De Liberale Partijen.
Het is nu vier jaren geleden, dat de leider der Nederlandsche
Socialisten, Mr. Troelstra, een overzicht gevende van de verschillende
groepen der Tweede Kamer, aan het adres der liberalen met een zeker
genoegen de volgende woorden richtte: »Er blijft mij een tweede taak
over, en dat is een blik te werpen op de linkerzijde, een blik op....
wat zeg ik? op de liberale partij? dat kan men niet zeggen; op de
liberale partijen? dat kan men niet meer zeggen. Een van de geachte
sprekers heeft gezegd, »ongeorganiseerde liberalen«, ik moet dus zeggen
een blik op de verschillende personen en de verschillende groepen, die
onder den naam van liberalen zijn gezeten aan die zijde der Kamer.«
Dit strenge oordeel is niet van billijkheid en grond ontbloot. De groote
liberale partij van 1850 bestond niet meer en bij het gezicht van de
verschillende brokstukken, verstrooid op de ruïne van haar
staathuishoudkundige leer, is het niet dan met zekeren weemoed dat men
denkt aan den tijd, toen minister Thorbecke bij de aanvaarding der
regeering in stoute taal Groen van Prinsterer, die hem naar zijn program
vroeg antwoordde: »Wacht onze daden af.«
Op dat oogenblik was de herziening van de grondwet juist gereed,
waardoor het parlementaire stelsel voor Nederland vastgesteld en het
nationale leven met een nieuwen geest bezield werd.
Zij was voltooid door de gezamenlijke pogingen van liberalen en
Roomschen. Een liberaal ministerie kwam aan het bewind, terwijl in het
land een liberale partij werd gevormd.
Het trotsche woord van den eersten minister was geen ijdel woord.
Hij begon de wetgeving en het bestuur van den staat in te richten
naar de beginselen van het liberalisme en hij slaagde er in, een tijd
van voorspoed en grootheid voor de natie te scheppen. »In die dagen«,
schreef Mr. Schaepman, »welke Mr. Heemskerk haar heldentijdperk
noemde,--had de liberale partij, hoewel later met welwillende
medewerking van Mr. Heemskerk zelf, de wetten en reglementen tot een
vruchtbaar einde gebracht, zoodat zij diep hadden wortel geschoten in
het volksleven."
Met groote werkkracht voorzien, toegerust met groote kennis en macht,
gaf zij er proeven van op alle gebied.
Dat was de »gouden tijd« van de liberale partij. Met al haar jeugdige
kracht streed zij met edelmoedige geestdrift tegen de conservatieve
partij voor gelijke rechten van allen en voor gezonde ontwikkeling van
de staatsinstellingen. Overeenkomstig deze orde van zaken, wilde zij
de volledige en algeheele toepassing van de liberale beginselen der
grondwet n.l. de erfelijke monarchie van het regeerend Oranjehuis,
in overeenstemming met de volksvertegenwoordiging, door middel van
verantwoordelijke ministers, benoemd door de kroon en ondersteund door
de volksvertegenwoordigers. Verder wilde zij zelfbestuur van provinciën
en gemeenten, van dijken en waterschappen volgens het algemeen belang;
vrijheid van godsdienst en vrijheid van de afdeelingen der verschillende
broederschappen; absolute vrijheid der kerkgenootschappen zonder aan één
harer de voorkeur te geven en met volkomen onafhankelijkheid van den
staat tegenover de verschillende dogma's en godsdienstige meeningen;
vrijheid van onderwijs, van drukpers en vergaderingen; verzorging van
het openbaar onderwijs en publieken onderstand; vrijheid van handel en
industrie en van geldsomloop, waartoe het aanwenden van eigen middelen
zou aangemoedigd worden; streng toezicht op het financieel beheer;
openbare bespreking van de publieke zaak; autonomie van de rechtelijke
macht.
Dank zij Thorbecke en zijn vrienden werden vele van deze wenschen
verwezenlijkt. Tal van organische wetten en menigvuldige reglementen van
inwendig beheer stelden de nieuwe grondwet in werking.
Door hunne zorgen werd de arme bevolking der koloniën beschermd, de
indirecte belasting op de noodzakelijkste levensbehoeften opgeheven en
het beginsel van progressie in de directe belastingen vastgesteld.
Gedurende bijna vijf-en-twintig jaren speelde Thorbecke aan het hoofd
van de liberale partij een eenige rol in de Nederlandsche politiek.
»Velen beschouwden hem als het ideaal van een staatsman«, zegt Dr.
Nuyens, »hij bezat den sleutel van de politieke kwesties, die toen aan
de orde waren«. Drie malen minister zijnde, regeerde hij vaker nog door
zijne volgelingen, door de ministeries »Thorbecke zonder Thorbecke« of
zooals men zeide, om de uitdrukking over te nemen uit de Arnhemsche
Courant, de »ministeries hazepeper zonder haas«. De reden daarvan was,
dat Thorbecke slecht gezien was bij het hof, om zijn meesterachtige
manieren, en dat dit hem slechts aan het bewind riep omdat het niet
anders kon. Bovendien had zijne openhartigheid en zijne standvastigheid
op stuk van beginselen hem veel persoonlijke vijanden bezorgd. Hij was
een man uit één stuk, van groot verstand en van onwrikbaar karakter, met
groot plichtbesef, vurig en vol zorg om al zijne kennis en wetenschap
aan den voorspoed en het welzijn van zijn vaderland dienstbaar te maken.
Zijn lang en vruchtbaar leven, alsmede zijn ongelooflijke werkkracht had
een bizonderen stempel gezet op de Nederlandsche geschiedenis. Zoo
teekent de heer G. Douwes in zijne staatkundige geschiedenis hem ons.
Zijne tegenstanders noemden hem echter ietwat verachtelijk: den burger,
den democraat, die met de traditie en met al wat eerbiedwaardig was in
hunne oogen wilde breken; ten einde dit te vervangen door de een of
andere nieuwe en ongehoorde zaak, waarvan nog niet de proef was genomen.
En bij het einde van zijn loopbaan moest hij bedroefd worden door zekere
oude vrienden van zich te zien heengaan, die hem te leerstellig vonden,
niet meer op de hoogte van zijn tijd. Dit kwam, doordat de ideeën zich
terzelfdertijd hadden ontwikkeld, dat hij was oud geworden en zijn
invloed met zijne krachten verminderd.
Maar bij zijn dood, die hem tijdens zijn derde ministerie verraste op
den 4en Juni 1872, werd de dankbaarheid des volks openbaar en zijne
verdiensten werden algemeen erkend en uitgeroepen. Zijn dood had een
nationalen rouw tengevolge. Om hulde te bewijzen aan zijn buitengewone
hoedanigheden en zijne toewijding aan de publieke zaak, werd een wet van
»dotatie«, geldelijke beschikking, aangenomen met op vier na algemeene
stemmen in de Tweede Kamer, en op één na in de Eerste, waarin aan zijn
beide dochters een jaargeld van f 4000 overeenkomstig het pensioen dat
hun vader zou hebben ontvangen, werd toegekend. Van andere zijde werd
in enkele maanden een inschrijving volteekend om voor »den meester« een
standbeeld op te richten, dat den 18en Mei 1876 onthuld werd te
Amsterdam.
Volgens de erkenning van allen was een groot man, een der grootste, van
het wereldtooneel verdwenen, een diep denker, bekwaam staatsman, voor
velen een trouwe gids.
Hij had nog de eerste verschillen gezien onder de liberale partij,
waarvan hij totnogtoe de kracht en de eenheidsband was geweest.
Tengevolge van hunne hardnekkigheid had voor een laatste maal de
»staatsman met grijze haren« het ministerieele harnas aangetrokken in
1871.
Na het verlies van hun aanvoerder verdeelden zich de liberalen meer
en meer, maar daar zij zonder ophouden front hadden te maken tegen den
gemeenschappelijken vijand, bleven zij onoverwinnelijk en kommandeerden
als heeren het volk. Toch verzwakten zij voortdurend en werden minder in
aantal, naarmate hunne leer zich ontwikkelde en elken dag tegenover de
werkelijkheid van haar invloed en onfeilbaarheid verloor.
* * * * *
De liberale partij was voortgesproten uit de Fransche Revolutie. Zij
had tot grondslag de souvereiniteit van het volk en het stelsel van de
staathuishoudkunde der liberalen. Zij vond behagen in de afgetrokken
begrippen naar de wijze van de Fransche Revolutie-beginselen. Deze
hadden den mensch genomen, losgemaakt van alle traditie en van elke
gemeenschap en vrijgemaakt van alle hooger gezag, terwijl de volstrekte
heerschappij der rede uitgeroepen werd. Vervolgens werden de rechten
geproclameerd van den idealen mensch, die evenwel tot een nul werd
verlaagd tegenover een staat, die almachtig was door de brute macht
van meerderheid. Het staatsliberalisme was zóó doorgegaan; het had in
den mensch slechts een middel gezien om zijn rijkdom voort te brengen,
zonder zich over iets anders te verontrusten; zonder in te zien dat de
arbeider niet alleen mechanische, maar ook zedelijke en maatschappelijke
waarde bezit, en dat deze niet van elkander te scheiden zijn. De
liberale partij verzamelde deze ideeën en zij voegde er op staatkundig
terrein nog een en ander aan toe; zij bevrijdde den staat, evenals de
individuen die hem vormden, van elke beslommering op godsdienstig of
zedelijk gebied, daar zij beweerde, dat de menschen in de samenleving
daarmede niet te maken hadden, maar dat godsdienst privaatzaak was.
De liberalen beminden de vrijheid met sterken, overdreven hartstocht en
daarin pasten zij wel bij hun tijd. Zij beschouwden haar als het hoogste
doel, als het heerlijkste goed dat op aarde bestond, en opdat zij meer
ten volle en volkomen heerschen zou in al hare openbaring, moest de
staat zich in een stelselmatige neutraliteit persen, zich vergenoegen
met de bescherming van de individueele vrijheid.
»Een eerste eisch voor den staat is«, zoo schreef Thorbecke in zijn
politiek testament, »zich van alles te onthouden, dat niet aan haar als
wetgevend lichaam onderworpen is.«
»Laat maar gaan, laat maar loopen!" daarop kwam practisch het program
neer van de liberale partij in de twee vraagstukken, die volgens den
heer De Mun nauw met elkander saamhangen en de geheele politiek
beheerschen: de sociale en de godsdienstige kwestie.
