Uw vriend

Kees.

Toen hij tien minuten later vóor de brievenbus stond, aarzelde hij. Er

kwam iemand voorbij—een late wandelaar in de donkere straat, diep in

zijn jas gedoken tegen den nachtwind, handen in den zak, schouders hoog

opgetrokken, en stok recht uitstekend naar boven, gedachteloos

neuriënd:

Mijn hartje gaat van rikketikketik...

’t Was een jeugdige muzenzoon op weg naar »de kroeg.” Hij wierp een

vluchtigen blik op de gestalte bij de brievenbus, en ’t was Cornelis,

alsof het volgende versregeltje:

Wat zal er nu gebeuren?

met bizonderen nadruk werd gezongen, als sloeg het op zijn weifelende

houding.

De brief gleed naar binnen, en tikte tegen ’t blik van de bus.

Cornelis zuchtte voor de zooveelste maal dien avond, en spoedde zich

naar huis.

Zijn geluk zou nu beslist worden; want zeker zou Laura hem gelijk

geven, en dan was ’t andere—de geheime hoop van zijn hart—een kwestie

van tijd. Ze hield van hem als vriendin, daar was hij zeker van, ze zou

hem achten om zijn mannelijk streven; ze zou hem ook liefhebben, en hem

’t hoogste geluk geven, waaraan hij nu vrij denken mocht...

Hij bleef drie dagen in spanning, en zelden nog werd zijn zelf bedwang

zóo op de proef gesteld als toen. Hij was een ander mensch. Zonder

gewetenskwelling zich te vermeien in gedachten aan Laura was geheel

nieuw. En toch was er nog schuchterheid, een telkens terugkeerende

vrees voor ’t antwoord, dat hij van haar wachtte. En die vrees overviel

hem te midden van zijn werk. Hij werkte veel meer nog dan anders, maar

bereikte minder. Nauwelijks waagde hij ’t uit te gaan; want hij wilde

den verwachten brief dadelijk na aankomst lezen.

Cornelis had vaste studie-uren, en hij had zich vast voorgenomen, dat

niets hem dan van zijn taak mocht afhouden. In den morgen, na de

ochtendwandeling, zat hij om negen uur trouw aan zijn werk, en dit

duurde voort tot twaalf. In den namiddag ging hij uit, of bleef thuis,

al naar hij ’t noodig achtte: steeds vond hij bezigheid. En ’s avonds

woonde hij vergaderingen bij, hield voordrachten, of bezocht zijn

vriend Steenkamp.

Toen Laura’s antwoord op een ochtend kwam, was hij juist aan zijn

morgentaak begonnen. De post was een kwartier te laat dien morgen. Hij

hoorde de bel en ’t eigenaardig dichtkleppen van ’t brievenkastje aan

zijn voordeur. Een oogenblik later tikte ’t dienstmeisje.

»Binnen!”

»’n Brief, meheer!”

»Leg maar neer, daar op tafel.” Cornelis liet ’t meisje heengaan, en

greep naar den brief.

»Nee,” mompelde hij, en leî hem weer neer. Hij dacht aan zijn taak en

zijn vast besluit er niet van af te wijken. Werkelijk bleef de brief

ongeopend, ’t eerst volgend kwartier ongeveer. Toen werd ’t hem te

machtig.

»Och kom, ik ben zot,” zeî hij bij zichzelven, »alsof ik niet straks

een kwartiertje kan inhalen!”

’t Envelop vloog in drie stukken over ’t tapijt. Hij wierp zich

achterover in zijn schrijfstoel, dat de schroef kraakte. Dan veranderde

zijn houding allengs: ’t hoofd ging voorover, de eene hand werd tot

steun er tegen aan gelegd, toen de andere: hij zat nu voorover met de

ellebogen op de knieën, over den brief gebogen. Deze lag nu op de

schrijftafel. Zoo bleef hij eenige minuten zitten, zonder beweging.

Plotseling sprong hij op, en begon op en neer te stappen, met gefronste

wenkbrauwen, steeds vóor zich neer kijkend.

