moeten beantwoorden; daar hij zelf echter zeer klein gehuisvest was,
en niet zoo gemakkelijk ingericht was, om hem gelijk hij wenschte, te
onthalen, zoo sprak hij daarover met zijn vader Ali Baba, en zeide hem,
dat het wel niet zou passen, als hij nog langer de beleefdheden van
Chogia Hoesein onbeantwoord liet. Ali Baba nam met genoegen op zich den
vreemdeling te onthalen. "Mijn zoon," zeide hij, "morgen is 't Vrijdag,
en daar de groote kooplieden, zooals Chogia Hoesein en gij, op dien
dag hun winkels gesloten houden, kunt gij morgen namiddag met hem een
wandeling doen, en het dan op den terugweg zoo inrichten, dat gij hem
voorbij mijn huis voert, en hem verzoekt, binnen te treden. Het is
beter dat het zoo geschiedt, dan dat gij hem vormelijk uitnoodigt. Ik
zal Morgiane de opdracht geven, dat zij een avondeten gereed houdt."
Vrijdags namiddag troffen Ali Baba's zoon en Chogia Hoesein
elkander werkelijk op de afgesproken plaats, en deden tezamen een
wandeling. Op den terugweg bracht Ali Baba's zoon zijn vriend met
opzet door de straat, waarin zijn vader woonde, en toen zij voor
de huisdeur stonden, bleef hij staan, klopte aan en zeide tot hem:
"Dit is het huis mijns vaders; daar ik hem reeds veel verteld heb
van de vriendschappelijke wijze, waarop gij steeds met mij omgaat,
zoo heeft hij mij opgedragen, hem de eer te verschaffen, met u kennis
te maken. Ik verzoek u dus nu, 't aantal uwer oplettendheden jegens
mij met deze ééne nog te vermeerderen."
Ofschoon nu Chogia Hoesein het doel bereikt had, waarnaar hij streefde,
namelijk toegang tot Ali Baba's huis te verkrijgen en hem zonder eigen
gevaar en zonder veel drukte te dooden, uitte hij nochtans allerlei
verontschuldigingen, en deed alsof hij van den zoon afscheid wilde
nemen; daar echter op dit oogenblik Ali Baba's slaaf de deur opende,
zoo nam de zoon hem vriendelijk bij de hand, ging vooraan, en dwong
hem als 't ware, met hem mee naar binnen te gaan.
Ali Baba ontving Chogia Hoesein met een vriendelijk gezicht en
zoo goed, als deze 't slechts wenschen kon. Hij bedankte hem voor
de goedheid, zijn zoon bewezen, en zeide toen: "Wij zijn u beiden
daarvoor des te grooteren dank schuldig, daar hij nog een jonge, in
de wereld onervaren man is, en gij het niet beneden uwe waardigheid
geacht hebt, aan zijn opvoeding mede te werken." Chogia Hoesein
beantwoordde Ali Baba's beleefdheden door andere en verzekerde hem
tevens, al ontbrak het zijn zoon aan de ervaring van grijsaards,
zoo bezat hij toch een gezond verstand, dat zooveel waard was, als
de ervaring van duizend anderen.
Nadat zij zich een tijd lang over allerlei onverschillige zaken
onderhouden hadden, wilde Chogia Hoesein afscheid nemen; dat gedoogde
Ali Baba echter niet. "Mijnheer," zeide hij tot hem, "waarheen wilt
gij gaan? Ik bid u, bewijs mij de eer, het avondeten bij mij te
gebruiken. Het maal, dat ik u wil geven, is wel niet zoo schitterend,
als gij het verdient; maar ik hoop, dat gij het, zooals het is,
met een even zoo goed hart wilt aannemen, als ik het u bied."
"Mijnheer," antwoordde Chogia Hoesein, "ik ben van uw goede meening
volkomen overtuigd, en wanneer ik u verzoek, het mij niet kwalijk te
nemen, dat ik uw hoffelijke uitnoodiging niet aanneem, dan verzoek ik u
tevens te gelooven, dat dit noch uit minachting, noch uit onbeleefdheid
geschiedt, maar wijl ik er een bijzondere reden voor heb, welke gij
zoudt billijken, als gij haar kende."
"En wat kan deze reden wel zijn?" antwoordde Ali Baba, "mag ik die
dan van u weten?"
"Ik kan ze u wel zeggen," sprak Chogia Hoesein; "ik eet namelijk
vleesch, noch andere gerechten, waarin zout is; gij kunt dus nu
begrijpen, welke rol ik aan uw tafel zou spelen."