Overeenkomstig dit geheele systeem had het liberalisme een bizondere
opvatting van de rol der regeering, en deze opvatting leed geheel en
al aan dwaling en zwakheid. Die dwaling werd gezien op het gebied van
den godsdienst. Aangezien de staat zich vóór geen andere moraal of
rechtsleer mocht verklaren, dan die hij zelf proclameerde, kwam hij
er toe zich op een even zachte als noodlottige helling te begeven
ten opzichte van de godsdiensten, die hij tevoren had geïgnoreerd. De
volstrekte neutraliteit, die de regeering beleed, was reeds een begin
van verloochening. En ziehier nu, hoe hij langzamerhand door de vreemde
doortrekking van die valsche leer verleid werd, om zijn houding, die
vreemd was aan de werkelijkheid en het gezond verstand, te laten varen
en zich te begeven op het erf van het geweten; een Credo of liever een
tegen-Credo te bepalen, dit met geweld op te dringen en de persoonlijke
vrijheid te vernietigen in naam zelfs van de vrijheid.
Daar moet men zich niet over verwonderen. Want het beginsel van
de volkssouvereiniteit, welke de oorsprong van de macht in de
volksmeerderheid liet rusten, wettigde elke buitensporigheid, daar
hierdoor de staat in de meening kwam, dat hij zelf het recht aangeven
kon, indien hij maar de meerderheid voor zich had.
De zwakheid kwam uit op sociaal terrein. Van de volstrekte vrijheid,
door het liberalisme gepredikt, kon geen zedelijkheid of harmonie
uitgaan. »De vrijheidsleer", zegt Bucher, »stelt vast, dat ieder mensch
tegenover de anderen geheel vrij is, en hierin slechts door de vrijheid
van zijn evenmensch wordt begrensd. Hieruit moet men besluiten, dat
de mensch geen andere wet heeft om zijn lust te breidelen, dan de
tegenstand van de lusten der andere menschen; dat hij geen andere kracht
heeft te overwinnen dan die van zijns gelijken; hieruit vloeit deze
gevolgtrekking voort, dat de samenleving voor allen schadelijk is,
die er geen genotmiddel van weten te maken«. De regeering, volkomen
onverschillig tegenover deze botsing van de belangen en den strijd om
het bestaan tusschen sterken en zwakken, kwam er alleen bij om zich
te beijveren de soort van anarchie, die hieruit geboren werd, te doen
eerbiedigen, welke met den schoonen naam van maatschappelijke orde
werd gesierd. Deze onthouding onder schijn van edelmoedigheid was op
haar pas geweest, zoo de mensch, volgens de zoo geliefde theorie van
Rousseau, van nature goed was; maar nu had zij het grofste egoisme, de
verkrachting van de rechten der natuur, de verdrukking van de zwakken
door de sterken, tengevolge.
Naarmate het liberale systeem in beoefening werd gebracht, moesten de
sociale nooden meer tevoorschijn komen. Nooden van maatschappelijke
orde, van regeering, van maatschappelijke banden, van wederkeerige
waarborgen, van gemeenschappelijke geloofsbelijdenissen, van de bewaring
van gezinnen en hunne goederen in een toestand meer overeenkomstig hunne
welvaart, van groepeering der cellen van den bijenkorf onderling buiten
het bereik van de tirannie der regeering. Dat alles werd door de
liberale partij miskend, of liever het wilde ze niet kennen. Zij sloot
de oogen voor de werkelijkheid, en dat is altijd een teeken van zwakheid
en verval.
Bovendien was een leerstelsel opgekomen, dat gevolgtrekking was van de
liberale leer en tevens tegen haar in werkte, het socialisme n.l., dat
de beginselen, die het liberalisme had gemaakt tot het hoogste goed van
de bourgeoisie, ten nutte aanwendde voor den vierden stand.
Dit socialisme beweerde het geneesmiddel te bezitten voor al de
kwalen der maatschappij. Zijne aanvallen alsmede die der orthodoxen,
die de herstelling begeerden van het beschermend werk van den
christenstaat--over een christenvolk--slaagden er in om den liberalen
kolossus van het voetstuk af te werpen, waarop de volksgunst hem had
geplaatst, en zoo het bankroet van hun systeem volkomen te maken.
Onder den druk, die zich deed gevoelen in de richting van de
socialistische pool, begonnen de liberalen in Nederland te begrijpen,
dat het gevaarlijk is voor een partij om niets te willen, wanneer de
volksmenners alles willen en het volk iets wil. Na eerst lijdelijk
weerstand geboden te hebben, begaven zij zich schroomvallig in de
richting van de sociale hervormingen. Hun verouderde beginselen
verlatende, trachtten zij een nieuw denkbeeld te vinden en voor het
meerendeel neigden zij zich meer of minder naar het socialistische
denkbeeld, hetwelk aan hunne beginselen als logische consequentie, hoe
verschillend anders ook, ten grondslag lag.
Degenen, die het meest gehecht zijn aan de oude leer, moeten deze
karakteristieke ontwikkeling erkennen. Zoo schreef de heer Van der
Kaay, oud-minister van justitie in het kabinet Van Houten: »De Staat
werd met geweld in aanraking gebracht met de sociale belangen, zooals
de wettelijke regeling van de handenarbeid en de verzending der
koopmansgoederen. Van alle kanten werd hij besprongen door personen,
die hem om zijn hulp meer dan om de vrijheid verzochten. Daardoor was
het voor de regeering bijna onmogelijk zich te onthouden. De wetgeving
is niet zonder invloed op deze belangen en waar het op de liberale
regeering rustte, de vereenigingen en de particuliere personen aan te
moedigen tot de ontwikkeling van hun eigen krachten, door algemeene
voorwaarden te scheppen, die deze ontwikkeling mogelijk maakten, daar
kwamen er moeilijke kwesties voor de regeering voor, die opgelost
moesten worden, vooral wanneer men zich herinnert dat deze algemeene
voorwaarden ook moesten gelden voor armen en de verwaarloosden".
En hij voegt er bijna berustend aan toe: »Men kon zich niet onttrekken
aan den invloed van degenen, die hem omringden, noch aan de eischen van
den tegenwoordigen tijd."
Zie ons daar ver verwijderd van de theorieën van Thorbecke! De
liberalen hebben ze òf ten deele òf geheel laten varen. Zij hebben
in de tusschenkomst der regeering toegestemd en uit het program der
socialisten enkele hervormingen overgenomen, varieerend in getal en
gewicht naar hunne genegenheid en geaardheid. Terzelfder tijd hebben
zij hun onverschillige houding laten varen, om meer en meer tegen de
kerkelijken op te trekken. Dat was het einde van eene neutraliteit, die
in de werkelijkheid niet kon bestaan, en het was toch natuurlijk dat zij
zich onbewust wellicht door de logica van hunne grondstelling lieten
meesleepen naar het socialisme.
Maar deze verschuiving in de linkerzijde heeft niet ineens plaatsgehad.
Zij had vijftig jaar geduurd, en was eerst onmerkbaar; in de laatste
jaren echter had zij haar loop versneld en, meer of minder langdurig
door de hinderpalen van den weg opgehouden, had zij de overblijfselen
van de groote liberale partij achter zich gelaten.
* * * * *
Van den tijd van Thorbecke af was er eene beweging onder de troepen van
het liberalisme. Ongeveer in 1866, bij gelegenheid van het koloniale
vraagstuk, begon men van gematigden en geavanceerden te spreken,
genen bleven den »Meester" getrouw, dezen verlieten hem om de radicale
beginselen van Fransen van der Putte te volgen. De scheiding werd eerst
voltrokken, toen de regeering haar stelsel om zich aan alles te
onthouden meer en meer varen liet.
Sedert 1872 worden ons door Opzoomer--in zijn boek: »Grenzen van de
staatsmacht"--de volgende regels aangegeven voor staatsbemoeiing:
1o. Men moet in zijn geheele uitgebreidheid het beginsel van gelijkheid
van allen handhaven, zelfs van vreemdelingen tegenover de justitie en de
politieverordeningen.
2o. Men moet erkennen, dat elk ander regeeringswerk het voorwerp der
besprekingen mag zijn. Het is van belang, dat in de debatten van dat
soort een goede toon bewaard blijft en geen bij- of scheldnamen van
socialist of individualist gebruikt worden.
3o. Het is noodig, dat men iedere nieuwe taak weigert, tenzij
het onderzoek heeft aangetoond, dat het belang van de natie de
daadwerkelijke tusschenkomst van den staat vordert en dat zonder
dat de taak niet of slecht wordt vervuld.
4o. Men moet zonder vooringenomenheid onderzoeken, of een gedeelte
van de taak niet nuttiger zou kunnen worden vervuld door bijzondere
vereenigingen of door particulieren.
5o. Men moet de geworden veranderingen aanbrengen, noodzakelijk door de
wijziging der publieke opinie.
* * * * *
De tusschenkomst van den staat onder regels brengen, dat is reeds: ze
toestaan. En de »Grenzen" van Opzoomer laten ons een staat zien, door
het verstand beheerscht. Zij wettigen de gedeeltelijke verlating van het
leerstelsel, waartoe de laatste verplicht werd, om zich te veranderen in
een verstandelijk opportunisme en door hunne termen bewijzen zij dat er
reeds een levendige oppositie gevoerd werd tusschen de beide
tegenovergestelde groepen.
Deze oppositie werd grooter, daar de een zonder ophouden de
tusschenkomst van den Staat niet ver genoeg vond, en de andere steeds
vreesde haar verder zich te zien uitstrekken. De grondwetsherziening en
de hervorming van het kiesrecht, twee vraagstukken, die in Nederland
nauw met elkander verbonden zijn, waar het kiesrecht is bepaald bij de
grondwet, en waarvan men weldra in politieke kringen begon te spreken,
brachten deze oppositie op een critiek punt. Onder den invloed van de
hartstochtelijke twistgesprekken werd de scheiding zoo groot onder de
liberalen, dat zij momenteel de meerderheid verloren in de Tweede Kamer.
Om de partij voor volkomen nederlaag te bewaren, beproefden vele leden
het grootst-mogelijke aantal partijgenooten in de organisatie »de
Liberale Unie" te vereenigen. Maar deze organisatie, naar zij zeide,
die de overeenstemming wilde herstellen, tusschen de liberalen van
verschillende schakeering, om den politieken invloed tegen te gaan der
confessioneele partij, slaagde er slechts in, den voortgang der
ontbinding tegen te gaan.
