De oude wachtte even en keek degeen, die voor hem lag, eenige minuten
aan.
„Wie is dat?” vroeg de diva eindelijk, terwijl zij geeuwde.
„Een der rijkste en voornaamste Peers van geheel Engeland,” antwoordde
de oude. „Ik geloof, dat wij niet noodig hebben, de andere brieven te
openen. Lord Turkington weegt op tegen de geheele verdere
correspondentie. Het is de moeite waard om kennis met hem te maken.”
„Schrijf hem dan.”
De oude man stond op.
„Wanneer wil je hem ontvangen?”
„Hedenavond, zeven uur, te soupeeren.”
Zij stond eveneens op, belde de kamenier en begon toilet te maken.
Toen Lord Turkington en John Raffles in den namiddag van hun autotocht
terugkeerden, vond de eerste een blauwachtig, deftig couvert op zijn
schrijftafel liggen.
Het was het antwoord van Mrs. Evelin Bonn, dat zij hem des avonds om
zeven uur verwachtte.
De jonge edelman las den brief en daar hij een verklaring tegenover
zijn nieuwen vriend wilde vermijden, deelde hij dezen niets van den
inhoud van het schrijven mee. Hij stak den brief in zijn borstzak en
samen gingen zij dineeren.
Toen zij later afscheid van elkaar namen, vroeg Raffles:
„Waar brengt gij den avond door?”
„Wij kunnen elkaar in de Pennsylvania-club ontmoeten; ik zal daar na
het theater zijn.”
Kort daarop ging Lord Lister heen.
Des avonds bezocht de groote onbekende met zijn secretaris de
Pennsylvania-club en ook daar liep het gesprek over den
schoonheidswedstrijd van de „Times”. Bijna alle leden der Club bleken
vurige bewonderaars te zijn van Miss Evelin Bonn.
Alleen Raffles maakte hierop een uitzondering.
Toen Lord Turkington tegen middernacht in de Club verscheen, bemerkte
Lord Lister aan het roode gezicht van den Lord en aan diens
schitterende oogen, dat hem iets prettigs moest zijn overkomen.
Hij zou niet lang in onzekerheid blijven.
Geen enkele verliefde kan het geheim, dat hem gelukkig maakt, lang voor
zich houden.
Hij moet zijn hart tegen iemand uitstorten.
Voor Lord Turkington was Raffles de vertrouwde, met wien hij zich naar
een zijvertrek begaf, waar hij hem vertelde, dat hij den avond had
doorgebracht in gezelschap van Evelin Bonn en dat zij een diepen,
onuitwischbaren indruk op hem had gemaakt.
„Ik zal haar trouwen,” eindigde hij zijn verhaal.
In plaats van te antwoorden haalde zijn vriend een voortreffelijk
bewerkt Browning-pistool uit zijn zak te voorschijn.
„Wat moet ik daarmee doen?” vroeg Lord Turkington.
„Dit is mijn antwoord op uw biecht. Denk daaraan, als gij naar
aanleiding van deze kennismaking een dergelijk wapen ter hand neemt.
Gij bevindt u op gevaarlijk terrein.”
„Gij zijt een pessimist,” antwoordde de jonge Peer lachend. „Kom, ik
wil de verovering, welke ik hedenavond heb gemaakt, met de beste
champagne, die wij in de Club kunnen krijgen, vieren.”
De groote onbekende nam echter geen deel aan de nu volgende
drinkpartij, maar verliet het Clubgebouw en ging met Charly Brand naar
huis.
Hij gevoelde oprechte vriendschap voor den Lord en het speet hem, dat
deze zich door de bekoorlijkheden der tooneelspeelster had laten
verleiden.
Lord Lister kende de vrouwen voldoende om te begrijpen, wat van een
dergelijke te verwachten was.
Verscheidene dagen waren verloopen, toen Raffles op een wandeling een
ander lid der Club ontmoette, die naar hem toekwam en hem aansprak met
de woorden:
„Hebt gij het laatste nieuwtje al gehoord?”
Raffles haalde de schouders op.
De ander, een jonge, Schotsche graaf, vervolgde:
„De graaf van Heresford en Lord Richard Turkington zijn mededingers
geworden. Als ik mij niet heel erg vergis, is een duel tusschen die
twee onvermijdelijk.”
„Mededingers? In hoeverre?” vroeg Lord Lister.
„Herinnert ge u de bekroonde schoonheid, Miss Evelin Bonn?”
John Raffles knikte.
„Wel, de dame heeft de beide Lords dagen achtereen bij zich ontvangen.
Beide Lords zweren, dat zij door haar worden bemind.”
Raffles lachte hartelijk.
„Lord Heresford is een oude, grijze man, dan heeft Lord Turkington meer
kans.”