Hij was alleen thuis. De colleges van zekeren professor, die hij

vroeger geregeld »liep,” woonde hij sedert zijn terugkeer uit Delmond

niet meer bij. Frits Seemans bleef hem trouw; want de professor was

bekend als lastig op ’t examen—»’t doctoraal”—en daarom woonden velen

zijn voordrachten bij. Nu Cornelis ’t woord »studie” meer in de

etymologische beteekenis—van ernstig streven—opvatte, stoorde hij zich

bitter weinig aan wat »men” gewoonlijk deed of liet in zake studeeren.

Hij vond dien hooggeleerde aartsvervelend—een ijdelen mooiprater,

anders niet—en hij kon zijn tijd beter gebruiken. Hij verzuimde dus

zonder eenigen schroom de colleges, waar hij voor zijn doel niets of

weinig aan had, en bezocht alleen die, waar hij wat meende te leeren.

Hij maakte nu een onderscheid tusschen dezen en genen onder de

hoogwaardigheidsbekleders der wetenschap: de ernstige mannen, voor wie

wetenschap en leven ten nauwste samenhingen—hun woord leefde en deed

leven—de naïeve kamergeleerden—dor en vervelend, en gedoemd tot

onvruchtbaarheid—en de verwaande mooipraters—de kwakzalvers der

wetenschap. Vroeger waren ’t altemaal »proffen” voor hem, »afdraaien”

van een quantum wetenschap per uur.

Cornelis stapte gedurig op en neer. Eindelijk scheen hij zich te

bezinnen, opende de deur, nam zijn hoed van den ijzeren standaard in de

gang, en ging de straat op.

De brief, welks inhoud hem, schier woord voor woord, door ’t hoofd

spookte, op zijn wandeling langs Leiden’s buitensingels, was van dezen

inhoud:

Utrecht, 2 Juni 189 .

Waarde Kees,

Uw hartelijke brief heeft mij verheugd en bedroefd tevens. Ik zag

er uit, hoe gij nog steeds dezelfde vriendschap voor mij voelt als

in de dagen van ons samenzijn, en natuurlijk deed mij dat genoegen;

want ook mijnerzijds is de vriendschap niet verkoeld. Ik stel veel

belang in uw wedervaren, en ’t vertrouwen, dat gij in mij stelt,

weet ik te waardeeren.

Ik voel dan ook diep, dat gij van Clarine zulk een krenkende

bejegening ondervonden hebt. ’t Is mij volkomen begrijpelijk, dat

gij na zulk een optreden in opstand zijt gekomen tegen uw

voornemens, om—’t kostte wat het wilde—uw verhouding tot Clarine

zoo goed mogelijk te regelen. Ik geloof zelfs, dat de meeste mannen

in uw plaats minder zelfbedwang en zelfverloochening zouden getoond

hebben. Toch kan ik uw besluit, om verder geheel van haar af te

zien, niet billijken. Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze

nog beschikken kan, hoe zij Clarine’s hart nog tot inkeer kan

brengen. Werk dus, en hoop en wacht af. Gij moogt u niet onttrekken

aan de plichten, waartoe gij nog eenmaal geroepen kunt worden, in

weerwil van alles. Zij en haar kind kunnen vroeg of laat een beroep

doen op uw rechtvaardigheidsbesef.

Ik lijk wel een harde zedemeester. Maar, geloof mij, waarde vriend,

niets dan mijn oprechte overtuiging geeft mij deze woorden in de

pen. Ik moet u raden, nu gij mij ronduit vraagt, hoe ik over uw

handelwijze denk.

’t Is hard voor u, dat begrijp ik ten volle; maar als mijn

vriendschap u wat waard is—en ik weet immers, dat gij die op prijs

stelt—laat u dan raden. Ik ben uw oudere zuster als vroeger. Ik kan

niet anders voor u wezen. Wij hebben elk onzen plicht, en die moet

onze wegen vaneen houden, al gaan mijn gebeden en beste wenschen

ook met u. God sterke u.

Steeds uw vriendin,

Laura.

