De Socialistische partij.
_I. De eerste organisatie._
De nabijheid van Duitschland, de bakermat van het Marxistisch
Collectivisme, moest wel spoedig in Nederland de vorming en ontwikkeling
van een sociaal-democratische vereeniging in de hand werken, echo en
weerschijn van de machtige sociaal-democratische beweging in
Duitschland.
Toen de ijzeren kanselier Bismarck door eene uitzonderingswet
het opkomende Socialisme wilde onderdrukken in het keizerrijk,
vertoonde zich een onrustige geest bij zekere leden van het Algemeen
Nederlandsch Werkliedenverbond, dat toen een niet te versmaden invloed
bezat in de wereld der werklieden. Afzonderlijke Socialisten onder de
liberale massa, eenige oud-leden van de Internationale, eenige nieuwe
bekeerlingen tot de Duitsche leer dachten dat het oogenblik gekomen
was om een poging te wagen om onder de schaduw van deze degenen, die
hunne ideeën deelden, te vereenigen en door een geleidelijke handeling
een deel van het gezag er aan te ontleenen dat bij den dag grooter
werd. Maar om dit handige plan uit te voeren, moest men eerst de deur
halverwege openen, opdat de kameraden, die niet tot het soort van
»werkman« behoorden, konden binnenkomen. Zij zochten derhalve »gemengde
genoodschappen« te stichten, die, eens gevestigd, hunne vereeniging
konden aanvragen met het »Werkliedenverbond«. Maar de liberale leiders
zagen het gevaar en toen op den 9en Juli 1878 het eerste gemengde
genootschap van die soort, in Amsterdam op het initiatief van de
vereeniging van smidsgezellen »De Volharding« in het aanzijn was
geroepen, weigerde het centrale bureau van den Bond, waarin de heer
Heldt alles vermocht, het op te nemen. De drempel van het huis werd
verboden en nu moesten zij er wel in berusten om buiten te blijven.
Dit werd zonder drukte gedaan en den naam van Sociaal-democratische
Vereeniging werd aangenomen. Aan het hoofd stond de kleermaker »Henri
Gerhard«, een bekend vrijdenker en tevens een van de leiders der
werklieden-beweging die had deel genomen van 1869-1872 aan den
Internationalen Bond van Karel Marx. Dit was de eerste socialistische
vereeniging in Nederland. Anderen volgden in den Haag, Haarlem en
Rotterdam, in de groote handels- en industrieplaatsen van Nederland.
Bijna altijd, zooals in Amsterdam, ging het initiatief uit van eene
afdeeling van het liberale werkliedenverbond, en zelfs zijn orgaan was
niet beveiligd voor de socialistische propaganda; want op dit tijdstip
schreef Domela Nieuwenhuis, die weldra zich zou vertoonen als een
woelgeest van den eersten rang, er zijne »Sociale brieven" in.
Zoodra er drie socialistische vereenigingen waren, verbonden zij zich
in 1880 om »den Sociaal-democratischen Bond" te vormen. Deze Bond vond
onmiddellijk een orgaan in het Weekblad »Recht voor allen", opgericht
op het oogenblik, dat de »Werkmansbode" tengevolge van de overwinning
van het besturend- en burgerlijk element werd onttrokken aan de
socialistische propaganda. Het volgende jaar in 1882, hield de
Sociaal-democratische Bond zijn eerste congres, ondanks het verbod
van de politie, en nam zijn eerste program aan, dat geen ander was
dan hetgeen door de Duitsche Socialisten te Gotha was opgesteld.
Toen begon voor het Nederlandsche Socialisme een snelle vooruitgang.
De toestand in Nederland verschafte hieraan een gunstig terrein. De
industrie en de landbouw hier te lande maakten een tijd van crisis
door; talrijke werklieden waren zonder werk en in zekere streken
was de ellende groot. Het Socialisme, met beloften van een betere
maatschappij komende, trok onweerstaanbaar degenen aan, die leden
door den maatschappelijken toestand. Zij geloofden dat een revolutie
dadelijk een ander aanzien aan de dingen zou geven en zij volgden
hen, die hun daarvan de boodschap brachten. Om ze te bereiken,
bedienden de propagandisten zich van den strijd, die toen vóór het
algemeene kiesrecht gestreden werd, en waarin zij samengingen met
het Werkliedenverbond, dat toch voortdurend kleine gedeelten van
zijne troepen tot de socialistische banier zag overgaan. Onvermoeid
doorkruiste Domela Nieuwenhuis, die als predikant van de Luthersche kerk
afgetreden was, het land en richtte tallooze vereenigingen op, waar hij
met een kalme, sympathieke stem de revolutionaire leer voordroeg, die
hij een godsdienstigen tint gaf en met bijbelsche spreuken opluisterde.
Zonder ontmoedigd te worden, ongevoelig voor de toejuiching van de
menigte zoowel voor haar scheldwoorden en slagen, ging hij van dorp tot
dorp, overal, waar men hem riep, indruk makende op zijne hoorders door
zijn heftige critiek op de maatschappij en door zijn eigenaardig gelaat,
tegelijk zacht en energiek, hetwelk iets van een fanatiek maar ook iets
van een wetenschappelijk persoon had; een ware volkstribuun met een
indrukwekkenden kop en een machtige hoogheid, wiens strijd met het woord
en de pen heel zijn leven bepaalde.
Zijne reizen hadden altijd succes en bizonder in Friesland, waar
het Socialisme snel wortel schoot en voornamelijk op het platteland.
Deze bizonderheid verklaart zich door een reeks van omstandigheden.
De provincie heeft de rijkste gronden, maar de bewoners, die bijna
nergens de eigenaars van den bodem zijn, waren arm; de belastingen,
opgedreven door de eischen van de wet 1878 op schoolgebied, legden aan
de gemeenten lasten op, die niet evenredig waren aan hare inkomsten. De
rijkste inwoners, die zich konden verplaatsen zonder hierdoor schade
aan hunne inkomsten te veroorzaken, hadden dat land verlaten, om zich
aan het steeds zwaarder wordende gewicht der belastingen te onttrekken,
en er bleef daardoor niets anders over dan de kleine kapitalen en de
groote armoede, waaruit door de huishoudelijke crisis de inkomsten
getrokken werden en alzoo de kommer vermeerderde. Bovendien onder de
vele Protestantsche belijdenissen, die in Friesland voorkomen, bevinden
zich een zeker aantal Doopsgezinden, die voorliefde bezitten voor het
collectivistisch ideaal; en eindelijk hadden in zekere streken de
vrijzinnige predikanten een terrein bereid, dat uitnemend geschikt was
voor het Socialisme.
De revolutionaire zaden, die er door den krachtigen ijveraar Domela
Nieuwenhuis waren gestrooid, ontkiemden in korten tijd voldoende,
zoodat in het vervolg van den veldtocht voor het algemeen kiesrecht
de volksleider de vruchten kon plukken, doordat hij in 1887 met den
steun der radicalen in het district Schoterland tot lid van de Tweede
Kamer verkozen werd. Verder waren het grieven, die zich verspreidden
als een doornenvuur, doorgaans schokkend en bitter, van tallooze
werklieden aan het werk in de uitgestrekte veenderijen of van doodarme
landarbeiders; grieven, somtijds opgeblazen door de socialistische
sprekers, en die leidden tot vereenigingen, tezamen behoorende tot den
Sociaal-Democratischen Bond. Deze oorlogzuchtige organisaties namen
zulk een omvang, dat, nadat zij zich op een oogenblik met de radicalen
hadden vereenigd, zij de Friesche afdeeling van den Bond voor algemeen
kiesrecht, in een provinciale partij, »de Friesche Volkspartij",
vervormden, waarin de Socialisten het overwicht behielden en die
in getalsterkte vooruitging, zoodat ze in 1891 niet minder dan
102 vereenigingen telde met 4980 leden. Maar na de nederlaag
van Domela Nieuwenhuis bij de verkiezingen van datzelfde jaar,
verdween deze volkspartij op bevel van het centrale comité van den
Sociaal-Democratischen Bond aan de Socialisten om zich er aan te
onttrekken teneinde verder alleen beginselpolitiek te voeren.
