had, ging de rooverhoofdman, zeer tevreden over zijn reis, naar het
bosch terug, en toen hij in het rotshol aankwam, waar de heele bende
hem wachtte, zeide hij tot hen: "Kameraden, thans kan ons niets meer
verhinderen, volle wraak te nemen over de boosheid, welke aan ons
begaan is. Ik ken het huis van den schurk, dien onze wraak treffen
zal, heel precies, en heb onderweg op middelen gezonnen, de zaak
zoo sluw aan te pakken, dat niemand noch van onze schuilplaats,
noch van onzen schat iets zal vermoeden; want dit is het hoofddoel,
dat wij bij onze onderneming voor oogen moeten hebben, anders zou
ze ons in het verderf storten. Luistert nu," ging de hoofdman voort,
"wat ik bedacht heb, om dit doel te bereiken. Wanneer ik u mijn plan
ontvouwd zal hebben, en één van u een beter middel weet, zoo mag hij
het ons dan mededeelen." Terstond legde hij hun nu uit, hoe hij de zaak
dacht aan te vatten, en toen allen hem hun bijval te kennen gegeven
hadden, beval hij hun, zich in de omliggende dorpen en gehuchten,
en ook in de stad te verstrooien, en negentien muilezels te koopen,
benevens acht en dertig groote lederen oliezakken, één er van vol,
de andere echter leeg.
Binnen twee of drie dagen hadden de roovers alles bijeen. Daar de
leeren zakken bij de opening voor zijn doel iets te nauw waren, liet
de hoofdman ze een beetje verwijden, en nadat hij in elken zak een
zijner mannen, van de noodige wapens voorzien, had laten kruipen,
waarbij nochtans een losgetornde scheur open bleef, opdat zij vrij
konden ademhalen, maakte hij de zakken zoodanig dicht, dat men moest
aannemen, dat er olie in was; om de bedrieglijkheid nog grooter te
maken, besmeerde hij ze van buiten met olie, die hij uit den vollen
zak genomen had.
Nadat dit volvoerd was, en hij de zeven en dertig roovers, ieder in een
zak zittend, benevens den met olie gevulden zak op de muilezels geladen
had, vertrok de hoofdman op den bepaalden tijd met deze naar de stad,
en kwam daar in de avondschemering, ongeveer een uur na zonsondergang,
aan. Hij ging de poort door, en regelrecht naar Ali Baba's huis
toe, met het doel, bij hem aan te kloppen en van de gastvrijheid
des eigenaars, voor zich en zijn muildieren een nachtverblijf te
verzoeken. Hij behoefde niet aan te kloppen, want Ali Baba zat voor
zijn huisdeur om na het avondeten frissche lucht te scheppen. Hij
liet daarom zijn muilezel halt houden, wendde zich tot Ali Baba en
zei tegen hem: "Mijnheer, ik breng de olie, welke gij hier ziet,
uit verre gewesten mee, om ze morgen op de markt te verkoopen, maar
wijl het reeds zoo laat is, weet ik niet, waar ik een onderkomen moet
vinden. Wanneer het u niet te lastig is, zou ik u wel willen verzoeken,
zoo vriendelijk te zijn, mij voor dezen nacht in uw huis op te nemen;
ik zou er u zeer dankbaar voor zijn." Ofschoon Ali Baba den man, die
thans tegen hem sprak, reeds in het bosch gezien had, en ook had hooren
spreken, kon hij hem toch in zijn oliehandelaarskleeding onmogelijk
als den hoofdman der veertig roovers weder herkennen. "Wees welkom,"
zeide hij tot hem, "en treed binnen." Met deze woorden maakte hij voor
hem plaats, zoodat hij, benevens zijn muilezels naar binnen kon gaan.
Ali Baba riep nu zijn slaaf, en beval hem, zoodra de muilezels
afgeladen zouden zijn, ze niet alleen in den stal te brengen, maar
hen ook van gerst en hooi te voorzien. Ook nam hij de moeite, naar
de keuken te gaan en Morgiane op te dragen, voor den pas aangekomen
gast snel een goed avondeten te bereiden, en in een kamer een bed
voor hem klaar te maken.
