_De historische redenen voor de Christelijke Coalitie.--»De
Schoolstrijd.«_
De vijandelijkheden tusschen Liberalen en Anti-liberalen werden met veel
afwisseling voortgezet en van beide zijden met onverminderde hevigheid.
Onder het derde ministerie Thorbecke stemde de Tweede Kamer na een
heftig debat, dat drie geheele dagen duurde, op den 17en November 1871
met 39 stemmen tegen 34 stemmen voor de opheffing van het Nederlandsche
gezantschap bij den Heiligen Stoel, omdat de paus de wereldlijke macht
verloren had.
De Roomschen lieten een »Adres aan den Koning« in het land rondgaan, om
hem te smeeken zijn gezantschap niet op te heffen.
Spoedig was het door 400,000 handteekeningen onderteekend, maar het
bleef zonder resultaat; den 4en Februari 1872 werd de Hollandsche
attaché bij den paus teruggeroepen.
Deze maatregel gaf den weg te zien, die de liberale ideeën sedert
1850 doorloopen hadden. In zijn eerste ministerie had Thorbecke de
Roomsche hiërarchie hersteld in Nederland, tengevolge waarvan hij
zich had moeten terugtrekken voor de aanvallen van de Conservatieven en
Antirevolutionairen. In zijn derde ministerie zag zich de oude staatsman
gedwongen de opheffing van het Nederlandsche gezantschap bij den
Heiligen Stoel te onderteekenen en alleen daardoor kon hij de macht
behouden.
Meegesleept door de ontwikkeling van zijn eigen beginselen, eindigde hij
zijn langdurige loopbaan met een daad van godsdienstige vijandelijkheid;
een loopbaan, dien hij zoo welwillend voor de vrijheid der kerk begonnen
was. De schoolstrijd werd er voor de Roomschen door verscherpt, maar het
heftigst geschiedde dat door de wet van 1878.
Ondertusschen was Thorbecke gestorven en de liberale partij was, door
haar voortdurend grootere verdeeldheid, onbekwaam geworden om het
bestuur der zaken in handen te houden. Toen deed men beroep op een
van die neutrale ministeries van het juiste midden, waardoor de heer
Heemskerk zoo bekend was, en die niet steunden op een meerderheid in de
volksvertegenwoordiging, maar alleen op de geschiktheid en alom erkende
bekwaamheid van den eersten minister, diens groote werkkracht en
rechtvaardige waardeering van zijne collega's.
Onderwijl vestigden de tegenstanders, zonder van hun aanvallen af te
laten, hun blik op de handelingen van het ministerie. Heden toezicht
houden, morgen regeeren; dat was het wachtwoord, hetwelk Kappeijne in
die dagen de liberale troepen toeriep; zoo was de houding van zijne
partij tegenover deze voorloopige regeeringen.
Ondertusschen had onder het ministerie Heemskerk de schoolkwestie zulk
een plaats in de voorloopige besprekingen der volksvertegenwoordigers
ingenomen, dat alle pogingen om haar weer te verbannen bij het tweede
ontwerp hadden schipbreuk geleden.
In haar »adres van antwoord« op de troonrede verklaarde de Eerste Kamer
eenstemmig den 19en September 1874, dat zij hoopte, dat de wet op het
lager onderwijs ongeschonden en buiten alle bespreking zou blijven; doch
het volk wilde herziening van de wet van 1857.
Aan den eenen kant vroegen de kerkelijken wetten en subsidie voor
het vrije onderwijs; aan de andere zijde streden Volksonderwijs, het
Nederlandsch Onderwijzersgenootschap en de Maatschappij tot 't Nut van
't Algemeen voor voltooiing van de schoolwet, heeling harer breuken en
herstelling harer fouten.
Het ministerie bewaarde er het stilzwijgen over en wilde zich aan de
kwestie onttrekken, maar door de omstandigheden werd het met geweld er
toe gedrongen.
Den 21en Februari 1876 deed de afgevaardigde A. Moens, inspecteur van
het lager onderwijs te Utrecht een voorstel voor de herziening van de
wet van 1857, die niet aan de orde was.
Tegenover deze poging achtte zich het ministerie verplicht een
wetsvoorstel in te dienen, waarin de bekwame eerste minister beproefde
de verschillende meeningen te vereenigen en al de partijen tevreden te
stellen. Maar, zooals het in den regel gaat met alle pogingen van die
soort, ze stelde niemand tevreden.