"Wanneer gij geen andere reden hebt," ging Ali Baba nu dringender
voort, "dan zal deze mij gewis niet van de eer berooven, u hedenavond
aan mijn tafel te zien zitten, of gij moest wat anders te doen
hebben. Ten eerste is er in het brood, dat wij eten, geen zout, en
wat het vleesch en de soep betreft, zoo beloof ik u, dat in dat, wat u
voorgezet zal worden, eveneens geen zout komen zal. Ik wil terstond de
noodige bevelen geven; bewijs mij daarom de eer, bij mij te blijven;
ik kom terstond weer terug."
Ali Baba ging naar de keuken, en beval Morgiane het vleesch, dat zij
heden zou opdienen, niet te zouten, en behalve de gerechten, die hij
reeds vroeger aan haar had opgegeven, snel nog twee of drie andere te
bereiden, waarin geen zout was. Morgiane, die juist gereed stond het
eten binnen te brengen, kon niet nalaten hare ontevredenheid over dit
nieuwe bevel te uiten, en zich daarover tegen Ali Baba uit te spreken:
"Wie is dan," zeide zij, "deze eigenzinnige man, die geen zout wil
eten? Uw eten zal niet lekker meer zijn, als ik 't later opdien."
"Wordt maar niet boos, Morgiane," antwoordde Ali Baba, "het is een
rechtschapen man, doe daarom, wat ik je zeg." Morgiane gehoorzaamde,
maar met tegenzin, en de nieuwsgierigheid greep haar aan, om den man
te leeren kennen, die geen zout wilde gebruiken. Toen zij het maal
bereid en Abdallah de tafel gedekt had, hielp zij hem de spijzen
opdragen. Terwijl zij nu Chogia Hoesein aanzag, herkende zij hem
terstond, ondanks zijn vermomming, als den rooverhoofdman, en bij
langer, opmerkzame beschouwing zag zij, dat hij onder zijn kleeren een
dolk verborgen had. "Thans verbaas ik er mij niet meer over," zeide
zij in zichzelf, "dat deze heiden met mijn heer geen zout eten wil:
[3] hij is zijn verbitterdste vijand en wil hem vermoorden; maar ik
zal zijn voornemen wel verijdelen."
Zoodra Morgiane met Abdallah de spijzen opgediend had, gebruikte zij
den tijd, dat de heeren aten, om de noodige voorbereiding te treffen
tot uitvoering van een plan, dat van meer dan gewonen moed getuigde,
en zij was juist daarmee klaar, toen Abdallah haar meldde, dat het
tijd was de vruchten te brengen. Zoodra Abdallah de tafel afgeruimd
had, diende zij de vruchten op. Daarna plaatste zij naast Ali Baba
een klein tafeltje, en zette daarop wijn en drie schalen neer; toen
ging zij met Abdallah heen,--als wilde zij met hem het avondmaal
gaan gebruiken,--om Ali Baba niet te storen, opdat hij zich met zijn
gast aangenaam onderhouden, en hem naar zijn gewoonte aansporen kon,
zich den wijn te laten smaken.
Thans geloofde de valsche Chogia Hoesein, of liever de hoofdman der
veertig roovers, dat het gunstige oogenblik gekomen was, om Ali Baba
het leven te ontnemen. "Ik wil," zoo sprak hij tot zichzelf, "vader
en zoon dronken maken, en de zoon, wien ik gaarne het leven schenk,
zal mij niet beletten, zijn vader den dolk in 't hart te stooten; dan
wil ik, gelijk de eerste maal, door den tuin ontvluchten, terwijl de
keukenmeid en de slaaf nog aan hun avondmaal zitten, of in de keuken
ingeslapen zijn."
Morgiane echter, had het voornemen van den valschen Chogia Hoesein
doorzien, en liet hem geen tijd zijn boosaardig plan uit te
voeren. Inplaats van te gaan avondmalen, trok zij een bekoorlijk
danscostuum aan, koos er een passenden haartooi bij uit, deed een
gordel van verguld zilver om, en bevestigde daaraan een dolk, welks
scheede en gevest van hetzelfde metaal waren; voor haar gezicht hing
zij een zeer schoon masker. Nadat zij zich aldus verkleed had, zeide
zij tot Abdallah: "Abdallah, neem je tamboerijn en laat ons naar binnen
gaan, om voor den gast van onzen meester, den vriend van zijn zoon,
de vroolijke dansen uit te voeren, die wij menigmaal des avonds voor
hem ten beste geven." Abdallah nam de tamboerijn, ging, daarop spelend,
voor Morgiane uit en trad zoo in de zaal. Achter hem kwam Morgiane,
die op een hoogst ongedwongen en bevallige wijze diep boog, net als
had zij de toestemming, hare kunsten te vertoonen. Daar Abdallah zag,
dat Ali Baba wilde spreken, hield hij op met trommelen.