De verdediging van de schoolwet, een werk van de liberale regeering,
behield nog gedurende eenigen tijd een kunstmatige eenheid, maar in 1889
ontnam de wet-Mackay haar veel van hare belangrijkheid en men moest
besluiten de sociale kwesties onder de oogen te zien.
Te dien einde begon de »Liberale Unie" het hervormingsprogram uit te
werken. Maar dit wekte ernstige ontevredenheid onder de geavanceerden,
die zich over de beslissende verklaringen beklaagden, welke grenzen
trokken te nauw voor de persoonlijke meeningen, met betrekking tot
eenige wetsvraagstukken, waarvan men het onmisbare onderzoek ter
nauwernood begonnen was. De heer Pierson onthield zich niet van critiek.
Een manifest verscheen met 33 handteekeningen en proclameerde tot plicht
van den staat »de tusschenkomst ten gunste der misdeelden door middel
van wettelijke maatregelen.« De geestelijke verwijdering was te zeer
verscherpt om elkander te kunnen verstaan in een gemeenschappelijk
program.
Onderwijl werd met het ontwerp-Tak van Poortvliet, het vraagstuk van
de regeling van het kiesrecht opnieuw gesteld. Dit was de aanleiding
tot de breuk. Eenigen met Kerdijk en de leden van het ministerie Tak
zich noemende Progessisten of zelfs radicalen, spraken zich ten gunste
van een groote uitbreiding van kiezers uit, door de opheffing van alle
census en vaststelling van een soort van algemeen kiesrecht. Anderen
met Mr. Roëll en Van Houten, die zich bij hem had gevoegd, toonden zich
conservatief en trachtten er naar, dat de minst-mogelijke verandering
werd verkregen in het stuk van den census. Het parlementaire steekspel
duurde vier jaren, nam de krachten van twee ministeries in beslag en
eindigde met een voorloopig besluit, een soort van overgang, waarin de
gematigden de overwinning behaalden.
Alle partijen verlieten den strijd in groote beroering; de liberale
partij meer dan een der andere. Gedurende een oogenblik van stilstand
der twisten, gelukte het bij de verkiezingen van 1897, om de krachten
der linkerzijde tegen het clericale gevaar te vereenigen, maar deze
wapenstilstand was misleidend. Niet alleen was de breuk tusschen
gematigden en progessisten volkomen, maar de verdeeldheid drong ook
door zelfs in de rijen van de »Liberale Unie". Het bestuur had het
plan om in 1900, de kwestie van herziening der grondwet aan de orde
te stellen, als middel ter invoering van het algemeen kiesrecht, maar
verkreeg de afkeuring van de algemeene vergadering, die weigerde hem
op dien weg te volgen. Het gevolg er van was een sterke splitsing.
Het besturend comité trad af en trok zich terug, gevolgd door zijne
getrouwen. De ontevredenen besloten in overleg met de radicalen, nadat
zij bij hun vertrek de deur achter zich hadden dichtgeslagen, een
nieuwe partij te vormen. Te dien einde kwamen zij dichter bij de
socialistische partij te staan en zij ontplooiden er de vlag van den
Vrijzinnig-democratischen Bond.
Dientengevolge is de liberale partij, eertijds zoo machtig, dat men
geloofde dat zij voor altijd meester was van de toekomst van Nederland,
op dezen tijd geheel gedesorganiseerd. In 1898 antwoordde op de vraag
of er in Nederland nog een groote liberale partij is, de heer Van der
Kaay bevestigend, terwijl hij echter toestemde dat enkele liberalen
daarop een ontkennend antwoord zouden geven. Heden is geen twijfel meer
mogelijk; zij bestaat niet meer, zooals de heer Troelstra zeide, want
er is onder de verschillende brokstukken geen eenheid van doel of van
handeling. De zuivere liberalen, de mannen van »laat maar gaan", zooals
men ze noemde, zijn bijna geheel verdwenen. Overigens, terwijl eenigen
zich zoo getrouw mogelijk hielden aan het oorspronkelijke leerstelsel,
hebben anderen een vasten vorm aan hun »vooruitgang" gegeven door zich
»progressisten" te noemen. Nog anderen hebben zich op de grenzen van
het socialisme geposteerd, waarvan zij slechts gescheiden zijn door
een denkbeeldigen muur, die bij het minste zuchtje omvergeworpen wordt.
Alzoo vinden wij ter rechterzijde de oud-liberalen, ter linkerzijde de
vrijzinnig-democraten, en de vooruitstrevende liberalen in 't midden.
Naar alle waarschijnlijkheid groeide de verbrokkeling aan, naarmate de
politieke invloed van deze partijen minder werd. Van het ideaal ontdaan,
voeren zij meer en meer in het zog van het socialisme of sloten zij
zich in een soort van onmachtig isolement op. Zij zouden nog wel eenigen
tijd voort kunnen leven en een bijzondere rol spelen, maar sedert het
bankroet van het stelsel, dat aan het liberalisme ten grondslag lag,
hebben ze nog slechts eenige beteekenis als de partij van het juiste
midden, wier invloed en kracht met elke gebeurtenis bij den dag minder
wordt.
_I. De Oud-Liberalen, Conservatief-Liberalen of Vrij-Liberalen._
Deze zijn het meest aan de liberale tradities getrouw gebleven. Toen
anderen ze verlaten hadden om de vrijheid van het individu aan het
absolutisme van den staat op te offeren, hebben de oud-liberalen zich
sterk gemaakt om in de oude positie te blijven staan.
Zij weken zeer langzaam er van af; verlieten duim voor duim het terrein,
toen het hun onmogelijk was er langer te blijven. Indien zij ook al
niet de volkomen onthouding van den Staat predikten en indien zij al
niet tegenstanders van hervormingen waren, zij wilden ze toch zoo min
mogelijk. Ook noemt men ze nog de gematigd-liberalen, want dat zijn ze,
zoowel in hun wenschen als in hun taal. »Gelijk overvoeding noodlottig
is, voor het menschelijke lichaam," zoo spreken zij, »zoo kan de
maatschappij niet te veel hervormingen tegelijk verdragen." Maar zij
begrepen niet dat, door al te matig te zijn, zij gevaar liepen haar te
doen sterven aan verzwakking en uittering. Conservatief van principe
even goed als van methode hadden zij een groote vrees voor al wat hun
avontuurlijk toescheen. »Bezint eer gij begint!" herhaalden zij in
alle toonaarden, en daarin was hunne voorzichtigheid verstandig. Maar
zij bezonnen zich zoo lang en zoo goed, dat zij insliepen op hunne
stellingen en niet zagen, dat de wassende stroom van het socialisme hen
geheel dreigde in te sluiten.
Het socialisme, waarvoor zij bevreesd waren en dat zij dachten te
beperken door hun lijdelijk verzet, is niet het eenige gevaar, dat hen
verschrikt. Er is een ander, dat hun meer aan de orde van den dag en
verschrikkelijker toeschijnt, het is n.l. wat Gambetta in deze woorden
omschreef: »Het maatschappelijk gevaar, dat is het clericalisme". Dat
is de formuleering, die in het bizonder de heer Van Houten tot de zijne
gemaakt heeft en die hij ontwikkelde met voortdurende vijandschap.
Tusschen deze beide gevaren heen en weder bewogen, namelijk tusschen
het socialisme en het clericalisme, slaagden de oud-liberalen, die
door een voorzichtige gelegenheidspolitiek het liberale stelsel met
de eischen des tijds trachtten overeen te brengen, er slechts in een
nuttigheidspolitiek te voeren. Niet, dat het hun aan wijsheid en
beleid ontbrak. In hunne rijen waren mannen van naam in grooten getale
aanwezig. Er waren rechtsgeleerden en wijsgeeren bij, zooals de heeren
Van der Kaaij en Van Houten, redenaars als de heeren De Beaufort en
Roëll, eminente hoogleeraren als de heer Van der Vlugt, diplomaten als
Van Karnebeek en Tets van Goudriaan, oud-ministers als bijna deze allen
zijn, wier namen genoemd zijn. Het zijn echter niet dan uitnemende
personen, naar wier schoone taal men met eerbied luistert, zonder een
oogenblik te denken ze in werkelijkheid om te zetten; die de beweging
niet meer beheerschen, maar zich tevreden stellen met ze van verre te
volgen, en wien het niet dan met groote moeite gelukt, dat hun liberale,
meer-geavanceerde broeders de langzaamheid van hun gang hun vergeven
terwille van hun ijver tegen het clericalisme.
* * * * *
In een land van ware vrijheid zooals Nederland loopt zoodanige
houding, die zoo antigodsdienstig is, gevaar niet de goedkeuring van
de publieke opinie weg te dragen, zelfs niet van al de volgelingen der
conservatief-liberale politiek. Zoo gaf ter gelegenheid van de algemeene
verkiezingen in 1905 de heer Holwerda, professor aan de Leidsche
Universiteit twee brochures in 't licht,[2] moedig wijzende op de
gevaren van het liberale sectarisme. Hij noemde haar het clericalisme
van den tegenovergestelden zin; constateerde dat de liberale partij
zonder blikken of blozen de partij van het ongeloof was geworden, en
vroeg zich af, zonder zich nu veel van het antwoord in te beelden,
òf niet een liberalisme mogelijk was dat beter zorgde voor de
godsdienstvrijheid dan die treurige en verbasterde vrijheid door
de modernen gesteld.
[2] "Wie zijn wij zelf?" en "Kunnen wij niet anders worden?"
