Bij ’t deinen van ’t eentonig, zinledig

nina nina bôbô, nina nina bôbô,

rijzen vergeten gewaande beelden en tooneelen uit de schuilhoeken van

zijn wezen op vóor zijn geest. Hij ziet zijn jonge vrouw, ’s nachts met

grenzeloos geduld op en neer stappend door de slaapkamer in hun woning

te Batavia, neuriënd dit nooit eindigende lied, zoo vleiend sussend als

wellicht geen ander ter wereld, om ’t kind in haar draagdoek te doen

insluimeren. Hij hoort ’t klikken van haar slofjes, ziet de droomerige

uitdrukking in haar donkere oogen, den ietwat pruilenden kleinen mond,

haar gansche typische verschijning in ’t net Indisch nachtgewaad. Hij

hoort ’t nina, nina in eindelooze herhaling voortklinken, en vergeet

schier, dat hij zelf zingt

Nu en dan werpt hij een blik op ’t gelaat van zijn dochter, daar in ’t

bed. En als hij dan even ophoudt te zingen, slaat zij de oogen op. Hun

blikken ontmoeten elkaar een seconde. Mat sluit ze dan weer haar

oogleden, en zegt, nauw hoorbaar:

»Toe, Pa, doorzingen...”

De oude man zucht dan, en hervat den dommeldeun van straks.