Terwijl nu de beweging in Friesland zich met groote kracht deed
gevoelen, had zij de andere provinciën niet gespaard; maar daar maakte
zij zich meer meester van de werkliedenbevolking der groote steden. Het
Zuiden had, hoewel hardnekkiger staande tegenover de nieuwe ideeën, niet
volledig kunnen ontkomen aan de actie der leiders, en er was geen enkele
streek, die geen bezoek had ontvangen van de tallooze propagandisten,
die rondom Domela Nieuwenhuis zich bevonden; onruststokers van natuur
en van beroep, die nog geene bizondere belooning ontvingen, en die vol
ijver van vereeniging tot vereeniging de socialistische leer gingen
verspreiden, en een verzameling van plaatselijke blaadjes deden
ontstaan, somwijlen van één dag levens, maar altijd gevaarlijk.
In 1893 stelde het congres te Groningen vast, dat de
Sociaal-Democratische Bond 150 afdeelingen omvatte, wier leden ten
getale van 5000 aan jaarlijksche contributie betaalden f 1657. De
Socialistische partij begon dus een verontrustende kracht te worden.
Deze zou nog grooter geweest zijn, indien zij niet in den beginne
zich tegen den godsdienst had gekant en zij niet zoo diep door hunne
vijandschap tegen het huis van Oranje het Hollandsche gevoel hadden
beleedigd.
De leerstellingen, die zij in Nederland zocht in te voeren, waren
dezelfde, die Karel Marx en zijne leerlingen in Duitschland hadden
verspreid. Het was het wetenschappelijk materialisme, dat zij indroeg in
de geschiedenis en ontwikkelde door hare theorie van de maatschappelijke
waarde, hare wet op de opeenhooping der schatten, en de leer van den
klassestrijd. Ziehier hoe een van hare aanhangers in Nederland, de
typograaf-journalist Vliegen, ze samenvat. »Het Socialisme," zegt hij,
»heeft de productieve kracht van den rijkdom aan het werk gezien in de
maatschappij en het heeft bemerkt, dat deze kracht op de manier, waarmee
er mee gespeeld wordt, op de wijze, zooals de arbeid in de maatschappij
plaatsheeft en die de verdeeling der maatschappelijke belangen
teweegbrengt, de oorzaak is, dat het maatschappelijke gebouw zoodanig
is als het is en niet anders. Zoo is de kapitalistische maatschappij
niet een product van den vrijen wil des menschen, maar een noodzakelijk
historisch feit. Maar, indien het waar is, dat de schikking van elke
maatschappij is gegrond op het bestaande systeem van productie en op de
organisatie van den arbeid, dan is het niet minder waar, dat zoodra het
productiesysteem en de wijze van werken veranderd wordt, het gebouw der
maatschappij moet verwisselen van gedaante. De veranderde wijze van
productie brengt krachten tevoorschijn, die der maatschappij een ander
aanzien moeten geven. Zoo komt het, dat de kapitalistische maatschappij
met een regime, dat de grootindustrie en exploitatie meer en meer
concentreert en ingesloten houdt, zonder ophouden het aanzijn heeft
gegeven aan het proletariaat; aan dat proletariaat, dat uit kracht van
zijn toestand tot taak heeft de regeling der maatschappij. Tegen de
vervulling van deze taak verzetten zich zij, die de hedendaagsche
maatschappij beheerschen, en de worsteling, die daaruit ontstaat, is de
klassestrijd."
In deze theorie moet de passage van het collectivistische regime, dat de
hedendaagsche maatschappij zal vervangen, en waarin de menschen gelukkig
zullen worden door het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen
op volkomen gelijke wijze, wel voor haarzelf noodlottig zijn. Al,
wat het proletariaat kan doen, is de nadering van den toekomstigen
staat bespoedigen, door tot den evolutiegang van de kapitalistische
maatschappij aan te sporen, opdat zij daardoor des te spoediger op het
punt kome, waarop zij topzwaar geworden zijnde, uit zichzelve zich zal
omzetten in een collectivistische maatschappij. Den tegenstand van de
patroons verbreken, die met ruwheid het kapitaal, dat is te zeggen,
het privaatbezit verdedigen, en het volksgeweten ontwikkelen, hetwelk
hen bekwaam moet maken om op den dag van de revolutie de hand op de
productiemiddelen te leggen, dat is de eenige rol, die het proletariaat
inderdaad kan vervullen.
Echter lieten op dit punt de nadere bepaling van de gedragslijn en de
wijze van de dagelijksche actie niet na verwarring te stichten temidden
van de Nederlandsche socialisten. Tot 1893 was de Sociaal-Democratische
Bond van oordeel, in overeenstemming met de Duitsche Marxisten, dat alle
middelen goed waren ter verbreking van den tegenstand van de patroons
en in het bizonder de politieke agitatie. Maar Domela Nieuwenhuis was
op het internationale congres van Brussel in oneenigheid gekomen met
Liebknecht en had langzamerhand verschil ontdekt tusschen de Duitsche
Sociaal-Democratie en het Nederlandsche Socialisme. Het geschil werd
verderfelijk, sloeg over in den Sociaal-Democratischen Bond, waar Van
der Goes, Troelstra en Van Kol krachtig de Duitschers verdedigden. En
daar anderzijds de onbetwiste en almachtige leider der beweging, wien
niemand in het aangezicht had durven weerstaan, een diepe wonde had
ontvangen door zijne nederlaag bij de verkiezingen van 1891 in het
district Schoterland, daar neigde hij er meer en meer toe over om het
politiek terrein te verlaten en alleen zich te geven aan de openlijke
revolutionaire daad.
Het Groningsche congres van 1893 schikte zich naar deze tactiek en met
47 tegen 40 stemmen besliste het, dat de partij zich uit de politiek zou
terugtrekken. In de afdeelingen werd deze beslissing bevestigd met 1300
tegen 900 stemmen en de Sociaal-Democratische Bond begaf zich op een
nieuwen weg.
Maar hij werd niet gevolgd door al de Socialisten in Nederland;
de groep van hen, die men de parlementairen noemde, dewelke Domela
Nieuwenhuis betitelde met de benaming van heerenclubje, en die vooraan
bevatte Van der Goes, Troelstra en Van Kol, bleef op politiek gebied
zich bewegen en richtte daartoe een afzonderlijke vereeniging op, de
Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, minder hard van aanzien en meer
ontvankelijk voor al de plooien en zelfs voor al de beloften van het
nieuwerwetsche politieke leven.
_II. De Sociaal-Democratische Arbeiderspartij._
Domela Nieuwenhuis had altijd met leede oogen gezien, dat er in de
partij ook burgers werden opgenomen. Hij wist heel goed, dat het
tengevolge van het genoten onderwijs en van den meerderen vrijen tijd
voor den burger honderd maal gemakkelijker is zijn weg te vinden in de
beweging, dan voor den bekwaamsten werkman. Hij had op dit punt slechts
zijn persoonlijke ervaring te raadplegen; en hij vreesde, dat deze
aanwas, uit de heerschende klasse voortkomende, het soort van dictatuur,
dat hij uitoefende, zou gaan verzwakken in den Sociaal-Democratischen
Bond. Hij had veel hinder van den rechtsgeleerde P. J. Troelstra, wiens
propaganda in Friesland met den dag grooter werd, en van den ingenieur
Van Kol, wiens gevoels-socialisme onder het volk weerklank vond. Hij
wilde er zich wel van ontdoen, maar hij durfde hen niet maar zoo geheel
uitsluiten; en dat was zeker een van de beweegredenen, die hem hebben
gedrongen alsmede zijn onderbevelhebber Cornelissen om door middel van
het Groningsche Congres te besluiten dat de politiek van nu voortaan
beslist zou verlaten worden.
