HAAR LIEFDE.

’t Was smoorheet op dien herfstdag in den Haag. En ’t was al dagen

achtereen zoo geweest; geen koeltje aan de lucht en een strakblauwe

hemel. De Hagenaars waren lusteloos en verveelden zich over ’t algemeen

nog meer dan gewoonlijk. Velen der aanzienlijken en rijken waren juist

terug van hun reizen en hadden gehoopt nog een koelen tijd aan ’t

zeestrand van Scheveningen te kunnen doorbrengen. Maar ’t was er om te

stikken als overal in West-Europa; alleen ’s avonds begon ’t er beter

te worden. Dan was het strand zwart van de wandelaars en

klimaatschieters, en wemelde het terras voor ’t »Kurhaus”—’t was er

sinds kort met zijn onhollandschen naam—van luchtzoekende, luierende

menschen.

Op dien dertigsten September—een Zondag—zou de stroom

Scheveninggangers—ondanks ’t late seizoen—’s avonds wel ontzaggelijk

wezen. Maar in den voormiddag bleef menigeen om de warmte thuis. Zoo’n

ganschen Zondag—behalve den tijd om even te eten—te Scheveningen door

te brengen was anders niets bizonders.

Ook niet voor Clarine. Die had haar vaste clubje, waarmee ze

geregeld—drie meisjes onder elkaar—strandwaarts en weer stadwaarts

ging. Iedereen kende die drie, zoo niet »persoonlijk” dan toch van naam

of van aanzien. »De drie gratiën” was, vooral onder de jonge

officieren, een zeer gangbare bijnaam, waaronder het drietal befaamd

was. Waren ze niet alle drie even mooi—Clarine spande de kroon—toch

waren ze alle drie zeer smaakvol in kleeding en figuur. Aanbidders

legio natuurlijk, en zeer »serieuze” daarbij; want alle drie waren

»niet ongefortuneerd,” »spraken Engelsch”, zooals men zeide, ofschoon

ze geen van drie bizonder thuis waren in de Engelsche taal. Des te

beter wisten ze haar mondje te roeren in ’t eigenaardig, pikant

klinkend Haagsch Hollandsch, zooals dat daar in ’t bizonder door jonge

dames gesproken wordt: vleiend, zacht, met veel hoog en laag, met

gorgelende keelgeluidjes, en uitgekwinkeleerd door een snoezig minimum

mondje.

De gratiën hielden alle drie dol van »fietsen.” De morgenuren waren

voor die oefening de beste tijd. Nu echter was er staking voor Clarine

al sinds een paar weken. ’t Was jammer. De morgenwandelaars in ’t bosch

misten een welbekend, zeer gewaardeerd schouwspel: de drie rijwielende

meisjes, onberispelijk in een fietskostuum gestoken—alle drie van ’t

zelfde snit, schoon van verschillende kleuren—en gezeten op volkomen

gelijke ijzeren rossen, die ze keurig bereden. Wat een gelijkmatigheid,

wat een gepaste zwier en losse bevalligheid! Clarine had nu al eenige

keeren zich verontschuldigd. Ze bleef liever thuis; want ze voelde zich

onwel. En in de laatste dagen waren ook de beide anderen »gratiën” om

die »ontsettende vgeesleke wagmte” maar liever onder het ouderlijke dak

gebleven.

Clarine’s benedenkamer—een kamertje was ’t—kwam op den tuin uit. Dat

was haar ontvangkamertje, tevens »boudoir,” zooals zij ’t noemde. Haar

slaapkamer lag op de eerste verdieping. Ze had daar een kleine piano

staan, een divan met mollige kussens en verder ’t gewone meubilair en

de gewone opsierseltjes en wissewasjes, die dergelijke vertrekjes

kenmerken. Ook heerschte er dezelfde met flauwzoete geuren bezwangerde

atmosfeer. En er hing ’t zelfde boekenrekje met »mooie bandjes.” Vlak

voor ’t kamertje was een breede veranda met houten stijlen, waar langs

klimop groeide. Een breede openslaande deur deed de kunstgeuren van ’t

kamertje zich mengen met de natuurlijke uit den tuin. Een prachtig

rozenperk op korten afstand vóor de veranda droeg tot die

geurenharmonie wel ’t meeste bij.

