II.

_De theoretische gronden voor de Christelijke Coalitie.--De

godsdienstkwestie._

Het is zeker, dat deze Coalitie bij het eerste begin ontstemming

bracht in een land, waar de godsdiensttwisten tusschen Protestanten en

Roomschen zoo hevig waren en de dogmatische godgeleerdheid zooveel vat

heeft op de gemoederen. Het scheen dat de poging om deze eeuwenoude

tegenstelling weg te nemen en daarvoor een meer of minder nauwe

vereeniging inplaats te stellen, niets minder was dan van het verledene

geen partij te trekken, het onderwijs der geschiedenis te versmaden en

zichzelf bijna zeker een ongelukkigen afloop op den hals te halen.

Ook betoonden zich onder de belanghebbenden velen groote twijfelaars aan

deze vreemde samenkoppeling van machten, die anders vijandelijk en tot

dien tijd onverzoenlijk tegenover elkander stonden. Zij geloofden op

z'n best aan een tijdelijken wapenstilstand, maar niet aan een duurzaam

verbond, en zij vreesden, dat, wanneer de onvermijdelijke breuk eenmaal

voltrokken was, op de periode van vrede een vijandelijkheid in dubbele

mate zou volgen. Hun leek het verbond, maar in wat minderen graad dan

den Liberalen, tweeslachtig en monsterachtig toe.

Zij vergisten zich. De Christelijke coalitie was niet het gekunstelde

werk van één mensch of van één dag. Geen geschreven oorkonde had

officieel het in aanzijn geroepen. Het verbond verbeeldde zich niet een

onmogelijke ineensmelting van zeer heterogene bestanddeelen teweeg te

brengen. Het was slechts een samenkomen van onafhankelijke machten, die,

zichzelf blijvende, hunne pogingen in het werk stelden in een bepaalde

richting en naar een gemeenschappelijk doel. En bovendien was dit

samenkomen het resultaat van de omstandigheden.

Het voorloopig verslag over de begrooting der Eerste Kamer van 1905

schetst den toenmaligen in verband met den tegenwoordigen toestand zeer

juist in de volgende woorden.

»Vroeger ontmoette men ter eenerzijde de liberale staatslieden van

verschillende schakeeringen en ter anderer zijde de conservatieve

staatslieden van onderscheiden kleur op dezelfde manier beiden werkzaam.

Maar naarmate dat de verschillende staatslieden hun eigenlijke punten

hadden afgedaan en het godsdienstvraagstuk vooropgesteld werd, kwam

er verandering in de groepeering der partijen en meer en meer kwamen

degenen, die aan de bovennatuurlijke waarheden vasthielden in botsing

met hen, die de onafhankelijkheid der rede erkenden. En zoo kwam het,

dat de afdeelingen van positief Christelijk geloof, door den druk der

omstandigheden tot wederkeerige achting en vertrouwen geleid, zich

gezamenlijk hebben verstout tot gemeenschappelijke actie in het

politieke leven, dewelke geen enkel partijleider kon bewerken door

zijn eigen invloed en die geen oppositie onredelijk mag noemen."

* * * * *

In een opmerkelijk artikel in 1869 in »De Gids" eindigde professor Buys

zijne beschouwingen over de Conservatieve partij met deze woorden: »dat

zij achter het verrotte en doorboorde vuurscherm van de conservatieve

staatskunde slechts zeer moeilijk zich kon ontveinzen, dat weldra de

groote strijd zou ontbranden, de worsteling tusschen de moderne en de

antimoderne begrippen der wereld."

Het woord van den grooten theoreticus van het Liberalisme in Nederland

was volkomen waar; het waren werkelijk twee beginselen, die duidelijk op

het oogenblik, dat hij schreef, met elkander handgemeen werden. Het was

waarlijk de godsdienstige kwestie, die in den schoolstrijd uitgevochten

moest worden.

