De reiziger, die voor de eerste maal Holland bezoekt, zal nauwelijks de
grenzen over zijn, of hij wordt getroffen door den bizonderen aanblik
van het panorama, dat zich aan zijn oogen voordoet; en naarmate hij meer
het land in reist, vestigt zich zijn indruk, gewekt door bewondering en
bekoring, door zachtheid en zwaarmoedigheid.
Vooral treft hem de onafzienbare, overal groenende en lage vlakte, in
alle richtingen door rivier en kanalen doorsneden, met boomgroepen nu en
dan, terwijl groote donkere molens hier en daar omhoog steken, vreemde
en eigenaardige plekken gevormd worden door huizen, waarvan de roode
daken glinsteren in het schemerend licht van een neveligen hemel.
Door dit alles, wat het oog boeit zonder den blik te vermoeien, komt een
gevoel van opgewektheid en toch van kalmte over hem.
In dit tafereel, met harmonische kleuren en zuivere lijnen, waarin
de hoeken zijn weggedoezeld door den lichten wasem, die voortdurend
schemert op de onbewogen wateren, en waar alles harmonisch in elkaar
vloeit, de kleurschakeering van het groen een ongelooflijken glans
vertoont door de voortdurende vochtigheid van den grond, verschijnt de
kleur van elk voorwerp rustiger, en de gedachten dwalen als vanzelf heel
ver weg, zoo ver als de nauwelijks gebogen lijn van den horizon het
gedoogt.
De reiziger verbaast zich over deze eigenaardige, onverklaarbare natuur,
waarvan hij eenigen tijd, voor hij er het verdere intieme leven van
leert kennen, in zijn zielsbeweeg en gevoeligheid de weerspiegeling
vindt.
Maar dit is overigens niet het eenige, waarover hij zich in dit
land heeft te verbazen. Indien de staatkundige aangelegenheden hem
eenigszins belang inboezemen, zal hij zich weldra ervan overtuigen
dat het politieke leven van het tegenwoordige Holland, in zijn groote
lijnen, dezelfde karaktertrekken vertoont als zijn landschap: dezelfde
zichtbare, treffende, grootsche onbewogenheid, dezelfde indruk van hooge
rust, dezelfde hoedanigheden van kracht en innerlijk leven.
Ook hier zal hij zich bevinden tegenover een nieuwe wereld, bijna geheel
onbekend in Europa, en vooral in Frankrijk. Inderdaad, dit kleine volk,
dat woont op het aangeslibde land van drie rivieren, dat zijn grond
veroverde op de zee en zijn onafhankelijkheid op Spanje toen dat het
toppunt van zijn macht bereikt had; dit volk van kooplieden, dat
Engeland deed beven en de macht van Lodewijk XIV overwon, en dat nu,
wel-is-waar vervallen van zijn vroegere glorie, met een teedere liefde
zich schaart rondom zijn jonge, lieve, alom beminde koningin, biedt het
zeldzaam schouwspel van politiek, welker beginselen evenwijdig loopen
aan den breeden stroom van heel het geestelijk leven.
De Hollander is van aanleg de kalmte zelf. Zijn koud temperament, niet
geneigd tot licht-ontvlambaar enthousiasme, kan zich moeilijk vereenigen
met een oppervlakkige beschouwing en laat zich niet meeslepen door enkel
schoonschijnende redeneering. Hij wil dóórdringen tot den grond der
dingen, zonder zich door den vorm te laten misleiden, zonder zich op
te houden met den vaak bedriegelijken glans van de oppervlakte. In
de politiek ook volgt hij zijn diepste overtuiging, hij stelt zich
niet tevreden met vernuftige, korte bespiegelingen, hij draaft niet
achter een mensch of een hersenschim aan, veel minder handelt hij uit
tijdverbeuzelende liefhebberij. Zijn oog bemerkt onder den toevalligen
loop der gebeurtenissen en onder de vlottende ontwikkeling der partijen,
den strijd van onderscheidene stelsels, die met zich brengen de
gewichtigste gevolgen voor het geluk en de welvaart van een volk. En
nog dieper in het probleem indringende, ontwaart hij dat de wezenlijke
ideeën, die de drijfveer van het politieke leven beheerschen, in verband
staan met de wetenschap die zich bezighoudt met het doel van het
menschelijk bestaan: een leven God ter eere, dus met de theologie. Dit
verklaart, waarom de religieuse beschouwingen altijd zulk een groote
plaats hebben ingenomen in de geschiedenis van zijn land. Zoo was het in
de 17e eeuw tijdens de Remonstrantsche geschillen; zoo is het nu nog; en
Holland blijft onder gewijzigde gestalte het land van den strijd der
godsdienstige overtuigingen.
Om aan politiek te doen, en goed er aan te doen, is aaneensluiting
noodzakelijk. Trouwens dit wapen en deze macht kent de Hollander sinds
lang, omdat hij het steeds met goed gevolg heeft toegepast in den strijd
tegen de elementen. Het moerassig land, waarop zijn woning gebouwd
werd, was voortdurend blootgesteld aan de verwoestingen van de zee
en de vernielende kracht van den wind. Om het te beschermen en zich
te verweren, waren zijn individueele krachten onvoldoende; maar hij
vertiendubbelde ze door aaneensluiting, en dank zij deze, heeft hij
voet voor voet zijn land op de zee veroverd; heeft hij de moerassen
drooggemaakt, de rivieren bedijkt, en terzelfder tijd den wind
opgevangen en er zich van bediend, om de meren droog te leggen; heeft
hij uitnemend de aangeslibde gronden--vrucht van zijn veroverenden
arbeid--zich ten nutte gemaakt. En om ze te behouden, verplichten hem
de nimmer-aflatende aanvallen der natuurkrachten om geen oogenblik
zijn waakzaamheid en werkzaamheid te laten verslappen.