Ali Baba deed nog meer, om zijn gast veel eer te bewijzen. Toen hij
namelijk zag, dat de rooverhoofdman zijn muilezels afgeladen had,
en deze, zooals hij bevolen had, in den stal gebracht waren geworden,
nam hij den vreemdeling, die den nacht onder den vrijen hemel scheen
te willen doorbrengen, bij de hand, en geleidde hem naar de zaal,
waar hij bezoeken placht te ontvangen, en verklaarde, dat hij niet zou
toestaan, dat zijn gast in den hof zou overnachten. De rooverhoofdman
bedankte voor die eer, terwijl hij zei, dat hij hem volstrekt geen
last wilde aandoen; de ware reden was echter, dat hij dan des te beter
zijn plan kon uitvoeren. Maar Ali Baba noodigde hem zoo hoffelijk en
zoo dringend uit, dat hij niet langer weerstand kon bieden. Ali Baba
hield dengene, die hem naar het leven stond, niet alleen zoo lang
gezelschap, totdat Morgiane het avondeten opdroeg, maar onderhield
zich met hem ook voortdurend nog over allerlei zaken, waarvan hij
geloofde, dat zij hem genoegen deden, en verliet hem niet eerder,
dan nadat hij met eten klaar was.
"Ik laat u thans alleen," zeide hij toen tot hem, "wanneer gij het
een of ander wenscht, moet gij het slechts zeggen; alles, wat in mijn
huis is, staat u ten dienste."
De rooverhoofdman stond tegelijk met Ali Baba op en vergezelde hem tot
aan de deur. Terwijl Ali Baba nu naar de keuken ging, om met Morgiane
te spreken, begaf hij zich naar den hof, onder voorwendsel, dat hij
in den stal wilde nazien, of het zijn muilezels aan niets ontbrak.
Nadat Ali Baba Morgiane opnieuw aangemaand had, voor zijn gast zoo
goed mogelijk te zorgen en het hem aan niets te laten ontbreken,
voegde hij er bij: "Morgiane, ik wil je nu alleen nog zeggen, dat
ik morgen vroegtijdig een bad neem; maak mijn badhanddoeken in orde
en geef ze Abdallah--zoo heette namelijk zijn slaaf,--bezorg mij
vervolgens een goede vleeschsoep, wanneer ik thuis kom." Nadat hij
haar deze bevelen gegeven had, ging hij naar bed.
Ondertusschen gaf de rooverhoofdman zijnen mannen in den stal zijn
bevelen, wat zij te doen hadden. Van den eersten tot den laatsten
zak zeide hij tot ieder: "Wanneer ik van uit mijn slaapkamer kleine
steentjes naar beneden werp, snijdt dan met het mes, dat gij bij je
draagt, den zak van boven tot beneden open en kruip er uit; ik zal
dan spoedig bij u komen."
Het mes, waarvan hij sprak, was voor dit doel opzettelijk gepunt en
geslepen. Nadat dit geschied was, keerde hij terug, en zoodra hij
zich bij de keukendeur vertoonde, nam Morgiane een licht, bracht hem
naar de voor hem ingerichte kamer, en liet hem daar alleen, nadat zij
nog eerst gevraagd had, of hij niets meer te wenschen had. Om geen
argwaan te wekken, blies hij spoedig daarop het licht uit en legde
zich geheel aangekleed neder, opdat hij terstond na den eersten slaap
weer zou kunnen opstaan.
Morgiane vergat Ali Baba's bevel niet. Zij bracht zijn baddoeken in
orde, gaf ze aan Abdallah, die nog niet was gaan slapen, en plaatste
den pot voor de vleeschsoep op het vuur. Terwijl zij nu den pot
afschuimde, ging plotseling de lamp uit. In 't heele huis was geen
olie meer, en toevallig ook geen enkele kaars voorradig. Wat moest zij
nu beginnen? Om haren pot af te schuimen, moest zij er noodzakelijk
helder licht bij hebben. Zij deelde hare verlegenheid aan Abdallah
mede, die haar ten antwoord gaf: "Ja, daar zit niets anders op, dan dat
je uit een van de zakken beneden op den hof wat olie neemt." Morgiane
bedankte Abdallah voor dien raad, en terwijl hij zich neerlegde naast
Ali Baba's kamer, om hem later naar het bad te vergezellen, nam zij
de oliekruik, en ging er mee naar den hof. Toen zij bij den eersten
zak kwam, vroeg de roover, die daarin verborgen zat, heel zacht:
"Is 't tijd?" Ofschoon de roover zacht gesproken had, zoo schrok
Morgiane van deze stem toch des te meer, wijl de rooverhoofdman,
nadat hij zijn muilezels afgeladen had, niet alleen dezen zak, maar
ook alle overige open gemaakt had, om zijn mannen frissche lucht te
verschaffen. Dezen verkeerden bovendien toch in een zeer slechten
toestand, ofschoon zij konden adem halen.