De godsdienstkwestie is overal van zulk een gewicht, dat zij de

staatkunde en de geschiedenis der volken beheerscht; want als

omschrijving dient, dat de staatkunde tenslotte niet anders is dan

het zoeken naar eigen middelen om het best het einddoel van een staat

te verwezenlijken. Noodzakelijk is de bepaling van het doel, dat de

menschen in een maatschappij levende, zich moeten voor oogen stellen,

van grooten invloed op de stof; en naarmate men aan deze of aan gene

zijde van het graf het hoogste doel van het menschelijke leven plaatst,

neemt men theorieën aan, die volkomen tegenover elkander staan en

inwerken op het denkbeeld, dat men zich van de staatkunde maakt, welke

ideeën de politiek zelfs beheerschen. Men kan niet voorwenden, dat

er een ernstige staatkunde kan bestaan, die niet op eenige moreele

leerstelling is gegrond. De feiten toonen het elken dag aan. Het is van

de allergrootste noodzakelijkheid, dat de partijen, indien ze willen

blijven bestaan, hunne meening, hun systeem en hun program vestigen op

een moraal, en de waarde van hun moraal geeft de waarde aan van hun

politiek.

Daardoor wordt de staatkunde geheel beheerscht door het theoretisch

antwoord op de vraag: Wat is goed en wat is kwaad? Daar vloeien de

dagelijksche toepassingen op de veranderlijke omstandigheden van het

leven uit voort.

Is dit recht of is dit onrechtvaardig? Dat is de vraag, die ieder

oogenblik wordt gesteld.

En daar men geen goede moraal kan hebben zonder godsdienstigen grond,

mag men besluiten, dat de godsdienst het innerlijke leven is van de

staatkunde en dat verschil van grondstelling in den godsdienst

noodzakelijk medebrengt verschil van program en gedragslijn in de

staatkunde.

Welnu, men heeft zich in den nieuweren tijd op godsdienstig gebied twee

gansch tegenovergestelde meeningen gevormd, n.l.: de erkenning van een

Opperwezen, levensbeginsel van de wereld en richtsnoer der maatschappij;

en de ontkenning daarvan door het spiritualisme en het materialisme. Dit

zijn de beide theorieën, die, zelfs in de staatkunde van dit oogenblik

een verwoeden strijd veroorzaken, en men kan er ten minste uit te weten

komen of de staat officieel atheistisch moest zijn, of hij het bestaan

van God moet loochenen, of dat hij zich ten minste moet gedragen, alsof

God niet bestond.

In Nederland is die vraag in den eersten tijd niet met zulke

nauwkeurigheid gesteld. Het liberalisme, dat ongeveer in alle landen van

kracht was en nergens meer dan in Nederland, kenmerkte zich nog door een

flauw spiritualisme; het erkende nog een soort van hoogere zedeleer, die

niet uit een godsdienst werd afgeleid, maar die boven allen stond, zoo

iets als een uittreksel van de verschillende godsdienstige zedekundige

stelsels, ontdaan van alles wat op dogmatiek geleek. Maar om den

godsdienst bekommerde het zich niet; dit was privaatzaak en de

staatkunde mocht er zich niet mede bemoeien.

Nochtans werd deze onbestemde moraal, zoo zwevend als ze geworden was,

krachteloos, omdat men, door haar van den positieven geopenbaarden

godsdienst te scheiden, er schimmen zonder substantie had van gemaakt.

Thans bleef niets anders over dan de stelling van de onfeilbaarheid der

menschelijke rede, zich trotsch verheffende tegen de openbaring, en een

leer, die in den naam van de vrijheid en van de wetenschap met hare

vervolging doorgaat tegen den godsdienst.

Deze evolutie in de theorie doet zich gevoelen door onmetelijke

gevolgtrekkingen voor de maatschappij, n.l.: verzwakking van den eerbied

voor de overheid; aanvallen op het gezinsleven en het huwelijk, die

met den dag scherper worden; de verschrikkelijke vermeerdering van

onzedelijkheid en misdaad, allerlei bedrog en opstand.

Men moest wel erkennen, dat het liberalisme geen vast kenmerk had

om goed en kwaad van elkander te kunnen onderscheiden en dat zijne

zedeleer, ontbloot van alle vastigheid, niets was dan overdreven

rationalisme of verkapt materialisme.