Evenwel ondanks hunne afkeuring van de revolutionaire tactiek, die
ontwijfelbaar het strenge verzet van de autoriteiten moest tengevolge
hebben, hadden Troelstra en Van Kol het voornemen niet de partij te
verlaten. De sterke aandrang van Van der Goes en het voorbeeld van een
der meest bekende propagandisten, Helsdingen, waren noodig om tot het
besluit te komen, zich van den Sociaal-democratischen Bond te scheiden
en een nieuwe vereeniging op te richten. Degenen, die zij meesleepen,
waren weinigen; wanneer men ze goed telt, waren er acht. Het waren
werklieden van den eersten rang zooals Fortuyn, Vliegen, Schaper,
gemeenteraadslid van Groningen, Polak, de toekomstige organisator van de
machtige Diamantslijpers-vereeniging, A. Gerhard, het roode schoolhoofd
te Amsterdam, de typograaf Spiekman, de kleine winkelier L. Cohen,
en de onderwijzer Van der Vegt. Totaal met de leiders zijn het
twaalf. De twaalf apostelen zooals men ze weldra noemde, richtten
tot de Socialisten een manifest, waarin zij de vorming van een nieuwe
Sociaal-democratische partij aankondigden, die niets gemeen had met
de ultra-revolutionairen, en wier doel het was, zich op de hoogte
houden van de eischen des tijds en te strijden voor de daadwerkelijke
verbetering van den toestand van het proletariaat. Vier en vijftig
adhesiebetuigingen waren het antwoord op dezen oproep, en den 26en
Augustus 1894 werd te Zwolle de Sociaal-democratische Arbeiderspartij in
't aanzijn geroepen, die bij hare geboorte bemoediging en geldelijken
steun ontving van de Duitsche Socialisten.
Haar eerste optreden was hard en tegelijk ingetogen. De nieuwe
vereeniging was er slechts in geslaagd eenige afzonderlijke personen
aan de oude vereeniging te ontnemen en zij streed zonder ophouden in
hare propaganda tegen de anathema's van de partijgenooten van Domela
Nieuwenhuis, die haar voortdurend zonder genade slag leverden en hare
vergaderingen, zoo noodig met geweld, verhinderden. Maar langzamerhand,
dank zij de bekwaamheid en spankracht van hare leidslieden, kreeg zij
voet en groeide. Het was de tijd niet meer, dat men zich de revolutie
nabij dacht. De maatschappelijke toestand was iets verbeterd en het
volk, dat op eene maatschappij wachtte die niet kwam, eischte directe
vermeerdering van welvaart. De ideeën van de parlementaire socialisten
wonnen terrein. Men bemerkte dit bij ieder jaarlijksch congres, men kon
het vooral zien bij de verkiezingen van 1897, waar hunne candidaten
13.000 stemmen behaalden en in vier districten triomfeerden; Leeuwarden,
Tietjerksteradeel, Winschoten en Enschede.
Dit ongedachte succes gaf aan de partij nieuwe vlucht.
Met één sprong ging het aantal van hare afdeelingen vooruit van 31 tot
51, en sedert dien tijd groeide de beweging voortdurend aan. Bij de
verkiezingen van 1901 behaalde zij acht zetels in de Staten-Generaal,
die van Van der Zwaag in Schoterland er in begrepen, en vereenigde
38.249 stemmen. De verkiezing van 1905 verlaagde wel het getal der
afgevaardigden tot zeven, maar verhoogde het cijfer der stemmen tot
65.733. Wat betreft de verkiezingen van 1909 klom dit laatste cijfer nog
met 20.000 zonder meer volksvertegenwoordigers naar de Tweede Kamer te
zenden.
* * * * *
De oorzaak van dezen snellen en onwedersprekelijken vooruitgang ligt
voor het minst als partij in den toeloop, dien de Sociaal-democraten
hebben verkregen bij elke nieuwe verkiezing, in de middenklasse, bij de
kleine burgers en de kleine boeren, die zich aangetrokken gevoelden tot
de gewijzigde leer en de beloften van dadelijke hervormingen. Van af den
oorsprong der partij was deze wijziging gewild. De leiders achtten het
tot een bekwame politiek te behooren om dit deel van het kiezerscorps
tot zich te trekken en daarom is het, dat de veldtocht door hen werd
voorgesteld als de strijd van den werkman samenverbonden met den kleinen
burger tegen de groote kapitalisten; een strijd tegen de kleine
salarissen voor het zware werk en tegen de groote renten voor het
niets-doen.
Zonder twijfel waren de theorieën van Karel Marx de grondslag van
het systeem en was de klassestrijd gelijkelijk geëerbiedigd als een
leerstelling, doch het was niet de heftige, revolutionaire strijd, die
verbeteringen in het kleine en twijfelachtige beloften versmaadt. De
manier van doen was veranderd; men beriep zich niet meer alleen op de
klasse van werklieden, men richtte zich tot al de slachtoffers van het
kapitalisme.
Aan de kleine winkeliers en aan de kleine verkoopers legde men uit, dat
zij geruïneerd zouden worden door de groote magazijnen en de groote
kapitalistische industrieën. Aan de boeren en aan de kleine landbouwers
poogde men te bewijzen, dat het overbrengen van den bodem aan de
gemeenschap niet zulk een verschrikkelijke zaak was als de meeste
menschen geloofden; dat het het socialisme niet was, dat onteigende,
maar in werkelijkheid de kapitalisten, bezitters van domeinen, die
zonder ophouden zich uitbreiden, die onverzadelijke »slokoppen" van het
zweet en van den arbeid der boeren; en dat het veel verkieslijker voor
hen was, hun eigen baas te zijn in de collectivistische gemeenschap, dan
voort te worstelen voor eigen rekening als weinig-benijdenswaardige
wezens, of als slaven op het veld van de grondeigenaars, dikwijls
vreemdelingen van hun eigen land. Aan allen beloofden zij hervormingen.
Zij eischten onder anderen sterk-progressieve belasting op het inkomen,
op het vermogen en op de erfenissen, met vermindering voor de kleine
inkomsten en vermogens; afschaffing van indirecte belastingen op de
noodzakelijkste levensbehoeften; kosteloos recht; kosteloos onderwijs
in al zijne geledingen; gratis geneeskundige hulp en begrafenis;
werkliedenpensioen op kosten van den staat; algemeene wetgeving van den
arbeid; den achturigen werkdag; de verantwoordelijkheid der patroons
voor alle ongelukken in hun dienst voorkomende; theoretische en
practische gelijkheid van de vrouw met den man; herziening van het
pachtcontract van de boerderijen in dien zin, dat de prijs niet hooger
mag zijn dan de zuivere rente van het goed, en dat ieder pachtcontract
moet vermelden het minimum aantal werklieden, dat voortdurend moet
worden gebruikt op de gehuurde goederen en de goedkeuring van een
gemeentelijke commissie moet wegdragen, welke is samengesteld uit
eigenaars, boeren en werklieden; afschaffing van heerlijkheidsrechten
en van alle privilegies op het gebied van jacht, enz.
Zoo was het onmiddellijke doel, dat het sociaal-democratische program
aanwees in den strijd voor welvaart en geluk. Degenen, die het hadden
uitgewerkt, hadden niet vergeten er de verkrijging van het algemeene
kiesrecht voor mannen en vrouwen aan toe te voegen; denkende met Karel
Marx, dat de klassestrijd vóór elken politieken strijd gaat tenbehoeve
van economische vrijmaking van het proletariaat. Zij plaatsten zelfs aan
het hoofd van hunne eischen dit machtige wapen, dat volstrekt noodig
is voor de werkliedenklasse om de politieke macht te veroveren, n.l.
trapsgewijze den tegenstand te verbreken van de klasse der patroons,
de wetgevende en de besturende macht van den staat en der gemeente te
gebruiken voor de onverbrekelijke organisatie van de werklieden.
Hun dringende eisch van algemeen kiesrecht gebruikten zij niet als een
algemeen geneesmiddel en de éénige wijze van strijden. Zij voegen er
de organisatie van werkliedenvereenigingen en de coöperatie aan toe; de
eerste, een voorwaarde voor de onmiddellijke en direkte verbeteringen
in het corps van ambachten, eene voorbereiding voor den politieken
strijd; eene inroeping van het volksgeweten, dat om zich te ontplooien,
de volle vrijheid van vereeniging en van drukpers vraagt; de tweede, de
voorbereiding tot de socialistische gemeenschap van den arbeid, waarvan
zij de vorm is en die bovendien het onberekenbare voordeel biedt om de
strijdkas te vormen voor den klassestrijd en de fondsen te verzorgen,
noodzakelijk voor de propaganda en de actie. Dat is zelfs, bevestigt Mr.