Iedere andere slavin dan Morgiane, ofschoon zij inderdaad niet weinig
verrast was, inplaats van de gezochte olie, een man in den zak te
vinden, had nu waarschijnlijk alarm gemaakt, en wellicht een groot
ongeluk veroorzaakt. Morgiane echter was veel verstandiger dan haar
lotgenooten. Zij begreep terstond, hoe gewichtig het was, de zaak
geheim te houden, in welk groot gevaar Ali Baba met zijne familie en
zijzelf zweefde, en dat zij thans noodzakelijk zoo snel mogelijk en
zonder eenige drukte haar maatregelen nemen moest. Zij bezat een scherp
verstand, zoodat zij spoedig de middelen daarvoor bedacht had. Zij
beheerschte zich op hetzelfde oogenblik en zonder den minsten schrik te
verraden, antwoordde zij, alsof zij de rooverhoofdman was: "Nog niet,
maar spoedig!" Daarop naderde zij den tweeden zak, waar zij dezelfde
vraag hoorde, en zoo vervolgens, tot zij bij den laatsten kwam,
waarin de olie was; zij gaf op elke vraag steeds hetzelfde antwoord.
Morgiane begreep daaruit nu, dat haar meester Ali Baba niet, zooals
hij geloofde, een oliehandelaar, maar zeven en dertig roovers, benevens
hun hoofdman, den verkleeden koopman, in zijn huis herbergde. Zij vulde
daarom in alle stilte haar kruik met olie, welke zij uit den laatsten
zak nam, keerde daarop naar de keuken terug, en nadat zij olie in de
lamp gedaan en haar weer aangestoken had, nam zij een grooten ketel,
ging weder naar den hof, en vulde hem met olie uit den zak. Daarna ging
zij terug naar de keuken, en zette den ketel op een kolossaal vuur,
waarop zij voortdurend versch hout schoof, want hoe eerder de olie
begon te koken, hoe eerder zij ook het plan kon uitvoeren, dat zij
tot gemeenschappelijk welzijn van het huis ontworpen had, en dat geen
uitstel toeliet. Toen eindelijk de olie kookte, nam zij den ketel en
goot in elken zak, van den eersten tot den laatsten, zooveel kokende
olie, als noodig was, om de roovers te doen stikken en te dooden.
Nadat Morgiane deze daad, welke haren moed alle eer aandeed, even
stil uitgevoerd als uitgedacht had, keerde zij met den leegen ketel
in de keuken terug en deed haar op slot. Toen doofde zij het vuur
uit, dat zij eerst aangestoken had, en liet alleen zooveel over, als
noodig was om de vleeschsoep voor Ali Baba te koken. Ten slotte blies
zij ook de lamp uit, en hield zich doodstil, want zij was besloten,
niet eerder naar bed te gaan, dan tot zij door een keukenvenster,
dat op den hof uitzag, zooveel als de duisternis van den nacht het
veroorloofde, alles had waargenomen, dat soms gebeuren zou. Morgiane
had nog geen kwartier gewacht, toen de rooverhoofdman ontwaakte. Hij
stond op, opende het venster, keek naar buiten, en daar hij nergens
meer licht bespeurde, maar overal in het huis diepe rust en stilte
zag heerschen, zoo gaf hij het afgesproken teeken, terwijl hij kleine
steentjes naar beneden wierp. Meerdere daarvan vielen, zooals hij zich
door het geluid overtuigen kon, op de leeren zakken. Hij luisterde
begeerig, maar hoorde of merkte niets, waaruit hij had kunnen opmaken,
dat zijn mannen zich in beweging zetten. Dit verontrustte hem, en
hij wierp voor de tweede en voor de derde maal kleine steentjes naar
beneden. Zij vielen op de zakken, maar geen der roovers gaf meer het
minste levensteeken. Daar hij zich dit niet verklaren kon, ging hij
in de grootste ontsteltenis en zoo zacht mogelijk naar den hof, en
naderde den eersten zak; toen hij echter den daarin zich bevindenden
roover wilde vragen, of hij sliep, kwam hem een geur van heete olie en
van iets verbrands uit den zak tegen, en hij begreep daaruit, dat zijn
plan tegen Ali Baba, hem te vermoorden, uit te plunderen en het aan
zijn bende ontnomen goud weer mee te nemen, volkomen mislukt was. Hij
ging nu naar den volgenden zak en zoo vervolgens tot aan den laatsten,
en vond dat al zijn mannen op dezelfde wijze omgekomen waren. De
vermindering der olie in den vollen oliezak bewees hem, van welke
middelen men zich bediend had, om zijn plan te verijdelen. Thans,
nu hij al zijn hoop vervlogen zag, stormde hij, met de wanhoop in
het hart, de deur uit, welke uit den hof in Ali Baba's tuin voerde
en vluchtte, waarbij hij over verschillende tuinmuren moest klimmen.