Toen kwam het helder aan den dag, dat de ware strijd in het gesloten

kamp der staatkunde geleverd werd niet tusschen twee of meer

afzonderlijke godsdiensten, maar tusschen den godsdienst en de

godloochening; tusschen geloovigen en ongeloovigen; genen de Godheid

van Christus erkennende, »het Woord werd vleesch«, wiens persoon is en

blijft het middelpunt van het Christendom, en de openbaring van het

geheele menschelijke leven beheerscht; dezen haar loochenend, die in

Christus, indien al niet een boosdoener en verleider, slechts een wijs

mensch van hoogen rang, evenals Boeddha en Socrates zien. Genen maken

bij de oplossing van politieke vraagstukken gebruik van het verstand,

door de Heilige Schrift verlicht en geleid en door de regelen van de

geopenbaarde moraal; dezen van hun persoonlijke rede alleen, ontdaan van

alle hoogere kennis, die in haarzelve als menschelijke rede de volledige

waarheid en het volstrekte recht vindt.

De eersten eindelijk houden rekening met de gedachte van het toekomende

leven en bijgevolg met de zedelijke behoeften der natie, de anderen,

wier blik niet verder reikt dan tot aan het graf leeren dat een volk

slechts stoffelijke belangen, slechts nuttigheden en geen behoeften op

zedelijk gebied heeft.

Dat waren derhalve wel twee geheel tegenovergestelde opvattingen, die

aanwezig waren en elkander de opperheerschappij betwistten in het

bestuur der maatschappij, evengoed als in het gedrag van den enkelen

mensch. Aan de eene zijde de opvatting door den negentien-eeuwen-ouden

Christelijken godsdienst in de wereld gebracht, aan den anderen kant de

vernieuwde opvatting der modernen van het paganisme, dat weer in eere

is gekomen door de beginselen van de Fransche Revolutie.

* * * * *

Dat conflict der leeringen, dat antagonisme van godsdienst en

godloochening in theorie, ligt in meerdere of mindere mate ten grondslag

aan de staatkunde van alle landen van Europa.

Bijna overal hebben evenwel menschen van grooten geest, met uitnemende

plannen bezield, gemeend dezen onvermijdelijken strijd binnen de grenzen

te houden en hem door een rechtvaardige neutraliteit te kunnen beletten

het politiek terrein binnen te dringen. Ze zijn van gedachte geweest

de godsdienstkwestie uit de staatsregeering te kunnen verbannen, door

de oogen er voor te sluiten; door ze niet in het aangezicht te zien.

Zij hebben den verkeerden weg gevolgd en hun bekwame taktiek heeft

het onverwachte gevolg gehad van hunne leeringen een onverstelbaar en

verschrikkelijk verlies te bezorgen. Gelijk de heer S. Van Houten gaarne

erkende, »de ijdele gedachte, dat deze gisting buiten het politieke kamp

kon blijven of omgekeerd, dat de staatkunde buiten den invloed van deze

gisting kon worden gezet, heeft zich reeds opgelost."

De overtuiging met betrekking tot het leven in 't algemeen en tot zijn

eigen leven is voor iedereen, geloovige of ongeloovige, de regel van het

gedrag en terzelfder tijd de grond van de vereischten, die hij voor zich

en voor anderen aan het denkbeeld van staat en maatschappij verbindt.

Bij dezen strijd van wezenlijk-bestaande begrippen, komen de andere

kwesties op den achtergrond. De bestrijding van het Conservatisme

door de progressisten was slechts een geschil over de aanpassing der

beginselen aan de veranderende omstandigheden van het leven; zij raken

de beginselen zelve niet en zij kunnen dikwijls teruggeleid worden tot

eene kwestie van meer of minder.

Zelfs de klassestrijd is, om zoo te zeggen slechts een toevoegsel, de

doortrekking van het antagonisme der verschillende begrippen van het

menschelijke leven en van de bestemming der wereld gaat verder en

dieper. Zij is de logische gevolgtrekking van de moderne opvatting en

streeft in het kort naar de verwezenlijking in de praktijk voor den

staat van het theoretisch atheisme.

Eigenaardig verschijnsel: het aandeel, dat een steeds aangroeiend aantal

burgers aan de politiek neemt, is niet geschikt om deze antithese te

verzwakken, maar maakt haar gevoeliger, dieper en onvermijdelijker.