Leiden’s singels hebben een groot voordeel voor wandelaars in een

gemoedstoestand als Cornelis Udoma nadat hij ’t belangrijk epistel

ontvangen had: ze zijn eentonig, en de weg erlangs »wijst zich van

zelf.” Geen plotseling zich ontrollend grootsch natuurtafereel ontrukt

den peinzende aan zijn overdenkingen, den droomer aan zijn droomen,

geen afwisseling van schaduw en licht, van drukte en eenzaamheid doet

hem opkijken en zijn aandacht van doel veranderen, geen verbijsterende

drie- of viersprongen doen hem stilstaan, om zich te bezinnen en

uitsluitend aan de vraag te denken: waar moet ik nu heen? Neen, men

blijft de heele wandeling over, van begin- tot eindpunt, of eigenlijk

steeds door, als men wil,—want men gaat in een kring—inzichzelfgekeerd

als een Indische fakir.

Zoo ook nu, en Cornelis ondervond er den weldadigen invloed van. Toen

hij kwam op ’t punt, waar hij vandaan gekomen was, had de hevige

beroering in zijn zinnen en voelen tijd gehad wat te bedaren. Hij kon

ten minste weer geregeld denken: ’t was of de verwarde dooreenbruisende

denkmassa’s zich afgescheiden hadden in duidelijk waarneembare

onderdeelen.

En met de bedaring kwam eigenlijk de ware pijn. ’t Was er mee als met

een hevige lichamelijke aandoening, zóo hevig en plotseling, dat het

een poos duurt, voordat men er ’t eigenlijke besef van heeft.

Hij zag nu ook, helder afgeteekend in zijn brein, de hoofdgedachte van

den brief: Gij weet niet wat de Voorzienigheid in deze nog beschikken

kan. En ’t gebod »werk dus, en hoop en wacht af” had de plechtigheid

van een godswoord voor hem. Zijn ziel was er door bevangen, ’t Was zóo

en niet anders. Hij huiverde, en boog ’t hoofd in ootmoed.

Thuisgekomen—’t was half elf, en Frits nog niet terug—ging hij naar

zijn slaapkamer, zette zich op een stoel, als wist hij niet wat hij

deed. Zijn blik dwaalde mat langs den wand, en viel op ’t zoet gelaat

der »Mater Dolorosa” van Dolci.

Hij stond op, en ging weer naar de kamer, waar zijn schrijftafel

stond—in de andere vóor stond die van zijn contubernaal—en waar hij

gewoonlijk studeerde. En onderweg mompelde hij: »als een zuster... niet

anders... als een zuster...”

Hij greep een boek, ’t zelfde waarin hij dien morgen gelezen had, met

woest ongeduldig gebaar, en zette zich tot lezen.

Doch plotseling liet hij ’t hoofd voorover zinken, en barstte in

schokkend snikken uit.

’t Waren maar enkele oogenblikken. Hij bedwong zich, en ergerde zich

over zichzelven; zijn ziel kromp ineen onder den geeselslag zijner

zelftucht.

Hij zag zijn geluk—of datgene wat hij ervoor hield—dat hij zoo nabij,

zoo voor ’t grijpen geacht had, onverbiddelijk van zich heengaan. Haar

weg en de zijne voerden in verschillende richting. Hij zou dan tot

eenzaamheid gedoemd zijn, zijn heele verdere leven... of op een goeden

dag zijn lot moeten verbinden aan dat van een karakterlooze vrouw. O,

dat zou een hel zijn in dit leven, dat wist hij zeker: Hij kon zich van

Clarine niet voorstellen, dat ze ooit veranderen zou. En dat zwaard van

Damokles zou hem steeds boven ’t hoofd hangen; die dreigende

onweerswolk zou steeds haar schaduw werpen op al zijn denken en

streven! En toch geloofde Laura aan inkeer...

Een ondeelbaar oogenblik flitste de gedachte door zijn brein: zou zij,

Laura, wel zoo hard, zoo veeleischend wezen, als ze hem liefhad zooals

hij haar? Maar neen, Laura zou in alle omstandigheden zoo gesproken

hebben. Waarom niet even goed verondersteld, dat zij zich thans geweld

aandeed, dat zij inderdaad hem liefhad; maar de stem van haar gemoed

het zwijgen oplegde? Zeker, ze stond er hoog genoeg voor. En zoo geheel

onwaardig was hij niet...