In de hangmat tusschen de twee stijlen vóor Clarine’s pruiloord lag

dien morgen de lustelooze gestalte der bewoonster. ’t Boek, dat ze in

haar hand hield—lezen deed ze sinds een paar minuten niet meer—was een

romannetje van Fransch, of beter Parijsch maaksel. Clarine was goed

thuis in ’t Fransch. Bij haar was dat door haar afkomst nog minder te

verwonderen dan bij andere jonge meisjes en jongelui van haar stand en

leeftijd. Dank zij ’t vroege onderwijs in het Fransch, veel vroeger dan

van de beide andere »moderne talen,” is ieder vijftienjarige van eenige

opvoeding bij ons te lande in staat, te gaan grasduinen in ’t licht te

verstaan dichtsel der bende Parijsche grossiers in luchtige erotiek,

die jaar in jaar uit de wereld daarmee overstroomen. Verhalen van

erotischen aard hebben steeds, zoo oud de wereld is, een eigenaardige

bekoring gehad, vooral voor jeugdige hoorders en lezers. En aangezien

de in ’t Fransch geschreven verhalen van dat slag steeds in hoeveelheid

en afwisseling en licht verteerbaarheid ruimschoots opwegen tegen al

wat er in al de andere beschaafde talen ter wereld voorgebracht wordt,

spreekt het van zelf, dat zulk een vijftienjarige eerder naar een

Fransch romannetje grijpt dan naar een Engelsch of Duitsch. Hollandsche

erotiek van slecht gehalte heeft voor den jeugdigen mensch van eenige

opvoeding een lucht van gemeenheid en stegentaal, die dadelijk afstoot.

De Fransche beweegt zich bij voorkeur in adellijke kringen—»la petite

baronne,” »la jolie marquise de Coeurenjoie” of »le comte de

Nézenlair”—alles en allen in »hôtels,” zwemmende in ’t geld,

geparfumeerd en zwierig. Dat trekt. Zola met zijn laagbijdegrondsche

menschen en dingen wordt tusschen vijftien en twintig bijna niet

gelezen, al was ’t alleen om de moeilijkere taal—een taal, die op

school niet geleerd wordt—want om ’t vuile der beschreven toestanden en

zaken alleen zou men de lezing niet nalaten: dat wordt zoo niet gevoeld

in ’t Fransch. In de vertaling wordt Zola door geen beschaafd mensch in

Nederland gelezen.

Wat Clarine las, behoorde tot het honderd-bladzijden-in-een-uur-soort;

juist geschikt voor een zomerschen dag, als de hersens traag werken:

dat was hàar idee.

Ze was ’t niet eens met de heldin van ’t verhaal en daarover lag ze na

te denken. Die heldin verdronk zich ten slotte uit minnenijd, en omdat

ze in dezelfde hachelijke omstandigheden verkeerde als Clarine thans.

»’n Dom schepsel!” mompelde deze. Zij zou ’t om geen van beide redenen

doen. Clarine’s gepeins werd steeds ernstiger. De dikke donkere

wenkbrauwen fronsten zich, en ’t was, of haar houding minder

onverschillig lui werd. Haar weelderig donkerbruin haar, dat los om

haar schouders, gedeeltelijk over de hangmat heen hing, kreeg een

schuif naar boven, en haar rechterhand bleef meteen onder ’t hoofd

rusten. Haar anders levendige oogen keken strak, als wezenloos, naar

den kant van haar kamertje. Ze dacht—voor de honderdste maal in de

laatste drie weken—aan Cornelis en aan ’t andere. Zij zou zich niet

verdrinken... Brrr, om te ijzen! En wat die dokter haar voorgeslagen

had, de man, dien ze op aanwijzing van haar eenige vriendin, die in ’t

geheim was, had geraadpleegd, dat vond ze gruwelijk. O, ze dacht nu op

eens met een huivering aan dien avond, toen ze, met een dikken voile

voor, te voet naar ’t huis van dien man was geijld. Ze moest zekerheid

hebben, al voelde ze ook haar hart wegkrimpen van gekrenkte trots, van

schaamte. Ze kreeg die, zoover de medicus ze geven kon. En toen ze

wilde heengaan dat voorstel:

»’t Kan zonder bezwaar verholpen worden, Juffrouw,” zei de hoffelijke

arts, die, ook als chirurg zijn diensten verkocht, ’t Was een gewoon

zaakje voor hem. Hij was een van die wezens, zooals ze in allerlei

stand en betrekking voorkomen, welke hun bestaan zoeken in gewetenloos

geldslaan uit de zonden der menschen, als bromvliegen azend op rotting

en vuilnis. Hij wist niet beter, of deze jonge dame verlangde dat

gewone van hem.

»Wat bedoelt u?” Clarine staart den ander verwonderd aan, nog gloeiend

in haar gelaat, en strijkt de plooien van haar kleed glad.

»Wel, een kleine operatie... Zonder gevaar.” Dit laatste hoorde er zoo

bij, al wist hij, dat hij loog. Bij dames moet men rekening houden met

de zenuwen...