Professor Buys kenschetste in 1869 deze bijzonderheid op duidelijke

wijze: »Dat men", zoo schrijft hij, »tot eene in zeker opzicht

belangrijke en algemeene uitbreiding van kiesrecht komt, dat kan den

tweestrijd slechts scherper en zwaarder maken, inplaats van hem te

verminderen; want het is noodig dat de Conservatieven het goed weten

dat naarmate men dieper in het volk graaft, men naar dezelfde mate de

oorspronkelijke, dat is te zeggen absolute, eenvoudige beginselen aan

allen overgang vreemd, terrein ziet winnen en die onbepaalde kleur, die,

op de oppervlakte verspreid, voor de conservatieve oogen zulk een

bekoring heeft, ziet verdwijnen."

De schoolstrijd, dat wil zeggen, de strijd voor de opvoeding en vorming

der jeugd heeft de godsdienstkwestie in de volksdroomen ingebracht, maar

hij is slechts een van de vormen van het conflict, hetgeen professor

Buys noemde een kenteeken van het conflict, dat de antithese ons doet

gevoelen, haar uit de theoretische denkkring voert, maar met hare

oplossing het einde van den strijd der beginselen niet medebrengt.

Zelfs wanneer men de schoolkwestie onderstelt opgelost te zijn, dan is

daarmede de antithese niet verdwenen, ze slaat dan over op een ander

terrein en de strijd wordt met nieuwe scherpte hervat, totdat een van de

beide begrippen van het leven de volkomen overwinning behaald heeft.

Tot dien tijd zijn alle maatregelen en elke bekwaamheid ijdel; zij

kunnen tijdelijk een uitweg aanbrengen, de logische ontplooiing der

beginselen voor een oogenblik beletten, maar als de kunstmatige

hindernis uit den weg geruimd is, dan ontbrandt de strijd des te

heviger. Volstrekt denkbeeldig is de scheiding van kerk en staat, die

naar het zeggen van sommigen het vraagstuk op gelukkige wijze zou

oplossen, door aan de tegenstanders een grens aan te geven, dewelke

verboden was over te gaan, en door hen onderwijl tot de erkenning te

brengen, dat de politiek neutraal terrein is. Buys tenminste aarzelt

niet om het te erkennen: »De wet", zegt hij, »mag kerk en staat van

elkander scheiden, die beide blijven nauwer dan ooit vereenigd in de

ziel van het volk."

Deze verschillende gegevens hebben in Nederland van de godsdienstkwestie

de leidende gedachte gemaakt van de verbonden en in zeker opzicht de

scheidingslijn van de politieke wateren. Zij is het, die het aanzien

heeft gegeven aan de beide groote stroomingen, die sedert ongeveer

dertig jaren links en rechts de handeling der partijen met zich

medebrengt. Door haar werden de Roomschen en geloovige Protestanten, de

Antirevolutionairen of ultra-calvinisten, zooals men hen noemt, tot de

noodzakelijkheid gedwongen, om hunne krachten te vereenigen ten einde

het aan alle Christenen gemeenschappelijk goed te verdedigen. Zij zagen,

dat de strijd niet meer, zooals in de zeventiende eeuw, ging tusschen

het Roomsche Katholicisme en het Protestantisme, maar dat hij gevoerd

werd tusschen den godsdienst en de godloochening. Meegesleept door de

omstandigheden om op hetzelfde terrein en voor dezelfde beginselen te

strijden, ontdekten zij, dat onder de verscheidenheid van neigingen en

programmen zich een algemeene grondslag bevond, het erfgoed van den

Christus, de voorschriften van het Evangelie en van de Christelijke

moraal. Dit is hetgeen Dr. Schaepman aan de eene zijde en Dr. Kuyper aan

de andere zijde, twee mannen, die grooten invloed hebben uitgeoefend

van groot belang op de toekomst van hunne partij, steeds zonder

ophouden hebben geleerd. Door hun volhardende onvermoeibare actie

gelukte het hun, hunne medeburgers van het gevoel der noodzakelijkheid

te doordringen om de vroegere vijandschap weg te doen en in een

gemeenschappelijke overeenkomst de stammen van eenzelfden wortel, de

takken, uit eenzelfden stam voortkomende, te omvatten. Zij hadden

veel te doen om de vooroordeelen weg te nemen, de stille vijandschap

dateerende uit den voorvaderlijken tijd, het wantrouwen bij den een, de

onbuigzame stijfheid bij den ander, een geheel van overleveringen en

vooroordeelen, die in de praktijk het gelukken van de gedachte eenheid

verhinderden. Maar toen de overeenstemming over de wezenlijke beginselen

eenmaal maar was vastgesteld, was de eenheid beklonken in een meer of

minder nabijzijnde toekomst. Het was nu meer een kwestie van tijd en van

gelegenheid.