Toen Morgiane geen geruisch meer hoorde, en na geruimen tijd den
rooverhoofdman niet meer zag terugkomen, twijfelde zij er niet meer
aan, dat hij door den tuin gevlucht was; want door de huisdeur kon
hij niet hopen te ontkomen, wijl zij dubbel op slot was. Ten hoogste
verheugd, dat het haar zoo goed gelukt was, het heele huis te redden,
ging zij eindelijk naar bed en sliep in.
Ali Baba ondertusschen stond voor dag en dauw op en ging, vergezeld
van zijn slaaf, naar het bad. Hij had niet het geringste vermoeden
van de vreeselijke gebeurtenis, welke, terwijl hij sliep, in zijn
huis had plaats gehad, want Morgiane had het niet noodig gevonden,
hem te wekken, wijl zij in het oogenblik van het gevaar geen tijd te
verliezen had, en na afwending daarvan hem niet in zijn rust storen
wilde. Toen Ali Baba uit het bad in zijn kamer terugkwam, en de zon
reeds helder aan den hemel schitterde, verwonderde hij zich in hooge
mate, de oliezakken nog op hun oude plaats te zien staan, en het was
hem onbegrijpelijk, dat de koopman met zijn ezels niet naar de markt
zou gegaan zijn. Hij vroeg er daarom Morgiane naar, die hem de deur
opende, en alles zoo had laten staan en liggen, opdat hij het zelf
mocht zien, en zij het hem heel duidelijk maken kon, wat zij tot zijn
redding gedaan had. "Mijn goede meester," antwoordde hem Morgiane,
"God en de heilige profeet beschermen u en uw huis. Gij zult u van
dat, wat gij verlangt te weten, beter overtuigen, wanneer uw eigen
oogen zien zullen, wat ik hun toonen wil. Wil de moeite nemen, om
met mij mee te gaan."
Ali Baba volgde zijn dienstmaagd; deze sloot de deur, bracht hem bij
den eersten zak, en zeide toen: "Kijk eens in dezen zak, gij zult
nog nooit zulke olie gezien hebben."
Ali Baba keek er in, en toen hij in den zak een man zag, schrok hij
hevig, schreeuwde luid en sprong achteruit, alsof hij op een slang
getrapt had.
"Vrees niets," zeide Morgiane tot hem, "de man, dien gij daar ziet, zal
u geen kwaad meer doen. Hij heeft de maat zijner misdaden vol gemeten,
maar thans kan hij niemand meer schade toevoegen, want hij is dood."
"Morgiane," riep Ali Baba, "bij den verheven profeet! zeg mij, wat
moet dat beteekenen?"
"Ik wil het u verklaren," zei Morgiane, "maar matig de uitbarstingen
uwer verbazing en prikkel niet de nieuwsgierigheid der buren, opdat
zij niet een zaak vernemen, welke voor uw eigen bestwil geheim moet
blijven. Kijk echter eerst nog even naar de andere zakken."