’t Was een gril van haar als zooveel andere in haar ziekte. Hij had ze

verdragen, en eraan toegegeven zooveel hij kon, met gelatenheid. Hij

was sinds dagen al versuft, en in de laatste maanden bepaald ouder

geworden, veel ouder. Bijna drie maanden geleden had zijn verloren

gewaande dochter Clarine—na hun scheiding voor ’t eerst—iets van zich

laten hooren. Hij had haar afgezworen, voor goed, meende hij vast en

stellig. Gewetenswroeging over zijn ruw optreden, hun vijandig

vaneengaan, had hij maar zeer weinig gehad. Toen hij haar dreigde geen

centime te zullen zenden, als ze niet kwam, waar hij heenging, had hij

niet gedacht, dat ze koppig zou blijven weigeren. En toen hij niets

vernemende en ongerust geworden, na een week weder uit Parijs te

Sainte-Marie de Ardennes kwam, vond hij tot zijn verbazing het huisje

door haar verlaten: ze was met haar kind vertrokken, vertelde Père

François, maar hij kon hem niet zeggen waarheen. Toen Dauteville

eindelijk, ruim drie jaar na hun scheiding, een wanhopigen brief van

Clarine ontving, waarin deze meldde, dat ze in ’t laatste stadium van

longtering lag, en vóor haar dood hem wenschte te zien, had er iets in

’t gemoed van den verstokten wellusteling plaats, dat wel wroeging zou

kunnen genoemd worden. Toen hij Clarine terugzag in al de weelde harer

omgeving, en als oude lichtmis gemakkelijk allerlei kenteekenen van

haar verguld verval opmerkte, kwam bij die wroeging schaamte, een

gevoel van vernedering, dat hem ellendig stemde. Eindelijk volmaakte

het besef zijner verantwoordelijkheid tegenover haar kind, dat anders

binnen kort onverzorgd zou achterblijven, de verwarring in zijn

aandoeningen. Hij wist geen raad, en ’t vele denken en tobben over zijn

toestand maakte hem suf. In ’t eerste had hij nog eenige hoop, dat

Clarine genezen zou. Hij wenschte ’t haar van harte toe, zeker: hij had

echt medelijden met haar, en zou zien, dat hij een nieuw leven met haar

begon. Maar dan dacht hij aan haar kind zonder naam, dat levend bewijs

zijner schande... Hij zou weer moeten heengaan, weg uit Parijs, waar

zijn dochter een weinig benijdenswaardigen roep in zekere wereld had,

waar ze bekend was, als een der toongeefsters in die wereld ... Te

denken, dat hij en zij daar zoo lang achtereen bij elkaar en onbewust

van elkaar voortgeleefd hadden! En als ze niet genas,—’t arme kind—zou

hij toch opgescheept zitten met dat wicht! Mon Dieu, ’t was om gansch

van streek te raken voor zijn zoo weinig beproefd brein! Veel denken

kòn hij niet: praten, rhetorischen klikklak afdreunen, en over aardsche

beslommeringen zoo luchtig mogelijk heenloopen, daar was die

hersenmachine op ingericht. Wroeging, zonde, vergelding waren altijd

woorden voor hem geweest,—of weinig meer—nu begonnen die klanken

beteekenis voor hem te krijgen. En, vreemd, ’t was of ze hem

toegrauwden uit zijn eigen mond, want in de nachtelijke stilte of bij

’t ziekbed verrees zijn eigen beeld uit vroeger jaren, uit den tijd

zijner redenaars-triomfen, toen hij zoo indrukwekkend die woorden

»zonde” en »wroeging” en »vergelding” over zijn verrukte hoorders kon

laten schallen. En nu drongen ze diep in zijn eigen ziel, greinzend,

spottend, dreigend, dat hij er naar van werd.

Clarine werd niet beter: ze werd erger en erger, en Dauteville werd van

dag tot dag somberder, suffer. Niet in staat, om haar zelf op te

passen, had hij een verpleegster laten komen. Deze kwam ’s avonds

vroeg, en ging ’s morgens vrij laat weg. Voor den kleinen jongen zorgde

een kindermeisje. Hij zelf keek er nauwelijks naar om. Hij had nooit

goed met kinderen kunnen omgaan, en dit kind maakte hem zenuwachtig.

Hij was er schuw voor, en verheugde zich, wanneer het aan zijn gezicht

onttrokken was.

In al ’t gesuf des zwaarbeproefden kwam een licht van helder denken,

toen hij op een goeden dag den inval kreeg, dat wellicht voor alles nog

redding bestond. Hij dacht aan Cornelis Udoma. Een courantenbericht,

waarin zijn naam voorkwam, had zijn gedachtenloop weder een bepaalde

richting gegeven.

O, van dien kant daagde misschien verlossing uit zijn hachelijken

toestand! Die Cornelis was zoo’n edelmoedige jonge man. Hij wist van

zijn optreden tegenover Clarine, van zijn vergeefsche poging, om zoo

goed hij kon haar eer te herstellen. Wat had hij, daarvan hoorende,

geraasd en getierd! Dat tooneel had hun scheiding verhaast, en haar met

dubbele bitterheid tegen haar vader vervuld. Waarom zou hij thans niet

een kansje kunnen wagen? Cornelis had een medelijdend hart, en zou

zeker overkomen. Eenmaal overgekomen, zou hij wel voor meer te vinden

zijn. Een huwelijk gesloten aan Clarine’s ziekbed—sterfbed misschien?

zou veel goedmaken...

En zij? Zou zij willen? Hij vreesde voor verzet, maar rekende op den

bijstand van Cornelis. Trouwens... zou dat verzet, zoo kort vóor haar

dood, wel groot kunnen wezen? Ze wist, dat ze hopeloos lag, ze was

gelaten en stil; onherkenbaar schier in haar gansche persoonlijkheid,

zoo had het lijden zijn werking doen gevoelen.

Dauteville schreef een brief, en zond dien naar den Haag. Ofschoon ’t

adres geen straat vermeldde, zou er wel geen vergissing plaats hebben:

er was maar éen Udoma in den Haag, en die was bekend genoeg.

Hij wachtte dus. Er zou zeker een brief komen als antwoord op de zijne,

of Cornelis zou zelf verschijnen. Dauteville verwonderde zich daarom,

toen hij noch ’t een, noch ’t ander zag gebeuren, en er lagen reeds

twee etmalen tusschen toen en nu...

En hij zat uit den treure te neuriën... Dat lied daar in die

ziekenkamer klonk zoo naargeestig, zoo akelig in de doodsche stilte,

die er heerschte.

Telkens had hij zichzelven afgevraagd, of ’t niet beter was Clarine

voor te bereiden op Udoma’s komst; maar ’t kwam hem voor, dat het beter

was haar bij overrompeling te treffen. Voorbereiding zou haar

zenuwachtig maken misschien. Neen, ze moest maar gelooven, dat Cornelis

uit eigen beweging, geheel uit eigen beweging kwam. Hij had in dien

geest geschreven.

Er werd zacht aan de deur geklopt. Dauteville schrok op uit zijn

gemijmer. Hij stond op, en deed zelf de deur open.