Op deze wijze is Holland geworden het land van de vrije vereeniging.
Ontstaan door de onvermijdelijkheid van den strijd tegen de
natuurkrachten, heeft zij zich langzamerhand ontwikkeld, zich
uitgestrekt tot de andere terreinen van het menschelijk leven; tot de
litteratuur, waar zij in de 16de eeuw reeds de rederijkerskamers in
het leven riep; tot het bedrijf, waar zij de gilden deed bloeien, en
in deze dagen de syndicaten; tot de politiek, waar zij partijen deed
opkomen, vast van beginsel en ter dege georganiseerd.
De politieke strijd heeft zelfs dezen karaktertrek gemeen met den
strijd tegen de natuurkrachten, dat het doel, hetwelk men bereiken wil,
dikwijls ver verwijderd is en temidden van onzekerheid en donkerheid
ligt; en toch voor den een zoowel als voor den ander is dat doel alles,
en het najagen ervan eischt arbeid van geduld en volharding.
Nog opmerkelijker dan haar ontwikkeling en haar aantal, is dat deze
vereenigingen hetzij met materieel of politiek doel, zich bewegen
en handelend optreden in bijna volmaakte vrijheid, temidden van de
groote organisatie van den Staat, die ze niet wantrouwt en er niet aan
denkt om ze te doen verdwijnen. Het verschijnsel doet zich binnen het
vereenigingsleven zelfs voor, dat de voor de gemeenschap zoo noodige
tucht geen afbreuk doet aan de individueele vrijheid. De Hollander bezit
in hooge mate het gevoel van onafhankelijkheid en den eerbied voor de
persoonlijke vrijheid. Geen grondwet heeft dit officieel verordend; het
is veeleer een traditioneele en nationale deugd, en de wetten hebben er
zich naar te regelen.
Zooals al de Germaansche landen, zijn ook de Nederlanden in de 16de eeuw
voor het Protestantisme gewonnen, en ondervonden zij in dezelfde mate
als Duitschland en Engeland de gevolgen van den godsdienstigen omkeer,
die in Europa zich onder de volken baan brak.
Maar hier droeg de strijd der godsdiensten een zéér bizonder karakter,
dien van een onafhankelijkheidskrijg, van een opstand tegen den
vreemdeling, van het volk dat bedreigd werd in zijn verkregen
voorrechten en belangen. De vrede van Munster, die een einde maakte
aan dien strijd, deed ook de bestrijding van de Roomschen door de
Calvinisten ophouden. Toch moet erkend worden, dat de vervolging van de
Calvinisten minder hard, veel minder bloedig was geweest, dan in andere
landen, bijv. in Engeland. Het nationaal karakter en het gevoel voor
vrijheid, hoewel niet bij machte om ze paal en perk te stellen, hebben
er ten minste het gruwzame van verzacht, en aan geheele centra, ja heele
provinciën toegestaan Roomsch te blijven.
De Revolutie keerde de oude toestanden geheel om. De constitutie van
1797 gaf den Roomschen in theorie de vrijheid. Zij namen haar met
vreugde aan en bedienden er zich ijverig van om wat vervallen was weer
op te bouwen, en zich van de slagen te herstellen, kerken te stichten,
pastorieën te bouwen, en stichtingen van barmhartigheid in het leven te
roepen.
Niettemin, indien ook al de Gereformeerde godsdienst in schijn ophield
staatgodsdienst te zijn, de zeden bleven er van doordrongen, en het
protestantsche conservatisme, waardoor het werd geleid, beschouwde de
Roomschen nog als indringers, bijna als vijanden. Deze vijandschap was
vooral voelbaar onder de regeering van koning Willem I, die in 1815 de
Nederlanden onder zijn scepter verkregen had, en zij was in 1830 een der
voornaamste oorzaken van den Belgischen opstand en van de scheiding der
zuidelijke provinciën.
Men moet letten op de dagen van 1848 om te zien, hoe de Roomschen op het
staatkundig tooneel optraden, en in de praktijk hun volledige vrijheid
terugkregen.
Sedert dien tijd hebben zij haar gehandhaafd, hebben zij haar
uitgebreid, en hebben zij onder het volk een belangrijke, ja meermalen
een overwegende plaats ingenomen, en zijn zij tot een positie gekomen,
als hun geloofsbroeders in weinig landen kennen, zelfs niet in
Duitschland, waar, niettegenstaande de overwinningen van het centrum,
de Roomschen zich niet in het genot van een volkomen onafhankelijkheid
verheugen, en altijd gevoelen de kracht van het Staatsdespotisme en de
vijandschap van het »Evangelische Verbond".
Deze positie hebben de Nederlandsche Roomschen niet verkregen zonder
strijd, zonder krachtsinspanning, zonder organisatie, en 't is daarom
van belang om hen van nabij te leeren kennen, en de samenstelling
van hun partij en haar program na te gaan, in vergelijking met de
organisatie en het program van de andere partijen in Holland, en
hun verhouding in het publieke leven en den staatkundigen strijd te
schetsen. Op deze wijze zal het mogelijk zijn te zien, wat zij hebben
gedaan, en hoe zij geslaagd zijn, en den invloed vast te stellen, die
een bekwame, werkzame en aan tucht gewende minderheid oefent in een land
dat niettegenstaande alles, in zijn meerderheid protestant blijft.