Ali Baba keek op de rij af in alle zakken, van den eersten tot den
laatsten, waarin de olie zat, welke zichtbaar verminderd was. Toen
hij nu alle had nagezien, bleef hij als vastgeworteld staan, terwijl
hij zijn oogen nu eens op de zakken, dan weer op Morgiane richtte, en
zoo groot was zijn verbazing, dat hij langen tijd geen woord spreken
kon. Eindelijk herstelde hij zich en vroeg toen: "Maar wat is er van
den koopman geworden?"
"De koopman," antwoordde Morgiane, "is net zoo min een koopman, als
ik een koopmansvrouw ben. Ik wil u zeggen, wat hij is, en waarheen
hij gevlucht is. Doch gij zult deze geschiedenis veel gemakkelijker op
uw kamer kunnen aanhooren, want uw gezondheid vordert, dat gij thans,
nu gij uit het bad gekomen zijt, wat vleeschsoep gebruikt."
Terwijl Ali Baba zich nu naar zijn kamer begaf, haalde Morgiane de
vleeschsoep uit de keuken en bracht ze hem; Ali Baba zeide echter,
eer hij aanving: "Begin nu dadelijk mijn ongeduld te bevredigen,
en vertel mij deze vreemde geschiedenis in alle bijzonderheden."
Morgiane vervulde den wensch van haar meester en begon aldus: "Heer,
gisterenavond, toen gij reeds naar bed gegaan waart, bracht ik, gelijk
u bevolen had, uw baddoeken in orde en gaf ze aan Abdallah. Toen
plaatste ik den pot voor de vleeschsoep op het vuur, en terwijl ik
deze afschuimde, ging plotseling de lamp uit, wijl er geen olie meer
in was. In de kruik was geen druppel meer te vinden, en evenmin kon
ik een stukje kaars bekomen. Abdallah, die mijn verlegenheid bemerkte,
herinnerde mij aan de volle oliezakken in den hof, want hij twijfelde
er evenmin aan als gij en ik, dat het zulke waren. Ik nam alzoo mijn
oliekruik, en liep er mee naar den eersten zak den besten. Toen ik
daar dicht bij was, klonk er mij een stem uit tegen, die mij vroeg:
"Is 't tijd?" Ik schrok niet, maar begreep terstond de boosheid van
den valschen koopman en antwoordde zonder dralen: "Nog niet, maar
spoedig." Ik ging naar den tweeden zak, en een andere stem deed mij
dezelfde vraag, waarop ik hetzelfde antwoord teruggaf. Zoo ging ik
dan van den eenen zak naar den anderen, immer weer dezelfde vraag
en hetzelfde antwoord, en eerst in den laatsten zak vond ik olie,
waarmee ik mijn kruik vulde. Toen ik nu overlegde, dat zich midden in
uw hof zeven en dertig roovers bevonden, die slechts op een teeken
of bevel van hun aanvoerder, dien gij voor een koopman hieldt en
zoo gastvrij opgenomen hadt, wachtten om het heele huis leeg te
plunderen, toen geloofde ik, dat hier geen tijd te verliezen was. Ik
bracht daarom mijn kruik terug, stak de lamp aan, nam den grootsten
ketel uit de heele keuken en vulde hem met olie. Daarna hing ik hem
over het vuur en toen de olie goed kookte, goot ik in elken zak,
waarin een roover zat, zooveel olie, als voldoende was, om hun de
uitvoering van het verderfelijk plan, dat hen hierheen gevoerd had,
te verhinderen. Nadat nu de zaak een zoodanig verloop genomen had,
als ik mij had voorgesteld, keerde ik naar de keuken terug, deed
de lamp uit, en alvorens naar bed te gaan, begon ik kalm door het
venster toe te zien, wat de valsche oliehandelaar thans wel doen
zou. Na een poos hoorde ik, dat hij, om zijn mannen te waarschuwen,
kleine steentjes uit het venster en juist op de zakken wierp. Hij
herhaalde dit eenige keeren, maar toen hij niets zag bewegen, en
niets hoorde, ging hij naar beneden, en ik zag hem van den eenen
zak naar den anderen gaan, totdat ik hem in de duisternis van den
nacht uit het oog verloor. Toch wachtte ik nog eenigen tijd, maar
toen ik hem niet meer zag terugkomen, twijfelde ik er niet meer aan,