»Clarine,” zei hij een oogenblik later met een kaartje in de hand, en

weer bij ’t bed, »daar is Cornelis Udoma, verbeeld je! Die woû je zoo

graag eens zien... Je wilt hem zeker nu niet ontvangen, wel?...”

»Och, waarom niet?” Er klonk iets doodelijk vermoeids en mats in haar

stem. Toch waren haar bleeke wangen rood geworden, en lag er een

verhoogde schittering in den blik, die ze vol op haar vader richtte.

»Laat hem boven komen.”

Dauteville wist niet wat hij ervan denken moest. Enfin, hij waagde ’t

erop:

»Laat mijnheer boven komen!” En, tot zijn dochter gewend:

»Vreemd, nie’ waar? En toch... ’t is een edelmoedige, brave jongen die

Cornelis, een coeur d’or... O, Clarine...!

Een ongeduldige beweging der gestalte in bed deed hem ophouden. Ze

staarde hem steeds aan... Wat waren die oogen akelig groot en

schitterend!

Cornelis trad op zijn teenen binnen, aarzelend, vreemd te moede. Hij

boog even voor Dauteville zonder een woord. Deze bood hem dadelijk een

stoel bij ’t bed. Hij lette er niet op, en trad op de zieke toe.

Clarine verroerde zich niet. Haar groote hol liggende oogen hadden den

blik naar hem gewend, en staarden hem aan.

Cornelis wilde spreken, maar ’t was hem onmogelijk. Die blik vol stille

smeeking, en dan... het bijzijn van dien man met zijn conventioneele

vriendelijkheid en vormelijkheid, met de komische deerniswaardige

uitdrukking op zijn oud Don Juan’s gezicht, die elegante bouwval met

glimmenden schedel en een fraaien, nu wat verfomfaaiden grijzen knevel,

waaraan hij telkens plukte... ’t Was hem te machtig.

Dauteville zag zijn verlegenheid:

»U neemt me zeker niet kwalijk, Mijnheer Udoma?” zei hij hoffelijk en

verdween door een zijdeur.

De jonge man voelde zich op eens opgelucht.

»Clarine, heb je nu vertrouwen in me?” vroeg hij met innige ontroering.

Ze antwoordde niet, verroerde zich zelfs niet, en haar oogen bleven

staren; maar hij zag dat ze vochtig werden. Wat zeide die blik met de

indroevige smeeking? Wilde ze al de gedachten en aandoeningen van zijn

gelaat weglezen, zoeken naar een spoor van minachting voor haar leven,

waarvan dit het einde was? Hij geloofde ’t niet. Hij wilde gelooven,

dat ze nu boven dat leven stond, nu in deze laatste oogenblikken. ’t

Wàren immers oogenblikken: ze kon ’t niet lang meer maken. Ze moest nu

terugzien op al de beroeringen van ’t verleden met de gelatenheid van

iemand, die afgerekend heeft met deze wereld, zonder wantrouwen en

zonder hartstochten. En ook de jaloezie zou voor goed geweken zijn.

»Ik kom ... om alles goed te maken... wat ik aan je misdaan heb... Wil

je nu... m’n vrouw worden? Ook voor je kind?”

Zij trachtte haar eene hand los te maken van onder de deken. Gretig

greep hij de uitgeteerde witte vingers, en drukte ze zacht.

Nog steeds sprak zij niet. Er rolden overvloedige tranen langs haar

wangen. Een poos zwegen beiden.

»Waar is de kleine?” vroeg Cornelis. »Met de meid uit zeker?”

Ze knikte. Weer verzonk hij in gedachten.

Hij stond steeds in dezelfde houding, vlak bij haar, met het licht der

vensters, zoover het door de gordijnen drong, vol op zijn gelaat,

zoodat zij ’t goed zien kon. Ze keek hem voortdurend aan.

»Je gaat niet meer weg?” zeî ze op eens met inspanning. Niet meer! De

jonge man voelde al de bittere zekerheid van een spoedig einde uit die

enkele woorden, ’t Kostte hem moeite zich kalm te houden.

»Ik blijf hier, natuurlijk...”

»Onze huwelijksvoltrekking moet straks... Zoo spoedig mogelijk plaats

hebben, Clarine. Alles kan hier gebeuren.”

