Op 't oogenblik is de Katholieke partij in Nederland definitief en sterk
samengesteld. Zij heeft politieke vereenigingen, die aanhoudend werkzaam
zijn in bijna alle gemeenten, waar de Roomschen eenigen invloed kunnen
doen gelden. In elk kiesdistrict heeft zij een districtsvereeniging,
welker bestuur zich verzekert van de medewerking van mannen van
toewijding en een lid afvaardigt, ter vorming van een provinciaal
comité, dat zich bezighoudt met de verkiezingen voor de Provinciale
Staten, en bij de zelfstandige districts-vereenigingen niet
tusschenbeide komt dan om advies te geven of in twijfelachtige gevallen
te beslissen. Eindelijk als de kroon op de organisatie, en haar gevende
de eenheid van gedachte, ten opzichte van de noodzakelijke leiding,
bestuurt een centrale raad, samengesteld uit afgevaardigden van elke
provincie, de Algemeene Bond van Roomsch Katholieke Kiesvereenigingen in
Nederland.
Voorzitter van dit centraal comité is de heer Koolen, afgevaardigde
van Grave. Deze uitgebreide organisatie werkt niet altijd zonder
horten en stooten; vooral is dit het geval in de provincies Limburg
en Noord-Braband, waar de kiezers weinig gelegenheid hebben om van
hun kiesrecht gebruik te maken, en minder de noodzakelijkheid van
de vereeniging gevoelen. Hierin is geen verandering te brengen, even
moeilijk als het is, van het eerste begin af, elke persoonlijken strijd
en inbreuk op de discipline te onderdrukken.
In alle geval moet erkend worden, dat zelfs bij den tegenwoordigen
stand van zaken de Nederlandsche Roomschen op dit punt verder gevorderd
zijn dan hun geloofsgenooten in andere landen van Europa, en dat een
organisatie als hun »Algemeene Bond" aan hun actie de grootste kracht
verleent.
In de Kamer bezit de Katholieke partij 25 afgevaardigden, een vierde
gedeelte van de nationale vertegenwoordiging. Deze afgevaardigden vormen
de »Roomsch-Katholieke Kamerclub," die een nauwe betrekking onderhoudt
met den Algemeenen Bond van Kiesvereenigingen, en waarvan de voorzitter
tevens de eigenlijke leider van de partij is. Na Mgr. Schaepman was
het de heer Kolkman, een van zijn trouwe strijdgenooten, erfgenaam van
zijn politieke hoedanigheden en zijn welsprekendheid, die deze plaats
vervulde tot het begin van 1908, toen hij haar vaarwel moest zeggen om
in het ministerie Heemskerk de portefeuille van Financiën te aanvaarden.
Hij is vervangen geworden door den heer Loeff, een rechtsgeleerde van
veel talent, wiens werkzaamheid aan het Departement van Justitie onder
het ministerie Kuyper duidelijk aan het licht getreden is.
Wat de Roomsche afgevaardigden betreft: in de eerste plaats
onderscheiden zich Mgr. Nolens, de eenige priester die op 't oogenblik
in de Kamer zitting heeft, waar hij het district Venlo vertegenwoordigt,
de landstreek zijner geboorte; de heer Van Nispen tot Sevenaer,
afgevaardigde van Nijmegen, een man van oud geslacht, met kennis van
zijn tijd en nauwgezette en degelijke bestudeering van de vraagstukken;
de heer Aalberse, opvolger van Mgr. Schaepman in Almelo, die geheel
zijn eerbied-afdwingend talent, zoowel om te spreken als om te
schrijven, ten dienste stelt van het Centraal Bureau van Katholieke
Sociale actie, waarvan hij secretaris is; de heer Passtoors, de stichter
en voorzitter van de groote »Nederlandsche Roomsch-Katholieken
Volksbond"; de heer Ruys de Beerenbrouck, president van den
Geheelonthouders-bond »Sobrietas", die 62000 leden telt, enz.
De ministerieele crisis van 1907 heeft haar oplossing niet anders kunnen
verkrijgen dan doordat drie Roomschen, de heeren Kolkman, Nelissen en
Bevers, in het ministerie Heemskerk zitting namen, waarin de traditie
van de ministeries Mackay en Kuyper voortgezet wordt.
Zoodanig is de plaats, die de partij in het land en in het Parlement
inneemt, dat zij eerbied afdwingt aan allen, vriend en vijand, en dat
zij de werkzame, dikwijls beslissende zaakbezorger is van den
wetgevenden arbeid.
Haar aanhoudende sociale actie heeft daar niet weinig toe bijgedragen.
Na eenige tegenstribbeling in het begin, heeft zij haar leider Dr.
Schaepman gevolgd, die tegen het einde van zijn loopbaan zeide: »Er
is voor mij geen grooter troost in mijn strijd en mijn arbeid, dan te
werken voor het volk. Ik kan het woord van Mgr. Ketteler herhalen: voor
de kerk en voor het volk". Onder zijn aandrijving heeft zij de sociale
instellingen van allerlei aard doen toenemen, en alzoo heeft zij
verhinderd dat de Roomsche arbeiders in handen kwamen van de
socialistische volksleiders.