of hij was, uit wanhoop over zijn mislukten aanslag, door den tuin
ontvlucht. Nadat ik er mij nu van overtuigd had, dat het huis in
veiligheid was, begaf ik mij te bed. Dit is nu," voegde Morgiane
er ten slotte aan toe, "de geschiedenis waarnaar gij gevraagd hebt,
en ik ben overtuigd, dat zij te zamen hangt met een omstandigheid,
welke ik eenige dagen geleden ervoer, maar welke ik toen meende,
u nog niet te moeten meedeelen. Toen ik namelijk eens heel vroeg
's morgens van een gang naar de stad terugkeerde, zag ik dat onze
huisdeur wit aangestreept was, en den dag daarop ontdekte ik een rood
teeken. Daar ik nu echter niet begreep, met welk doel dit geschied was,
gaf ik elke maal twee of drie huizen aan beide kanten van het onze,
een zelfde teeken, op dezelfde plaats. Wanneer gij dit nu met de
geschiedenis van den laatsten nacht in verband brengt, dan zult gij
vinden, dat alles door de roovers in het bosch uitgevoerd is, wier
bende intusschen, ik weet niet waardoor, met twee koppen verminderd
is. Hoe dit ook wezen mag, in 't ergste geval zijn er nu nog slechts
drie in leven. Dit bewijst, dat zij uwen ondergang gezworen hebben,
en dat gij bijzonder op uw hoede moet zijn, zoolang men weet, dat
een er van nog in leven is. Ik voor mijn persoon zal niets nalaten,
om volgens mijn plicht voor uw veiligheid te waken."
Toen Morgiane uitgesproken had, zag Ali Baba wel in, welken gewichtigen
dienst zij hem bewezen had, en hij zei vol dankbaarheid tot haar: "Ik
wil niet sterven alvorens ik je naar verdienste beloond heb. Jou heb ik
mijn leven te danken, en om je terstond een bewijs van erkentelijkheid
te geven, schenk ik je van dit oogenblik af de vrijheid, behoud me
echter voor, nog verder aan je te denken. Ook ik ben overtuigd, dat de
veertig roovers mij dezen strik gespannen hebben; God, de almachtige
en albarmhartige, heeft me door jou hand bevrijd; ik hoop, dat hij mij
ook verder voor hun boosheid beschermen, dat hij ze geheel van mijn
hoofd afwenden, en de wereld van de vervolgingen van dit vervloekte
adderengebroed bevrijden zal. Doch voor alles moeten wij thans de
lijken van deze uitgeworpenen van het menschengeslacht begraven,
maar in alle stilte, opdat niemand iets van hun lot vermoeden kan;
daar wil ik met Abdallah voor zorgen."
Ali Baba's tuin was zeer lang, en van achteren door hooge boomen
begrensd. Zonder te dralen ging hij met zijn slaaf naar deze boomen, om
daaronder een langen en breeden kuil te graven, zooals voor de lijken,
die er in gelegd moesten worden, noodig was. De grond was gemakkelijk
om te woelen, en zij gebruikten ook niet lang tijd voor hun werk. Zij
trokken nu de lijken uit de leeren zakken te voorschijn, legden de
wapens, waarvan de roovers voorzien waren, ter zijde, sleepten toen de
lijken naar het einde van den tuin, legden ze op een rij in den kuil,
spreidden de uitgegraven aarde er over uit, en verstrooiden toen de
overige aarde in den tuin, zoodat de grond weer zoo gelijk werd als te
voren. De oliezakken en de wapens liet Ali Baba zorgvuldig verbergen,
de muilezels echter, die hij nergens toe gebruiken kon, zond hij bij
gedeelten naar de markt en liet ze door zijn slaaf verkoopen.
Terwijl Ali Baba nu al deze maatregelen nam, om de wijze, waarop hij
in zoo korten tijd rijk geworden was, niet bekend te doen worden,
was de hoofdman der veertig roovers met bitter harteleed in het
bosch teruggekeerd. Deze ongelukkige afloop der zaak, welke al zijn
verwachtingen den bodem insloeg, trof hem zoodanig, en maakte hem
zoo verbijsterd, dat hij er onderweg niet over denken kon, wat hij
nu tegen Ali Baba zou ondernemen, maar zonder te weten hoe, in zijn
hol terugkwam.