Hij zag dat ze spreken wilde. Maar plotseling overviel haar een

vreeselijke hoestbui. Haar gansche lichaam schokte in krampachtige

bewegingen. Ze richtte zich op, en tastte naar iets. Hij begreep haar,

en hielp haar, met afgewend gelaat, ’t hart vol deernis. Eindelijk viel

ze uitgeput achterover, en sloot de oogen.

’t Duurde eenige oogenblikken voordat ze eenigermate hersteld was.

»Je moet nu nog wat rust nemen, hoor,” zei Cornelis eindelijk, op een

toon als sprak hij tot een klein kind. Haar erbarmelijke hulpeloosheid

deed hem onwillekeurig dien toon aannemen. »Denk nu maar aan aangename

dingen. Straks, als je wat uitgerust bent, kan er voor alles gezorgd

worden. Er komt een ambtenaar hier. Alles gaat heel bedaard en kalm. En

dan is er niets meer tusschen ons, dat je ontstemmen kan. Je kind is

dan voor de heele wereld ’t mijne.”

Er vloog een lachje van innige dankbaarheid over Clarine’s trekken.

Hij sloeg de hand aan ’t teruggeslagen bedgordijn.

»Ik zal dit neerlaten,” zei hij, en haalde het over het hoofdeneind van

’t bed. »Tracht nog wat te slapen.”

Ze liet hem begaan.

Op zijn teenen ging Cornelis naar de kamer naast het slaapvertrek. Hij

vond er den ouden heer Dauteville wezenloos neerzitten in een

gemakkelijken stoel, de handen slap neerhangend tusschen de knieën, ’t

hoofd voorover: een toonbeeld van verslagenheid.

Toen hij den jongen Udoma zag, sprong hij op:

»O, Mijnheer Udoma! Een vreeselijke toestand voor een vader nietwaar? U

zal me begrijpen. U...”

»Spreek u in Godsnaam wat zachter!” viel de ander hem in de rede.

»Heeft u haar hooren hoesten?”

De ex-domine hief de eene hand hoog op, een theatraal gebaar, dat hem

eigen was.

»Ik heb gezegd, dat ze wat rust moest nemen. Straks kunnen we ’t een en

ander regelen, Mijnheer Dauteville.”

»O, zooals u dat goed vindt, Mijnheer Udoma. U wenscht er haast mee te

maken, zooals ik zie.”

De jonge man keek hem aan.

»’t Komt me wel noodig voor,” zei hij zacht. »Voor den kleine jongen

zal ik dan natuurlijk verder zorgen.”

»O.”

’t Was Cornelis onmogelijk met dezen man, wiens zelfzucht en

liefdeloosheid hij doorgrondde, anders dan op een toon van zaken-afdoen

te spreken. Zijn hart was vol tot berstens toe, en toch sprak hij koel

en afgemeten, ’t Was hem, of ’t openbaren van eenige aandoening hier

heiligschennis zou wezen.

’t Viel den ander bizonder mee, en zijn stemming werd iets beter. Hij

voelde zijn gewone spraakzaamheid weer opkomen, maar hield zich in. Nu

en dan wierp hij een schuwen, komisch zotten blik op den jongen man,

die inmiddels bij hem was komen zitten en in gepeinzen verdiept was.

»Ik woû... m’n jongen wel ’s zien,” zei Cornelis na een poos, als

vervolgde hij hardop zijn eigen gedachten, en zonder opkijken.

»Hoe heet hij?”

»Charles. Een alleraardigste jongen! Bepaald een amour van een ventje.

Jammer, dat hij uit is. Maar hij zal wel dadelijk thuiskomen.” De oude

heer keek op zijn zakuurwerk.

»Zeker, zeker, hij moet spoedig thuiskomen: hij blijft nooit langer dan

een uur uit.”

Hij stond op en ging naar een der vensters, quasi om uit te kijken.

»’t Is mooi weer,” merkte hij als resultaat van zijn waarneming op.

Voor den ander bestond hij op dat oogenblik niet. Hij was verbijsterd

door den drom van aandoeningen, die de laatste uren gebracht hadden:

eerst de schrik van ’t eerste bericht, de plotselinge schipbreuk van

zijn geluk, dan de wanhopige gelatenheid van een ter dood veroordeelde,

de vreeselijkste onverschilligheid, die zich bij ’t ergste neerlegt,

daarop ’t terugzien van Clarine in een toestand en in omstandigheden

zoo geheel anders dan hij verwacht had, zijn innige deernis, die alle

andere gevoelens, alle overwegingen van eigen belang verdrong, de warme

edelmoed, die zijn hart overstroomde, de drang om nog alles te doen,

alles te zijn voor die vrouw, die hij daar zoo diep rampzalig zag. Haar

leven van schande en zonde telde hij niet, nu hij haar in de oogen

gezien had, en er de smeekbede van een eenzame verlatene gelezen had.