Dat voorbeeld bleef niet zonder gevolg. Anderen, onder wie er velen
waren die hooge regeeringsambten bekleedden, ondernamen op hetzelfde
tijdstip een daad van protest, door een nieuwe gematigde partij te
formeeren. In een vergadering van de leiders dezer beweging te 's
Gravenhage werd den 7en October 1904 het besluit daartoe genomen. Zij
werkten een program van beginselen uit met een verklarend bijschrift,
verkozen een voorloopig bestuur en noemden zich de Nationaal-historische
Partij. Weldra werden er provinciale comite's in Zuid-Holland en
Overijsel opgericht terzelfder tijd, dat de kiesvereeniging »Vaderland
en Koning" uit den Haag zich bij haar voegde, welke eertijds
een belangrijke rol had gespeeld in de verwikkelingen tusschen
conservatieven en liberalen. In hun beginselprogram plaatsten zij
zich op het terrein van het publieke recht, zooals zich dat in de
historie voordeed, om naar een ontwikkeling van staat en maatschappij
op historischen grondslag te streven; hielden rekening met »het
godsdienstig karakter van het nationale leven", om zich openlijk te
verklaren voor methodischen vooruitgang, naar de eischen des tijds;
voor de onderwerping aan de vastgestelde bepalingen en der eerbiediging
van de verkregen rechten; en erkenden uitdrukkelijk »als plicht van de
overheid, de vrije uitoefening van den godsdienst te begunstigen, te
ondersteunen en te beschermen". Uit al deze uitdrukkingen blijkt het
verschil van temperament, dat hen van de oud-liberalen scheidde, wier
conservatieve tendensen zij daarenboven behielden.
Zonder twijfel was de bedoeling van de Nationaal-historischen om een
zelfstandige partij te vormen, die zoomin bij rechts als bij links
behoorde en den rol van scheidsrechter zou kunnen vervullen tusschen de
Christelijke coalitie en het anticlericale blok, wier krachten op weinig
na tegen elkander opwogen. Het wekelijksche orgaan »de Nederlandsche
Stemmen", dat zij hadden opgericht, liet ons daarover in het duister
en publiceerde in zijn nummer van den 27en Januari 1905 een verklaring
van het voorloopig bestuur, waarin ter eener zijde de rangschikking der
partijen naar het criterium door de confessioneele partijen vastgesteld
werd verworpen en aan den anderen kant elke medewerking aan het program
van de zich noemende liberale concentratie werd geweigerd.
Denzelfden geest ademt eene beslissing den 12en Mei 1905 door de partij
genomen aan den vooravond der algemeene verkiezingen, waarin zij haar
diepe droefheid uitsprak, over den overgang van vele oud-liberalen naar
de liberale concentratie en haar plan mededeelde om met eigen candidaten
uit te komen. Maar dit besluit werd slechts in het derde district van
Den Haag ten uitvoer gebracht, waar het hun eigen secretaris, Baron van
Vredeburch, gelukte bij afwezigheid van een rechtschen candidaat 2572
stemmen op zich te vereenigen en in herstemming te komen met den
Unie-liberaal Jansen.
Daartoe bepaalden zich de resultaten van deze taktiek en zoo was een
proef genomen van den gematigden invloed van de nieuwe partij. Het bleek
op dat oogenblik dat de titel »Nationaal-Historische Partij" slechts
gegeven was aan een »generale staf zonder troepen, die gansch geen
invloed had op de liberale kiezers.«
Zullen zij, waar zij in hunne poging van volstrekte neutraliteit hebben
gefaald, zooals de »Nederlander" hoopte, naar de conservatieve elementen
van rechts zich wenden, inzonderheid tot de Christelijk-Historischen?
Dat is het geheim der toekomst; maar zeker is het mogelijk en dit
schijnt tot het wel-beraamde plan te behooren van den heer De Savornin
Lohman.
* * * * *
Of de oorzaak lag in de houding der Nationaal-Historischen dan wel in
de noodzakelijkheid om zich tegenover het kiezerscorps aangaande hun
verbond met de democratische fracties van links te verklaren, zeker is
het, dat bij de nadering van de wettelijke verkiezingen van 1905, de
oud-liberalen een manifest aan de liberale kiezers openbaar maakten,
onderteekend door 75 bekende politieke personen. Er kon eigenlijk niet
van een program gesproken worden, want het miste nauwkeurige belijning
en autoriteit. Het manifest der 75, zooals men dat toen noemde, drukte
alleen de noodzakelijkheid uit van in het belang van het land front te
maken tegen de regeeringsmeerderheid, door de liberale candidaten te
steunen, ook zelfs, wanneer men hunne ideeën niet deelde. Het sprak ook
in vrij vage bewoordingen eenige punten van beginsel uit om algeheele
verwarring met andere partijen te voorkomen. Daarin werd bepaald, dat
het de plicht van den liberalen staat was op onpartijdige wijze aan al
de burgers de grootst mogelijke vrijheid te verzekeren, de politieke
vrijheid, gewaarborgd door een gezonde wetgeving, en de maatschappelijke
vrijheid als onmisbare voorwaarde van voorspoed en beschaving. Het sprak
zich over de herziening van het kiesrecht uit, dat zij dit niet aan de
orde achtte, en besloot met het oog op den verkiezingstrijd tot de
oprichting van een commissie van advies, bestaande uit zeven leden, die
belast was met de leiding van het werk der kiesvereenigingen.
Daar zat een begin van organisatie in. De meest verharde individualisten
als de heer S. Van Houten, die naar het zeggen van den heer Treub niets
anders zijn dan inconsequente anarchisten, hadden er het zegel hunner
goedkeuring aangehecht, en het is wel te verwonderen, dat dit zoo is. Na
de wettelijke verkiezingen, waardoor de oud-liberalen, die de hulp zelfs
van de socialisten aannamen, het van acht tot elf vertegenwoordigers
in de Kamer brachten, geloofden zij, dat het oogenblik gekomen was
om deze schets te voltooien. Het was hun president, de heer Tydeman,
afgevaardigde van Tiel en verdienstelijk redenaar, die op het congres,
dat den 23en Juni 1906 gehouden werd, verklaarde dat hun oogwerk was
zich een huis te bouwen met de uitgesproken verwachting daarin een
deel van de leden van de Liberale Unie tot zich te trekken. Bijzonder
eigenaardig was het, dat deze nieuwe vereeniging zich aandiende als vrij
en dit was op het oogenblik, dat hare leden iets van hunne vrijheid
inboetten in de handen van een vereeniging, die naar hun oordeel van
plan was dezen titel aan te nemen. Misschien vonden zij dat de naam
»Oud-liberaal« te veel naar schimmel rook, en dat Vrij-liberalen beter
in de ooren klonk dan Oud-liberalen. In allen gevalle bleef de radicale
drukpers niet in gebreke deze inconsequentie aan te toonen en daar zij
steeds weinig sympathie betoonde aan de achterblijvers, deed zij dit met
zelfvoldane ironie.
Nadat de bond van Vrije liberalen geconstitueerd was, had zij aan haar
hoofd een commissie van advies gehouden van ten minste zeven leden en
districtsbesturen in 't leven geroepen, overal waar meer dan ééne
afdeeling van den bond was; maar zij had nog geen program.
Dit was juist de moeilijkheid, want de overeenstemming van inzichten
onder de aanhangers was verre van volmaakt, en men had daarbij noodig
een werkplan vast te stellen zoo wijd, dat niemand afgeschrikt werd, en
toch nauwkeurig genoeg om van eenige beteekenis te zijn. Men had wel het
manifest der 75, maar dat was te onbestemd en naar hunne gedachte al te
zeer geinspireerd door de verkiezingsdrukte om een blijvend program van
beginsel te zijn. Ook had de algemeene vergadering besloten er een ander
uit samen te stellen en dit werk toevertrouwd aan een speciale commissie
van vijf leden. Maar wij mogen gelooven dat de arbeid, die aan haar was
opgedragen, ernstige beletselen ontmoette, want eerst het volgende jaar
werd een ontwerp aan de voltallige vergadering der partij voorgelegd.
Over het geheel was het vervat in weloverwogen termen, die herinnerden
aan de vage algemeenheden van het manifest. De geest was eveneens
flauw alsook het meerendeel van de voorstellen zooals: constitutioneel
koningschap, krachtig gezag, vrijmaking van alle confessioneelen invloed
in het openbare leven, ontwikkeling van het particulier initiatief,
versterking van het openbaar onderwijs, een snel en zuinig recht,
vrijhandel; daarin bestaan voornamelijk de tien artikelen. Er was
geen belangrijk verschil behalve over de verkiezingskwestie, waar de
mogelijkheid gelaten werd van gedachtenwisseling of men het kiesrecht
niet zou kunnen uitbreiden tot de mannen, die in bepaalde voorwaarden
vallen, en tot zekere categorieën van vrouwen, door den wetgever
aangewezen.
Van dit program van beginselen werden alleen de drie eerste artikelen
aangenomen in 1907 en eerst in de maand Juni van 1908 kon Tydeman
verkondigen dat de bond de periode was ingetreden, waarin de
voorbereidende werkzaamheden van het tweede deel van het programma waren
geëindigd en dat het in aanbouw zijnde huis een dak had verkregen.
Wat betreft de organisatie zelve, constateerde hij, terzelfder tijd
dat de bond, zonder vooruitstrevend te zijn als de Vrij-liberalen
hadden gewenscht, zich ontwikkelde door middel van de instelling van
plaatselijke kiesvereenigingen, in het bijzonder in het district
Leeuwarden, dat den vurigen kapitein Thomson afvaardigde.
* * * * *
Maar de partijformeering van de verstrooide Oud-liberalen had gansch
niet kunnen behagen aan de andere partijen van links; nog minder aan de
Unie liberalen dan aan de Vrijzinnig-democraten, daar genen zich meer
rechtstreeks daardoor zagen bedreigd met desorganisatie. Dat die partij
reden had te vreezen, loochende zij en werkelijk heeft zij er totnogtoe
weinig van te lijden gehad, maar toch was zij op hare hoede, gereed om
zoo noodig de tanden te laten zien. Het verschil van neiging op sociaal
gebied en in de kwestie van herziening der kieswet was niet geschikt om
deze slecht-verholen vijandigheid te verzachten. Ja, wat meer is, de
vooruitstrevenden verweten aan enkele gematigden van hen, zooals Van
Karnebeek en Van Houten, het ministerie De Meester niet genoegzaam
gesteund te hebben, voornamelijk inzake het militaire vraagstuk, dat
tot zijn val leidde. De houding ten slotte van de oud-liberalen in
Amsterdam, waar zij als wethouder van onderwijs een antirevolutionair
als Mr. de Vries hielpen verkiezen boven den vrijzinnig-democraat
Ketelaar, was de oorzaak van de volkomen-slechte gezindheid van de
democratische partijen, die dreigden de Vrij-liberalen uit het liberale
blok te werpen en hen aan hun isolement over te laten.