Verschrikkelijk kwam het hem voor, toen hij zich nu in dit sombere
verblijf alleen zag. "Gij wakkere mannen," riep hij uit, "deelgenooten
mijner doorwaakte nachten, mijner omzwervingen en mijner pogingen,
waar zijt gij? Wat kan ik zonder u doen? Heb ik u alleen daarom
bijeengebracht en uitverkoren, om u opeens door een zoo ongelukkig
noodlot te zien omkomen? Ik zou u minder beklagen, wanneer gij, met
de sabel in de vuist, als dappere mannen gestorven waart. Wanneer
zal ik ooit weer zulk een schaar van dappere mannen, als gij waart,
bijeen kunnen brengen? En wanneer ik het ook al wilde, kan ik het wel
beproeven, zonder al dit goud en zilver, al deze schatten dengene
als buit te moeten overlaten, die zich reeds met een deel er van
verrijkt heeft? Ik kan en mag er niet aan denken, alvorens ik hem
het leven benomen heb. Wat ik met uw machtige hulp niet vermocht
uit te voeren, moet ik thans heel alleen doen, en wanneer ik nu den
schat voor plundering behoed zal hebben, wil ik er ook voor zorgen,
dat het hem na mij niet aan een dapperen meester ontbreken zal, opdat
hij voortdurend in stand blijven en zich vermeerderen moge." Nadat
hij dit besluit genomen had, was hij omtrent de middelen om het uit
te voeren, niet verlegen; zijn hart werd weer rustig; hij gaf zich
weer aan schoone verwachtingen over, en zonk in een diepen slaap.
Den volgenden morgen stond de rooverhoofdman reeds vroeg op, trok rijke
kleeren aan, ging naar de stad en nam zijn intrek in een hotel. Daar
hij verwachtte, dat het voorgevallene bij Ali Baba veel opzien
gebaard zou hebben, zoo vroeg hij eens den portier in een gesprek,
of er niets nieuws in de stad was, en deze deelde hem allerlei zaken
mee, maar niet dat, wat hij wenschte te weten. Hij trok daaruit het
besluit, dat Ali Baba alleen daarom de zaak geheim hield, wijl hij niet
bekend wilde laten worden, dat hij iets van den schat afwist en het
geheim kende om hem te vinden; ook vermoedde hij waarschijnlijk wel,
dat men hem alleen daarom naar het leven stond. Dit versterkte hem
in zijn voornemen, alles te doen, om hem op een even geheimzinnige
wijze uit den weg te ruimen. De rooverhoofdman voorzag zich van een
paard, waarmee hij meerdere malen een tocht naar het bosch maakte,
om verschillende soorten van kostbare zijdenstoffen en fijne sluiers
in zijn woning te brengen; daarbij nam hij de noodige maatregelen,
om de plaats waar hij ze vandaan haalde, geheim te houden. Toen hij
nu zooveel waren, als hij meende noodig te hebben, bijeen had, zocht
hij een winkel, om ze te verkoopen; hij vond er ook een, huurde hem,
richtte hem in en betrok hem daarna. Tegenover hem bevond zich de
winkel, welke vroeger aan Casim behoord had, maar sedert eenigen tijd
door Ali Baba's zoon in bezit genomen was.
De rooverhoofdman, die den naam van Chogia Hoesein aangenomen had,
verzuimde niet, als nieuweling, naar 's lands gebruik, den kooplieden,
die zijn buren waren, een bezoek te brengen. Daar Ali Baba's zoon
nog jong, goed ontwikkeld en verstandig was, en hij vaker gelegenheid
had met hem te spreken dan met andere kooplieden, sloot hij spoedig
vriendschap met hem. Hij zocht zijnen omgang des te ijveriger, als hij
drie of vier dagen na opening van zijn winkel, Ali Baba weder herkende,
die zijn zoon bezocht, en gelijk hij van tijd tot tijd placht te doen,
zich een langen tijd met hem onderhield. Toen hij nu nog van den
jongeling vernam, dat Ali Baba zijn vader was, verdubbelde hij zijn
vriendelijkheid jegens hem, gaf hem kleine geschenken, en noodigde
hem meermalen aan zijn tafel.