Clarine werd bleek. »Dank u,” antwoordde ze koel en stijf. »Wat ben ik

u schuldig?” De medicus maakte excuses. »Ik dacht... ziet u...” ’t Was

beter zich niet nader te verklaren: als zij van die kracht was, hoefde

ze niet te weten, dat het voorgeslagene voor hem niets bizonders was.

Clarine betaalde, groette uit de hoogte, en verliet het oord harer

vernedering. Op straat ademde ze op; in haar zenuwachtigheid liep ze

nog harder naar huis dan ze er vandaan gegaan was.

»O, God, gruwelijk, walgelijk!” zei Clarine zacht en met afschuw. Neen,

’t eenige was, dat Cornelis spoedig...”

Spoedig? ’t Was nu negen dagen geleden, dat ze zijn laatsten brief

ontvangen had... Waarom schreef hij niet; waarom—nog beter—kwam hij

niet? De gedachte, dat hij niet wilde, flitste haar door ’t hoofd. Hij

had zooveel bezwaren gemaakt. En toch in zijn brief was hij immers

hartelijk... Was hij dat werkelijk? Als hij ’s niet van haar hield...

Clarine sprong op, wipte uit de hangmat en haalde den brief in kwestie

uit haar lessenaartje. Achter in ’t kamertje bij de piano bleef ze

staan, een mooi beeld van angstige aandacht en bange verwachting.

Driftig smeet ze den brief neer.

»Nee, dat is niet hartelijk. Stijf, akelig stijf!” zei ze binnensmonds.

In haar opwinding zag ze alles wat Cornelis in die korte regels zeide

voor koele bejegening aan, en kon ze niet begrijpen, hoe ze nog kort te

voren daarin een hartelijken toon had kunnen ontdekken. En ze voelde

zich ellendig.

De dikke donkere wenkbrauwen saamgetrokken, de lippen op elkaar

gedrukt, zette ze zich op de sofa. Den eenen arm, half bloot voor den

dag komend uit de witte morgenjapon, sloeg ze om het groote

rechtopstaande kussen tegen den wand, en, achterover leunend, vestigde

haar blik zich strak op een punt in de zoldering van het vertrekje.

Hield Cornelis niet meer van haar, of... was hij misschien onder den

indruk van ’t noodlottige nieuws? En als hij niet meer van haar hield,

hoe kwam hij dan te veranderen? Had hij ooit van haar gehouden? O,

zeker, zeker. En ze dacht aan al de vurige liefdesbetuigingen, den

echten hartstocht van den jongen man: die kònden niet onecht of

gehuicheld wezen. En die bewezen voor haar zijn liefde volkomen. Als

dan die brief onhartelijk was...

En weer bukte ze zich om ’t overtuigingsstuk te raadplegen. Haar

wenkbrauwen bleven gefronst. Ze had de enkele regels weer gelezen, en

leî den brief naast zich neer, nog steeds in twijfel, niet wetend wat

te denken.

Daar hoorde ze kloppen. Ze sprong op en liep haastig naar de deur,

alsof ze bang was gestoord te worden. »Ja!”

»Er is een brief voor u!” riep een stem van buiten. ’t Was het

dienstmeisje. Ze dorst niet binnen te gaan, vol ontzag voor de

juffrouw, die haar een paar maal duchtig beknord had wegens stoornis in

haar heiligdom.

Clarine deed de deur op een kier, en stak haar hand door de opening, om

den brief aan te nemen.

Eén blik overtuigde haar, dat Cornelis de schrijver was. ’t Bloed steeg

haar naar ’t hoofd. Zenuwachtig plukte ze aan den omslag, zonder dat ’t

haar lukte dien te verwijderen. Toen trok ze met een ruk den brief voor

den dag.

Nog bij de deur van haar kamertje staande, las ze:

Lieve Clarine,

Ik ben wanhopig. Sinds drie dagen lig ik te bed met een gebroken

dijbeen. ’t Kost me ontzaggelijke inspanning je deze enkele regels

te schrijven. Maar ik moet. Ik heb alles gedaan wat ik kon; maar

mijn vader is onverzettelijk. Ik weet geen raad voor je, dan

alleen: ga naar ’t buitenland, en schrijf me. Houd me op de hoogte.

Ik kom bij je, zoodra ik kan. Als God wil, zal dat over zes weken

zijn, misschien eerst over twee maanden. En dan zal ik zien wat er

gedaan kan worden. Vertrouw in allen geval op mij. Ik lijd

vreeselijke pijnen, en mijn verpleegster, een vriendin uit mijn

kinderjaren—Laura, je weet wel—raadt mij hier maar te eindigen.

Geloof me als altijd.

Zoo'n Nonna! · 第 11 / 33 题