En daar van den anderen kant de rechtsche partij haar reglementen
niet zoo mild wist te maken dat zij deze gematigden van links
opnemen kon, die waarschijnlijk erin zouden toegestemd hebben om
uit hun programontwerp het anticlericalisme te verbannen en tot een
opportunistisch samengaan met de conservatieve elementen van rechts te
besluiten--zoo had de Oud-liberale partij gevaar geloopen zonder hulp en
steun te blijven, indien deze bedreigingen werkelijkheid waren geworden.
Maar er was herstelling mogelijk: haar steun had men al te zeer voor de
liberale concentratie noodig, hare dagbladen, de Nieuwe Rotterdamsche
Courant, het Handelsblad, de Nieuwe Courant, welke, vooral de eerste,
de machtigste in Nederland waren, bezaten al te veel invloed, dan dat
de scheidsmuur, waarmede men in een driftig oogenblik had gedreigd,
in waarheid werd opgetrokken. En uit dit alles was te voorzien
dat de Vrij-liberalen ook nog bij de verkiezingen in 1909, schoon
waarschijnlijk minder geestdriftig, het blok van links te hulp zouden
komen. Daartoe werden zij door hunne beginselen geleid en dit deden
zij dan ook werkelijk, zonder dezen keer de socialisten te steunen.
Maar deze gedwongen samenwerking had de nederlaag van het liberalisme
noch de verplettering van hun eigen partij kunnen verhoeden. Bij de
eerste stemming hebben zij, als georganiseerde partij, bijna al hunne
afgevaardigden verloren en nog wel de voornaamsten onder hen. Vier van
de elf zetels, die zij in 1905 hadden behouden, hielden zij in de nieuwe
Kamer slechts over. En deze vernedering is een genoegzaam bewijs van het
discrediet der beginselen, die door de persoonlijke verdienste niet meer
kunnen worden gered.
_II. De vooruitstrevende liberalen van de Liberale Unie._
Meer links dan de Oud-liberalen staan de vooruitstrevende liberalen of
wel Unie-liberalen, die hun lijdelijke houding hebben vaarwel gezegd. De
vooruitstrevende partij, zoo verklaart een der leiders, Mr. J. A. Levy,
heeft zich gedrongen gezien, tengevolge van de trage houding van haar
oudste zuster in het liberalisme, de banier voor haar te ontplooien.
Het waren minder beginselkwesties dan kwesties der praktijk, die haar
onafhankelijke houding wettigden en verklaarden. Feitelijk heeft zij,
al onderscheidde zij zich van de liberale partij, nooit zich ervan
afgescheiden. Ja, integendeel, heeft zij iedere keer, wanneer het betrof
de verdediging van de liberale grondbeginselen, zich vooraan in den
strijd geschaard. Maar zij acht haar taak daarmede niet volbracht, want
zij meent, dat de aarzelingen en uitvluchten der Oud-liberalen met
betrekking tot de draagkracht en den inhoud van de door den staat
gegeven rechten der burgers, evenzeer is te vreezen.
Aan deze liberalen van andere geaardheid scheen de theorie van de
natuurlijke staathuishoudkundige vrijheden op zijn minst ouderwetsch.
Zij gevoelden de noodzakelijkheid zich naar de behoeften des tijds
en de eischen van den vooruitgang te schikken. Om dit streven beter te
karakteriseeren, tooiden zij zich met den naam van »vooruitstrevenden«,
hetwelk de ooren van de tijdgenooten aangenaam streelt en op zichzelf
vaag genoeg is om niets te beloven. Zij hielden daartoe niet op zich op
de liberale leer te beroepen; ja zij proclameerden hunne getrouwheid aan
deze met des te meer kracht; opdat men toch niet met recht zou kunnen
denken dat men zich, al was het maar een weinig, ervan verwijderde.
Inderdaad echter verwijderden zij zich er van, toen zij de
noodzakelijkheid erkenden het onthoudingsstandpunt der regeering te
laten varen, de misdeelden te ondersteunen, het openbare leven te
regelen, de solidariteit voor te staan, de verantwoordelijkheid van
den staat uit te breiden en een meer uitgebreid kiesrecht toe te
staan. Tegenover het non-interventie systeem der regeering, dat
dikwijls niet anders is dan een welkom bedeksel voor de traagheid van de
bewindslieden, stelden zij het beginsel van krachtige actie. Zij wierpen
de liberale traditie omver, en merkten op dat de arbeid en de arbeider
om hunne rechten riepen. De proletariërs, de arbeiders, moeten gevoelen,
dat zij een deel van het groote geheel uitmaken, dat eenerzijds op aller
hulp rekent, anderzijds het recht van allen eerbiedigt. Het voornaamste
werk van de vooruitstrevende partij is allen, kleinen of grooten, in te
boezemen, dat de staat een moreele vereeniging is, die verplichtingen
heeft volkomen overeenkomstig haar oorsprong.
Evenwel constitueerden de »vooruitstrevenden« zich niet dadelijk als
partij. Gedurende lange jaren was de verdediging van de neutrale school
de spil, waarom de politiek van de liberalen draaide, en de »omgang met
dit gezichtspunt« bracht al de andere kwesties op den achtergrond. Nadat
door de wet Mackay, het lager onderwijs was gereorganiseerd, kwamen zij
tot de gedachte, dat het noodig was kennis te nemen van de volksbeweging
op sociaal gebied. Het streven der geavanceerde liberalen kwam
nauwkeuriger uit en de Liberale Unie, die in 1884 was opgericht, besloot
een program van hervormingen samen te stellen. In 1891 gaf zij een
manifest aan de kiezers in 't licht, waarbij het meerendeel der liberale
kiesvereenigingen zich aansloot. Men kan eigenlijk niet spreken van een
program, maar van een leiddraad voor de verkiezingen; en ook werd deze
niet getrokken zonder moeilijkheden en slingeringen.
Het program kwam pas in 1896. Het bestuur had in Juni 1895 zijn
taak hernomen om een hervormingsprogram op te stellen met het doel
uitdrukking te geven aan de beweging, die in de naaste toekomst de
politiek moest leiden. De kiezers gingen leven voor de politiek; daarom
moest men trachten hen tot zich te trekken. Alle partijen maakten er
gebruik van en zooals ook de anderen, sprak de Liberale Unie de begeerte
uit een program te hebben, dat haar de gunst der kiezers bezorgde.
Maar welk zou dat zijn? Dat was de knoop van de kwestie. Zou het zich
eensluidend verklaren met de liberale traditie en zich op het standpunt
stellen van zoo min mogelijke staatstusschenkomst? Of zou men dat geheel
verlaten, om zich op den weg te begeven van de democratische eischen?
Nu zoo het vraagstuk gesteld werd, veroorzaakte het lange debatten en
levendige bespreking. In Januari 1896 waren twee ontwerpen gereed,
waarvan mededeeling geschiedde aan al de afdeelingen van de Liberale
Unie, en om deze beide ontwerpen werd de beslissende strijd gestreden
tusschen conservatieven en progressisten op de algemeene vergadering van
14 November 1896. Ondanks den tegenstand van een belangrijke minderheid
werd het hervormingsprogram door het bestuur als eerste gesteld,
aangenomen. Na een discussie, die een heftige wending nam, werd daarna
een verkiezingsprogram vastgesteld. Beide ademden een democratischen
geest. De jonge liberalen of vooruitstrevenden zegevierden over de
geheele linie.
Langzamerhand trokken zich de conservatieve elementen uit de Liberale
Unie terug, waar hun verstandige adviezen geen weerklank meer vonden, en
de vereeniging, die naar haar oorsprong alle liberalen moest vereenigen
zonder uitzondering of onderscheid, werd de verkiezingsorganisatie van
de vooruitstrevende partij.
Het hervormingsprogram kondigde, zooals de naam reeds uitdrukt, de
noodzakelijkheid aan om hervormingen te ondernemen, in het bizonder
op sociaal terrein, tot bevordering van het geestelijk welzijn van
de gansche natie, binnen de grenzen van het ontzag, verplicht aan de
staatsinstellingen en aan het publieke recht in Nederland. Het stelde
vooral tot plicht voor den staat, om op wettige wijze door de opheffing
van voorrechten van het kapitaal meer billijkheid te brengen in de
verdeeling van den nationalen rijkdom.
Zonder andere theoretische beschouwingen tot de practijk overgaande,
stelde de Liberale Unie een lange lijst van hervormingen op, die zij
voorstond:
1o. Op verkiezingsterrein, de grootst mogelijke uitbreiding van het
kiesrecht.
2o. Op sociaal gebied: kamers van arbeid met gelijke rechten van werkman
en patroon; wettelijke regeling van contracten van arbeid en huur tot
beteren waarborg van elkanders belangen; wettelijke regeling van den
arbeid, zelfs voor volwassen werklieden; verplichte verzekering tegen
ongelukken met zoo noodig staatshulp uit de kas voor invaliditeit en
ouderdom; herziening van de wetten op de onteigening; verbetering
van de arbeiderswoningen; maatregelen voor de openbare gezondheid en
bestrijding van het alcoholmisbruik; herziening van de armenwet op
zulk een wijze dat samenwerking wordt verzekerd van de organisaties van
weldadigheid en het recht vastgesteld van den staat om zich met de armen
te bemoeien en den vloed van het pauperisme tegen te gaan.
3o. In de contracten, door den Staat aangegaan, te zorgen, dat men van
de krachten der arbeiders geen misbruik maakt, en vast te stellen een
minimumloon en een maximum van arbeidsduur.
4o. Wat betreft de opvoeding van het volk: leerplicht;
tractementverhooging van de onderwijzers; uitbreiding van het
ambachtsonderwijs en dit meer practisch te doen worden; de zaak van
de zedelijk-verwaarloosde kinderen onder de oogen te nemen, voor
wie algeheele en gedeeltelijke ontheffing van de vaderlijke macht
noodzakelijk is.
5o. Wat betreft het familieleven: herziening van het erfrecht en het
persoonsrecht zooals:
Verbetering van den toestand der natuurlijke kinderen, in 't bizonder
door toelating van het onderzoek naar het vaderschap.
Verbetering van de rechtstoestand der vrouw, door haar vrijheid van
handelen te geven, evengoed voor hetgeen overeenkomstig hare bekwaamheid
is, als hetgeen met hare persoonlijkheid overeenstemt, terwijl aan de
gehuwde vrouw met name de vrije beschikking over de vruchten van haar
arbeid wordt gelaten. Uitbreiding van het erfrecht van de in leven
blijvende echtgenoote.