Hij zou werken, hopen en afwachten, zeker. En eenzaam zijn... Laura was

de eenige vrouw, die hij ooit liefgehad had. Dat zou zoo blijven.

Huwelijksgeluk op andere wijze dan door en met haar kwam hem onmogelijk

voor, al ware ’t ook, dat zijn geweten hem eenmaal vrij liet.

»Dwaas, dweper, Don Quichot!” riep een stem in hem. »Je leven te

vergooien om een misstap in je jonge jaren! Wat een boetedoeners in de

wereld, als al je standgenooten, die iets dergelijks op hun kerfstok

hebben—er zijn er immers ettelijke zoo—er even zoo streng over dachten

als jij! Die storen er zich immers geen zier aan, vooral niet als de

medeplichtige uit een minderen stand is...”

’t Mocht wezen! Hij zou niet handelen als die anderen. Die anderen

moesten hun gedrag maar tegenover eigen geweten weten te verantwoorden,

zijn zonde en schuldbesef werden niet gebaat door anderer

onverschilligheid.

»Zoo, kereltje! Erg verdiept in je studie?”

Fritsje’s vroolijke stem ontrukte Cornelis aan zijn gemijmer. Hij had

den ander niet hooren binnenkomen, ofschoon hij vlak bij de deur zat,

waardoor zijn contubernaal de kamer was ingegaan.

Cornelis keerde zich om—hij had met de hand onder ’t hoofd gezeten,

half van de deur afgewend—en wierp een verwarden blik op Fritsje’s

klein pieterig baardeloos gezichtje, met de guitige oogjes, de

nauwelijks zichtbare witte wenkbrauwen, ’t wipneusje, ’t breede

ironische »aandachtsstreepje” als mond daaronder, de groote leelijke

ooren, en ’t geel-witte haar, als een kroonlijstje boven den gevelmuur

van zijn hoofd.

Hij schoot in een dwazen lach.

Fritsje trok een ernstig gezicht, zijn »diplomatengezicht,” zooals de

ander het noemde. Fritsje had groote plannen, en zijn vriend plaagde

hem er wel eens mee: hij woû in de diplomatie. Fortuin, een

jonkerstiteltje van ’15 en een heldere kop vormden zijn

beginkapitaal—velen beginnen met minder. Maar Fritsje’s uiterlijk was

lang niet indrukwekkend, vond Cornelis.

Dat hij nu zijn diplomatengezicht trok, was, omdat hij Cornelis vreemd

vond, onrustbarend vreemd. Hij keek zoo gek uit zijn oogen, en zag zoo

bleek. En Fritsje schudde ernstig ’t hoofd.

»Nog altijd die ouwe geschiedenis?” vroeg hij belangstellend, en kwam

bij Cornelis staan. Deze knikte, en mompelde bijna onverstaanbaar:

»Natuurlijk...”

»Nee, niet natuurlijk! Neem me niet kwalijk, hoor: ik vind, dat dat

krankzinnigewerk wordt... hoogst onnatuurlijk vind ik het.”

»En kun je niet begrijpen, dat ik me ongelukkig voel, omdat ik... mijn

heele... levensgeluk naar de maan moet gooien om... haar?”

Cornelis stond nu tegenover zijn vriend, met de handen diep in zijn

zakken, zijn eenen voet iets vooruit, het hoofd wat achterover.

»’t Is je eigen wil!” zei Frits schouderophalend.

»Mijn eigen wil, goed; maar ook die van een ander...” Cornelis wendde

’t hoofd af.

»Van een ander? En stoor jij je daaraan?” En Frits riep, als ging hem

een licht op, met half dichtgeknepen oogjes den ander aanziend:

»O zoo, die juffrouw Van Keulen bedoel je! Zoo zoo, kereltje, ben je

verliefd? Waarom me dat niet eerder gezegd?”

Cornelis kleurde.

»Om de eenvoudige reden, dat ’t nergens toe dienen zou, of jij ’t al

wist. Maar... ik ben niet verliefd: ik hoû van ’t meisje, en dat is

heel wat anders. Ik stel haar ontzaggelijk hoog...”

Er was een vochtige glans in Cornelis’ oogen. Hij ging eenige schreden

de kamer in.

