Eentonig, zacht en vol weemoed klonk een eigenaardig wiegelied door het
groote weelderige slaapvertrek. De zware overgordijnen aan de beide
vensters hingen bijna dicht, in breede plooien, zoodat het middaglicht
slechts schaars kon binnendringen.
De kamer was vol van den weemoed van ’t lied: ’t zweefde langs en over
het prachtige gebeeldhouwde bed, onder de hooge roze zijden
bedgordijnen, langs de sierlijke toilettafel vol kristal en zilver,
langs de »psyche” en de fraaie meubels, langs gasluchter en
wandsieraad.
En de weemoed lag op de matte trekken der lijderes in ’t bed, waar op
’t kantenomboorde hoofdkussen de donkere haren wanordelijk een
achtergrond gaven aan de marineren bleekheid van gelaat en handen; waar
een arm menschenkind, moê van leven, van zonde en ellende, zich
koesterde aan de illusie door ’t lied gewekt. Ze leefde terug in een
ver, ver verleden, zoo ver, als ze nooit vermoed had, dat haar
herinneringen gaan konden.
En dezelfde weemoed zetelde op ’t gelaat van den ouden man, den
grijsaard, die voorovergebogen op een stoel zat, naast het groote bed,
met de eene hand onder ’t hoofd. Hij zingt met loome volharding een
kinderdeun, die ook bij hem herinneringen wakker roept.