O, wat moest die vrouw geleden hebben! Wat moest haar ziel smachten

naar teederheid, nu ze na jaren van huichelvreugde en schijngenot,

eindelijk bij ’t voelen naderen van haar dood met walg het masker had

afgeworpen, en daar mat en afgetobd neerlag met niemand dan dien

Dauteville tot troost, een vader haar vreemder dan een vreemde! Toch

had ze in haar wanhoop zich tot hem gewend, toen de angst voor haar

dreigend einde met den dag grooter werd, en haar hart ineenkroop bij de

gedachte aan ’t lot van haar kind! Zoo moest het gegaan zijn ...

En de jonge man voelde bij de gedachte aan dit alles een

onuitsprekelijken weedom. Hij zou haar gelukkig maken in de laatste

uren van haar leven: hij kòn ’t—dat hadden hem haar oogen gezegd in hun

onmiskenbare smachting en vleiing, hij wilde het—dat zeî zijn eigen

hart.

Na een poos keek hij op.

»Gaat u mee?” zei hij tot Dauteville. »We kunnen nu dadelijk van ’t een

en ander werk maken. U zal me wel terecht willen helpen? Ik ben hier

vrijwel onbekend.”

»Zeker, zeker. We kunnen een fiacre nemen, en ons naar ’t hôtel de

ville laten rijden. Dat is gauw gedaan.”

Zonder door de ziekenkamer te gaan, verliet het tweetal het huis.

Clarine bewoonde er twee verdiepingen, de beste.

»We vinden de kleine jongen straks bij ’t thuiskomen misschien,” merkte

de jongste der beide mannen op bij ’t afgaan der breede trap.

»O ja, stellig. O, ’t is een amour van een kind!” zei Dauteville.

Cornelis’ mond vertoonde even een vluchtige samentrekking, en zijn

wenkbrauwen fronsten zich.

»Hm,” bromde hij.

Ze stapten weldra in een huurrijtuig, en een uur later vernamen zij, na

de noodige besprekingen, dat de huwelijksvoltrekking onmogelijk dien

dag plaats kon hebben: de Fransche wet stond bij uitzondering toe, dat

die drie dagen na de eerste afkondiging geschiedde.

»Ezel!” bromde Cornelis. »Ik had daar wel aan kunnen denken als

rechtsgeleerde”!

Wederzijdsche stukken waren anders aanwezig: Cornelis had de zijne

meegebracht en verwonderde zich niets over Dauteville’s voorzorg in de

aangelegenheid. ’t Eenige was, nu zich tevreden te stellen met een

kerkelijk huwelijk. De priester zou strafbaar wezen. Goed, maar wie zou

er ooit achter komen? Men zou de zaak geheim houden, en al was zulk een

huwelijk niet geldig voor de wet, in Godsnaam: dan was althans Clarine

gerust, en kon ze gelaten en tevreden sterven.

Dauteville te vragen om zulk een inzegening vond Cornelis al te

stuitend. Neen, ’t moet een ander wezen: Een Roomsch-Katholiek

priester. Clarine zou daar zeker niet tegen hebben in die

omstandigheden. En zijn jongen zou hij mee naar Holland nemen en zoo

spoedig mogelijk erkennen. Dat was toch ’t voornaamste. Clarine had

zich naar alle menschelijke berekening nog slechts te verantwoorden

tegenover God... ’t Toeval wilde, dat Cornelis, hierover nadenkende,

zich den naam herinnerde van een ouden priester te Parijs, dien hij op

zijn reizen had leeren kennen: dien moest hij zien te vinden ...

Op den terugrit was Cornelis stil, terwijl Dauteville telkens moeite

had om zijn opborrelende welsprekendheid onder de kurk te houden. Een

blik op ’t stroeve gezicht van zijn aanstaanden schoonzoon was dan

voldoende om de bruising te doen neerslaan.