Zeker, waar het verbond zoo was gesticht, daar had dit het verschil

van programmen niet doen verdwijnen noch de partijen van hun bijzonder

karakter beroofd. Zij, die zich er over verwonderen, en die er reden aan

ontleenen om het punt van uitgang van de overeenkomst voor valsch te

verklaren, vergeten dat, waar zij dezelfde beginselen bezitten, dit in

geenen deele verhindert dat er verschil kan bestaan over de manier van

toepassing. Nog sterker: het is onmogelijk, dat in het werk van iederen

dag er zonder ophouden onder hen, die de fouten van de maatschappelijke

organisatie erkennen, gelijkheid van gevoelens zou wezen over de

middelen ter genezing.

Bovendien moet men niet uit het oog verliezen, dat de Hervorming een

einde gemaakt heeft aan de zedelijke eenheid van Nederland en dat zelfs

in de politiek dit feit gewichtige gevolgen heeft. Daarom is er nooit

sprake van geweest, om één Christelijke partij op te richten, die

waarschijnlijk onmogelijk en zeker ongelukkig zou zijn, maar eenvoudig

een verbond van verscheidene partijen te vormen, die zichzelf blijven,

hun eigen karakter en organisatie bewaren en zich vereenigen voor een

bepaald doel, dat kan worden samengevat in deze woorden: de herstelling

van de wetgeving des lands op christelijken grondslag en van ons

volksleven.

Een verbond van dat soort heeft niets wanstaltigs, want het rust op de

gemeenschap van grondbeginselen, en het beantwoordt aan den regel der

politieke groepeeringen, zooals de heer Van Houten zelf het in 1893

uitsprak. Men moet niet uit het oog verliezen, dat er geen reden van

afscheiding is dan daar, waar het doel verschilt.

Onder de hedendaagsche omstandigheden is er geen ander dan een

vereeniging uit beginsel. Sommigen spreken wel sedert eenigen tijd

van partijverwarring, gevolgd door een nieuwe, gezonde, redelijke

rangschikking, die tot grondslag en voor resultaat zou hebben de

Conservatieven aan de rechterzijde en de vooruitstrevenden aan de

linkerzijde van de regeeringstafel in de Tweede Kamer te plaatsen.

Op welke grondbeginselen zou deze nieuwe rangschikking gegrond zijn?

Men kan ze niet ontdekken, want het eenige gestelde vraagstuk zou ten

slotte slechts zijn een kwestie van gelegenheid, van neiging, of van

geaardheid, vereenigende voor een meer of minder langen tijd menschen,

komende van alle punten van den horizon.

Toch is dat de eenige oplossing, waar men toe komt, indien men

vooropstelt dat de godsdienstkwestie in theorie en in de praktijk vreemd

is aan de politiek en dat deze bij wijze van consequentie niet meer is

dan een handigheid of een uitweg. Maar wie zou dit nog durven beweren in

den hedendaagschen tijd?

Daartegenover, indien men voor waar houdt, dat de politiek is een

wetenschap en een kunst, die zich gronden op beginselen, en dat schijnt

onwedersprekelijk, waar is meer dwaasheid, meer onredelijkheid bij eene

vereeniging, die tegelijk conservatieven en vooruitstrevenden van eene

zelfde overtuiging omvat, of bij eene vermenging van menschen alleen

conservatief of uitsluitend vooruitstrevend, partijen van verschillende

beginselen die tegenovergestelde oogmerken op het oog hebben?

Men vergeet te zeer de groote wet van de historie. De instellingen

zijn niet duurzaam, tenzij zij in het verleden geworteld zijn. Evenzoo

vorderen de natuur en de menschelijke maatschappij niet met sprongen,

met slagen, maar door regelmatige ontwikkeling; dat is te zeggen, dat

zij op verstandige wijze vooruitgaan.