"Treed nader, Morgiane," zeide Ali Baba. "Chogia Hoesein mag oordeelen,
of gij iets kunt, en ons dan zijn meening daarover zeggen." Vervolgens
zeide hij, tot Chogia Hoesein gewend, "gij moet niet gelooven,
mijnheer, dat ik groote onkosten gemaakt heb, om u dit genoegen te
bereiden. Ik vind het in mijn eigen huis, en gij ziet, dat het niemand
anders dan een slaaf en mijn keukenmeid zijn, die mij op deze wijze
opvroolijken. Ik hoop, dat het u niet mishagen zal."
Chogia Hoesein had er niet op gerekend, dat Ali Baba op het maal
nog dit vermaak zou laten volgen. Hij begon nu te vreezen, dat hij
de gelegenheid, welke hij meende gevonden te hebben, toch niet zou
kunnen gebruiken. Doch troostte hij zich voor dit geval met de hoop,
dat er zich bij den voortgezetten, vriendschappelijken omgang met
vader en zoon spoedig een nieuwe zou aanbieden. Ofschoon het hem
nu veel aangenamer geweest zou zijn, wanneer Ali Baba hem van dit
spel verschoond had, zoo hield hij zich nochtans, als was hij hem er
zeer dankbaar voor, en was tevens beleefd genoeg hem te verklaren:
"Alles, wat zijn vereerden gastvriend genoegen deed, moest noodwendig
ook voor hem een genoegen zijn."
Toen Abdallah zag, dat Chogia Hoesein en Ali Baba ophielden met
spreken, begon hij opnieuw op den tamboerijn te slaan en zong er
tegelijk een dansliedje bij. Morgiane echter, die voor de geoefendste
dansers en danseressen van het vak in vaardigheid niet onderdeed,
danste op een wijze, die bij elk ander, dan juist bij 't hier aanwezige
gezelschap, bewondering had moeten opwekken; de minste opmerkzaamheid
schonk de valsche Chogia Hoesein wel aan haar kunst.
Nadat zij met evenveel kracht als bekoorlijkheid verschillende dansen
had uitgevoerd, trok zij eindelijk haar dolk, zwaaide hem in de
hand en danste een nieuwen dans, waarbij zij zichzelf overtrof. De
menigvuldige figuren, die zij maakte, haar lichte bewegingen, haar
koene sprongen en de wonderbare wendingen en houdingen, die zij daarbij
aannam, terwijl zij den dolk nu eens tot een stoot uitstrekte, dan
weer hield, als boorde zij hem zich zelve in het hart, waren in hooge
mate bekoorlijk om aan te zien. Eindelijk scheen zij zich buiten adem
gedanst te hebben; zij rukte met de linkerhand Abdallah de tamboerijn
uit de hand, en terwijl zij met de rechter den dolk vast had, hield
zij de tamboerijn met de holle zijde Ali Baba voor, gelijk dansers en
danseressen, die een broodwinning van hun kunst maken, plegen te doen,
om de vrijgevigheid hunner toeschouwers in te roepen.
Ali Baba gooide Morgiane een goudstuk op haar tamboerijn toe;
hierop wendde zij zich tot Ali Baba's zoon, die het voorbeeld van
zijn vader volgde. Chogia Hoesein, die haar naar zich toe zag komen,
had reeds zijn geldbeurs te voorschijn gehaald, om haar eveneens een
geschenk te geven, en greep er reeds in, toen Morgiane met een moed,
die haar vastberadenheid alle eer aandeed, hem den dolk midden in
't hart stootte, zoodat hij levenloos achterover zonk. Ali Baba en
zijn zoon stonden verslagen over deze handeling en hieven een luid
geschreeuw aan.
"Ongelukkige!" riep Ali Baba, "wat heb je daar gedaan? Wil je volstrekt
mij en mijn heele familie in 't verderf storten?"