Troelstra, het eigenlijke niet van de coöperatieve vereenigingen, maar
zij verkrijgen eerst een socialistisch karakter, wanneer zij dit doel
hebben.
Met behulp van al deze middelen zou men langzamerhand komen tot
den toekomstigen staat. Voorloopige teekenen daarvan, zeggen de
socialistische sprekers en schrijvers, vertoonen zich reeds, gelijkende
op het morgenrood, dat den opgang der zon voorafgaat. Ze zijn: het
meerdere gebruik van machines, de concentratie der kapitalen in de
handen van een klein aantal individuen en de buitensporigheid van de
trust, de vermenigvuldiging der werkstakingen, de veelvuldige oproeren
en het bevoorrechten van menigen persoon door den staat. Dit alles moet
noodzakelijk een noodlottige opeenhooping bevorderen. Het collectivisme,
door den staat en de gemeenten vertegenwoordigd, zal geleidelijk uit de
handen der opkoopers de monopolies samentrekken en zich er van meester
maken in het algemeen belang en in 't bizonder in dat van den werkman.
Gelijk onderwijs zal er aan allen gegeven worden en de staat zal aan de
kinderen zelfs de stoffelijke middelen verzekeren, om het te ontvangen;
hij zal de vader zijn voor degenen, wier ouders hen niet kunnen voorzien
van voldoende voeding; hij zal voor de uitvoering zorgen van alle
diensten, die bestemd zijn ten behoeve van het algemeen der burgers, en
zal dienaangaande geen concessie doen aan een particuliere onderneming;
hij zal in de behoeften der armen voorzien; hij zal door uitbreiding
van het onteigeningsrecht de beschikking verkrijgen over uitgestrekte
gronden, die hij aan werklieden zal verhuren en voornamelijk aan
landarbeiders tegen zoo laag mogelijken prijs, die laten ontginnen
door werkeloozen en gebruiken voor het bouwen van arbeiderswoningen.
Tegelijkertijd zal hij zich een erfrecht toekennen gezamenlijk met de
natuurlijke erfgenamen, en door al deze voorgeziene hervormingen, die
in het socialistische programma geëischt worden, zal hij den publieken
rijkdom vermeerderen tot afbreuk van de private kapitalen en zoo zal hij
het oogenblik nader brengen, waarop de hedendaagsche maatschappij zal
overgaan, bijna zonder schok en op zekere en geregelde wijze, in een
ideale maatschappij.
Het is derhalve geen bloedige revolutie meer, verlicht door het
rampzalige afschijnsel van den eindstrijd, die de profeten van den
socialistischen godsdienst ons aankondigen; het is heel eenvoudig
eene evolutie, die zekerlijk de menschen in de lieflijkheden van het
collectivistische paradijs moet overbrengen. En dat juist heeft veel
kleine lieden verleid en veel werklieden meegesleept, minder door de
hoop op een toekomstige maatschappij, die ze waarschijnlijk nooit zullen
zien, dan door de verwachting van de naderende hervormingen, waar zij
overtuigd zijn, dat zij er niets bij hebben te verliezen, maar alles te
winnen.
* * * * *
Maar een partij leeft niet alleen van een program, haar kracht bestaat
ook in hare organisatie en in hare bedrijvigheid.
En juist het Socialisme heeft zich in alle landen waar het kwam door
zijn groote kracht van organisatie en door een krachtige propaganda
altijd onderscheiden. De massa's werklieden in beweging brengen,
hunne dikwijls gewettigde ontevredenheid vergrooten, hun haat
aanwakkeren en hen in te lijven in den klassestrijd, dat is het doel
waarnaar het streeft met onverbroken kracht. Zonder dat het »groote
kiezers-mechanisme«, wat de sociaal-democratie in Duitschland is, de
volmaaktheid heeft bereikt, oefent de arbeiderspartij in Nederland, die
afbeelding is van de Duitsche partij, toch een groote macht uit. De
beweging komt van onderen op, van de socialistische vereenigingen onder
verschillende benamingen, vereenigingen van allerlei soort, waaronder
evengoed vereenigingen van jongelingen behooren en van vrouwen als van
volwassen werklieden van de sociaal-democratische vereenigingen. Deze
afdeelingen van de partij vaardigen ieder jaar een of meer personen af
naar het algemeen congres, alsmede de voornaamste redacteurs van de
erkende dagbladen. Het is op die congressen, dat de algemeene richting
van de politiek wordt vastgesteld; dat het onderzoek plaats heeft naar
de houding van de parlementaire kamerfractie; dat de moties, die de
organisatie en de discipline raken, onderzocht worden; dat vier leden
van het centrale bestuur gekozen worden. De drie anderen, de president,
de secretaris en de penningmeester, die tezamen het bureau van de
loopende zaken vormen, en die om deze reden een gemeenschappelijke
woonplaats moeten hebben, worden gekozen door de Federatie van Amsterdam
en wonen in de hoofdstad. Het werk van het Bestuur bestaat daarin, dat
het zich bemoeit met al wat de partij aanbelangt: het nemen van het
noodzakelijke initiatief; het volgen van de actie van de propagandisten
en de pers; en zoo daalt dan, door een krachtige werkzaamheid aan ieder
onderdeel van de partij op te leggen, het socialistische leven in de
kleinste vertakkingen neder, tot in de nederigste dorpjes van Groningen
en Friesland.
In iederen socialist, zou men kunnen zeggen schuilt een propagandist.
Velen zijn er, die, zonder er hun beroep van te maken, dagbladen
verspreiden en de leeringen in vergaderingen en werkplaatsen verbreiden.
Bovendien heeft de partij zijn vaste propagandisten, die als zoodanig
in hun levensbestaan voorzien, somwijlen verdienstelijke sprekers, die
zich gedurende eenigen tijd in een zekere streek vestigen, deze in alle
richtingen doorkruisen, publieke vergaderingen houden, plaatselijke
vereenigingen oprichten en ieder jaar aan het centrale comité verslag
uitbrengen van hunne werkzaamheden.
In den tijd van den Sociaal-democratischen Bond werden deze talrijke
propagandisten, zooals Vliegen, Schaper en Van der Zwaag, niet betaald
voor het werk, dat zij verrichtten. Zoo wilde het Domela Nieuwenhuis,
die het belachelijk had gevonden, om een belooning uit de kas der
partij te ontvangen voor een taak, waartoe allen, die het kunnen,
zich moeten beschikbaar stellen. Van af hare stichting heeft de
Sociaal-democratische Arbeiderspartij er anders over geoordeeld, en hare
propagandisten verdienen jaarlijks tusschen de 300 en 500 gld. Zoo zou
het haast niet kunnen voorkomen, dat de financiën buitengewoon ruim
waren, en die van de Socialisten in Nederland zijn het blijkbaar niet
bovenmate. Het budget van 1906 steeg tot f 9.600 en boven deze som waren
f 1.500 bestemd voor het tractement van den secretaris-generaal, Van
Kuijkhof en f 1100 voor de drie propagandisten, Helsdingen, Mendels en
Hermans. Men moet er evenwel bijvoegen, dat dit de eenige voortplanters
niet zijn van de socialistische denkbeelden; de partij beschikt over nog
anderen, die door de politiek aan een voldoende betrekking zijn gekomen,
en geen andere betaling noodig hebben dan reiskosten. Dat zijn in het
bijzonder de socialistische afgevaardigden naar de Tweede Kamer, de
redacteurs der socialistische dagbladen en de speciale afgevaardigden
van het comité-generaal, die gaan waar ze geroepen worden, de grieven
ondersteunen en kracht aan de verkiezingscampagne verleenen.
