood slist allen strijd."
--"Zegt mij nu, Ridder, wie zijt gij?"
--"Ik zal u, als gij het wilt en het u gerieven kan, mijnen naam
zeggen," sprak de Koning; "ik ben geheeten Adelbrecht; ik plege te
stelen--in kerken en in kluizen en ook in gestichten. Ik steel van
alles, ik laat niemant met rust--den rijke noch den arme. Ik let op hun
kermen niet. Daar is voor mij geen man ter waereld, van wien ik nog iets
te nemen weet, of ik ontzett'e hem veel liever van het zijne, dan ik hem
gave van het mijne. Zoo heb ik geleefd, en nu weer enge lagen gelegd om
een schat, dien ik in 't oog heb. Had ik een goeden helper er toe--eer
de morgen daagt zoû er mij zoo veel ter beschikking van staan als ik
begeeren zoû en mijn paard kon dragen. De schat is oneerlijk gewonnen.
God zoû het ons niet misduiden--hadden we er een deel van. De schat ligt
in een slot, waar het oord mij bekend is. Al hadden wij er vijf-honderd
pond van--'t zoû hem, wien hij toebehoort, in 't minst niet hinderen;
bovendien is hij op oneerlijke wijze verkregen. Ziet, Elegast, wat er u
van behaagt. Willen wij er moeite voor doen en deze nacht gezellen zijn?
Wat wij te zamen opdoen, van nu tot het dag wordt, dat zal ik deelen--en
gij zult kiezen. Die daar geen vrede mee heeft, is een dwaas."
Elegast zeide: "Waar ligt de schat, lieve vriend? Deelt mij dat mede.
Het mag op zoodanige plaats zijn, dat ik mee trek; maar ik wil het
weten, eer ik u een enkelen voetstap volg."
Daarop zeide Carel, de edele man: "Ik zal 't u dan zeggen. Het is de
Koning, die zoo groote schatten liggen heeft, dat het hem niet zóo veel
zoû kunnen deren of benadeelen, al hadden wij er onze paarden mee vol
geladen."
Toen de Koning aldus sprak, dat hij zich-zelven bestelen wilde, kon
Elegast zich niet bedwingen, en zeide: "Dat moge God verhoeden! Daar is
niemant, die er mij toe bewegen zoû, dat ik den Koning schade dede. Al
heeft hij mij door kwaden raad mijn land ontnomen en mij gebannen, ik
zal hem des niet-te-min mijn leven lang goed vriend zijn, zoo veel ik
vermag. Ik zal hem heden nacht niet schaden: want Hij is mijn rechte
Heer. Dede ik hem iets anders dan eere--ik zoû het mij voor God moeten
schamen; men zoû mij zoo iets niet moeten raden!"
Als de Koning dit hoorde, verblijdde hij zich in zijn harte, dat
Elegast, de roover, hem goed gunde en liefhad. Hij dacht bij
zich-zelven--'kon ik, met behoud mijner eere, thuiskomen, ik zoû hem zoo
veel goed geven, dat hij zonder stelen of rooven al zijn dagen leven
kon. Dat mag men wel van mijn gelooven!'
Na deze overweging vraagde hij aan Elegast--'of deze hem ergends anders
wilde heenleiden, daar zij die nacht te zamen buit mochten opdoen; hij
zoû daar van zijn kant, zoo Elegast hem meê woû laten gaan, gaarne zijn
kracht en behendigheid aan wijden. Elegast zeide: "Wat mij
betreft--gaarne: maar ik ben niet geheel zeker, of gij soms den spot
niet met mij drijft. Bij Eggheric van Egghermonde, die des Konings
zuster tot vrouw heeft, daar kunnen wij stelen, zonder ons te
bezondigen. 't Is schande en jammer, dat hij leeft. Menig heeft hij
verraden en in groot onheil gebracht. Zelfs den Koning, zijnen Heer, zoû
hij aan het leven en de eere staan--ging alles naar zijn wensch: dat kan
ik u getuigen. En echter heeft hij land en zand en menig ding--burcht en
leen--aan den Koning te danken. Al had hij geen andere toevlucht--het
zoû hem luttel schaden, dat wij van het zijne teerden. Daarheen --zoo ge
wilt--zullen wij optrekken." Toen overlegde de Koning bij zich-zelven,
dat het daar, gelijk het geschapen stond, goed stelen ware: hij was toch
wel zeker, dat al zoû hij bij zijne zuster in boeyen raken, zij hem
ongaarne zoû laten hangen. Eindelijk kwamen zij overeen daar
gezamendlijk heen te rijden, om Eggherics grooten schat te stelen. De
Koning vergat zijn rol geen oogenblik.
Zij kwamen huns weegs, op hunne paarden, door een veld gereden, daar zij
een ploeg vonden staan. De Koning steeg aanstonds af, en Elegast reed
vooruit op den weg, dien hij had aangewezen. De Koning nam het
ploegijzer in de hand, en dacht bij zich-zelven: 'Dit is goed voor ons
werk. Die in burchten naar schatten wil graven, behoort zich van alles
te voorzien, dat hem te pas kan komen.' Toen zat hij aanstonds weder op,
gaf zijn ros de sporen, en volgde Elegast na, die hem een weinig vooruit
was geraakt.
Luistert goed: nu zult ge wat wonders hooren!
Toen ze voor de burcht gekomen waren, de schoonste en beste die aan den
Rijn stond, sprak Elegast: "Hier zal het zijn. Ziet nu eens,
Adelbrecht," zeide hij, "wat dunkt u dat thands gedaan moet worden? Ik
zal handelen naar uwen raad. Het zoû mij toch leed doen, indien u eenig
ongeval overkwam en men zeide dan naderhand--'dat is alles te wijten aan
Elegast!'"