Middelerwijl gaven de verkiezingen aan de Liberalen een overwegende
meerderheid in de Kamer en een bijna volkomen eenstemmigheid in zekere
deelen van het land. Bij de terugkeer der Kamer liet Kappeijne van
de Coppello, de aanvoerder van de liberale oppositie, een motie van
berisping in het antwoord op de troonrede insluiten over de houding
der regeering in de schoolkwestie. Deze formeele oorlogsverklaring werd
gevolgd door een heftige discussie, die eindigde met de aanneming van de
motie en den val van het ministerie.
De Liberalen gevoelden zich sterk. Zij dachten het oogenblik om zelf de
regeering in handen te nemen gekomen. Kappeijne nam den presidentshamer
op in een geavanceerd liberaal kabinet, dat zelfs een radicalen tint
bezat. Zijn doel was een besluit te nemen over de schoolkwestie in den
geest van zijn radicale ideeën. Onverwijld zette hij zich aan het werk
en was spoedig gereed.
De wet, brengende herziening van de wet van 13 Augustus 1857, werd
aangenomen op den 18en Juli 1878 met 52 tegen 30 stemmen in de Tweede
Kamer en den 10en Augustus daaropvolgende met 26 tegen 10 stemmen in de
Eerste Kamer.
Daarin werd het beginsel van de wet van 1857 bewaard en tevens
verscherpt, waardoor aan al de wenschen der Liberalen werd toegegeven,
behalve op het punt van leerplicht. De rechten van het algemeen waren
op het stuk van onderwijs verminderd in het belang van den staat; het
toezicht op het onderwijs werd verscherpt; de leerstof vastgesteld.
De Roomschen en Anti-revolutionairen hadden met volharding gestreden
tegen het totstandkomen dezer wet. Zij eischten eenstemmig dat de Staat
bewilligde aan de vrije school subsidie te geven en de strengheid van
zijn toezicht verminderde. En, inplaats van aan hun rechtvaardige
eischen toe te geven, toonde de wetgever eerder zijne vijandigheid tegen
het vrije onderwijs.
Nog deden zij, waar zij de aanneming dezer strenge wet niet konden
verhinderen, een laatste poging vóór hare afkondiging. Zij namen de
toevlucht tot het uiterste middel, dat in Nederland in al de politieke
kwesties van veel gewicht wordt aangewend; zij deden een beroep op het
volk bij wijze van een ontzaglijk volkspetitionement, waarin den koning
gebeden werd om geen bindende kracht aan de wet te geven. Alras was dit
geschrift met 300,000 handteekeningen van de Antirevolutionairen en
meer dan 200,000 van de Roomschen onderteekend. Doch de koning verborg
zich achter zijne hoedanigheid van constitutioneel vorst en aan de
afgevaardigden, die de resultaten brachten van dit soort van raadgeving
der natie, gaf hij een vriendelijk, maar ontwijkend antwoord.
Van toen af was alle hoop verloren. De wet werd den 17en Augustus 1878
onderteekend. Desniettemin werd zij, als gevolg van den tegenstand
der antiliberalen en meer nog als gevolg van de moeilijkheid om de
noodzakelijke hulpmiddelen voor hare toepassing te vinden, eerst den 1en
November 1880 van kracht.
De Roomschen en de Antirevolutionairen hadden een volslagen nederlaag
geleden, maar daar zij streden voor een beginsel, dat van de vrijheid
van onderwijs en de gelijkstelling der scholen voor de wet, was hun
nederlaag voor hen geen oorzaak van val. Integendeel, gedurende dezen
veldslag, dien zij hadden verloren, hadden zij zonder ophouden zijde aan
zijde gestreden, hadden zij elkander wederkeerig aan het werk gezien.
Uit deze gemeenschappelijke handeling was wederzijdsche achting geboren.
De tegenspoed bracht hen nog nader tot elkaar. Zij gaven elkander de
hand voor den heiligen strijd en er kwam een verbond tusschen hen tot
stand, eerst in 't geheim, om enkele jaren later openbaar te worden.
De liberalen noemden dit het »monsterverbond«, welke naam zij tevoren
reeds aan het verbond tusschen de Roomschen en de Conservatieven hadden
gegeven. Dit was de Christelijke Coalitie.