Frits zweeg een oogenblik.

»En wil zij hebben, dat je.., hm... voortgaat met je en disponibilité

te houden tegenover die Clarine, als een gezant buiten functie

tegenover Hare Majesteit?”

»Ze gelooft vast, dat zoo iets mijn plicht is,” zei Cornelis somber:

Fritsje’s geestigheden hadden in den laatsten tijd maar zeer weinig

bijval. »En ik ben ’t met haar eens,” liet Cornelis volgen. Zijn stem

klonk bitter. Hij stond weer in dezelfde houding als een oogenblik te

voren, ditmaal half van zijn contubernaal afgekeerd, de handen in de

zakken, strak starend, en sprekend op een toon.

»Dat meisje houdt niet van je, Kees,” zei Fritsje plechtig.

»’t Kan wel...” Cornelis haalde zijn schouders op, en keek nog steeds

zijn vriend niet aan. »En toch... dat weet ik niet, daar! Ze is zoo

bizonder, zoo heel anders dan gewone meisjes van ’t alledaagsche

soort...”

»Hm, ik zie ’t al. Dan is ze geëxalteerd: een van die hoogvliegende,

sekselooze wezens... van de vrouwenbeweging.”

Frits was een groot bewonderaar van vrouwelijk schoon en wat hijzelf

»zoo’n beetje artistiekerigheid” noemde. Sedert dat hij eenige dames

ontmoet had, die voor de vrouwenbeweging ijverden met kortgeknipt haar,

een leelijk gezicht, dat vreeselijk boos keek, en overigens lang geen

»artistiekerig” voorkomen, meende Fritsje als zooveel anderen, dat al

de strijdsters voor vrouwenrechten per se zoo afschrikwekkend moesten

wezen.

Cornelis was niet zoo bevooroordeeld.

»Zeg nu niet je gewone dwaasheden, Frits,” zei hij kregelig. »Laura van

Keulen is een meisje, dat ik bizonder hoog acht. Dat heb ik je al eens

gezegd.”

»Nu goed, acht haar hoog, en heb haar lief, dat kan niets geen kwaad.

Ze zal wel bijdraaien. Let op mijn woorden.”

»Je kent haar niet!”

»Ik zeg je: wacht af. Die andere laat niets meer van zich hooren, en

die hoogernstige juffrouw zal zich nog wel bedenken. Laat ’t een jaar

duren, desnoods twee. Ze draait bij...”

»Och kom!” Cornelis was ongeduldig. De losse quasi-deftige toon van

zijn contub beviel hem niet best. ’t Speet hem eigenlijk, dat hij over

die zaak gesproken had.

»In allengeval geeft ’t je niets, of je al treurt, en er je zelf naar

om maakt...”

»’t Is ook zoo: ’t geeft: me niets... ’t geeft me niets...” antwoordde

Cornelis droomerig. Daarop plotseling van houding veranderend, keek hij

naar buiten. De glazen deuren, die op een verandaatje uitkwamen,

stonden open. De zon scheen vroolijk naar binnen, spelend met de ranken

klimop, die het uitbouwseltje langs latwerk omwonden.

»Kom, zullen we weer ’s op de veranda koffiedrinken? Wat dunkt je?”

Zijn toon was heel anders dan te voren.

»Best,” zei Fritsje. Hij keek zijn vriend aan. Hij begreep hem

tegenwoordig wel eens niet. Vreemd, en Fritsje had zoo’n geloof in zijn

menschenkennis! Hij stond ’t dichtst bij ’t bellekoord, en belde om de

meid.

»Je doet raar, kereltje” dacht hij, maar zei niets. Hij zou nog wel

gelegenheid hebben op te merken, dat zijn contub »raar” bleef doen, dat

wil zeggen afweek van algemeen gangbare banale standsvooroordeelen.

Cornelis leefde voor een idee. En de meeste menschen leven voor wat

anders, hun buik bijvoorbeeld. Fritsje behoorde tot het betere soort

banale menschen. Hij schudde meewarig ’t hoofd, en nam zich voor »niets

meer te zeggen.” Gelukkig voor den ander wellicht.

Zoo'n Nonna! · 第 27 / 33 题