Cornelis.
Merkwaardig was de gelaatsverandering, die allengs bij Clarine plaats
had onder ’t lezen van Cornelis’ briefje. Schier verbijsterd, met vóor
zich uit starenden blik, ging ze naar de sofa, en nam haar vorige
houding weer aan. Ze was bleek en haar lippen trilden. Wanhoop, woede
en jaloezie raasden in haar, en ze kon niet schreien, ofschoon er
oogenblikken waren, dat ze ’t had willen uitgillen.
De jaloezie won het. Zijn lijden zonk in ’t niet, bestond niet bij den
rampspoed, die haar trof, en die dankte ze aan dat mensch, die Laura.
Een gebroken dijbeen! Ze geloofde er niets van, of ze moest ’t zien!
Alles was een smoesje: die geschiedenis van zijn vader, en dat gebroken
been, alles! Dat mensch hield hem van haar af, die nonna! O, Cornelis
had haar vaak over haar gesproken: een ver nichtje, een kind van een
neef van zijn vader, die in Indië gestorven was. Ze was door haar tante
streng opgevoed, en geheel door deze als eigen kind behandeld. Cornelis
had haar al gekend van haar achtste jaar, toen ze met haar tante in
Delmond kwam wonen. Cornelis had altijd gezegd, dat ze als kind zoo
lief was. Zij verdiende nu haar brood als verpleegster. Cornelis’ vader
had ’t nooit noodig gevonden zijn nicht te steunen, en deze was te fier
geweest om ooit steun van hem te vragen. Cornelis achtte haar hoog,
zeide hij.
Zoo’n verpleegster en dan nog een nonna! dacht de verontwaardigde
Clarine in al ’t meerderheidsbesef van haar stand en afkomst. Ze was
blank, en hoefde, Goddank, geen »meidenwerk” te doen als
ziekenoppasseres! Ze vond dat eenvoudig »dégoûtant.” Een meisje, dat
zoo iets deed, was per se gemeen, dus tot alles in staat, ook om
Cornelis van haar af te troggelen. En dan een liplap, dat kwam er nog
bij! Zoo’n mensch had immers geen moraliteit. O, stellig, Cornelis
zocht uitvluchten, had ’t heele verhaal verzonnen van a tot z, en nu
was hij nog zoo naïef er dat bij te vertellen: dat Laura hem
verpleegde! Ze moest en zou zich op de hoogte stellen... Maar wat dan
nog? Wat gaf het haar, of ze wist, dat alles leugen was? O, dan toch de
zekerheid, dat hij haar bedroog, en als ze zich dan rampzalig voelde,
zou ze toch de voldoening smaken van hem zijn ontrouw voor de voeten te
werpen, en haar de waarheid te zeggen. Zij zou ’t hooren, wat een
ellendeling hij was. En als ze dan een greintje eergevoel had, zou ze
hem niet willen hebben. Maar zou ze eergevoel bezitten? Ze was immers
een nonna! Nu goed, ze zou haar dan toch honen en beleedigen zooals ze
verdiende voor ’t verraad, dat ze haar dorst aandoen...
’t Jonge meisje sprong op van de sofa. Ze kòn ’t niet langer uithouden:
de wanhoop omtrent haar onmiddellijke toekomst maakte haar onrustig,
angstig, schier dol. Alles was nu verloren voor haar...
Naar ’t buitenland gaan... Hoe kalm onbeschaamd dorst hij haar dat aan
te raden! Hij zou dan wel komen! En daar moest ze zich aan onderwerpen,
omdat ze niet anders kon. Ja, blijven waar ze was, kon ze niet. Ze
moest alles opgeven: het gezellige leven in den Haag, haar
vriendinnen... Goed, maar ze zou zich niet door hem laten misleiden. Ze
zou hem toonen wie ze was! Ze zou hem vernederen, in ’t bijzijn van dat
schepsel als ’t kon. Dolzinnige plannen woelden Clarine door ’t hoofd.
Ze moest naar Delmond en Cornelis zien, ’t kostte wat ’t wilde. Wat
daarna met haar gebeuren zou, was haar niet duidelijk. Ze wilde zich
overtuigen, met eigen oogen zien, met eigen ooren hooren, hoe de
toestand was. Ze kòn niet gelooven wat die brief haar verteld had: daar
moest wat achter zitten. Valschheid was ’t! En een gedachte, een
argwaan nog nooit te voren bij haar opgekomen, martelde haar thans: als
Cornelis eens nooit van haar gehouden had... Als hij haar niet alleen
niet liefhad, maar haar nu minachtte... De pijn, die haar hierbij de
ziel doorsneed, de woede en gekwetste eigenliefde waren zóo groot, dat
ze op den grond stampte met haar kleine voetjes, en zich met een
verstikten kreet voorover op de sofa wierp.
Het beeld der zelfopofferende arbeidzame brave Laura, zooals Cornelis
haar zoo vaak in hun gesprekken beschreven had, kwam Clarine vóor den
geest. En ze schold en raasde bij haar zelve tegen de onbekende, wier
zedelijke meerderheid haar tergend toeblonk. Cornelis hield van haar,
van Laura, en had den moed niet het te bekennen! Maar ze liet niet met
zich spelen...
Weer vlamde haar toorn op, en verdreef ieder spoor van verteedering.
Met droge oogen richtte ze zich op. Ze keek verwilderd, haar wangen
gloeiden, haar neusvleugels bewogen zich zenuwachtig, haar boezem
hijgde.
Haar besluit was genomen.
Domine Dauteville kwam dien dag niet thuis »koffiedrinken,” dat wist
zijn dochter. Zoo iets gebeurde meer. Hij was dan gewoonlijk niet vóor
’t eten thuis, dat was tegen zes. Vóor dien tijd moest ze de reis
aanvaard hebben: ze vreesde, dat haar vader haar beletten zou te gaan.
Toen ze om drie uur op ’t perron van het Staatsspoor-station, toen nog
Rijnspoor-station, stond—met een regenmantel om, een kleine valies in
de hand, en het gezichtje weggedoken onder een vrij grooten hoed—op ’t
punt om in te stappen, kwam plotseling ’t dolle van haar tocht bij haar
op. Ze had een aandrift om terug te gaan, weer naar huis. Een
onbestemde angst overviel haar voor ’t onbekende, ’t onzekere, ’t
gewaagde van haar ondernemen. Wat dreef haar eigenlijk? Was ze gek?
Gek!? Omdat ze zich de zekerheid wilde geven, dat hij haar bedroog,
haar willens en wetens ellendig maakte? Haar minachtte om een ander! Om
die nonna!
Met een driftigen stap ging Clarine naar een openstaanden coupé en
stapte in.