Gelijk in elke beweging van zekere uitgebreidheid, zoo neemt de pers
meer en meer in de S. D. A. P. een belangrijke plaats in. Dat is te
begrijpen, want het is de propaganda bij uitnemendheid; het geschreven
woord, dat zich onophoudelijk tot duizenden lezers richt. Het officieele
orgaan van de partij is het dagblad »Het Volk", dat in Amsterdam
gedrukt en uitgegeven wordt. Het wordt ter zijde gestaan in den
lande, door een goed dozijn weekbladen, drie maandbladen, waaronder:
»De proletarische Vrouw«, orgaan van de vrouwenvereeniging: de
Sociaal-democratische Vrouwenclub, en een tijdschrift: »De Nieuwe Tijd«,
dat de intellectueelen onder hen redigeeren: Van der Goes, Gorter en
Mevrouw Henriette Roland Holst.
Bij de bladen komen nog populaire brochures en traktaten; en onder
deze voortdurende actie heeft het Socialisme onrustbarende afmetingen
aangenomen. Zoo is het, dat op het congres te Arnhem, den 19den April
1908, de president Vliegen met zekeren trots kon verkondigen, dat de
partij georganiseerd was in 83 van de 100 kiesdistricten, dat in den
loop van 1907 het aantal afdeelingen van 167 tot 176 was geklommen en
het totaal der leden van 400 tot 8.400.
* * * * *
Evenwel op ditzelfde congres, waar deze cijfers zoo triomfantelijk
werden vermeld, erkende burger H. Meyer, dat de partij zich wel had
ontwikkeld, maar niet zoo als het wel wezen moest; en hij gaf er als
reden voor op, dat op het platteland bijna al de arbeiders kiezers
waren, dat weinigen onder hen zich onder de vaan van het Socialisme
wilden scharen en dat de beweging er in geen geval sterke wortels
schoot. Dit was reeds geconstateerd aan den vooravond van de
verkiezingen van 1905. Het verslag, door het algemeen Bestuur
aangeboden aan het Congres van Utrecht in 1906, stelde vast, dat
indien al in de groote steden het cijfer der socialistische stemmen was
geklommen op bizondere wijze, ja zelfs in vier jaar tijds voor de negen
kiesdistricten van Amsterdam van 12,5 tot 21,2 procent der stemmen was
gestegen, het platteland een gevoeligen terugslag aanwees, die in het
district Wijk bij Duurstede de verhouding van 8,2 op 2 per honderd had
gebracht.
Om de kracht van deze cijfers te begrijpen, moet men zich herinneren,
dat in Nederland het algemeen kiesrecht niet bestaat en dat de
nu-van-kracht-zijnde kieswet, de wet Van Houten, hoewel ze
vrij-gemakkelijke voorwaarden stelt om kiezer te worden, toch een goed
deel der arbeiders van de groote steden van het recht om te stemmen
berooft. De Socialisten hebben daardoor dus in het kiezerscorps geen
invloed, die in verhouding staat met hun werkelijken aanhang. Maar in
de boerenstreken is het anders; de boer is degelijker, spaarzamer en
slaagt er daardoor meermalen zonder veel moeite in de f 50.-- bij
elkaar te krijgen en op de spaarbank te brengen, of om aan eene van
de andere wetsvoorwaarden te voldoen, die hem het recht geven op de
lijst te worden geplaatst. Men begrijpt bijgevolg, dat de hoofden
van de Sociaal-democratie een soort van ontnuchtering gevoelen bij
het zien van de verminderde resultaten van hunne propaganda onder
deze landbouwklasse, die het meerendeel uitmaakt van de bevolking van
Nederland. In Friesland heeft het Socialisme, dat zich tot 1890 krachtig
onder de boeren had vertoond, opgehouden veld te winnen, tengevolge van
de actie der Antirevolutionairen en ook eenigszins als gevolg van de
terugkomst naar het platteland van verscheidene groote grondbezitters.
In de Roomsche industrieele streken in het zuiden van Noord-Braband
en Limburg zijn de collectivistische denkbeelden bijna nog niet
doorgedrongen. De landbouwstreken willen er heelemaal niets van weten,
en al zijn in de centra der industrie de arbeidersvoorwaarden en
andere werkelijk bestaande omstandigheden van dien aard, dat daardoor
gemakkelijk de werklieden in de armen van de socialistische leiders
kunnen geworpen worden, zij zijn toch niet toereikend om hen te
doen vergeten, dat de gepredikte leer geheel tegenstrijdig is met
hun godsdienst. Welnu, voor dit deel van Nederland, dat als het
Oude-Vlaanderen zeer verknocht is gebleven aan den Roomschen godsdienst,
is deze overweging beslissend. Overigens kan men in 't algemeen zeggen,
dat de Nederlandsche werkman godsdienstig is gebleven en dit is een van
de voornaamste beletselen, die het Socialisme bij zijne uitbreiding
ondervindt.
De leiders hebben het wel begrepen, en daar zij weten, dat een
frontaanval op hun eigen schade uitloopt, pogen zij de posities van den
vijand om te trekken. In hunne redeneeringen bewijzen zij den grootsten
eerbied aan de overtuiging en het geloof; zij verzekeren aan een ieder,
die het hooren wil, dat godsdienst zuiver privaatzaak is, waarmee
het Socialisme niets te maken heeft, en die het daarom ook niet te
bestrijden heeft. De heer Van Kol, oud-afgevaardigde van Enschede,
durft wel in het volle congres uitspreken, dat het in 't belang van
de socialistische beweging is om te toonen dat zij niet anti-Roomsch
is. »Ban dit godsdienstige gevoelen, dat bij velen onder u wordt
gevonden, uit uw midden weg. Zoolang wij er niet in geslaagd zijn om
de godsdienstige menschen in onze rijen mee te voeren, zullen wij de
zege over het kapitalisme niet behalen". Maar totnogtoe hebben deze
belangrijke verklaringen in het geheel geen vat gehad op Roomsche
werklieden. Zij herinneren zich terecht dat de vaders van het Socialisme
in Nederland, Gerhard, Fortuijn, Domela Nieuwenhuis, enz., vrijdenkers
waren. De Socialistische leden van de Tweede Kamer, die den oud-advokaat
Mr. Troelstra volgen, een wegsleepend redenaar en geducht en bekwaam
schrijver over de politiek, en waartoe Vliegen, de voornaamste redacteur
van Het Volk, Van Kol, Schaper Ter Laan en anderen behooren, bewegen
zich op de groote algemeene, weinig revolutionaire wegen. Zij zijn
overtuigd geworden, dat de Sociale revolutie zich nog niet kon openbaren
en toen hebben zij hunne methode veranderd en zijn gaan staan in een
zeer praktische houding, werkende voor de onmiddellijke (nu te
verkrijgen) hervormingen.
Ziedaar wat de intellectueelen der partij, die Troelstra op min of
meer smadelijken toon noemt de groep van den den »Nieuwen Tijd", niet
zonder schijn van waarheid hun verwijten. Daartoe behooren personen
van burgerlijke afkomst en met de Duitsche leeringen zeer goed bekend,
Gorter, Mevrouw Roland Holst, Pannekoek, Loopuit, Mendels, en anderen,
die zich om Van der Goes vereenigen en de anti-socialistische neigingen,
welke de partij besmetten, zonder ophouden bestrijden. Zij komen er
toe om steeds te herhalen, dat onder het hedendaagsche bestuur de
Sociaal-democratie zich verburgert en dat weldra niets meer haar
onderscheiden zal van de Vrijzinnig-democraten. Het zuivere Marxistische
stelsel, zeiden zij, verdwijnt. Op alle belangrijke en actueele punten
van het program is reeds iets opgeofferd, en er is reeds een schrede
naar rechts gedaan voor het arbeidscontract, de verzekering tegen ziekte
en invaliditeit, den achturigen dag, het militarisme, het stemrecht voor
de vrouw, de scheiding van Kerk en Staat en ook voor de buitenlandsche
politiek. Dat is de gelegenheidspolitiek, die overal regeert. Troelstra,
zoo zeggen zij nog, is de eerste geweest in ons land om een algemeene
rechtbank als een practisch feit te willen hebben, maar in een van zijne
artikelen houdt hij het proletariaat terug van deze zelfde algemeene
politieke rechtbank, die op het internationale Congres van Amsterdam
door de Nederlandsche afgevaardigden werd verdedigd. Dezelfde taktiek,
die zoo menigmaal beginselen vergeet, wordt vertoond, wanneer het
socialistische bestuur door alle middelen de kleinhandelaars en de
kleine boeren tot zich denkt te trekken wanneer zij den achturigen
werkdag in de schaduw stellen, om dien van tien uren te verkrijgen
en wanneer de Kamerfractie, ten koste van betreurenswaardige
overeenkomsten, burgerlijke hervormingen najaagt, terwijl zij toch den
klassestrijd in de Kamer zou hebben in te leiden zonder zich te
weerhouden, om rechts en links vuistslagen uit te deelen. En de
volgelingen van Van der Goes zijn van meening: »Wij ook willen
hervormingen, maar wij zeggen altijd volgens de oude taktiek: de
hervormingen moeten verworven worden op revolutionaire wijze en het
Socialistische doel moet bovenaan staan. Maar zij willen het socialisme
in een verre toekomst terugzetten en een partij van hervorming worden.