„Dat is de vraag,” antwoordde de jonge Schot. „Lord Heresford bezit
ongetwijfeld een grooter vermogen dan Lord Turkington. Wie weet, of in
dit geval ook niet het geld het meeste gewicht in de schaal legt, waar
het de gunst van de schoone Miss Evelin Bonn betreft.”
„Dat zou een geluk zijn voor Lord Turkington.”
Beide heeren wisselden nog eenige woorden, waarna Raffles zich naar
Lord Richard Turkington begaf.
„Het is goed, dat gij komt,” riep deze hem toe, „ik wilde mijn bediende
reeds naar u toezenden. Ik heb een secondant noodig.”
John Raffles floot zachtjes.
„Ik heb reeds gehoord, dat er een duel zou plaats hebben tusschen u en
den graaf van Heresford. Denkt gij het niet nog te kunnen vermijden?”
„Neen!” luidde het antwoord van Lord Turkington, „die man veroorloofde
zich vandaag een afbrekende kritiek over mij in de Club en snoefde er
op, de verloofde van Miss Evelin Bonn te zijn!”
„En hoe gedraagt Miss Bonn zich?”
„Zij denkt niet aan een dergelijke verbinding. De oude graaf is een
gek. Ik heb hem naar aanleiding van zijn uitlating een beleediging
toegevoegd, die hij met gelijke munt betaalde.
„Een duel is onvermijdelijk. Ik bid u, ga graaf van Heresford opzoeken,
om al het noodige met hem te regelen. Ik laat de keus der wapens aan
hem over.”
John Raffles zag in, dat volgens de strenge etikette, die in hun
kringen heerschte, een andere uitweg onmogelijk was en een duel dus
onvermijdelijk.
Een uur later trad de groote onbekende de woning van den graaf van
Heresford binnen en werd door den bediende in de studeerkamer van den
graaf gebracht.
Na een beleefde begroeting sprak Raffles:
„Ik veronderstel, dat gij weet, voor welke kiesche aangelegenheid ik
bij u kom.”
„Ja,” antwoordde de graaf, „gij zijt de vriend van Lord Richard
Turkington en gij wenscht van mij te vernemen, wie mijn secondant is,
omdat gij het noodige voor het tweegevecht wenscht te regelen.”
Lord Lister boog toestemmend.
„Ik heb,” vervolgde de graaf, „nog geen keus gedaan. Gij staat mij
daarom zeker toe, dat ik u eenige regelen meegeef voor mijn vriend
baron Van der Velde.”
Hij nam aan de schrijftafel plaats en begon den brief te schrijven.
Op dit oogenblik werd aan de deur geklopt en de kamerdienaar van den
graaf trad binnen.
Op een zilveren blad bood hij den graaf een blauwachtig couvert aan en
de oogen van den ouden man straalden van vreugde, toen hij het aannam.
„Gij verontschuldigt een oogenblik?” sprak hij tot Raffles, „mag ik,
voordat ik verder schrijf, dezen brief lezen?”
Hij opende het couvert en nam er een brief uit, benevens een enveloppe
voor het antwoord.
Hij las verscheidene minuten lang.
Hierop nam hij schrijfpapier, zette eenige regels daarop, vouwde het
papier samen en stak het als antwoord in het meegezonden couvert.
Haastig bevochtigde hij het, sloot het en belde den bediende.
Toen deze binnentrad, sprak hij:
„Dadelijk per ijlbode— —” verder kwam hij niet. Zijn gelaat werd
vaalbleek, hij hijgde naar adem en met een zwaren slag viel hij op den
vloer neer.
Verschrikt en vol ontzetting keken Raffles en de kamerdienaar naar den
ouden heer.
„Raffles had het eerst zijn tegenwoordigheid van geest terug, tilde den
graaf op en legde hem op den divan. Daarop legde hij zijn hand op diens
voorhoofd, dat ijskoud was en voelde den pols, die niet meer klopte.
Ontsteld beval hij den bediende:
„Haal den dichtstbij wonenden dokter zoo snel gij kunt.”
De bediende ijlde weg en reeds een paar minuten later stond de dokter
van den graaf, die in de buurt woonde, aan diens legerstede.
Een kort onderzoek volgde en toen dit was afgeloopen schudde de dokter
het hoofd en sprak:
„Hartverlamming! Hij is dood!”
John Raffles was gedurende het onderzoek naar de schrijftafel gegaan en
had den brief met het lichtblauwe couvert ongemerkt bij zich gestoken.
Spoedig daarop verliet hij met den dokter de woning.
De brief met het antwoord van den graaf, waarnaar hij eveneens
informeerde, was intusschen reeds ter post bezorgd, zoodat het den
grooten onbekende niet gelukte, inzage daarvan te nemen.