Indien de geavanceerden van alle partijen er toe geraken om de

moeilijkheid van zich op een gemeenschappelijk program te verstaan, te

overwinnen en dank zij de samenwerking, zij de macht in handen kregen,

zou er dan geen reden zijn om te vreezen, dat de al te haastige

hervormingen, te weinig gematigd, aangebracht worden op te onnatuurlijke

wijze en met te grooten haast? Welnu slechts welingerichte hervormingen

zijn duurzaam en slechts duurzame hervormingen zijn gunstig voor de

algemeene welvaart.

Daar, waar het conservatieve element fout gaat, ontbreekt een regelaar,

noodzakelijk voor den goeden gang der maatschappij. Ziedaar de rol,

die het wel-begrepen conservatisme heeft te spelen tegenover jongere

beginselen, welke hun loop willen verhaasten met de onstuimigheid aan

jeugdige overtuigingen eigen, en met een vervoering van jeugdig vuur.

Indien het conservatisme deze rol vervult, zal het gelukken, dat de

vernieuwing zich beter zal aanpassen aan het voorafgaande, dat zij er de

regelmatige ontwikkeling van zal zijn.

Het is dus wenschelijk dat er tegelijkertijd conservatieven en

vooruitstrevenden in dezelfde groep zijn. Want hunne pogingen zijn

gewoonlijk noodzakelijk voor de toepassing der beginselen aan de

wezenlijk levende en samengestelde feiten van het leven.

Maar, opdat het zoo zij, moeten de conservatieven zich niet opsluiten

in blinde en onverzettelijke verachting en moet de teugel, dien zij

gewoonlijk bij een al te snellen gang gebruiken, niet zonder ophouden

belemmerend werken om zoo elke beweging te verhinderen.

Dan, wanneer de conservatieve fractie van eene partij of een verbond

feitelijk de algemeene actie tot volledige onmacht terugleidt, dan

alleen zou het verstandig kunnen zijn het terrein der beginselen te

verlaten om een ander minder-sterke positie, steeds van lageren rang,

aangewezen door de omstandigheden, op te zoeken, omdat op het program,

dat men met de hulp van meer of minder geschikte bouwstoffen zou kunnen

opstellen, altijd de ziel er aan zou ontbreken, die de eenheid en het

leven aan er geeft.

* * * * *

Overigens, door nog van hoogere zijde de zaken te bezien, bemerkt men,

dat het verbond der geloovigen, inplaats van onredelijk te zijn, aan een

zeer gezonde opvatting van de plaats, die de staat in de moderne

maatschappij heeft in te nemen, beantwoordt.

Indien het waar is dat God bestaat, heeft de staat niet het recht zich

te gedragen alsof Hij niet bestond; hij kan dan officieel het atheïsme

niet belijden. Indien hij bij geval deze houding aannam, zou hij

zichzelven veroordeelen tot de anarchie, die elke maatschappij afbreekt.

Waarlijk, de voor de sociale orde noodzakelijke macht, die wezenlijk

eenig recht bezit, n.l. het recht van bevelen, vindt haar eenigen waren

grond in God.

Deze macht is niet onwettig: zij bestaat in evenredigheid met het doel

van den staat; zij is gegeven voor het algemeen welzijn. Daaruit volgt

dat de staat niet zou mogen opleggen wat volstrekt kwaad is; want hij

zou het zedelijk kwaad niet kunnen aanwenden tot het welzijn van allen.

De staat moet derhalve onderscheid maken tusschen goed en kwaad.

Daarvoor is een criterium noodig, een leer, een moraal. Waar zal men

ze vinden? Tenminste indien hij niet in de lucht wil bouwen, zal hij ze

zoeken in den godsdienst. Er is geen ware moraal zonder godsdienst, men

kan nog verder gaan en zeggen: zonder Christelijken godsdienst, want die

is de meest-vaste en zuiverste moraal, de beste wijsbegeerte, de

eenvoudigste en tevens diepst-gaande wetenschap.

De staat mag zich niet ontslagen denken van den godsdienst, God mag

niet vreemd blijven aan de staatkunde, omdat de staat voor de menschen

is ingesteld en de politiek, die de kunst is om de maatschappij te

regeeren, voor hen van het hoogste belang is.