Op dit zeggen antwoordde de Koning aldus:
"Ik ben nooit in zaal noch hof van deze burcht geweest--zoo ver ik weet.
Het zoû mij kwalijk afgaan, er u thands den weg te wijzen. Alles moet op
u aankomen."
Elegast hernam: "'t Is mij ook wel--zoo gij een behendig dief zijt: dat
zal ik spoedig weten. Laat ons zonder verwijl een gat in den muur maken,
om door te kruipen." Dit werd weerzijds goedgevonden. Zij bonden hunne
vlugge paarden vast en slopen stil naar den muur. Elegast trok een
ijzer, waar hij den muur meê zoû stuk slaan. Toen haalde ook de Koning
het ploegijzer voor den dag. Elegast begon te lachen en vroeg: "waar hij
dat schoone stuk had doen vervaardigen"; "wist ik het huis van den
maker," zeide hij--"dan bestelde ik er hem óok zoo éen voor mij. Een
dusdanig zag ik tot zulke dingen, als het boren door een muur, nimmer
gebruiken."--"Dat kan wel zijn," sprak de Koning; "drie dagen zijn
verstreken sints ik om buit den Rijn kwam langsgereden; bij die
gelegenheid heb ik mijn ijzer in den loop moeten laten, het ontviel mij
op den weg. Men achtervolgde hij, en uit vrees voor schade en schande,
dorst ik niet te-rug-keeren. Zoo ben ik mijn ijzer kwijtgeraakt. Dit
andere raapte ik bij 't maanlicht op, waar ik het vond aan een
ploeg."--"Nu, 't is goed genoeg," zeide Elegast, "als wij er meê
binnenraken. Later bestelt gij u een ander."
Zij hielden op met spreken; het gat werd gemaakt: deze taak paste den
geoefenden leden van Elegast beter, dan dien van Koning Carel. Al was
hij groot en sterk--op zulken arbeid verstond hij zich niet.
Toen zij het gat in den muur geheel doorgeboord hadden, en zij er in
zouden gaan, zeide Elegast: "Nu zult gij hier buiten in ontvang nemen,
wat ik u brengen zal." Hij woû niet toelaten, dat de Koning ook
naarbinnen zoude gaan; zoo zeer vreesde hij voor eenig nadeel; hij hield
hem namelijk niet voor een behendigen dief. Nochtans wilde hij wel en
wee en heel zijn winst met hem deelen. Kortom --Carel bleef buiten, en
Elegast kroop naar binnen.
Elegast was in allerlei kunstgrepen ervaren, die hij op menige plaats te
werk had gesteld. Hij plukte een kruid uit een aarden vat dat daar juist
van pas bij de hand was, en nam het in den mond. Die zulk een kruid had,
verstond de hanen als zij kraayen en de honden als zij blaffen. Hij
hoorde dan op het zelfde oogenblik een hond en eenen haan zeggen in hun
Latijn 'dat de Koning daar buiten den hof stond.'
"Wat!" riep Elegast: "hoe kan dat zijn!--zoû de Koning daar buiten
zijn?--Ik ben bang, dat mij leed dreigt! Ik ben, 'k geloof' 'et zeker,
verraden--of een elfenspook misleidt mij."
Elegast ging te-rug naar de plaats waar hij den Koning verliet, en
verhaalde hem, wat hij--of hij moest zich geweldig bedrogen
hebben!--gehoord had zoowel van een haan als van een hond, die in hunne
taal verteld hadden, dat de Koning daar in de nabijheid was--alleen
wisten zij niet hoe dicht.
Toen zeide Carel, de edele man: "Wie heeft het u dan gezegd? --Wat zoû
de Koning hier uitrichten?--Zoudt gij een hoen gelooven of wat een hond
blaffen mag?--Zoo rust uw geloof op geenen vasten grond! 't Komt mij
voor, dat ge mij sprookjes verhaalt. Wat hebt ge noodig mij te
verontrusten? Uw geloof is gants zonder grond."
--"Nu luistert dan zelf!" zeide Elegast. En daarom stak hij den Koning
van het kruid in den mond, dat daar groeide, en zeide: "Nu kunt gij
hooren, wat ook ik gehoord heb." Opnieuw kraaide de haan zoo als hij te
voren deed, dat de Koning in de nabijheid was--maar dat hij niet wist
hoe dicht.'
"Gezelle," zeide Elegast, "ik moog den strop krijgen, als de Koning niet
in den omtrek is!"
--"Foei, gezel!" zeide Carel, "zijt gij vervaard? Ik dacht u koener.
Doet, wat wij afgesproken hebben: gaan wij voort--al wierden wij beiden
ook gevangen."--"'t Is wel," zeide Elegast, "ik zal voortgaan. Maar
laci, wat zult gij er bij winnen! Indien het gebeurde, dat men ons ving,
ik zoû 't wel zoo goed als gij ontspringen." Elegast eischt daarop zijn
kruid te-rug. De Koning zocht 'et op en neêr heen en weêr in zijn mond;
maar hij had het verloren; hij kon 'et niet vinden.
"Wat is er met mij gebeurd?" sprak hij; "mij dunkt, ik ben het kruid
kwijt, dat ik zooeven tusschen mijne tanden gesloten hield. Bij mijn
geloof! dat doet mij leed!" Daarop zeide Elegast lachende: "Zijt gij
iemant, die uit stelen gaat?--Hoe komt 'et dan toch, dat gij niet
telkens gevat wordt? Dat gij nog leeft en niet al lang dood zijt, is
waarlijk een groot wonder. Gezel," vervolgde hij, zonder omweten, "ik
heb uw kruid wechgepakt. Gij hebt geen haar verstand van stelen!"