Verhinderen dat een erfenis wettelijk aan verre bloedverwanten
tebeurtvalt.
6o. Wat den landbouw betreft, verbetering van den veestapel, van handel
en nijverheid; aanmoediging en bescherming, niet door de instelling van
beschermende rechten, maar door andere middelen, zooals bv. verbetering
van den omloop van het geld en van verkeersmiddelen, de bevordering van
het landbouwonderwijs, enz.
7o. Wat betreft onze nationale verdediging--waar men ter eener zijde
rekening moet houden met de internationale gebeurtenissen, die men
redelijker wijze kan voorzien, en ter anderer zijde met de finantieele
lasten, die men zooveel mogelijk moet verlichten--organisatie van het
staande leger op den voet van persoonlijken dienstplicht; opheffing van
de schutterij onder haar tegenwoordigen vorm; hervorming van den
rechtstoestand van den soldaat.
8o. Wat betreft de rechtspraak: instelling van het administratieve
recht; vereenvoudiging van de procedure, opdat deze snel en weinig
kostbaar zij.
9o. Herziening van de gemeentewet om daarmede een sterke samenwerking
der gemeenten te verzekeren, vooral met betrekking tot de sociale
maatregelen en de volksgezondheid.
10o. Op het gebied der financiën: uitbreiding van de macht om
belasting te heffen, toegekend aan de gemeenten; voeling houden met
de landsbelastingen. Zuinig beheer van de financiën van den staat, om
daardoor verzwaring van belasting te vermijden en in geval van nieuwe
uitgaven, door de sociale hervormingen noodzakelijk geworden, indirecte
belasting, niet op de noodzakelijkste levensbehoeften, maar op
voorwerpen van weelde, zooals op goederen in de doode hand; hervorming
van het belastingsysteem om door verlichting van de belasting op de
minstgegoeden tot vollediger toepassing van het beginsel van progressie
te komen, zelfs met betrekking tot het successierecht.
11o. Op het terrein van de koloniale politiek: aanmoediging van de vrije
ontwikkeling van private industrie onder de machtige bescherming van de
rechten en de belangen der inboorlingen; hervorming van de administratie
van de Nederlandsche bezittingen in Indië; verbetering van de
volkswelvaart van de West-Indische bezittingen.
* * * * *
Zoo was de schilderij van de eischen, door de Liberale Unie voorgesteld.
Men merkte er niet de zedelijke voorbereiding in op, waardoor de
programmen der rechtsche partijen zich kenmerken. Hervormingen zonder
logischen band onderling uit de stoffelijke belangen des lands
voortkomende en het verlangen om door hare toepassing bij tijd en
wijle de volksgunst voor zich te verwerven, werd er geen systeem van
sociale organisatie in vastgesteld. Op zekere punten waren de liberale
beginselen verlaten en in andere punten waren zij toegepast. Zoo
bijvoorbeeld bewaarde de staat de schijn van onafhankelijkheid der
weldadigheidsinstellingen, terzelfder tijd dat hij uitging van de
stelling van »laat maar gaan« terwijl hij op gebied van vrijhandel aan
deze stelling getrouw bleef.
Uit dit program, dat uit zulke onderscheidene stukken was samengesteld,
nam de Liberale Unie zonder dralen de hervormingen, die haar het
dringendst toeschenen, en vormde hieruit met het oog op de verkiezingen
van 1897 een verkiezingsprogram. De eischen, in het eerste ontwerp
voorkomende, waren bij voorkeur dezulke, die het welzijn van het volk en
de verbetering van de sociale verhoudingen betroffen. De Uniecandidaten
verbonden zich daarvan de urgentie te erkennen en, eens gekozen, te
werken aan hunne onverwijlde verwezenlijking. Het waren voornamelijk
de wettige regeling van het sociale contract en de Zondagsrust; de
verplichte verzekering tegen ongevallen, ziekten, invaliditeit en
ouderdom; de verbetering der werkmanswoningen; de herziening van de wet
op onderstand; de leerplicht; de emancipatie der vrouw; de bevordering
van landbouw, handel en nijverheid; persoonlijke dienstplicht en
opheffing van de schutterij.
Vooraan in dit program van urgentie figureerde voor het oogenblik niet
de kieswethervorming, en de Liberale Unie gaf er deze verklaring van.
De zorg voor een goede politiek gebiedt ons opnieuw de kwestie onder de
oogen te zien zoolang als wij nog niet de resultaten van de herziening
kunnen vaststellen, die hare voltooiing nadert.
Maar toch verborg zij niet, dat deze voorloopige oplossing haar geen
voldoening gaf, en het vraagstuk bleef lang in het halfduister. Het
verscheen wederom bij de nadering van de verkiezingen van 1901, en,
opgeblazen door de omstandigheden, bracht het tweedracht in de liberale
Unie. In Januari 1900 achtte het besturend comité het oogenblik gunstig
om grondwetsherziening voor te stellen ten einde daardoor tot algemeen
kiesrecht te komen. Het wilde ongetwijfeld de voorgestelde eischen
met betrekking tot de kieswet als verkiezingsleuze gebruiken voor
het volgende jaar. Met dit doel stelde het een rondschrijven op,
waarin het mededeelde, van plan te zijn het eerste artikel van het
hervormingsprogram te voltooien en aan het hoofd te stellen van het
program van urgentie. Dit ontwerp hield in:
1o. Kiesrecht voor alle bewoners van Nederland met uitzondering van:
die hun kiesrecht verloren hebben door een rechterlijke uitspraak;
de gevangenen; zij die in een krankzinnigengesticht opgesloten zijn;
die onder curatele gesteld zijn door een rechterlijk vonnis; terwijl,
wat betreft de bedeelden, wij oordeelen, dat dit het verlies van het
kiesrecht niet mag tengevolge hebben, onder welke omstandigheden ook.
2o. Wat betreft de vrouwen, zullen wij het aan den wetgever overlaten,
haar het kiesrecht te geven of niet.
Toen de generale vergadering van 2 Juni 1900 geroepen over dit voorstel
te beraadslagen, nam zij eerst het volgende besluit: »De Liberale
Unie, handhavende hare meening, die zij herhaaldelijk uitgedrukt heeft,
aangaande de noodzakelijkheid van de herziening van het kiesrecht in den
zin van wegneming van allen maatstaf naar de belasting, is van oordeel,
dat, om daartoe te geraken, het noodzakelijk is, de artikelen 80, 127
en 143 van de grondwet te herzien, met de bedoeling om daardoor het
algemeen kiesrecht voor mannen en vrouwen mogelijk te maken«.
De meerderheid richtte zich in beginsel naar de gedachte van het
bestuur. Nu bleef nog de kwestie van urgentie over. Hier vertoonde
zich een sterke oppositie. Vele progressisten vonden dat het zuiver
onzin was deze kwestie voorop te stellen. Zij herinnerden zich de
groote verdeeldheden, die het gevolg waren van de ontwerpen van Tak en
Van Houten en zij maanden tot herziening dezer kwestie. Zij begrepen de
stijfhoofdigheid van het bestuur niet en verdachten het ervan gedreven
te worden door de leiders van de kleine groep van radicalen, alsmede
door de hoop den socialisten de gunst des volks te onttrekken. In
allen gevalle achtten zij het oogenblik slecht gekozen; want om een
grondwetsherziening inderdaad mogelijk te maken, moet men op twee
derden der stemmen van de Generale Staten daarvoor kunnen rekenen en
de linkerzijde bezat in de Tweede Kamer slechts 54 van de 100 en in
de Eerste Kamer 31 van de 50, zonder te mogen hopen dat spoedig het
vereischte aantal verkregen werd.
Ook nam hare vergadering van 26 Januari 1901 niet zonder verwondering
kennis van de motie, tegen aller zin in door het bestuur ondersteund.
Zij hield de gelofte in, dat bij de algemeene verkiezingen van 1901 de
grondwetsherziening, vervat in het eerste artikel van het program,
voorop zou worden gesteld en dat de candidaten van de Liberale
Unie niet alleen hun instemming moesten betuigen met het geheele
hervormingsprogram maar evenzeer van de urgentie der kwestie in het
eerste artikel gesteld, overtuigd waren.
Dit voorstel, dat in ondubbelzinnige termen was opgesteld, deed den
storm opsteken. Na heftige debatten weigerde de Liberale Unie met 44
tegen 33 stemmen zijne aanvoerders te volgen op den gevaarlijken weg.
Het onweder sleepte de motie van urgentie en degenen, die haar gesteld
hadden, mee. Het bestuur trad af, met zich nemende de radicale groep, om
met haar een nieuwe vereeniging te stichten, nl. de
Vrijzinnig-democratische bond.
De Liberale Unie, voor een oogenblik ontmoedigd, herstelde en hervormde
zich. Uit hen, die gebleven waren, koos zij een nieuw bestuur en
om te toonen, dat zij haar oorspronkelijk program niet had verlaten,
publiceerde zij dit opnieuw. Niets was er in veranderd dan het eerste
artikel, dat aangevuld door de motie van 2 Juni 1900, het algemeene
kiesrecht ook voor de vrouwen eischte. Want de urgentie alleen van dezen
eisch was er uit verwijderd. Maar toch ook waren er punten uit genomen,
die onder de liberale ministeries Van Houten en Pierson werkelijkheid
waren geworden.
* * * * *
Evenwel was de Liberale Unie verzwakt temidden van deze geschillen.
In 1898 bezat zij 79 kiesvereenigingen met ongeveer 10.000 aanhangers
en was vertegenwoordigd in 110 plaatsen in Nederland, terwijl deze
weer samengevoegd werden in verschillende centrale afdeelingen. Na
de breuk met de Vrijzinnig-democraten behield zij slechts in 1901,
49 kiesvereenigingen met 7218 aanhangers en 360 buitengewone en
beschermende leden. Die achteruitgang werd gevoeld. Terzelfdertijd
onderging het aantal hunner afgevaardigden eenzelfde lot; van de 32 van
1897 bleven er slechts 20 in 1901 over. De verkiezingen in 1905 brachten
dit cijfer tot 23, terwijl in 1909 dit getal opnieuw slonk tot 20.
Desondanks behoudt de Liberale Unie een niet te versmaden invloed.