"Neen, meester," antwoordde Morgiane, "ik heb 't integendeel tot uwe
redding gedaan." Hierop maakte zij Chogia Hoesein's kleeren los, toonde
Ali Baba den dolk, waarmee hij gewapend was, en zeide toen tot hem:
"Zie daar, met welken koenen vijand gij te doen hadt, en zie hem eens
goed in 't gezicht: gij zult gewis den valschen oliehandelaar en den
hoofdman der veertig roovers herkennen. Is 't u dan niet opgevallen,
dat hij geen zout met u eten wilde? Zijn er nog wel andere bewijzen
noodig voor zijn verfoeilijk plan? Nog eer ik hem zag, had ik reeds
argwaan geput, toen gij mij zeidet, dat gij zulk een gast hadt. Ik
zag toen zijn aangezicht, en nu ligt het bewijs voor u, dat mijn
verdenking niet ongegrond was."
Ali Baba voelde diep, welken dank hij Morgiane schuldig was, die hem
nu voor de tweede maal het leven gered had. Hij omarmde haar en zeide
tot haar: "Morgiane, ik heb je de vrijheid geschonken en beloofd,
dat ik het daarbij niet zou laten, en ik spoedig nog meer voor je
doen wilde. Deze tijd is thans gekomen: ik maak je hiermee tot mijn
schoondochter."
Hierop wendde hij zich tot zijn zoon en zeide tot hem: "Mijn zoon,
gij zijt een goed zoon, en ik geloof, dat gij het niet onbillijk zult
vinden, dat ik je Morgiane tot vrouw geef, zonder je vooraf gevraagd
te hebben. Gij zijt haar even veel dank schuldig als ik zelf; want
het is duidelijk, dat Chogia Hoesein alleen daarom je vriendschap
gezocht heeft, om mij des te gemakkelijker van het leven te berooven;
en gij behoeft er niet aan te twijfelen, dat hij, als hem dit gelukt
was, ook jou aan zijn wraak had opgeofferd. Bedenk bovendien, dat
gij in Morgiane, wanneer gij haar trouwt, een steun mijner familie,
zoolang ik in 't leven ben, en een steun der uwe, tot aan 't einde
uwer dagen bezitten zult."
De zoon gaf niet den minsten tegenzin te kennen, maar verklaarde
integendeel, dat hij gaarne in dit huwelijk toestemde, niet
alleen uit gehoorzaamheid jegens zijn vader, maar ook uit eigen
neiging. Hierop nam men in Ali Baba's huis maatregelen, om het lijk
van den rooverhoofdman naast de lijken der overige roovers te begraven,
en dit geschiedde zoo geheim en zoo stil, dat het eerst na vele jaren
bekend werd, toen niemand meer leefde, die bij deze merkwaardige
geschiedenis persoonlijk betrokken was.
Weinige dagen nadien vierde Ali Baba de bruiloft van zijn zoon en
Morgiane met groote pracht en door een schitterenden maaltijd, die
met dansen, spelen en de gebruikelijke vermakelijkheden opgeluisterd
werd. Ook had hij het genoegen te zien, dat zijn vrienden en buren,
die hij uitgenoodigd had, en die wel is waar den waren grond
voor dit huwelijk niet konden weten, maar overigens de mooie en
goede eigenschappen van Morgiane kenden, hem luid prezen om zijn
grootmoedigheid en goedheid.
Ali Baba was niet meer in 't roovershol teruggekeerd, sinds hij het
lijk zijns broeders Casim daar gevonden, en op een van zijn drie
muilezels benevens veel goud teruggebracht had, want hij vreesde,
dat hij daar de roovers mocht aantreffen, en door hen overvallen
zou worden. Maar zelfs na den dood van de acht en dertig roovers,
den hoofdman inbegrepen, waagde hij het langen tijd niet, daarheen
terug te gaan, wijl hij bang was, dat de twee anderen, wier lot hem
niet bekend was, nog in leven waren. Eindelijk na verloop van een
jaar, toen hij zag dat niets meer tegen hem ondernomen werd, bekroop
hem de nieuwsgierigheid, nogmaals een reis daarheen te ondernemen;
hij nam daarbij echter de noodige voorzorgsmaatregelen voor zijn
veiligheid. Hij steeg te paard, en toen hij bij de grot aankwam,
beschouwde hij het als een goed voorteeken, dat hij noch sporen van
paarden noch van menschen ontdekte. Hij steeg af, bond zijn paard vast,
trad naar de deur en sprak de woorden: "Sesam, open je!", die hij nog
niet vergeten had. De deur opende zich; hij ging naar binnen, en uit
den toestand, waarin hij alles in de grot aantrof, kon hij opmaken, dat
ongeveer sedert den tijd, dat de zoogenaamde Chogia Hoesein een winkel
in de stad geopend had, niemand daarin was geweest, en de heele bende
der veertig roovers uitgeroeid moest zijn. Ook twijfelde hij er niet
meer aan, dat hij de eenige in de wereld was, die het geheim kende,
om het hol te openen, en dat de daarin verborgen schatten geheel te
zijner beschikking stonden. Hij had een zak meegenomen; dezen vulde
hij met zooveel goud als hij meende, dat een paard dragen kon, en
keerde daarna naar de stad terug.
