GEWETENSVERBINTENIS.

Leiden, 31 Mei 189 .

Lieve Laura,

Nog vol van ’t gebeurde in de laatste dagen schrijf ik u deze

letteren. Ik voel behoefte als eertijds mijn hart te luchten, en u

een biecht te doen van ’t geen ik geleden en gedacht heb.

Ik heb u nooit willen schrijven, juist omdat onze intieme

verhouding van vroeger mij ertoe brengen zou, u openlijk alles te

zeggen wat er in mij omging. En dat mòcht ik niet. Waarom, zult ge

zeggen. Of hebt ge wellicht vermoed, dat slechts kieschheid mij

weerhield? Dat ik niet wilde zeggen wat u wellicht krenken kon in

uw verheven opvatting van wat plicht is?

Ik heb mijn plicht zoo duidelijk afgebakend vóor mij gezien, Laura,

zoo wreed gebiedend in mijn ooren hooren klinken al deze eindelooze

maanden! Ik heb mijn best gedaan, geloof me. Mijn leven is steeds

vol geweest van ’t schuld- en plichtbesef, zooals gij mij dat hebt

leeren kennen. De tijd van lijden is nu voorbij. Zoo zegt mijn hart

mij, en ik verheug me daarin.

Zeg me, of ik mij verheugen mag, en toe màg geven aan dit smachten

naar verlossing. Want ik ben niet gerust zoolang gij niet met mij

instemt.

Ik heb Clarine’s verblijfplaats ontdekt, door een toeval. Dadelijk

ben ik er heen gegaan, bezield met de heiligste voornemens.

O, geloof me, Laura, ik was oprecht, volkomen oprecht en vol moed.

Ik heb Clarine gezien. Ze woont in een klein huis bij een bergdorp

in de Ardennen met haar vader en haar kind. Welnu, ik ben haar daar

overvallen, vreezende, dat ze mij misschien vermijden zou, als ik

haar vooruit van mijn komst verwittigde. Ik heb gesmeekt en

gebeden, om mij in genade aan te nemen, om der wille van ons kind,

en dat terwijl ik mijn afkeer voor haar voelde razen in mijn

binnenste. Ze heeft me gehoond, en is woedend van me heengegaan. Ik

stond verplet. Ik kòn haar niet terugroepen. Ze zou zich niet aan

me gestoord hebben, me misschien met geweld belet hebben, verder

een woord met haar te spreken. Zulk een vrouw is tot alles in

staat. Ze is jaloersch tot krankzinnig wordens toe. Op u!

Ik kòn niet meer, ik wilde niet meer mezelven vernederen, Laura.

Wat ze mij in mijn gezicht geslingerd had, was te onwaardig. Ik wil

’t u niet zeggen, omdat die taal te onheilig, te vuil en te laag

was. Gij zijt te rein. En ik wàlg er van. Ik wil die ijselijke

woorden niet herhalen.

Ik ben teruggegaan zonder mijn kind gezien te hebben. Ik weet, dat

het leeft, en moet veronderstellen, dat het gezond is naar ’t geen

Clarine zeide. Ze houdt hartstochtelijk veel van ’t ventje. Ik

geloof ’t, en toch beklaag ik ’t wicht. ’t Zal hem stoffelijk wel

aan niets ontbreken: de oude Dauteville is immers rijk. Maar

overigens...

Wat kan ìk verder voor haar en haar kind doen? Zeg me, dat mijn

plicht volbracht is. Ik sta immers machteloos tegenover zulk een

krankzinnige koppigheid, zulk een bespottelijken trots? En gesteld

zelfs, dat ik haar, ondanks alles, nog kon overhalen, wat dan nòg?

Liefde is van haar kant niet te verwachten. ’t Is belachelijk eraan

te denken. En wat een huwelijk zou er uit worden! Wat een lot voor

haar, voor haar kind en voor mij! Zou ’t voor éen van ons beter

zijn? Onmogelijk. Er zou oneenigheid zijn van den eersten dag af,

en welk een opvoeding zou dat wezen voor ons kind! Ze zou me immers

beletten, het aan andere handen toe te vertrouwen, als ik ’t aan

die verderfelijke omgeving wilde onttrekken. En zelfs een engel zou

niet in staat zijn, in vrede te leven met zulk een vrouw. Ik zou

gek worden of bezwijken, als ik me dagelijks zulk een

bovenmenschelijk zelfbedwang moest opleggen.

Maak me gelukkig met de bevestiging van mijn nog weifelende

overtuiging. Ik heb mezelve zoo lang gewantrouwd, dat ik niet

gelooven kan zonder ’t besef van medegeloof.

Ik zal er niet minder boetvaardig om wezen, Laura. Ik zal boeten,

mijn gansche leven door. Maar ’t zal een boete zijn, die mijn

evenmensch ten goede komt. Dat is immers de eenige vorm van boete,

die God welbehagelijk kan wezen?

Ik zal me blijven wijden aan ernstige studie—geen boekenstudie

alleen, maar die van ’t leven en de maatschappij. Ik zal ’t goede

betrachten zooveel ik kan, en God dienen in daadwerkelijken dienst.

Ik zal woekeren met de rijke gaven, die Hij me geschonken heeft, en

misschien vind ik ten slotte voldoening.

Maar geef me den steun van uw instemming, uw vriendschap. O, mocht

ik eenmaal waardig wezen, om op meer dan die vriendschap te hopen!”

Cornelis had zoover geschreven. Hij hield op, staarde naar boven,

zuchtte, en schreef vlug:

Zoo'n Nonna! · 第 26 / 33 题