Ofschoon zij voor 't meerendeel uit elementen is samengesteld, die
veel van elkander verschillen en slechts bijeen worden gehouden door
de positieve band van politieke bekwaamheid, profiteert ze van haar
eigenaardige ligging in de linkerzijde, van middenpartij. Zij is de
spil van de linker concentratie; de as, waarom de oud-liberalen en de
uiterste linkerzijde zich bewegen. Het zijn mannen, die gedurende ruim
vijftien jaren het grootste gedeelte van de liberale ministeries hebben
uitgemaakt.
Het is hun program, dat tot grondslag gediend heeft van hunne
regeeringsdaden en gelijk er in elk liberaal een godsdienstig drijven
is, zoo is zij het ook, die den juisten toon aangeeft van het
anticlericalisme voor de linkerzijde, gelijkend op de Fransche
radicalen, die het clericale spook vertoonen om zich uit moeilijke
omstandigheden te redden. De aanvoerder, de heer Goeman Borgesius,
afgevaardigde van Rotterdam, is de groote kracht van links. Deze
journalist, die met zijn groote bekwaamheid als schrijver een wezenlijk
talent als redenaar vereenigt, heeft den naam, zooals eertijds de
conservatieve minister Heemskerk, een wonderkind te zijn en meer dan één
snaar op zijn viool te hebben. In allen gevalle heeft de fortuin hem
voortdurend toegelachen. Hetzij dat hij het dagblad »Het Vaderland«
redigeerde, of in »Vragen des Tijds« schreef; hetzij dat hij, als
president van de liberale kamerclub, geroepen werd deel uit te maken van
het kabinet Pierson; hetzij dat hij een gedragslijn opmaakte voor de
Liberale Unie, altijd gaf hij proef van eene bekwaamheid, die met de
beletselen den spot drijft.
Maar juist in de politiek is bekwaamheid niet genoeg en geschiktheid
niet alles. Er zijn nog beginselen noodig om de handeling vruchtbaar en
van duur te doen zijn. Zal de heer Borgesius, waar hij den overwegenden
invloed van de Liberale Unie heeft gehandhaafd, niet zien dat de
elementen, die hij voor het oogenblik behoudt onder zijn bestuur nog
meer naar links afglijden, of zal hij zeggen: er zijn geen vijanden?
Totnogtoe schijnt de propaganda van de oud-liberalen zijne troepen
weinig te hebben gedund, maar in den grond is dit ook de minst
gevaarlijke en die van Vrijzinnig democraten dreigt meer; want van die
zijde drukt de logica van de leer en de kracht der gebeurtenissen.
_III. De Vrijzinnig-Democraten._
Toen de vooruitstrevende revisionisten op luidruchtige wijze de Liberale
Unie verlieten, vonden zij aan hun linkerkant den Radicalen Bond.
Deze was tevoorschijn gekomen uit de scheuring van Januari 1888 in de
liberale partij van Amsterdam. Volgens eenigen was herziening van het
politiek program van de machtige kiesvereeniging »Burgerplicht« er de
oorzaak van; volgens anderen was zij het gevolg van een verschil van
meening over den gang der zaken in de hoofdstad. In allen gevalle gaf
dit de gelegenheid aan ongeduldigen, die de evolutie van de liberale
beginselen te langzaam dachten, om een jongere partij op te richten.
Zij maakten er gebruik van en zij trachten de ontevredenen, voornamelijk
in Amsterdam, te vereenigen, en ook in Groningen, waar het liberalisme
van meer-geavanceerden aard was. Maar hunne pogingen werden slechts
halverwege met goeden uitslag bekroond. In de afdeelingen, die zij
oprichtten, ontbraken eenheid, partijgeest en discipline. Er waren
te veel leiders en daardoor was het bestuur niet krachtig. Wat meer
is, er was geen wèl-afgerond program, er waren geen vaste beginselen;
en zoo bevond zich de opkomende radicale partij ingesloten tusschen
de vooruitstrevende liberalen en de sociaal-democraten, zonder eigen
leerstelsel. Ze gaven eenigermate den voorkeur aan de eersten, terwijl
zij het privaatbezit zacht verdedigden tegen de laatsten.
Ook hadden de verdeeldheden en de twisten er vrijen loop. Na er evenveel
aan geleden te hebben als andere plaatselijke organisaties, moest de
voornaamste van de radicale kiesvereenigingen, n.l. »Amsterdam«, in den
loop van 1894 ontbonden worden.
Het was op het oogenblik, dat de Radicale Bond werd opgericht met het
doel om te bevorderen dat degenen, die den staat wilden hervormen in
democratischen zin, aan de regeering zouden komen. Haar program, den
24en Juli 1895 aangenomen, gaf de regels aan, waarnaar zij deze
democratische hervorming dacht ter hand te nemen:
1o. Gelijkheid van alle meerderjarige Nederlanders in burgerlijke en
politieke rechten.
2o. Strijd tegen de maatschappelijke afhankelijkheid van den een van den
ander en vermeerdering van het stoffelijk en zedelijk welzijn van hen
die niets of weinig bezitten:
_a._ afschaffing van wettelijke regelingen, die opeenhooping van het
kapitaal in de handen van enkelen begunstigen.
_b._ uitvaardiging van wetten die 1o. zonder gezamenlijk bezit van
de productiemiddelen te bedoelen, er toe strekken om de voordeelen uit
het privaat bezit voortkomende, te beperken binnen engere grenzen en een
betere verdeeling te verzekeren van de rijkdommen der gemeenschap, ten
2o. zooveel mogelijk de ongelukkige gevolgen van de wet op vraag en
aanbod van de markt voor den arbeid tegen te gaan.
* * * * *
Zooals men ziet, nam de Radicale Bond een politiek aan, rechtstreeks
inloopende tegen het liberale beginsel van onthouding van den staat en
hij eischte talrijke hervormingen.
Deze somde hij op in een program, dat in een tegenovergesteld uiterste
vervalt en staatsbescherming en staatsvoorzorg stelt.
Zoo deed hij zich voor bij de verkiezingen van 1897 en gelukte het hem
vijf afgevaardigden verkozen te zien. Maar volgens de verklaringen van
den voorzitter uit dien tijd, de heer C. V. Gerritsen, was de invloed
van den Bond grooter dan zijne vertegenwoordiging; die was groot vooral
in den gemeenteraad van Amsterdam. Over het gansche land, bezat de Bond
34 afdeelingen met een totaal van 2.300 leden, meerendeels kleine
burgers en werklieden.
Doch de verkiezingen van 1897 waren voor den Bond noodlottig. Hoewel
verkiezingen in Nederland veel minder kosten dan Frankrijk, werd de kas
der partij daardoor uitgeput. De leden bedankten in menigte, om niet hun
omslag te behoeven te betalen en, als overal, is het geld de ziel van
den oorlog en de radicale propaganda hield op bij gebrek aan
hulpmiddelen.
Men kan derhalve begrijpen, dat de leiders van de radicalen met
opmerkzaamheid de gebeurtenissen volgden, die er temidden van de
Liberale Unie plaats hadden. De leden van de meest-geavanceerde groep
waren er bijna voortdurend in strijd met hunne broeders, over meer
conservatieve inzichten, en zij spraken gedachten uit, waarvan men niet
kon zeggen of zij meer radicaal dan progressistisch zijn, of meer
progressistisch dan radicaal.
Overigens hadden de vrijzinnig-democraten en de radicalen elkander
wederkeerig ondersteund bij de verkiezingen van 1897; zou dan geen
nauwere verbinding van langeren duur dan deze tijdelijke samenwerking
kunnen plaatshebben? De radicalen antwoordden hierop bevestigend en zij
riepen deze gebeurlijkheid in met al het ongeduld van hunne verlangens;
want zij hoopten op die manier nieuw bloed en nieuwe finantieele kracht
aan hun bloedarme partij te schenken.
Dat is ook de reden, waarom ze met zooveel kracht verzekeren, dat
zij den steun noodig hebben van hen, met wie zij overeenkomen in
leerstelsel, om eenmaal hun liefste wenschen, hun hoogste begeerten te
kunnen verwezenlijken.
De kwestie van urgentie van de grondwetsherziening met het oog op het
algemeen kiesrecht was een geschikte gelegenheid voor de begeerde breuk.
De actie van de radicale leiders was misschien niet vreemd aan het
ontstaan van het conflict en zeker niet aan de scheiding. Ternauwernood
hadden het bestuur en zijne volgelingen gebroken met de Liberale Unie of
zij vereenigden zich met het overschot van den radicalen Bond om een
nieuwe partij te vormen, onder den naam van Vrijzinnig-democratischen
Bond.
Op zichzelf was de benaming teekenend, het toevoegsel »liberaal« liet
men voor goed varen, om het te vervangen door den soortnaam vrijzinnig.
Die diende derhalve meer om verwarring met de sociaal-democraten te
voorkomen, dan om weder een aanknoopingspunt aan te geven met de
liberalen. Feitelijk had men de liberale leer volkomen losgelaten; men
erkende hare verkeerdheid en men bestreed openlijk de gevolgtrekkingen.
* * * * *
Den 17en Maart 1901 te Utrecht gesticht, hield de
Vrijzinnig-democratische Bond den 4en Mei d. a. v. zijn eerste algemeene
vergadering. Hij benoemde er een bureau, gaf er eene verklaring van
beginselen aan en een ontwerp van een verkiezingsprogram.
De beginselverklaring luidde als volgt:
De Vrijzinnig-democratische Bond geeft als haar doel te kennen om te
bevorderen de opkomst van al de vereenigingen en al de personen, die met
een democratischen geest bezield zijn en die zich vereenigen met de
volgende beginselen:
* * * * *
1o. De Vrijzinnig-democratische Bond streeft naar de evolutie van onzen
grondwettigen en parlementairen regeeringsvorm in democratischen zin
en te dien einde naar het algemeen kiesrecht voor de verkiezing van de
vertegenwoordigende vergaderingen en naar de gelijkheid van mannen en
vrouwen, zelfs wat betreft de afgevaardiging naar deze vergaderingen.
2o. De Vrijzinnig-democratische Bond stelt zich tot principe, dat men
door middel van een krachtige sociale wetgeving moet trachten weg te
nemen de sociale toestanden, die de ongelijkheid tusschen de leden van
de natie in 't leven roepen of versterken, wat betreft voorwaarden van
hunne ontwikkeling.