Dat leidt tot concessies, tot overeenkomst met de democratische burgers
en eindelijk tot deelneming aan een ministerie.
Zoo is dan de naam van Karel Marx een twistappel geworden in de
Sociaal-democratische Arbeiderspartij en de echos van den strijd
weerklonken sedert drie jaren reeds op de congressen der partij. In
1907, vooral op het congres van Haarlem, was de strijd tegen de
revisionisten, tegen de hervormingsgezinden, aangebonden door Gorter,
in naam van den onwraakbaren klassestrijd hevig. Tegen deze geweldige
aanvallen, die Troelstra persoonlijk golden, verdedigde hij zich met
bekwaamheid. Nu eens ironisch en vleiend, dan weer scherp en minachtend,
rechtvaardigde hij zich, terwijl hij zijne tegenstanders veroordeelde;
en hij eindigde zijn lange rede onder toejuichingen, terwijl hij de
geheele partij bezwoer, dat zij verjongd zou opstaan vol vertrouwen en
eenheid, om over het kapitalisme te triomfeeren. En het hevige debat,
dat gedurende lange uren had plaatsgehad, kreeg vasten vorm in een
dubbele bevestigende motie, aan de eene zijde, dat de beschuldigingen,
tegen het bestuur gericht, niet waren gegrond, en aan de andere zijde,
dat de vrijheid van kritiek een heilig en wettig recht bleef voor ieder
lid. Al het geschreeuw, al de bedreigingen van scheuring gingen verloren
in een nieuwe verzoening, en het blad »Het Volk" kondigde zegevierend
voor de partij een nieuwen tijd aan, vrucht van de behaalde eenheid en
gekenmerkt door nieuw vuur en nieuwe kracht.
De vreugde was van korten duur. Het conflict tusschen de beide
stroomingen werd des te levendiger hervat met dagbladartikelen op
vergaderingen en door brochures. Het te Arnhem gehouden congres op den
19en April 1908 leverde dezelfde oratorische voorstellingen als het
vorige jaar dat van Haarlem.
De kritiek was even levendig tegen het bestuur, dat altijd hetzelfde
opportunisme vertoonde, en tegen het officieele orgaan der beweging, dat
de vrijheid van bespreking tegenging. Maar Troelstra was ziek en niet
aanwezig om te kunnen antwoorden. Het waren Schaper en Vlieger, die hem
vervingen, en men scheidde zonder veel verder te komen dan tevoren. Het
eenige resultaat was, dat de muur van wantrouwen, die langzamerhand
opgericht was tusschen de beide fracties, bestendigd werd. Men bemerkte
het weldra. Het dagblad »de Tribune", dat eenige maanden tevoren was
opgericht door de onveranderlijke Marxisten en welks opkomst reeds was
veroorzaakt door het congres van Arnhem, vervolgde zijn aanvallen tegen
de parlementaire fractie. Aan het hoofd deden Wijnkoop, Ceton en Van
Ravesteijn zich kennen door hunne heftigheid. Troelstra en zijne
vrienden, woedend over deze heftige bestrijding, die zonder ophouden
doorging, besloten er een eind aan te maken en met dat doel riepen ze
een buitengewoon congres op, dat in Deventer van den 12en tot den 14en
Februari 1909 werd gehouden. Er was alleen maar kwestie over de middelen
tot herstelling der eenheid, door de verdwijning van de »Tribune". De
redacteurs ontvingen een ultimatum om met de uitgave van hun blad op
te houden en zich tevreden te stellen met de Marxistische ideeën door
middel van een wekelijksch bijvoegsel van »het Volk" te verspreiden.
Daar zij weigerden zich naar deze bevelen te schikken, sprak het congres
met 209 van de 297 stemmen hun uitsluiting uit de partij uit. Buiten de
deur van het socialistische huis gezet, ondernamen zij den bouw van een
nieuw huis, ter zijde van het andere. Zij vergaderden hunne volgelingen
in een nieuwe partij, die zij noemden: »de Sociaal-Democratische
partij", stelden een programontwerp op en bij de verkiezingen van 1909
hadden zij candidaten in vier districten, maar verkregen slechts een
zwak stemmencijfer.
Hun uittocht heeft naar het schijnt niets of bijna niets veranderd in
de kracht van de S. D. A. P. Niet zeer verwonderlijk, want de rechte
hoofden van de Marxistische beweging zijn tegen de verwachtingen in, in
de oude organisatie gebleven; en het congres van Rotterdam van 11, 12
en 13 April 1909 heeft getoond, dat zij niets van hunne beoordeelingen,
niets van hunne eischen hadden afgelegd. Hetgeen hen terughoudt van het
verlaten der partij dat is, de onzekerheid van gevolgd te zullen worden.
Het oogenblik zal waarschijnlijk komen, waarop zij het socialistische
huis onbewoonbaar verklaren, en waarop zij op hun beurt er uit zullen
gaan.
_III. De Anarchistische Socialisten._
»Wanneer een partij zich splitst", zeide in 1904 de Italiaansche
socialist Ferri op het internationaal congres van Amsterdam, »wordt
ieder deel bijna altijd tot het uiterste van zijne ideeën gedrongen, en
indien de eene het ideaal uit het oog schijnt te verliezen, vergeet de
andere, geheel ingenomen door de beschouwing van zijne beginselen, de
practische behoeften". Dit woord werd bevestigd, door hetgeen in de
socialistische beweging in Nederland plaats had.
Terwijl Troelstra en de gematigden langzamerhand iets van den
onveranderden klassestrijd verzachtten en de strenge leer van Karel Marx
veranderden in een hervormingsgezindheid naar omstandigheden, begaf zich
Domela Nieuwenhuis geheel vervuld met het verlangen om de volksgunst
te behouden en ongerust als alle menschen, die op het uiterste hunner
gedachten gekomen zijn, meer en meer op de helling, die tot het meer
of minder anarchistische geweld leidt. De volksleider ging tegenover
hen staan, die hij ervan beschuldigde het collectivisme ten onder te
brengen. Met snijdende woorden, die voor geen enkele beschouwing of
argument terugschrikten, hoe kwetsend of persoonlijk zij ook mochten
wezen, brandmerkte hij de concessies van de politieke menschen en hun
wegzinken in de parlementaire kolk. Dat was overigens de overtuiging,
dat de Tweede Kamer het revolutionaire zout niet dan smakeloos kon maken
en de komst van den toekomstigen staat oneindig ver terug deed gaan.
Daardoor was hij zelf met de hulp der omstandigheden er toe gekomen om
geheel het politieke terrein te verlaten.
Zoo groot was zijn invloed in den Sociaal-Democratischen Bond, dat
na de beslissing van het congres van Groningen en de scheiding der
parlementairen, bijna al de socialistische troepen hem getrouw bleven.
Van de 5000 volgelingen, die zich toen onder zijn bestuur vereenigden,
verliet ternauwernood een honderdtal hem, om zich te verbinden aan de
S. D. A. P. Door Christiaan Cornelissen geholpen, die met hem redacteur
was van »Recht voor allen", begaf Domela Nieuwenhuis zich aan de
voortzetting van de Socialistische propaganda, door zuiver
revolutionaire middelen.