Cornelis zag op tegen de plechtigheid, die hij door zou moeten

worstelen, het uur van gemoedsbedwang, dat hem wachtte straks in ’t

bijzijn van den priester. En dat terwijl hij bij de gedachte aan haar

lijden angstig de minuten zag heensnellen, de kostbare minuten, die

haar nog restten, en waarin hij al de teederheid woû uitstorten waartoe

zijn hart in staat was!

Thuisgekomen zette hij Dauteville af, en reed alleen naar de woning van

den priester. Hij had er Dauteville niets van gezegd. Hij deed trouwens

alles dien morgen alsof die man nauwelijks bestond. En dat volkomen

natuurlijk en onwillekeurig. Na eenig zoeken gelukte het Cornelis

l’abbé Fabre te vinden. De man was dadelijk bereid mee te gaan.

En om drie uur in den namiddag had ’t ceremoniëel plaats. Tegenover den

waardigen priester beloofde ’t paar elkaar trouw. Zij had na een korten

sluimer gedurende de afwezigheid van Cornelis naar haar zoontje

gevraagd, en ook naar »Monsieur.” En toen deze thuiskwam, vond hij

Clarine met het kind naast haar bed. Hij had het ventje in zijn armen

genomen, het met aandoening gekust, en was met hem weer op zijn oude

plaats bij ’t bed gaan zitten. En Clarine had weer denzelfden blik op

hem gevestigd als te voren, schoon ditmaal rustiger glans, en allengs

was er een uitdrukking van kinderlijk geluk op haar trekken gekomen.

Die was er gebleven gedurende de plechtigheid, en toen ze Cornelis’

hand zacht drukte bij de inzegening van den priester was ze volkomen

kalm. En hij, de sterke gezonde en mannelijke, kon zijn tranen niet

inhouden!

Zij zaten nog hand in hand, toen ze alleen waren, man, vrouw en kind.

En de kleine Charles, een teer kereltje met fijne blonde krulletjes en

zijn moeders groote donkere oogen, leunde vleiend tegen zijn knie,

spelend met zijn horlogeketting. Ze zaten daar alleen, omdat Dauteville

en de kindermeid heengegaan waren. Cornelis was blij, dat ze beiden weg

waren. Hij had gemelijk geluisterd naar ’s ouden heers zalvende

woorden, die ook deze van zijn kant niet nalaten kon te spreken, toen

de priester gesproken had.

En in gedachten doorliep de jonge man nog eens de zonderlinge

plechtigheid van zooeven. De ziekenkamer was als een kerk geweest. Men

had er zacht, schier fluisterend gesproken; de menschen waren gekomen,

hadden zich bewogen en waren heengegaan als spookachtige wezens in ’t

flauw verlichte vertrek. Allen waren onder den indruk geweest, zelfs de

spotlustige jonge kindermeid, voor wie anders weinig heilig was. De

huwelijksvoltrekking eener beruchte demi-mondaine had haar ontzag voor

lijden en opoffering ingeboezemd.

Op de tafel vlak bij ’t ledikant stond een sierlijke vaas vol rozen,

donkere roode rozen, fraai geschikt in rijken overvloed. ’t Was een

attentie van Cornelis geweest. Hij kende haar voorliefde voor

donkerroode rozen: hij herinnerde zich die nog levendig. Ze had hem

beloond met een lach van erkentelijkheid.

En ze zaten daar hand in hand, beiden zwijgend, zij rustig genietend

van den aanblik zijner trekken, thans zoo anders dan vroeger, en toch

dezelfde, die ze eens liefgehad had. En die ze nòg liefhad—op haar

wijze, goed,—maar thans met even heilige liefde als welke ook ter

wereld. Haar hart was er vol van, neen, haar gansche wezen. Ze leefde

geheel in die liefde. Ze was er gelukkig in, en wilde aan niets, aan

niets anders denken. Ze voelde zich als een kind—rein en gelukkig als

een kind—in heerlijke illusie verheven boven al het slijk van haar

verleden. Dat verleden bestond voor haar niet meer. Ze wilde in dien

zoeten waanzin van ’t heden sterven, en de hand, die ze drukte, was

haar een steun, dien ze angstvallig bij haar hield. ’t Was als zou bij

’t ontglippen van die hand de begoocheling verdwijnen, als zou ze dan

terugzinken in een oceaan van wanhoop.