Hij is van oordeel, dat om den maatschappelijken vooruitgang te
verkrijgen, het noodzakelijk is den klassestrijd te verzachten en
niet aan te wakkeren. Aan de eene zijde keurt hij het streven af om
privaatbezit van de productiemiddelen op te heffen en aan de andere
zijde verwerpt hij de meening, dat de staat slechts gedwongen en tegen
wil en dank in het huishoudelijk leven van de burgers mag ingrijpen.
* * * * *
Over het geheel was de Vrijzinnig-democratische Bond van dezelfde
gezindheid als de oude Radicale Bond, wiens plaats hij had ingenomen.
Zijn ontwerp van een verkiezingsprogram--aan het hoofd waarvan de
onverwijlde en urgente eisch stond van algemeen kiesrecht met evenredige
vertegenwoordiging voor de mannen en vrouwen, een voorwaarde van de
eerste orde voor alle democratische hervormingen--ontplooide zich
voornamelijk na de verkiezingen van 1901. Het werd uitgebreider en
grooter in de twee algemeene vergaderingen van den 11en Januari 1902
en den 28en Mei 1904 door nieuwe bijgevoegde eischen, zoodat het een
uitgebreid werkprogram werd, naast hetwelk was komen te staan een
program van werkzaamheid op gemeentelijk gebied.
Maar, wat aangaat het werkprogram of het plan van werkzaamheid op
gemeentelijk gebied, men vindt dezelfde leer er aan ten grondslag
liggen, die de heer Treub, professor in de Staathuishoudkunde aan de
gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, zoo uitnemend heeft vertolkt,
hij, de denker en de handelende leider der partij.
Uitgaande van deze dubbele bewering dat ieder genootschap is het product
van het denken van hen, die ze opstelden, en dat de sociale begrippen
over de moraal en de gerechtigheid zonder ophouden zich ontwikkelen
tot vooruitgang, welzijn en gelijkheid, besloot de heer Treub, dat de
staat zich niet mag ontslaan van zijne verplichting om de economische
verhoudingen overeen te brengen met de prevalente begrippen van
gerechtigheid, voordat men er den stempel van het recht op zet.
»Overal«, zegt hij, »waar de economische verhoudingen tegenover onze
actueele begrippen van recht en billijkheid staan, is tusschenkomst
noodig om ze te herstellen en ze overeenkomstig te maken met de
hedendaagsche ideeën, die de stapelplaats vormen op den weg naar den
vooruitgang.« En hij voegt er aan toe, terwijl hij zijne gedachten over
den rol van den democratischen staat samentrekt: »In deze wettelijke
regeling moet de heerschende gedachte deze zijn: De staat moet onze
maatschappij er in behulpzaam zijn, dat zij zich meer begeeft op den
weg naar gelijkheid van kansen in het maatschappelijke leven voor de
individuen van beide seksen; naar vermindering van het sociale verschil
tusschen sekse en stand; matiging van den klassestrijd.«
Alles bijeengenomen, de gelijkstelling voor al zijne leden van de
voorwaarden der ontwikkeling, zoowel op stoffelijk als geestelijk
terrein, dat is het principe en het doel van den modernen staat.
Gelijkheid van de kansen van het geluk, dat is de droom die de
democratische leer najaagt en die het gezag van den staat meer en meer
moet verwezenlijken. Zeker, er zijn reeds pogingen gedaan in dezen
zin, en de sociale toestand van het meerendeel der werklieden heeft
zich verbeterd. Maar er is nog veel te doen en de hervormingen, die
nog tot stand moeten gebracht worden, zijn vele. De lijst, die de
vrijzinnig-democraten er van opstellen, is lang. Men merkt er allereerst
in op, alles wat aan de burgers een grootere gelijkheid kan verzekeren;
algemeen kiesrecht voor de mannen en voor de vrouwen; democratiseering
van de Eerste Kamer; bescherming van den werkman tegen het misbruik door
den patroon; maatregelen om alle kinderen gelijkelijk instaat te stellen
onderwezen te worden zonder ander onderscheid dan aanleg; opheffing
van alle ongelijkheid, die in het burgerlijk recht bestaat tusschen
mannen en vrouwen; herziening van het huwelijkscontract in dien zin;
uitbreiding van de gronden voor echtscheiding; verbetering van den
rechtstoestand van natuurlijke kinderen. Andere komen op den voorgrond
door den drang van de omstandigheden van het oogenblik. Zoo is het
met de verplichte verzekering tegen ziekte, invaliditeit en ouderdom;
verzekering tegen werkloosheid; wettelijke bestrijding van het
alcoholisme; voorzorg tegen vervalsching der voedingsmiddelen;
vertegenwoordiging van landbouw, nijverheid en handel; hunne
ontwikkeling door vermeerdering van de gemeenschapswegen; en steun
voor den uitvoer van hunne artikelen; vereeniging van vermogens- en
bedrijfsbelasting tot een enkelvoudige belasting op het inkomen, enz.
Al deze hervormingen, die het program uitmaken, zijn niet alle even
slecht. Verre vandaar zijn zelfs velen zeer aannemelijk en enkele komen
ook voor in de programmen van rechts. Maar wat wel te vreezen is, dat is
dat de leer der vrijzinnig-democraten van den staat een despoot maakt,
een tiran, die opbouwt en afbreekt naar zijn believen, die zelf het
recht schept en vernietigt, mits het maar overeenstemt met de gedachten
van de meerderheid, waardoor dat recht is gesteld, een majesteit meer
te vreezen dan de absolute koningsmacht van den vroegeren tijd, alles
bijeen genomen een autocratie, die niets heeft te eerbiedigen, ook niet
eenige hoogere zedelijke wet, niets dan zijne eigene.
De erkenning van deze absolute macht van den staat wordt in de practijk
gezien, wanneer de vrijzinnig-democraten voor hem een erfrecht eischen,
in mededinging met sommige natuurlijke erfgenamen; wanneer zij aan de
gemeenschap de bevoegdheid willen geven tot onteigening niet alleen op
grond van het openbaar belang, maar zelfs om daardoor een grootere
productieve of sociale waarde te verkrijgen, of wanneer zij hem de
verplichting willen opleggen om die ondernemingen aan de private
exploitatie te onttrekken, die van nature het karakter van monopolies
vertoonen.
Ongetwijfeld toonen zich de vrijzinnig-democraten besliste voorstanders
van den individueelen eigendom. Zij stemmen volledig toe, dat deze nooit
volkomen zal verdwijnen, maar zij stellen de mogelijkheid dat deze
eigendom aan de naasting der maatschappij zal onderworpen worden. Om de
formule van de Fransche radicaal-socialen te gebruiken, met wie zij in
Nederland overeenkomen met in allen gevalle ruimere ideeën en minder
anticlericaal drijven, houden zij vol, dat de staat beslag moet leggen
op al de industrieën, die in een monopolie zijn veranderd en die door
hun aard het algemeen belang treffen.
Dat is men moet er toe overgaan om de groote productiemiddelen in
dienst der gemeenschap te stellen, wanneer dit den staat nuttig blijkt.
Indien zij dan openlijk geen socialisten zijn, dan nemen zij toch
in den grond een soort van theoretisch socialisme aan, dat aan
staats-socialisme grenst, een socialisme zonder klassestrijd en zonder
in theorie _alle_ productiemiddelen in dienst van het algemeen te
stellen en dat van het collectivisme slechts door een zwakken muur is
gescheiden.
Bovendien is het doel, dat zij beoogen, hetzelfde te weten: de zoo
volkomen mogelijke gelijkheid van alle menschen voor de voorwaarden
tot het maatschappelijk welslagen en gelijk het gansche democratische
stelsel rust op de evolutie der begrippen van de meerderheid in die
richting, zoo zal de staat, waar deze meerderheid op een gegeven
oogenblik gelooft, dat deze gelijkheid niet dan door gemeen bezit van
de productiemiddelen kan verkregen worden, verplicht worden om van het
collectivisme werkelijkheid te maken.
De vrijzinnig-democraten, het is waar, wachten zich wel om deze
verwantschap en deze logica toe te stemmen, die hen doet overhellen
naar de sociaal-democratie en zij versterken zoo goed mogelijk den
scheidsmuur. Daar mag men zich niet zoo over verwonderen, want de
opkomende partijen hebben alle belang er bij om het gezag van hunne
organisatie en hunne leer te handhaven, om te verhinderen dat men hen
verwart met de naverwante vereenigingen; immers zouden zij anders hun
reden van bestaan verliezen. Maar wanneer zij eens bevestigd zijn, dan
verandert hunne manier wel en deze zelfde partijen verlagen den muur
zooveel mogelijk, waarmee zij zich ingesloten hadden, om aan de leden
van de naaste partijen toe te staan, hem gemakkelijk af te breken, nadat
zij hen overtuigd hebben, dat de scheiding alleen in naam bestond.
Is dat de taktiek die de Vrijzinnig-democratische Bond in de meer of
minder dichtbij zijnde toekomst zal aanwenden? En indien zij dat doet,
wie zal er meer van profiteeren, zij of de Sociaal-democratie? Te
vreezen is, dat het de laatste zijn zal. Maar voor het oogenblik is die
vraag nog niet aan de orde. De Vrijzinnig-democratische Bond wordt al
grooter en naar het schijnt iets ten koste van de Liberale Unie. In
1901 telde zij 22 afdeelingen met 1.585 aanhangers en 164 persoonlijke
leden. In 1905 waren deze cijfers gestegen tot 44 afdeelingen met 2.630
aanhangers en 507 persoonlijke leden. Aan den anderen kant, tijdens
de verkiezingen van 1901, had zij 30.000 stemmen behaald en 9 zetels
veroverd; bij die van 1905 had zij 50.000 stemmen op haar program
vereenigd en 11 afgevaardigden naar de Kamer gezonden. In 1909 is het
cijfer der stemmen ongeveer hetzelfde gebleven, hetgeen niet heeft
verhinderd dat ook zij deel had in de nederlaag van de linker-partijen
en dat het aantal van hare afgevaardigden tot negen werd teruggebracht.
Hare dagbladen »de Vrijzinnig-Democraat" en »Land en Volk" zijn van
te nieuwen datum, vooral het laatste, om zeer grooten invloed uit
te oefenen, maar hare leiders, de heer Drucker, president van de
Vrijzinnig-democratischen Kamerclub, en de heer Treub, verzekeren haar
door hunne waarde een belangrijke plaats temidden van de politieke
partijen in Nederland.