Maar juist op het oogenblik van de scheuring, had hij zich ter eener
zijde tegen de maatregelen der regeering ter verdedigen. Op het congres
van Zwolle in 1892 had de Sociaal-Democratische Bond zijn program
herzien en had er dezen zin bijgevoegd, dat de Bond zou voortgaan om met
wettige of onwettige, vreedzame of gewelddadige middelen de vernietiging
van de hedendaagsche sociale verhoudingen te zoeken.
Door deze verklaring kwam men in botsing met de wet op het
vereenigingsrecht. De regeering zond afgevaardigden tot de
socialistische hoofden om hen te verzoeken, zich tot de wettige middelen
te bepalen; maar zij wilden er niets van hooren en noch minder er
iets van afdoen. Vervolgingen werden tegen hen ingesteld en in April
1894 ging de rechtbank te Groningen er toe over om de ontbinding der
revolutionaire organisatie te eischen, daar zij een aan de openbare orde
vijandig doel beoogde. Het gerechtshof te Leeuwarden en de Hooge Raad
bevestigden het vonnis, dat nog nimmer opgeschreven was in de annalen
van rechtbank en regeering van Nederland; want men kende slechts dit
eenige geval, dat eener vereeniging de erkenning bij de regeering
geweigerd wordt, of ontbonden is geworden.
Maar alles was voorzien om deze verdwijning af te wenden en de asch van
den Sociaal-Democratischen Bond, die op wettige wijze was vernield,
gaf dadelijk een nieuwe vereeniging het aanzijn; de »Socialistenbond",
den 3en December 1894 op het congres van den Haag gesticht. En
de strijd ging door op leven of dood tusschen parlementairen en
revolutionairen. De eersten hadden met verontwaardiging geconstateerd,
dat de socialistische kiezers meerendeels niet hadden deelgenomen
aan de verkiezingen van 1893, waarvan de inleg was het behoud van
het ministerie-Tak van Poortvliet en het quasi-algemeene kiesrecht,
en zij spaarden hen niet, maar stelden hen in hun bijtende kritiek
verantwoordelijk voor de nederlaag. De anderen gaven hun slag voor slag
terug en gebruikten uiterst scherpe bewoordingen. Domela Nieuwenhuis
ging zoover, dat hij hen beschuldigde van zich te maken tot verdedigers
der regeering en van te worden betaald door de Duitsche
Sociaal-Democraten.
Vrijwillig teruggetrokken uit de politieke actie begaf hij zich
eerst in de syndicaten-beweging en verbond zich met het Nationaal
Arbeidssecretariaat, dat bijna al de werkliedenvereenigingen
vertegenwoordigde en dat aan zijn invloed onderworpen was. Langzamerhand
werkte hij de leerstellingen uit. Bij het begin van 1898 vatte hij ze
te samen in het encyclopedische werk over »Nederland". Met welk een
onstuimigheid keerde hij zich toen niet tegen de revisionisten, die
»het schoone socialistische strijdros slechts op bizonder-plechtige
gelegenheden uit den stal haalden en het overige van den tijd er
lieten staan, om het woord te laten aan het program van actie, waarmede
zich ook de radicalen gerust kunnen vereenigen." In welke bittere
bewoordingen verweet hij hun niet hun aandeel direct of indirect aan de
regeering. »Het parlement is het werktuig, waarvan zich de besturende
klasse bedient om de klasse der proletariërs ten onder te houden.
Door dit parlement is het, dat de hedendaagsche staat van zaken
zijn zegel door wetgeving en bestuur ontvangt. Die derhalve aan de
volksvertegenwoordiging meedoet, ondersteunt de burgerij, en daar
de belangen der burgerij niet samengaan met die der proletarieërs
en niet gepaard kunnen gaan met elkander, bevindt het zich dus
tegenover de belangen van het lagere volk en steunt het en bevestigt
het de staatsmachine, die er toe dient om hen te onderdrukken. Het
vertrouwen op het stelsel der volksvertegenwoordiging is daarom met
de revolutionaire idee niet overeen te brengen, want wanneer eene
partij zich tot hervormingen begeeft, dan komt zij op den weg van
het possibilisme, maar daarmede verlaat men het terrein van den
klassestrijd, waar toch de beslissende kamp zal geleverd worden."
De menschheid, gelukkig in een volkomen gelijkheid, geen God of meester
meer hebbende, zoo zou volgens hem, het wezen van de toekomstige
maatschappij zijn, en hij besloot dat om er toe te komen, alle
revolutionaire middelen goed zijn, maar die alleen. Onder deze
geweldige middelen is het eerste en niet het minst belangrijke middel
de werkstaking en vooral de algemeene werkstaking. Elk van deze is
een voorpostengevecht in den socialen oorlog. Zoo verklaart Domela
Nieuwenhuis, die dan vervolgt: »Elke daad van opstand bewijst dat de
slaaf van den arbeid gevoel van zijn persoonlijke waardigheid krijgt en
een verlangen naar onafhankelijkheid, en ofschoon hij geen kans loopt
zich van de boeien los te maken, die hem kwellen, begint hij aan deze te
trekken, te schudden, en dat is het teeken van den vooruitgang."
»De werkstakingen, zelfs die, welke niet aansluiten zouden aan elkander,
hebben een weldadige uitwerking, omdat zij tot onderricht en oefening
dienen voor de arbeidsklasse, die niet anders hare bevrijding zou
weten te bereiken dan door den strijd en in den strijd; omdat deze de
werklieden nog vrijwaren tegen slechter levensvoorwaarden, die zeker hun
deel waren indien zij er eenvoudig in zouden berusten; omdat eindelijk
deze hen leeren te zien, wat nog aan hunne organisatie ontbreekt om de
overwinning te behalen". In één woord, het is de heftige agitatie, die
voortdurend de volksmenner predikt, om van de kleinere werkstakingen tot
een totale en zoo mogelijk internationale werkstaking te komen in een
tak van industrie en eindelijk na meer of minder talrijke pogingen tot
één algemeene werkstaking te komen in alle landen van kapitalistische
organisatie.
Naast deze gezamenlijke oppositiehandelingen komen individueele
oproerige daden te staan. De weigering om den militairen dienstplicht te
vervullen in het leger, dat opgeroepen was tegen het gepeupel, is er één
van; maar opdat het zijne uitwerking niet zal missen is het noodig, dat
het zorgvol tevoren is voorbereid door een krachtige propaganda tegen
het leger. »Geen man en geen duit voor het militarisme«, dat is de korte
formule, die Domela Nieuwenhuis met kracht omhoog houdt. Doch deze is
nog niet geheel voldoende en hij voegt er aan toe de propaganda van de
daad, de directe handeling, die niet terugdeinst voor oproer en bommen.
Wanneer al deze wapenen aan het proletariaat voldoende voordeelen zullen
gegeven hebben, zal de beslissende eindstrijd tot het laatste algemeene
stadium gevorderd zijn. «Elke revolutionaire periode», zegt hij, «is in
de geschiedenis door een tijd van crisis voorafgegaan; de inbezitneming
van de middelen van productie en verbruik door de arbeidsklasse kan niet
totstandkomen dan na een critieken tijd op algemeen gebied en door alle
landen in al de takken van industrie en na een periode, onmiddellijk
voorafgegaan, van sluiting der fabrieken, scheepstimmerwerken en andere
werkplaatsen, faillissementen van bankiers- en handelshuizen aan den
eenen kant en anderzijds van werkloosheid met den somberen samenhang
van honger en ellende. Temidden van deze smarten der kindsheid zal de
socialistische maatschappij ontstaan door een periode van algemeene
burgeroorlogen.»