Moet men daaruit besluiten, dat de staat officieel een godsdienst moet

belijden en dat de godsdienst, dien hij belijdt, de eenige ware is? Moet

hij dezen beschermen en er een soort van wereldlijken arm van worden?

Een ernstige en moeilijke kwestie voorwaar, waarbij men tegelijk moet

vermijden om naar het verleden de verhoudingen van den tegenwoordigen

tijd in te richten, en in den tegenwoordigen tijd weder de zaken van den

verleden tijd in te brengen.

Een feit moet vooral niet uit het oog verloren worden, dat in zekere

landen de Hervorming, in andere de Fransche Revolutie, de eenheid van

godsdienst en moraal verbroken heeft. Een diepgaand verschil is er

ingekomen en men is niet meer eenstemmig in de beantwoording van de

vraag, wat dan waarheid is; en het verschil van geloof brengt mee een

noodzakelijke groote verdraagzaamheid, het eenige middel om onder de

burgers orde en vrede te bewaren, die onmisbaar zijn voor het algemeen

welzijn.

Uit deze voorname zaak volgt, dat in het meerendeel der hedendaagsche

volken de staat geen partij mag trekken vóór of tegen een bijzonderen

godsdienst, diens zaak aan zijn eigen zaak niet officieel mag verbinden,

maar zich moet beperken tot de taak, dat de vrijheid van alle deze

verzekerd wordt.

Dat wil niet zeggen, dat de staat verplicht is tot onzijdigheid.

Wanneer hij deze valsche houding aanneemt, dewelke slechts een bedekte

loochening is, bedriegt hij zichzelven. Want indien hij al niet onder de

verschillende godsdiensten bepalen mag, wat de eenige ware is, moet hij

toch den godsdienst, het godsdienstig gevoelen, beschermen, zoo hij niet

zijn eigen verderf wil najagen.

Evenzeer als de wetgever, om zijn wetboek op te stellen, zijne

keuze moet doen uit tegenover elkander staande denkwijzen en degenen

straft, die de instellingen, welke hij heeft bekrachtigd, trachten te

ondermijnen, evenzeer heeft de staat zich ten gunste van de godsdiensten

uit te spreken, indien hij zich niet wil leenen tot het bevorderen van

zijn eigen val.

Het staatsatheïsme en practisch materialisme, dat eruit tevoorschijn

komt, zijn de verdervers van de orde in de maatschappij. Zij vermogen

geen moraal of orde te scheppen. Door de loochening van God en van

plicht, verdienste en onsterflijkheid, die er uit voortkomen, sturen zij

recht op de anarchie aan.

Waar is het, dat weinig materialisten tot aan het einde toe hun stelsel

durven doortrekken. Er zijn zekere grenzen, die ze in de praktijk

vreezen over te trekken, en bijna allen stemmen nog in meerdere of

mindere mate in een wetgeving, en in een maatschappelijke organisatie

voor de maatschappij waarin zij leven, terwijl hun stelsel hen logisch

tot de opheffing daarvan zou brengen. Maar deze grenzen gaan iederen dag

meer en meer terug door den onwederstaanbaren druk van de beginselen. De

grondbegrippen van de maatschappij zijn reeds langzamerhand ondermijnd

door dien allengs sterker wordenden golf van Godloochening. Eertijds

zeide men, dat de godsdienst, het eigendomsrecht en het gezin den

grondslag vormden van de maatschappij. De materialistische strooming

heeft bijna overal den eerste weggevoerd en daardoor zullen de beide

anderen van hun steun beroofd, op hun beurt wegzinken.

Daarom hebben zich de geloovigen uit verschillende partijen, Roomschen

en Protestanten, vereenigd rondom de Christelijke moraal, die haar

middelpunt in den persoon van Christus heeft en hare ontplooiing in zijn

onderwijs. Zij zijn van oordeel, dat deze leer, ondanks alle bestrijding

nog in wezen altijd even krachtig en jong, temidden van de ruïnen, die

zich ophoopen zoover het oog reikt, de eenige krachtige schutsmuur is

tegen het steeds sterker wordende atheisme; de eenige grondslag, die de

vastheid der maatschappij kan verzekeren en groote rampen kan voorkomen.

De politieke partijen in Nederland en de christelijke coalitie · 第 25 / 54 题