Een zoodanige bloei van organisaties en van toewijding op het terrein
van het maatschappelijk leven verklaart den invloed der Katholieke
partij. Zonder instellingen te zijn van politieken aard dragen deze
vereenigingen er niettemin krachtig toe bij dat Roomsche ideeën in het
openbare leven verbreid worden, en zij verzekeren aan hen, die ook op
verstandige wijze de zedelijke en stoffelijke belangen van het volk
behartigen, rechtmatigen invloed, die nog toeneemt door de beslist
sociale gedragslijn van de Roomsche afgevaardigden in de
Staten-Generaal.
Door zoo te doen geeft de Katholieke partij op schitterende wijze
er bewijs van, dat zij de sociale kwestie, die op dit oogenblik zoo
dringend de aandacht vraagt, zoo veel en zoo goed als mogelijk is, wil
oplossen, en dat zij wil arbeiden aan de herstelling van de gemeenschap
in christelijken geest. 't Is daarom, dat zij tot grondslag neemt de
Katholieke leer, en dat zij zich vóór alles van haar moraal doordringt.
Moet men hieruit besluiten dat zij een confessioneele partij is? Haar
tegenstanders houden dit staande en versieren haar gaarne met dezen
toenaam van »kerkelijk", maar 't is de vraag, hoe men dat verstaat.
Indien men, zooals het juist schijnt, door dit woord wil karakteriseeren
de partij, die zich uitsluitend met godsdienstige belangen bezighoudt,
die als bestaansreden en tot doel niets heeft dan de verdediging van
de rechten der kerk, dan is de Nederlandsche Katholieke partij geen
confessioneele partij. Ongetwijfeld, de bescherming van de Roomsche
belangen staat bovenaan op haar programma, en alleen Roomschen worden
toegelaten tot haar organisaties; ongetwijfeld de beginselen van
het Christendom beheerschen geheel haar politiek; ongetwijfeld, de
geestelijkheid en bizonder de bisschoppen oefenen door hun adviezen
een dikwijls belangrijken invloed; maar de leiding van de partij is
in handen van leeken, zijn horizont strekt zich uit tot alles wat de
welvaart van het land kan doen toenemen, en de verdediging van het
recht, dat allen burgers gemeen is, is een van de grondregels van haar
actie. Volgens het woord van Broere door Dr. Schaepman weergegeven in
een motto aan het hoofd van zijn brochure: »Een Katholieke partij"
vormen de Nederlandsche Roomschen een politiek lichaam dat vrijheid wil.
Het is overigens voor een partij de voorwaarde voor alle sterken
invloed, om niet alleen werkzaam te zijn voor wat met eigen belangen in
verband staat; zij kan zich aan deze noodzakelijkheid niet onttrekken
zonder er in te moeten berusten slechts een fractie, dikwijls genoeg een
factie te zijn.
Voor de Roomschen in Nederland was het bepaald noodig; want indien
zij hadden aangenomen een uitsluitend godsdienstig program zouden
zij gestuit zijn op de vereenigde krachten van de Protestanten,
die zich verbonden zouden hebben om hen buiten het gemeen recht te
plaatsen; zouden zij nooit hebben kunnen staan naar het verbond met de
Antirevolutionaren, en zouden zij een onmachtige minderheid gebleven
zijn, versmaad, zoo niet vervolgd. Om hun vrijheid, waardigheid en
gezag te verzekeren, moesten zij hun voordeel doen met de rechten aan
alle burgers toegekend in de grondwet, moesten zij een politiek voeren,
die geëischt werd door de omstandigheden; moesten zij gebruik maken van
de parlementaire tactiek als van alle eerlijke middelen, en geheel vast
verbonden aan de Roomsche beginselen, moesten zij zich weten te schikken
naar de eischen van het politieke leven van dezen tijd.
Dat is wellicht de grootste dienst, dien Dr. Schaepman aan de zaak
der Roomschen bewezen heeft, dat hij deze richting nauwkeurig heeft
aangegeven en zelfs de vermetelheden van zijn tactiek hebben meegewerkt
aan de ontluiking van de politieke en sociale werkzaamheid van zijn
geloofsgenooten, aan wie hij heeft gegeven het bewustzijn van wat zij
moesten en van wat zij konden.
In alle geval, in dit drievoudig karakter van populair, sociaal en
positief, dat hij haar heeft ingedrukt, is het geheim gelegen van de
kracht der Nederlandsche Katholieke partij, wat haar ook veroorlooft
te dingen naar de rol, die haar leider in de algemeene vergadering
van 1897 aldus aanduidde: »Wij willen de leiders en de geleiders zijn"
en daardoor is de onbetwistbare invloed, die door haar verkregen is in
de raadscolleges van het Nederlandsche volk, gevestigd en versterkt.