Indien dit geen verkwikkende voorstelling is, toch heeft zij tenminste
de verdienste van openlijk ons de toekomstige maatschappij te laten
zien, waarin brood en vrijheid voor allen zal zijn, tengevolge
van de afschaffing van alle gezag, en waarin de hervorming van de
productiewijze op den voet van vrije en gelijke vereeniging van de
personen, die ze voortbrengen, noodzakelijk de geheele staatsmachine op
de plaats zal terugbrengen, die haar toekomt in het museum van oudheden,
naast het spinnewiel van onze grootmoeders en de bijlen van het
bronstijdperk. Doch ze kan ons den zekeren schrik niet wegnemen door de
belofte van een twijfelachtig geluk.
Is het noodig naar een reden te zoeken, waarom het meerendeel der
socialistische arbeiders, begeeriger naar positieve voordeelen dan naar
schoone droomen, van welker verwezenlijking, die nog zoover verwijderd
is, zij wisten dat ze slechts ten koste van zulke offers zou bereikt
worden, niet de »Socialisten-Bond« volgde? Misschien, maar er waren ook
anderen. Ter eener zijde na de politieke actie, de actie op het gebied
van syndicaten. Uit vrees voor het zien vallen van deze macht in de
handen van den vijand, van de S. D. A. P., die er voet dreigde te nemen,
had zij zichzelve uitgesloten van het Nationaal Arbeiders-Secretariaat,
door het besluit te doen nemen, dat alleen de ambachtsvereenigingen er
zouden worden toegelaten. Zijne mannen behielden er het bestuur in, maar
er waren geen directe betrekkingen meer met de syndicaten. De beweging,
zoo noodzakelijk voor het bestaan van een politieke organisatie, werd
bijgevolg tot kleine middelen herleid, tot weigering van het betalen van
belasting of tot obstructie van den gerechtelijken verkoop, welke alle
onvoldoende waren om de geestdrift voor de zaak te onderhouden.
Anderzijds hadden Domela Nieuwenhuis en vooral Cornelissen, geheel
opgaande in de bestrijding van de S. D. A. P. en begeerig het
grootst-mogelijke aantal aanhangers voor zich te behouden, niet kunnen
besluiten een nauwkeurige gedragslijn aan te nemen. En door een uitslag,
tegenovergesteld aan hetgeen zij zochten, hield de Socialistenbond niet
op zich te verzwakken. In 1898 hadden ze niet meer dan 80 afdeelingen
met 2,126 leden. De contributies waren gedaald tot f 408. Behalve
Amsterdam en Den Haag telde geen enkele afdeeling meer dan 50 leden.
Het blad »Recht voor allen« had een schuld van ongeveer f 1.000.
De toestand was dus ver van schitterend, toen plotseling eene verrassing
zich voordeed. Hetzij Domela Nieuwenhuis ontmoedigd was door het succes
van de parlementairen, bij de wettige verkiezingen van 1897, hetzij
hij afstand wilde doen van zijne macht op het oogenblik, dat deze
nog niet zonder beteekenis was, hetzij hij de twijfelachtige eer
niet wilde hebben de machtige vereeniging die hij zelf had verwekt
tot haar algemeene vernietiging te brengen, hij trok zich terug uit
den Socialistenbond in Maart 1898, ondanks de smeekingen van zijne
getrouwen, wierp zich in de armen van het anarchisme, waar hij naar
overhelde sedert eenigen tijd en richtte een nieuw blad op: »De Vrije
Socialist«, waarvan het eerste nummer 1 April 1898 verscheen.
Dat was het sein van de algemeene verwarring. Cornelissen ook verliet
de partij om zich in Parijs te vestigen. Door hunne aanvoerders, en
vooral door hem dien zij zoo langen tijd waren gevolgd, verlaten,
verspreidden zich de leden van den Socialistenbond. De meesten trokken
zich buiten alle organisatie en politieke actie.
De overigen trachtten den toestand te beheerschen. Op het congres van
Zwolle in 1898 besloten de laatste strijders uit het revolutionaire
leger tot de politieke beweging terug te keeren, maar zij vormden
slechts het overschot van de groote socialistische bataillons; slechts
acht afdeelingen waren vertegenwoordigd en zij maakten op, dat de partij
f 4.218 schuld had. Tot overloop van ironie belachte hun oude aanvoerder
hun onvruchtbare pogingen en ried hun bij wijze van bittere scherts aan,
zich met de parlementaire socialisten te vereenigen, jegens wie zijn
haat niet was verminderd. Na eenigen tijd getracht te hebben zich voort
te sleepen, moest de Socialistenbond er wel toe komen om dit besluit aan
te nemen, hoe groot ook hun tegenzin was. Den 24en Juni 1900 ging het
overschot van den ouden bond over in de S. D. A. P. Alleen Van der
Zwaag, Pennink en eenige anderen gingen niet weer terug.
* * * * *
De revolutionaire-socialistische partij had bestaan. Maar zij was niet
geheel dood. Zonder van talrijke Socialisten-anarchisten te spreken, die
afzonderlijk stonden en beinvloed werden door Domela Nieuwenhuis, hebben
hare beginselen hun prestige bewaard bij de syndicalisten, die zich
hebben verbonden in het Nationaal Arbeids-Secretariaat.
Wij haasten ons om te zeggen, dat dit Nationaal Arbeidssecretariaat
hetzelfde is als de »Confédération génerale du travail« in Frankrijk.
In het verloop van het Internationaal-socialistisch Congres te Brussel
in 1891 geboren, was het dadelijk begonnen al de neutrale syndicaten te
vereenigen en aan het hoofd daarvan een organisatie van ambachtslieden
te plaatsen. Het aantal syndicaten of aanverwante vereenigingen was 52
in 1900 met 12.444 aanhangers; maar terwijl het cijfer der syndicaten
steeds steeg, verminderde het aantal leden, want in 1895 was het 18.400
over 31 verbonden vereenigingen.
Het échec van de algemeen werkstaking der transportarbeiders in 1903,
waartoe de socialisten-anarchisten krachtig mede hadden gewerkt,
bracht de beweging achteruit. Ter eener zijde trokken zich de minst
voorspoedige syndicaten terug, omdat zij de vereischte contributie
niet meer konden betalen, en aan den anderen kant trokken de groote
syndicaten, ontevreden over het geweld der leiders, partij van de
stribbelingen, die zich langen tijd reeds in het Nederlandsche
Arbeids-Secretariaat vertoonden, en van de oorlogsverklaring in 1904
tegen hen gericht in de afscheidingscirculaire. Zij stichtten een nieuwe
partij, het Nederlandsche Verbond van vakvereenigingen, waar Henri Polak
en de machtige Diamantwerkersvereeniging de voornaamste rol speelden.
Het is een feit, dat de ervaring leert, dat wanneer de revolutionairen
kapitalisten worden, de vurigsten onder hen verstandig worden. Zij
vinden het leven minder hard en de maatschappij minder slecht; zij
verzachten den toon van hunne eischen en zij ontdekken overeenkomst, die
zij in den tijd van hunne armoede met verontwaardiging zouden hebben
verworpen. De groote syndicaten in Nederland hebben dat doorgemaakt,
terwijl het Nationaal Arbeids-Secretariaat, dat geen verbodsbepalingen
genoeg voor hen heeft, doorgaat met zijne 9 vereenigingen, zijn 45
syndicaten en zijne 5.000 leden oorlog te voeren tegen het kapitaal
en de reactie, zich van den politieken strijd ontdoet en de directe
actie predikt, oproer, antimilitairisme en de algemeene rechtbank. Die
tot haar behooren, dat zijn over het algemeen de magere syndicaten,
begeleid door de verarmden, die geen aandeel kunnende krijgen aan de
regeering, zoover mogelijk de logica van hunne beginselen doortrekken,
en die, niets te verliezen hebbende, alles op het spel zetten; geduchte
tegenstanders van de maatschappij, die tegelijk door hun anarchistische
leerstellingen en hun woesten haat waarmede zij de klassestrijd
prediken, bedreigen. Het is eigenaardig te zien, dat in alle landen de
socialistische beweging heen en weer schommelt tusschen de
parlementairen en de libertijnen en dat zij slechts aan dezen ontkomt om
onder den invloed van genen weder te geraken. In Nederland behalen de
parlementairen de overwinning, maar de anderen, de mannen van geweld,
zullen zij niet spoedig wraaknemen?