Ali Baba had zijn zoon eens meegenomen naar het rotshol, en hem toen
het geheim daarvan geopenbaard. Sedert dien tijd leefden zij en hun
nakomelingen, die hun geluk met wijze matigheid genoten, in hoog
aanzien en bekleedden de hoogste eereposten der stad.
AANTEEKENINGEN
[1] De lezer bedenke, dat in Oostersche landen een man meer dan één
vrouw mag hebben.
[2] Mohammedaansch geestelijke, uitlegger van den Koran.
[3] Het zout was bij de oude volken het zinnebeeld van vriendschap
en trouw. Zij gebruikten het bij al hun offeranden en verbonden. De
Bedoeïnen of Arabieren beschouwen het als het symbool en pand van trouw
en onschendbaarheid hunner verdragen. Zij koesteren voor niets zulk een
diepen eerbied als voor het brood en het zout. Hebben zij eenmaal met
iemand brood en zout gegeten, dan ware het een vloekwaardige misdaad,
hem uit te plunderen, of zijn goederen en waren, waarmee hij door
de woestijn reist, ook maar aan te raken. Even schandelijk is elke
beleediging van den persoon zelven. Een Arabier, die zich aan een
dergelijke misdaad schuldig maakte, zou overal voor een laaghartigen
schurk aangezien worden, ja, hij zou in eigen oogen verachtelijk zijn
en zou die schande nimmer kunnen uitwisschen.
MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR WERELDBIBLIOTHEEK ONDER
LEIDING VAN L. SIMONS.
PER NUMMER:
Ingenaaid 20 Ct.
Gecartonneerd 30 Ct.
In linnen band 40 Ct.
ABONNEMENT PER JAAR:
20 nummers, in carton f 5,20
20 nummers, in linnen f 7,50
30 nummers, in carton f 7,50
30 nummers, in linnen f 10,--
DE EERSTE NUMMERS VAN DE WERELDBIBLIOTHEEK (TOT 1 JANUARI 1906).
No. 1 en 2. Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart, door E. Bekker
en A. Deken. Met portret en gravures. Inleiding en
aanteekeningen van Prof. dr. L. Knappert.
No. 3. Martelaren van Rusland, door Jules Michelet, vertaling
van S. J. Bouberg Wilson.
No. 4. Steunpilaren der Maatschappij, door H. Ibsen, vertaling
van F. Kapteyn, inleiding van L. Simons.
No. 5 en 6. Inleiding tot de Nieuwe Ned. Dichtkunst (1880-1900),
door Albert Verwey, met aanhaling uit de voornaamste
werken.
No. 7. Aladdin en de Wonderlamp (voor jongeren), door J. W.
Gerhard, met 24 illustraties van Sidney H. Heath.
No. 8. De Geest van Japan, door Okakura-Yoshisaburo, met
inleiding van George Meredith, uit het Engelsch door J.
K. Rensburg.
No. 9. Het Gevloekte Kind (novelle), door Hon. de Balzac,
vertaald en met een inleiding voorzien door C. en M.
Scharten-Antink.
No. 10 en 11. Herinneringen van een Witten Olifant, door Judith
Gautier, met platen van Mucha.
No. 12. Het Yellowstone Park, geysers en warme bronnen, door
Prof. Hugo de Vries, met 4 fototypiën naar foto's van
Prof. Hovey van New-York.
No. 13. Iwan de Onnoozele, en andere schetsen, door Graaf Leo
Tolstoy, uit het Russisch vertaald door J. Brandt.
No. 14 en 15. De Waterkindertjes, van Charles Kingsley, bewerkt door
M. v. Eeden-van Vloten, met 10 illustraties van G. v.
d. Wall-Perné.
No. 16. Ali Baba en de veertig Roovers (voor jongeren), door J.
W. Gerhard, met 25 illustraties van H. Granville Fell.
No. 17. Een Kerstlied, van Charles Dickens uit het Engelsch
door J. Kuylman.
No. 18. Boven de Kracht, van Bjornstjerne Björnson, vertaald
door Marg. Meijboom.
No. 19. Het Mierenboek of de Opvoeding van Opvoeders, door
Salzmann, met een voorrede en aanteekeningen van Dr. J.
H. Gunning.
End of Project Gutenberg's Ali Baba en de veertig roovers, by Anonymous