Bij hem maakte haar wondere gelatenheid en extatische kalmte de deernis

grooter. En ook de vrees voor een spoedig einde... ’t Kon niet lang

meer duren. Hoe lang nog? vroeg hij zich telkens af, en de angstige

onzekerheid verdubbelde zoo mogelijk den drang van zijn hart, om haar

te overstelpen met zijn teederheid.

»Ben je nu gelukkig, Clarine?” En hij boog zich over haar heen, en

kuste haar, kiesch en eerbiedig.

Ze sloeg haar arm om zijn hals.

»Liefste,” fluisterde ze in zijn oor.

Toen ze in zijn trouwe oogen keek, daar vlak bij haar, was ’t of haar

blik er al de teederheid uit wegdronk. En een tinteling van innig

welbehagen voer door haar leden.

Op eens voelde de jonge man, nog in dezelfde houding over haar heen

gebogen, haar arm krampachtig drukken. Met de andere hand greep ze hem

aan den bovenarm, haar oogen puilden uit, haar gansche gelaat nam een

uitdrukking van doodelijken angst aan, die hem deed ijzen. De druk en

’t angstig klemmen werden aanhoudend erger, heviger.

»Cor! Cor! Blijf bij me, blijf bij me!” hijgde ze, in radelooze

benauwdheid.

Als versteend zag Cornelis haar vreeselijk lijden.

»Clarine, in Godsnaam...” stamelde hij buiten zichzelven. En plotseling

’t ergste vreezend, kreet hij zoo hard hij kon:

»Meneer Dauteville!”

De geroepene en de kindermeid kwamen toeloopen, met dwaze verschrikte

gezichten.

Toen ze bij ’t bed kwamen, zagen ze Cornelis zich zacht losmaken uit de

omhelzing, waarin Clarine hem eenige minuten gehouden had. ’t Kostte

hem geringe moeite. Eerbiedig legde hij haar hoofd op ’t kussen, haar

handen op het dek. Een oogenblik staarde hij met wilden blik op de

verglaasde oogen. Daarna liet hij zich in den stoel bij ’t bed vallen,

en bedekte het gelaat met beide handen.

»Papa, papa!” riep de kleine knaap, die een poos verbluft had staan

kijken. »Tu as fait mal à Maman!” Hartstochtelijk schreiend wierp het

kind zich tegen ’t bed.

De keukenmeid trad naderbij. »Mon Dieu, mon Dieu!” riep ze.

Dauteville trok aan zijn snor, en keek zot...

Ongeveer een jaar later kwam op een avond Cornelis Udoma boven in zijn

woning in den Haag, om een kijkje te nemen in ’t slaapkamertje van zijn

zoontje Charles.

»Waarom kom je niet beneden, vrouwtje?” vroeg hij op gedempten toon.

»Slaapt de kleine vent nòg niet?”

Zijn vrouw stond eenigszins verrast uit haar stoel bij ’t kinderbedje

op.

»Zeker, hij slaapt,” antwoordde ze zacht. »Ik was in gedachten. Kom, ik

ga met je mee.”

»Waar dacht je zoo aan, Laur?”

»’t Is éen October, de sterfdag van Clarine... Arme vrouw!”

Hij antwoordde niet, maar sloeg zijn eenen arm om haar middel, en

troonde haar mee de trap af. Droomerig sprekend hervatte zij: »Ik dacht

aan ons aardig kereltje, en wat er van hem geworden zou zijn, als...

als ...”

»Als die nare roman niet met ons huwelijk geëindigd was...”

Hij besefte al de teederheid harer toewijding aan zijn kind.

»Dat meen ik niet,” zei ze. »En bovendien, geëindigd is die roman niet.

’t Is immers maar de opzet voor wat komen moet...”

Er volgde een stilte vol weemoed, die hen vergezelde tot in de helder

verlichte smaakvolle gezellige huiskamer. Maar ’t was een weemoed

zonder bitterheid, die hen de heiligheid hunner voornemens dieper deed

beseffen.

En hun toekomst lag vóor hen in haar grootschen ernst.

De doode had hen opnieuw vervuld met liefde voor ’t leven, dat ze in

volmaakte samenwerking wilden doorbrengen.

Zoo'n Nonna! · 第 32 / 33 题